Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

Huidige tekst

Artikel 60 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

Geldt sinds 2 april 1977

Voorschrift 60 Alarminstallatie (1) Een alarminstallatie moet zijn aangebracht die elke storing moet melden waaraan aandacht moet worden geschonken. (2) (a) De alarminstallatie moet in de ruimte voor machines een hoorbaar alarmsignaal kunnen geven en moet elke afzonderlijke alarmfunctie op een geschikte plaats zichtbaar aangeven. In vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kan de Administratie echter toestaan dat de installatie elke afzonderlijke alarmfunctie alleen in het stuurhuis hoorbaar en zichtbaar aangeeft. (b) In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moet de alarminstallatie verbonden kunnen worden met de hutten van de machinisten door middel van een keuzeschakelaar naar elke hut en naar het dagverblijf van de machinisten, indien aanwezig. De Administratie kan andere voorzieningen toestaan die dezelfde veiligheid garanderen. (c) In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moet een machinistenalarm en een alarm in het stuurhuis bestemd voor de personen die de wacht houden, in werking worden gesteld, indien op een alarmfunctie geen acht is geslagen binnen een door de Administratie omschreven tijdsverloop. (d) Hoorbare en zichtbare alarmen moeten in het stuurhuis in werking gesteld kunnen worden in elke situatie waarbij de verantwoordelijke persoon die de wacht houdt handelend dient op te treden of die onder zijn aandacht moet worden gebracht. (e) De alarminstallatie moet zoveel mogelijk zijn ontworpen volgens het faalveilig principe. (3) De alarminstallatie moet: (a) ononderbroken gevoed worden, door middel van een automatische omschakeling op een noodvoeding in geval de normale voeding wegvalt; en (b) alarmeren in geval een storing in de normale voeding optreedt. (4) (a) De alarminstallatie moet tegelijkertijd meer dan één storing kunnen aangeven en de erkenning van een alarmsignaal mag het bijkomen van een ander alarmsignaal niet verhinderen. (b) De erkenning van een alarm op de plaats bedoeld in paragraaf (2)(a) moet tevens aangegeven worden op die plaatsen waar de alarmtoestand wordt gemeld. Alarmsignalen moeten voortduren totdat zij erkend zijn en de zichtbare aanduidingen moeten blijven werken totdat de storing is verholpen. Alle alarminrichtingen moeten automatisch teruggesteld worden, zodra de storing is opgeheven.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.