Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

Huidige tekst

Artikel 25 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

Geldt sinds 2 april 1977

Voorschrift 25 Waterloospoorten (1) Wanneer een verschansing op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek kuilen vormt, moet het minimumwaterloosoppervlak (A) in vierkante meters aan elke zijde van het schip voor elke kuil op het werkdek in verhouding tot de lengte (l) en de hoogte van de verschansing in de kuil als volgt vastgesteld worden: (a) A = 0,07 l (l behoeft niet groter te worden genomen dan 0,7 L). (b) (i) Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing meer is dan 1200 millimeter, moet het voorgeschreven oppervlak worden vergroot met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte voor elke 100 millimeter verschil in hoogte, (ii) Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing minder is dan 900 millimeter, mag het voorgeschreven oppervlak met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte worden verkleind voor elke 100 millimeter verschil in hoogte. (2) Het waterloosoppervlak dat volgens paragraaf (1) is berekend, wordt verhoogd, wanneer de Administratie van oordeel is dat de zeeg van het vaartuig niet voldoende is om een snelle en afdoende lozing van water van het dek te waarborgen. (3) Afhankelijk van de goedkeuring van de Administratie mag het minimumwaterloosoppervlak voor elke kuil op het bovenbouwdek niet kleiner zijn dan de helft van het oppervlak (A) zoals dat in paragraaf (1) is voorgeschreven. (4) Waterloospoorten moeten zodanig langs de lengte van de verschansingen zijn aangebracht, dat zeker gesteld is dat water zo snel en afdoende mogelijk van het dek wordt geloosd. Onderkanten van waterloospoorten moeten zo dicht mogelijk boven het dek liggen als praktisch uitvoerbaar is. (5) Lastplanken en inrichtingen waarmede vistuig wordt vastgezet, moeten zodanig aangebracht zijn dat de werking van waterloospoorten niet vermindert. Lastplanken moeten zo geconstrueerd zijn dat zij bij gebruik in de juiste stand vastgezet kunnen worden en mogen de lozing van overgekomen water niet belemmeren. (6) Waterloospoorten waarvan de hoogte meer dan 300 millimeter bedraagt, moeten voorzien zijn van staven met een onderlinge afstand van ten hoogste 230 millimeter en ten minste 150 millimeter of moeten voorzien zijn van andere geschikte beschermingsvoorzieningen. Indien waterloospoorten zijn voorzien van kleppen, moeten deze van goedgekeurde constructie zijn. Indien noodzakelijk wordt geacht dat kleppen tijdens visserijwerkzaamheden zijn voorzien van vastzetinrichtingen, moeten deze ten genoegen van de Administratie zijn en vanaf een gemakkelijk toegankelijke plaats eenvoudig te bedienen zijn. (7) Bij vaartuigen bestemd om gebruikt te worden in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, moeten kleppen en beschermingsvoorzieningen van waterloospoorten gemakkelijk verwijderd kunnen worden ten einde ijsafzetting te beperken. De afmetingen van openingen en inrichtingen aangebracht om deze beschermingsvoorzieningen te kunnen verwijderen, moeten ten genoegen van de Administratie zijn.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.