Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:1005Zaaknummer 25/03504

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
25/03504
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Betekening dagvaarding eerste aanleg “in persoon” door elektronische overdracht (art. 36b lid 2 Sv). Hoger beroep te laat ingesteld na verstekveroordeling. AG gaat in op regeling en praktische werking van elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen en verhouding tot EU-recht en EHRM-rechtspraak omtrent aanwezigheidsrecht en recht op ‘fresh determination’ na verstekveroordeling. AG overweegt dat onder (bijzondere) omstandigheden twijfel kan bestaan over vraag of verdachte na elektronische betekening “in persoon” van dagvaarding of mededeling uitspraak daadwerkelijk op hoogte is gekomen van bericht en (ondubbelzinnig) afstand heeft gedaan van aanwezigheidsrecht in eerste aanleg. AG concludeert dat termijnoverschrijding na elektronische betekening bij verstekveroordeling onder bijzondere omstandigheden verontschuldigbaar kan zijn en recht op hoger beroep bestaat. Wanneer ter zake gemotiveerd verweer wordt gevoerd, dient rechter daarop gemotiveerde beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen is aangevoerd. I.c. heeft verdachte gemotiveerd aangevoerd dat iemand anders heeft ingelogd in zijn MijnOverheid-account en hij daarom niet op hoogte was van digitaal aangeboden dagvaarding in eerste aanleg. Hof had hetgeen is aangevoerd volgens AG moeten betrekken bij beoordeling van ontvankelijkheid hoger beroep. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

De verdachte is bij arrest van 29 september 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-003317-24) niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en B.P.L. de Vries, allen advocaat, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2 Waar het in deze zaak om gaat

2.1

Centraal in deze zaak staat de regeling van de betekening van gerechtelijke mededelingen door middel van “elektronische overdracht” als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv.

2.2

In onderhavige zaak is de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg door het openbaar ministerie aan de verdachte aangeboden door middel van ‘elektronische overdracht’. Dat wil zeggen: door het plaatsen van een bericht met de dagvaarding in de Berichtenbox van de verdachte in de elektronische voorziening ‘MijnOverheid’. Vaststaat dat twee dagen na plaatsing van dat bericht is ingelogd in de MijnOverheid-omgeving van de verdachte met gebruikmaking van de persoonlijke inloggegevens van de verdachte. De verdachte is niet ter zitting van de politierechter verschenen en door de politierechter bij (mondeling) vonnis van 27 november 2024 bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven weken en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 14 maanden wegens overtreding van art. 8 lid 5 en art. 9 lid 7 Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 12 augustus 2023. Het hoger beroep is niet binnen 14 dagen na het vonnis ingesteld, om welke reden de verdachte door het hof niet-ontvankelijk is verklaard in dat hoger beroep. Art. 36f lid 2 Sv bepaalt immers dat “betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in artikel 36d, tweede lid.” Gelet daarop is volgens het hof op grond van art. 408 lid 1 onder a Sv de beroepstermijn aangevangen daags na het vonnis van de politierechter. Ter zitting van het hof hebben de verdachte en zijn raadsman aangevoerd dat niet de verdachte zelf, maar iemand anders heeft ingelogd. Zijn verloofde en zijn werknemers hebben namelijk de beschikking over zijn (inlog)gegevens. De werknemers hebben die gegevens nodig voor de uitvoering van het bedrijf van de verdachte (een autogarage). Volgens de verdachte heeft degene die heeft ingelogd alleen het bericht geopend dat die persoon nodig had en zijn de andere berichten op ‘ongelezen’ blijven staan. Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte het bericht van het openbaar ministerie niet heeft gezien, voor rekening van de verdachte komt.

2.3

Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. Volgens het middel is geen sprake van het in art. 36f lid 2 Sv bedoelde geval dat “degene voor wie gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening”, nu een ander dan de verdachte heeft ingelogd. Daarnaast voert het middel aan dat, nu de verdachte niet bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg en evenmin van zijn recht op hoger beroep, de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep strijdig is met art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR en/of art. 8 en 9 van Richtlijn (EU) 2016/343.

2.4

Het cassatiemiddel geeft daarmee aanleiding uitgebreider stil te staan bij de juridische en praktische kanten van het elektronisch betekenen van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, zoals dat sinds 1 januari 2020 – met de inwerkingtreding van de Wet USB[_500dbe8a-d5a1-48bd-bf3a-f7db9e59af0b] – op grond van het Wetboek van Strafvordering mogelijk is. De aanleiding daartoe is niet alleen gelegen in het feit dat elektronische betekening een beroep doet op het (digitale) ‘doenvermogen’ van burgers, waartoe zij – volgens onder meer de Nationale ombudsman[_d5f04970-21db-4c53-b63c-35f740edfc42] – niet zonder meer allemaal in staat zijn; die aanleiding is ook gelegen in het feit dat de strafkamer van de Hoge Raad zich, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet eerder heeft uitgelaten over de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen, die bovendien (getuige de tekst van art. 36b lid 2 Sv) de voorkeur van de wetgever geniet. De Hoge Raad wees recent wel (opnieuw) een arrest over het in het cassatiemiddel geduide aanwezigheidsrecht, (mede) in het licht van de eisen van art. 8 en 9 van Richtlijn (EU) 2016/343 en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in (onder meer) art. 6 EVRM.[_e03f4052-27e6-48a2-8103-ee65d8f0b489] De vraag is of het door de Hoge Raad gehanteerde kader in relatie tot het aanwezigheidsrecht/veroordeling bij verstek, dan wel de ontvankelijkheid van hoger beroep in strafzaken bij termijnoverschrijding aanpassing dan wel aanvulling behoeft indien het gaat om elektronisch betekende gerechtelijke mededelingen in strafzaken. Is ook in dat geval op grond van de huidige regeling voldoende gewaarborgd dat de kurk waarop de Nederlandse betekeningsregeling drijft – namelijk (zoals in de vorige (10e) druk van ‘Corstens’ nog werd opgemerkt)[_96aed9e9-992b-46a7-bf8d-839a2b460fa9] dat de verdachte nooit onherroepelijk kan worden veroordeeld voor een misdrijf zonder dat hij van de vervolging weet heeft – niet ‘kopje onder’ gaat? Of signaleert het ontbreken van eenzelfde opmerking in de meest recente (11e) druk van dit handboek wellicht dat die waarborg thans niet zonder meer nog in alle gevallen bestaat?

3 De opbouw van deze conclusie

3.1

In par. 4 schets ik de procedure in feitelijke aanleg in de onderhavige zaak. In par. 5 komt het juridisch kader met betrekking tot de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken en de relevante wetsgeschiedenis aan de orde. Elektronische betekening vindt plaats via de zogenoemde Berichtenbox van MijnOverheid. De daarop betrekking hebbende regelgeving wordt belicht in par. 6. De praktische kanten van het gebruik van de Berichtenbox voor de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken is onderwerp van par. 7. In par. 8 is er aandacht voor de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU in relatie tot het aanwezigheidsrecht en de voorwaarden waaronder naar het oordeel van het EHRM en het HvJ EU door een verdachte (veroordeelde) aanspraak moet kunnen worden gemaakt op een ‘fresh determination’ na een verstekveroordeling. Par. 9 behandelt de ter zake relevante jurisprudentie van de Hoge Raad. In par. 10 volgt een nadere beschouwing van de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen in het licht van de relevante jurisprudentie. Daar komt ook de vraag aan de orde of het door de Hoge Raad gehanteerde kader ter zake verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep in het geval van elektronisch betekende gerechtelijke mededelingen aanpassing/aanvulling behoeft. In par. 11 worden de eindjes aan elkaar geknoopt, waarna ik in par. 12 terugkeer naar het middel.

4 De procedure in feitelijke aanleg

4.1

Als vermeld, is de dagvaarding in eerste aanleg in de onderhavige zaak elektronisch aan de verdachte aangeboden door een bericht te plaatsen in de Berichtenbox (van de verdachte) van MijnOverheid. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitdraai van de “vastlegging van de elektronische overdracht” van deze gerechtelijke mededeling als bedoeld in art. 36i lid 1 Sv. Daaruit volgt dat de dagvaarding voor de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg op 6 september 2024 om 9:33 uur in de MijnOverheid Berichtenbox is geplaatst en dat twee dagen later, op 8 september 2024 om 19:37 uur, is ingelogd in MijnOverheid. Verder vermeldt de hiervoor genoemde vastlegging:

“Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan [verdachte], die is geplaatst in de Berichtenbox van MijnOverheid. In deze bevestiging is betrokkene geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.”

4.2

Bij de stukken bevindt zich daarnaast een bericht van de raadsman van de verdachte waarin hij zich als raadsman stelt in de strafzaak van de verdachte, waarbij de raadsman het parketnummer uit eerste aanleg vermeldt. De uitdraai van dit bericht bevat geen (e-mail)adressering en is niet van een datum voorzien. Daarmee geeft het bericht (mij) onvoldoende houvast om te concluderen dat de raadsman zich in eerste aanleg als raadsman van de verdachte heeft gesteld; het bericht kan ook na het door de raadsman instellen van hoger beroep zijn verstuurd naar het hof. De stukken van het geding zoals die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevatten niet een oproeping van de raadsman voor de terechtzitting van de politierechter, noch blijkt uit die stukken dat een afschrift van de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg ter kennis van de raadsman is gebracht.

4.3

De verdachte is blijkens de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter van 27 november 2024 bij verstek veroordeeld. De politierechter heeft hem wegens overtreding van art. 8 lid 5 en art. 9 lid 7 van de Wegenverkeerswet 1994 (te weten rijden onder invloed en rijden na (in)vordering van zijn rijbewijs) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken en een onvoorwaardelijke OBM van 14 maanden.

4.4

Blijkens de ‘akte instellen rechtsmiddel’ is op 13 december 2024 – dus 16 dagen na het vonnis – door de daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman van de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.[_aa91ed71-7494-405a-9d5b-1f901949a2d5]

4.5

De dagvaarding voor de zitting in hoger beroep van 29 september 2025 is blijkens de uitreikingsaktes in het dossier op drie verschillende momenten in juni en juli 2025 tevergeefs “op papier” aangeboden op de van de verdachte bekende adressen (te weten op het BRP-adres [a-straat 1] te [plaats], alsmede op de volgens de SKDB-staat laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte, zijnde [a-straat 2] te [plaats] ), waarna de gerechtelijke brief is uitgereikt aan het openbaar ministerie en een afschrift van de brief is verzonden aan voornoemd adressen. Of de dagvaarding in hoger beroep (ook) elektronisch is betekend, blijkt niet uit het dossier. Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een aan de advocaat van de verdachte geadresseerde dagvaarding van de verdachte in hoger beroep.

4.6

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van het hof van 29 september 2025. Op deze zitting van het hof, alwaar de verdachte en zijn raadsman aanwezig waren, is de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde geweest. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt het volgende in:

“De voorzitter stelt allereerst de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde.

[…]

De raadsman maakt desgevraagd zijn standpunt kenbaar:

Ik verzoek u om mijn cliënt te ontvangen in het hoger beroep. Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. In eerste aanleg is mijn cliënt gedagvaard voor de zitting van 27 november 2024. Op 6 september 2024 is de dagvaarding geplaatst in de berichtenbox van mijn.overheid.nl. Op 8 september 2024 zou er met de DigiD van cliënt zijn ingelogd. In de bevestiging zou cliënt geïnformeerd zijn over de elektronische overdracht van de dagvaarding. Cliënt stelt dat hij niet op de hoogte was van de dagvaarding. Het is goed mogelijk dat iemand anders heeft ingelogd met de DigiD van mijn cliënt. Uit het dossier blijkt niet dat het mijn cliënt is geweest die heeft ingelogd en die kennis heeft genomen van de dagvaarding. We stellen niet dat er sprake is van een ongeldige betekening, maar wel dat er geen sprake is van een betekening in persoon. De termijn voor het instellen van het hoger beroep is derhalve niet aangevangen op het moment dat het vonnis is gewezen. Het hoger beroep is derhalve tijdig ingesteld en mijn cliënt kan worden ontvangen in het hoger beroep.

De verdachte verklaart:

U, voorzitter, vraagt mij wie dan nog meer mijn inloggegevens heeft. Mijn werknemers hebben toegang tot mijn DigiD en mijn verloofde ook.

U, voorzitter, houdt mij voor dat dit erg onverstandig is. Dat kunt u wel stellen. Ik wist niet van de zitting bij de rechtbank. Twee weken later belde mijn advocaat dat er een zitting was geweest. Ik wist daar niets van. Ik dacht dat ik de brief per post zou krijgen.

U, voorzitter, houdt mij voor dat ik niets moet veronderstellen en dat ik een bericht heb gekregen dat ik moet inloggen met DigiD om het bericht te bekijken. De inloggegevens zijn overal hetzelfde. Ik moet met mijn DigiD inloggen om auto’s over te schrijven voor het werk.

De voorzitter deelt mede:

De regeling omtrent de digitale betekening is relatief nieuw. De wetgever gaat ervan uit dat als je inlogt met je DigiD, je dan ook daadwerkelijk zelf inlogt en niet dat iemand anders met jouw gegevens inlogt. U zegt nu dat iemand anders heeft ingelogd met uw gegevens.

De advocaat-generaal voert het woord:

Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. DigiD zijn persoonlijke inloggegevens. Als iemand anders met de gegevens van de verdachte heeft ingelogd, dan komt het voor rekening van de verdachte.

De verdachte verklaart desgevraagd dat hij begrijpt wat de advocaat-generaal zegt.

De raadsman brengt naar voren:

Mijn cliënt heeft een eigen autogarage. Zijn werknemers hebben toegang tot zijn gegevens. Die gegevens hebben de werknemers nodig voor de uitvoering van het bedrijf. Mijn cliënt zegt in ieder geval dat hij niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg. Het standpunt is ongewijzigd. Ik vraag uw hof om mijn cliënt het voordeel van de twijfel te geven en hem te ontvangen in het hoger beroep. Met name ook in verband met de grote gevolgen van het niet bijwonen van de strafzaak in eerste aanleg.

De voorzitter deelt mede:

Ik snap het belang van uw cliënt, maar eerst moet de ontvankelijkheid worden beoordeeld. Heeft u gevraagd wie er met uw gegevens ingelogd heeft?

De verdachte verklaart:

Ik weet wie het was. Ik heb gezegd dat hij zulke dingen wel aan mij door moet geven. Degene die heeft ingelogd zei dat er meerdere berichten waren en dat hij alleen het bericht heeft geopend dat hij op dat moment nodig had. De andere berichten blijven dan op ongelezen staan. Ik wist niet dat ik de oproep voor een zitting zou krijgen via mijn telefoon. Voorheen kreeg ik oproepen altijd per brief. Ik zit niet dagelijks in mijn berichtenbox te kijken.

De voorzitter deelt mede:

Ik begrijp wat u zegt. Ik vind het vervelend voor u, maar de wet is de wet. Dat u anderen laat inloggen met uw DigiD, is uw eigen risico. Ik snap dat u boos bent op de werknemer die heeft ingelogd, maar het is en blijft uw eigen verantwoordelijkheid.”

4.7

Het hof heeft vervolgens de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het hof heeft daartoe blijkens de aantekening van het mondeling arrest het volgende overwogen:

“De verdachte is ter terechtzitting van de politierechter van 27 november 2024 veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde.

De dagvaarding om voor die zitting te verschijnen is op 8 september 2024 middels elektronische overdracht aan de verdachte in persoon betekend. Verdachte bestrijdt niet dat het bericht via DigiD is binnengekomen, maar zegt wel dat hij het zelf niet gezien heeft. Dat is echter een omstandigheid die voor rekening van verdachte dient te komen.

Op grond van artikel 408 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering had de verdachte het hoger beroep in moeten stellen binnen veertien dagen na de einduitspraak van de politierechter. De verdachte heeft echter op 13 december 2024 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. De verdachte is daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”

5 Juridisch kader

5.1

De volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering en het Besluit digitale stukken Strafvordering zijn van belang.

- De bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering:

Art. 36b lid 2

“Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.”

Art. 36d lid 2

“De elektronische overdracht van een gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt met behulp van een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening.”

Art. 36f

“1. Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd.

2. Betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.”

Art. 36i

“1. Van iedere elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt langs elektronische weg vastgelegd:

a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;

b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;

c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;

d. de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft.

2. De eisen waaraan de vastlegging van de elektronische overdracht moet voldoen, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.”

Art. 408

“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;

d. […].

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

3. […]

4. […].”

- De bepalingen uit het Besluit digitale stukken Strafvordering:[_4913f0c5-1e58-4f35-b8ca-a551fe478c4c]

Art. 2

“Onze Minister wijst een elektronische voorziening aan ten behoeve van:

[…]

d. de betekening en kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, bedoeld in artikel 36b, tweede en derde lid, van de wet.”

Art. 3

“1. De elektronische voorziening voldoet aan de volgende eisen:

a. de gebruiker van de voorziening wordt geïdentificeerd;

b. na te gaan is wie de verzender is van het stuk;

c. na te gaan is of het stuk is gewijzigd na het moment van verzending;

d. na te gaan is op welk tijdstip het stuk is ontvangen respectievelijk ter beschikking is gesteld in de elektronische voorziening;

e. na te gaan is op welk moment zich in de voorziening een storing voordoet of zich heeft voorgedaan, en

f. het stuk in de voorziening is uitsluitend toegankelijk voor een gebruiker die daarvoor is geautoriseerd.

2. De inrichting van de elektronische voorziening voldoet aan de nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging en is in staat langs elektronische weg de gegevens, bedoeld in artikel 36i van de wet, vast te leggen. Bij ministeriële regeling kan nader worden bepaald aan welke standaarden de elektronische voorziening voldoet.”

Art. 5

“De indiening, toezending, kennisneming, verstrekking en betekening van stukken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, alsook de elektronische handtekening, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vereisen authenticatie met een middel dat voldoet aan de volgende eisen:

a. het middel is uitgegeven door de overheid of een onder toezicht van de overheid staande organisatie;

b. het middel gaat uit van een tweefactorauthenticatie of hoger, en

c. het middel is aangewezen door de bevoegde instanties.”

5.2

Art. 36b lid 2 Sv en art. 36f Sv zijn ingevoerd bij de hiervoor reeds genoemde Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) en in werking getreden op 1 januari 2020. De Wet USB voorziet in de mogelijkheid van elektronische kennisgeving van gerechtelijke mededelingen op twee niveaus, namelijk volledig elektronische betekening als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv en de elektronische ondersteuning van een fysieke betekening. Over dit laatste gaat het in deze conclusie niet.

5.3

Ik geef hierna de relevante passages uit de wetgeschiedenis weer. Bij lezing daarvan is van belang om voor ogen te houden dat bij de totstandkoming van de regeling voor elektronische betekening (in de periode 2014-2017) de leidende gedachte was dat een notificatie dat een te betekenen gerechtelijke mededeling elektronisch beschikbaar werd gesteld, zou worden verstuurd aan het e-mailadres dat de betrokkene in de strafrechtelijke procedure zelf had opgegeven. Naar dat e-mailadres zou, zo was het idee, tevens een notificatie worden verzonden dat er was ingelogd op het desbetreffende systeem, zodat via die weg bevestigd werd dat er een (geslaagde) betekening van het stuk had plaatsgevonden (en daarmee sprake was van betekening “in persoon”). Om die reden voorzag de Wet USB (onderdeel A) ook in de toevoeging van een derde lid aan art. 27a Sv, inhoudende:

“De verdachte wordt ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen gevraagd naar zijn elektronisch adres.”

5.4

De notificatieplicht dat er een bericht klaarstaat zou wettelijk worden verankerd in art. 36f lid 1 Sv, dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel luidde:

“Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan het elektronisch adres dat is opgegeven door degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is.”

5.5

In de hierna vermelde passages uit de wetsgeschiedenis wordt met regelmaat aan deze notificatie(s) op het door de verdachte zelf opgegeven e-mailadres gerefereerd. Na vaststelling van de Wet USB, maar voorafgaand aan de inwerkingtreding daarvan, werden de bepalingen die daarin voorzagen (waaronder dus art. 27a lid 3 Sv) evenwel ingetrokken/aangepast.[_f46ab090-7b6e-4040-879a-3a41e1b55492] Dat hield verband met het feit dat volgens de wetgever in de tussentijd was gebleken dat voor de communicatie met burgers via de Berichtenbox van MijnOverheid in toenemende mate geen e-mailadres meer wordt gebruikt, omdat veel gebruik wordt gemaakt van de Berichtenbox-app op mobiele communicatieapparatuur. Dat wil overigens niet zeggen dat de notificatieverplichting niet meer bestaat (waarover hierna meer).

5.6

De memorie van toelichting (uit vergaderjaar 2014/15) bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet USB vermeldt over de elektronische betekening als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv onder meer het volgende:[_54e4dfba-350e-49c1-976d-a0f48f33be88]

“6.3.1 Elektronische betekening

[…]

Het eerste, meest vergaande niveau is de voorgestelde mogelijkheid van volledig elektronische betekening (artikel 36b, tweede lid, Sv). Op basis van instemming van de betrokkene ontvangt hij op het door hem opgegeven e-mailadres een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. In dit verband vraagt de Raad voor de rechtspraak of ieder willekeurig e-mailadres kan worden opgegeven en of dit ook het e-mailadres van een ander kan zijn. Er is geen centrale overheidsregistratie waarin e-mailadressen zijn gekoppeld aan specifieke personen, zodat er enkel kan worden nagegaan of het opgegeven adres een geldig e-mailadres is. Van belang hierbij is dat de e-mailnotificatie weinig meer bevat dan een hyperlink naar de genoemde beveiligde omgeving. Om in te kunnen loggen moet de verdachte of veroordeelde zich digitaal identificeren met een authenticatiemiddel dat voldoet aan de eisen die binnen de in Europees verband ontwikkelde standaarden worden gesteld (voorgesteld artikel 36f Sv). Binnen het huidige Europese raamwerk (STORK) betekent dit dat zal worden aangesloten bij niveau 3. Dit niveau biedt een hoge mate van zekerheid voor de verificatie van de geclaimde identiteit van de gebruiker, zoals de NOvA terecht opmerkt. Hierbij kan worden gedacht aan het gebruik van DigiD waarbij niet alleen een gebruikersnaam en wachtwoord worden vereist, maar ook een sms-controle (DigiD midden, zie www.digid.nl). Bij de afgifte van een DigiD wordt een e-mailadres gekoppeld aan een burgerservicenummer. Voor online identificatie door bedrijven en overheden kan worden gedacht aan eHerkenning (zie www.eherkenning.nl). Beoogd is dat het systeem het moment registreert waarop de betrokkene inlogt en dus de aangeboden gerechtelijke stukken kan inzien. Pas na dit inloggen in de beveiligde omgeving is sprake van (elektronische) betekening in persoon. De betrokkene ontvangt nadat geautomatiseerd is vastgesteld dat is ingelogd een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat overeenkomstige gegevens als de akte van uitreiking die wordt opgemaakt van een fysieke uitreiking (artikel 36i Sv). De vastlegging van de elektronische overdracht wordt opgeslagen en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elke elektronische betekening geldt als betekening in persoon. Grootschalige toepassing van deze volledig elektronische betekening leidt uiteraard tot een aanzienlijke besparing ten opzichte van de huidige betekening in persoon van papieren stukken. Betrokkenen zijn niet verplicht tot inloggen om kennis te nemen van aan hun gerichte gerechtelijke mededelingen. Door de steeds grotere beschikbaarheid van technologische voorzieningen en de efficiëntievoordelen die volgen uit de plaats- en tijdonafhankelijkheid van elektronische betekening is niettemin de verwachting dat hiervan in toenemende mate gebruik zal worden gemaakt, zowel door professionele partijen zoals advocatenkantoren en grote bedrijven, als door verdachten en veroordeelden die graag op de meest eenvoudige manier of onopvallend vanachter de computer kennis willen nemen van gerechtelijke mededelingen. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het belang van de verdachte om kennis te nemen van gerechtelijke mededelingen kan wijzigen naarmate de procedure verder loopt; zo kan er wel belang worden gehecht aan kennisneming van het strafdossier, maar minder aan een veroordeling die ten uitvoer zal worden gelegd. In reactie op een vraag in het advies van de Raad voor de rechtspraak merken wij op dat de voorkeur uitgaat naar elektronische in plaats van fysieke betekening. Iemand die zijn elektronische adres opgeeft is daarmee echter niet gevrijwaard van fysieke betekening. Als bijvoorbeeld vanuit eerdere ervaringen met de verdachte of veroordeelde niet wordt verwacht dat iemand zal inloggen of er om andere redenen – zoals spoed – aanleiding is om iemand fysiek in persoon op te zoeken, dan wordt de elektronische betekening overgeslagen om vertraging te voorkomen. De beoordeling van wat een redelijke termijn is voor het pogen van elektronische betekening en wanneer wordt overgegaan tot fysieke betekening is ter beoordeling van de instantie die verantwoordelijk is voor de kennisgeving van de mededeling. Elektronische betekening is verder niet aan de orde op het moment dat iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen. […]”

5.7

In de memorie van toelichting wordt ook ingegaan op elektronische betekening tegen de achtergrond van het EVRM: een onderwerp dat in par. 8 van deze conclusie nog uitgebreid(er) aan de orde zal komen. De memorie van toelichting vermeldt daarover: [_4711fd47-327c-405d-8c4b-f8fb04de6687]

“6.5 Elektronische betekening en het EVRM

In het rechtsvergelijkend onderzoek naar betekening is in beeld gebracht in hoeverre de voorzieningen die er in de onderzochte landen zijn voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken acceptabel en werkbaar zijn, gelet op het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Voor geen van de onderzochte landen blijkt dat de inrichting van de regelgeving en de praktijk van aspecten van de betekening in strafzaken in strijd zijn met het EVRM-recht. De algemene conclusie van de onderzoekers is dat er geen al te grote belemmeringen zijn in de zin dat bepaalde modaliteiten reeds op voorhand moeten worden uitgesloten omdat zij in het geheel of in het merendeel van de gevallen in EVRM-context voor het EHRM niet acceptabel zijn (rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 169).

Voor een beschouwing van de betekenis van het EVRM voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken is van belang dat noch uit het EVRM, noch uit de jurisprudentie van het EHRM rechtstreeks eisen voortvloeien over hoe de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken er uit moet zien. De regeling daarvan is aan de verdragsstaten. De rechten die het EVRM aan de verdachte toekent zijn op onderdelen wel afhankelijk van de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken. Hierbij gaat het met name om de in artikel 6, derde lid, EVRM expliciet opgenomen rechten van verdachten over bijvoorbeeld het informeren van de verdachte over de tegen hem ingebrachte beschuldiging, en het in artikel 6, derde lid, EVRM door het EHRM ingelezen algemene recht op aanwezigheid van de verdachte bij zijn berechting. Dit aanwezigheidsrecht is niet absoluut; verstekveroordelingen zijn mogelijk. De overheid is niet verplicht verdachten op een zitting te doen verschijnen als deze zelf niet voldoende moeite doen betrokken te zijn in de procedure (EHRM 10 april 2003, Nunes Dias tegen Portugal, zaaknummer 69829/01). Om het aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen, moet de verdachte op de hoogte kunnen zijn van de terechtzitting. De overheid heeft hiertoe een inspanningsplicht. Die inspanningsplicht brengt met zich dat de overheid in alle strafzaken daadwerkelijk, op een actieve wijze, inspanningen dient te leveren ten einde de verdachte te bereiken over de komende terechtzitting (idem, blz. 175). Het EHRM heeft in de aan hem voorgelegde gevallen aangenomen dat onder omstandigheden ook op de verdachte een zekere inspanningsplicht rust om kennis te nemen van zijn zaak. Verdachten die zelf geen moeite doen om bereikbaar te zijn dan wel zich actief onbereikbaar houden voor de verschillende inspanningen die de overheid zich troost om de verdachte te informeren, kunnen niet zonder meer succesvol klagen dat hun aanwezigheidsrecht is geschonden op het moment dat het de overheid niet gelukt is hem te bereiken (EHRM 23 februari 1999, De Groot tegen Nederland, zaaknummer 34966/97, NJ 1999, 641; EHRM 16 december 1992, Hennings tegen Duitsland, zaaknummer 68/1991/ 320/292; EHRM 2 oktober 2007, Weber tegen Duitsland, zaaknummer 30203/03). Bij de beoordeling van dergelijke zaken door het EHRM hangt veel af van de omstandigheden van het concrete geval. Indien een verdachte niet op de terechtzitting aanwezig was en er bovendien onzekerheid bestond over de vraag of de verdachte zich bewust was van het feit dat er een procedure tegen hem aanhangig was, neemt het Hof als beoordelingskader voor het antwoord op de vraag of sprake is van een eerlijk proces in acht in hoeverre de overheid inspanningen heeft geleverd om contact met de verdachte te zoeken en op welke wijze die inspanningen in dat geval zijn vormgegeven. Daarbij is van belang dat aan de verplichting van de overheid om de verdachte op de hoogte te stellen van het feit dat er een strafzaak tegen hem gaat lopen, een zwaarder belang wordt toegekend naarmate het delict, waarvan de verdachte wordt beschuldigd, ernstiger is en de daarop gestelde straf hoger ligt (rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 152). Een bijkomende voorwaarde die het EHRM stelt naast de inspanningsplicht de verdachte te bereiken, is dat indien de verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting, die verdachte zijn zaak feitelijk nogmaals, maar dan in zijn aanwezigheid, moet kunnen laten behandelen in een full re-trial (idem, blz. 187; EHRM 12 februari 1985, Colozza tegen Italië, zaaknummer 9024/80). Bij een verstekveroordeling is de tijdige kennisgeving van de uitspraak aan de veroordeelde dus van belang voor het geven van deze mogelijkheid van een «fresh determination». Ook hiervoor geldt dat dit voor het EHRM niet een absoluut recht is. Als een verdachte op de juiste wijze op de hoogte was gesteld van zijn proces en van de datum van de terechtzitting en zijn afwezigheid duidelijk aan hemzelf te wijten is, kan een mogelijkheid van een inhoudelijke behandeling in hoger beroep aan de bij verstek veroordeelde worden onthouden (EHRM 14 juni 2011 [AG: bedoeld zal zijn: 2001], Medenica tegen Zwitserland, zaaknummer 20491/92; rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 188).

Het bovenstaande laat zich als volgt samenvatten. Het EVRM stelt geen materiële eisen aan een betekeningsregeling. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt geen beoordeling van de nationale regeling als zodanig, het gaat om de inspanningen die de overheid in het concrete geval op basis van die regeling heeft geleverd om de verdachte juist en tijdig te informeren, zodat hij zijn aanwezigheidsrecht heeft kunnen uitoefenen in eerste aanleg of in hoger beroep. Voor de voorgestelde mogelijkheden van elektronische kennisgeving binnen de Nederlandse betekeningsregeling geldt dat er tot op heden geen uitspraken bekend zijn waarin het Europese Hof zich heeft gebogen over het gebruik van elektronische middelen in het kader van kennisgevingen van gerechtelijke mededelingen. Als het gebruik van een e-mailadres dat de verdachte uitdrukkelijk voor het doel van het doen van gerechtelijke mededelingen ter beschikking stelt, helpt om de inhoudelijke doelen van adequate betekening te realiseren, zal het EHRM zich volgens de onderzoekers daartegen allicht niet verzetten (idem, blz. 169). Voor de thans voorgestelde wijziging die elektronische betekening mogelijk maakt, geldt dat deze geheel afhankelijk is van de vrijwillige medewerking van de betrokkene; de verdachte moet zelf een e-mailadres opgeven en kan er zelf voor kiezen om al dan niet in te loggen na de ontvangst van de notificatie. Van strijdigheid met het EVRM van de voorgestelde regeling voor de elektronische kennisgeving van gerechtelijke mededeling zal dus geen sprake zijn omdat in deze situatie bij niet verschijnen van de verdachte in de regel mag worden aangenomen dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.”

5.8

In de artikelsgewijze toelichting wordt in de memorie van toelichting over de te volgen werkwijze in relatie tot art. 36b lid 2 Sv het volgende opgemerkt:[_eff71079-e18e-4885-8356-e84ee1afd221]

“[…] Bij elektronische overdracht wordt de volgende werkwijze gevolgd. De betrokkene ontvangt op het door hem opgegeven e-mailadres (voorgesteld artikel 27a, derde lid, Sv) een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. Voor de identificatie op de website waarop de gerechtelijke mededeling worden aangeboden, zal gebruik worden gemaakt van DigiD (zie www.digid.nl) of een vergelijkbare authenticatie dienst. Hierbij wordt aangesloten bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Voor het inloggen met DigiD zal voor de betekening naast het standaardgebruik van een gebruikersnaam en wachtwoord de extra controle van een per sms ontvangen code worden vereist (STORK 3). In de aldus beveiligde omgeving kan de betrokkene kennis nemen van de aan hem gerichte gerechtelijke stukken. Het systeem zal het moment registreren waarop de betrokkene kennis kan nemen van de aangeboden stukken. De betrokkene ontvangt op dat moment een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat de gegevens genoemd in het voorgestelde artikel 36i Sv, onder meer de autoriteit die het gerechtelijke schrijven uitstuurt, het nummer van het schrijven, de persoon aan wie is uitgereikt en de dag en het uur van de uitreiking. Deze betekening door elektronische overdracht wordt vastgelegd en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elektronische betekening geldt als betekening in persoon.

De tweede volzin van het tweede lid maakt duidelijk dat in het geval betekening door elektronische overdracht mogelijk is, dat de voorkeur heeft. Betekening door elektronische overdracht is onmogelijk in het geval degene die de mededeling moet ontvangen geen e-mailadres heeft opgegeven. Daarnaast kan betekening door elektronische overdracht onmogelijk blijken doordat niet binnen een redelijke termijn wordt gereageerd op de aan het opgegeven e-mailadres verzonden notificatie. Wat een redelijke termijn is, is ter beoordeling aan het openbaar ministerie en kan afhankelijk zijn van de urgentie van de mededeling, maar bijvoorbeeld ook van eerdere ervaringen met het doen van mededelingen aan de geadresseerde. Als bij eerdere gelegenheden is gebleken dat de geadresseerde wel zijn e-mailadres heeft opgegeven, maar daarna nooit gebruik heeft gemaakt van de elektronische voorziening, kan de termijn heel kort zijn of elektronische betekening zelfs geheel worden overgeslagen.”

5.9

In de artikelsgewijze toelichting op art. 36f Sv wordt onder meer vermeld hoe de minister aankijkt tegen het door een ander dan de geadresseerde van de gerechtelijke mededeling inloggen in de Berichtenbox van die geadresseerde. De artikelsgewijze toelichting houdt op dit punt het volgende in:[_6eb24fd7-0455-4653-9aac-57220c7a0213]

“Deze bepaling geeft – analoog aan het bepaalde in artikel 36e Sv over de wijze van uitreiking van een gerechtelijk schrijven – de wijze waarop elektronische overdracht gebeurt. De stappen die hierbij worden gevolgd, zijn toegelicht bij de toelichting op artikel 36b. Betekening via elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als de geadresseerde zich voor de toegang tot de elektronische voorziening op de voorgeschreven wijze heeft geïdentificeerd (tweede lid). Het College van procureurs-generaal merkt in zijn advies op dat noch door het openbaar ministerie, noch door de rechter zou kunnen worden gecontroleerd of degene voor wie de mededeling bestemd is zich daadwerkelijk zelf de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening. Toegang tot de elektronische voorziening kan alleen worden verkregen door gebruik te maken van aan het burgerservicenummer van de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens. Aan die authenticatie, worden bij algemene maatregel van bestuur eisen gesteld. Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting en bij de toelichting bij artikel 36b Sv is toegelicht, gaat het om een meervoudige authenticatie met in elk geval wachtwoord en sms-verificatie. […]. Na de elektronische identificatie («inloggen») treft de betrokkene de voor hem bestemde stukken aan in de elektronische voorziening. In het door het College geschetste geval dat een (al dan niet uitdrukkelijk) gemachtigde zich in de praktijk met de gegevens van een ander toegang verschaft tot de elektronische voorziening, blijft dat bovendien niet onopgemerkt voor de betrokkene. De betrokkene ontvangt immers op het door hem opgegeven elektronisch adres een bevestiging dat hij heeft ingelogd (zie nader artikel 36i Sv en de bij die bepaling gegeven toelichting). Als adres wordt het elektronisch adres gebruikt dat de verdachte op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 27a Sv heeft opgegeven. Hiermee achten wij de zekerheid dat de geadresseerde zich zelf toegang verschaft tot de elektronische voorziening voldoende gegarandeerd. Als door onachtzaam gebruik van de persoonlijke authenticatiegegevens een ander via de elektronische voorziening (eveneens) kennis neemt van een gerechtelijke mededeling, is dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene. […].”

5.10

De nota naar aanleiding van het verslag vermeldt over elektronische betekening daarnaast nog:[_eaff103b-5045-4466-a02e-c83710683675]

“De leden van de SP-fractie zijn benieuwd of wat meer kan worden verteld over de termijn die zal worden aangehouden voordat wordt besloten of iemand niet reageert en betekening dus alsnog op papier moet plaats vinden. Daarnaast vragen deze leden naar de situatie dat er geen e-mailadres bekend is of onbekend is of iemand internet heeft. Graag beantwoorden wij eerst de laatste vraag van deze leden. Om over te kunnen gaan tot elektronische betekening van een gerechtelijke mededeling is nodig dat de overheid beschikt over het e-mailadres van de betrokkene. Aangezien er geen centrale overheidsregistratie bestaat waarin e-mailadressen zijn gekoppeld aan specifieke personen, is de overheid – bij betekening het openbaar ministerie – daarbij afhankelijk van door de betrokkenen zelf opgegeven wens per e-mail een notificatie te ontvangen. Indien daartoe geen e-mailadres bekend is, kan en zal dus niet worden overgegaan tot elektronische betekening. Het eerste deel van de vragen van deze leden ziet op de situatie dat er wel een e-mailadres bekend is, maar de naar dat adres verzonden e-mailnotificatie er niet toe leidt dat wordt ingelogd in het systeem (wat ook kan zijn omdat de betrokkene op dat moment geen beschikking heeft over internet). […] Voor wat betreft de termijn waarna van (de poging tot) elektronische betekening zal worden overgegaan tot fysieke betekening, geldt dat het openbaar ministerie – verantwoordelijk voor de tijdige kennisgeving – in overleg met het AICE zal bepalen hoe wordt beoordeeld wat een redelijke termijn is. Hierbij kunnen bijvoorbeeld eerdere ervaringen met de geadresseerde relevant zijn en de termijn waarbinnen de mededeling de betrokkene bereikt zou moeten hebben, bepalend zijn. Indien het een mededeling betreft die met spoed moet worden overhandigd, zal moeten worden afgezien van elektronische betekening. Voorop staat dat alle wettelijk vereiste inspanningen om de mededeling uit te reiken aan de geadresseerde worden geleverd, en dat betreft nooit enkel een poging tot elektronische betekening of uitreiking.

[…] Elektronische betekening is immers afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de geadresseerde: pas als hij of zij naar aanleiding van de verzonden notificatie inlogt in het systeem, is er sprake van een succesvolle betekening en kunnen daar processuele gevolgen aan worden verbonden.”

5.11

Als opgemerkt, is de in voornoemde passages opgenomen voorwaarde dat een e-mailadres van de verdachte beschikbaar is, nadien komen te vervallen: het voorgestelde art. 27a lid 3 Sv is niet ingevoerd en uit art. 36f lid 1 Sv is geschrapt dat de notificatie (dat een te betekenen gerechtelijke mededeling beschikbaar is) plaatsvindt op “het elektronisch adres dat is opgegeven” door de betrokkene.[_21be020b-1c95-4b5f-b59f-dc502e4c46b0] De memorie van toelichting bij de invoeringswet USB vermeldt:[_788a6835-7a8f-4d8b-bf7d-98984e2534c9]

“Bij de totstandkoming van de regeling voor elektronische betekening in de Wet USB was de leidende gedachte dat door het openbaar ministerie een notificatie aan een e-mailadres van de betrokkene zou worden gestuurd op het moment dat een te betekenen bericht elektronisch beschikbaar wordt gesteld (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 48 en 58). In de voorbereiding van de uitvoering van de elektronische betekeningsregeling is gebleken dat in de communicatie met burgers via de BerichtenBox van MijnOverheid (het beoogde systeem, dat bij ministeriële regeling zal worden aangewezen) in toenemende mate geen e-mailadres meer wordt gebruikt. Dit hangt samen met de toename in het gebruik van de BerichtenBox-app, waarbij notificatie plaatsvindt via een kort bericht op het scherm van het apparaat waarop de app is geïnstalleerd, dat ook wordt getoond als de app niet is geopend. Voor dergelijke pushberichten is geen e-mailadres nodig. Het systeem biedt dan ook de mogelijkheid voor de betrokkene om – na de eerste aanmelding waarvoor een geldig e-mailadres is vereist – zijn of haar e-mailadres te verwijderen zodat de elektronische voorziening niet in alle gevallen voorziet in een actueel e-mailadres. De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat ook bij eventuele toekomstige systemen voor de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen het e-mailadres niet leidend zal zijn.

Op grond van deze ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk strekt de thans voorgestelde wijziging van artikel 36i, eerste lid, Sv ertoe niet langer te verplichten dat bij een voltooide elektronische betekening «het elektronische adres waaraan het bericht is gestuurd dat de gerechtelijke mededeling beschikbaar is gesteld voor elektronische overdracht» wordt vastgelegd. Voor de goede orde wordt hierbij opgemerkt dat de rechter op basis van de gegevens die onverminderd op grond van artikel 36i Sv moeten worden vastgelegd, zoals de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft, nog steeds kan vaststellen dat er sprake is van een rechtsgeldige elektronische betekening in persoon.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het cassatieberoep
  2. 2 Waar het in deze zaak om gaat
  3. 3 De opbouw van deze conclusie
  4. 4 De procedure in feitelijke aanleg
  5. 5 Juridisch kader
  6. 6 De Berichtenbox van MijnOverheid: de regelgeving
  7. 8 Behandeling bij verstek en het recht op een ‘fresh determination’
  8. De rechtspraak van het EHRM
  9. 9 De jurisprudentie van de Hoge Raad
  10. Berechting bij verstek
  11. 9 Informatie over de uitspraak
  12. 10 Beroepsmogelijkheden
  13. 11 De eindjes aan elkaar geknoopt
  14. 12 Bespreking van het middel
  15. 13 Afronding

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/03504

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

De verdachte is bij arrest van 29 september 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-003317-24) niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en B.P.L. de Vries, allen advocaat, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2 Waar het in deze zaak om gaat

2.1

Centraal in deze zaak staat de regeling van de betekening van gerechtelijke mededelingen door middel van “elektronische overdracht” als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv.

2.2

In onderhavige zaak is de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg door het openbaar ministerie aan de verdachte aangeboden door middel van ‘elektronische overdracht’. Dat wil zeggen: door het plaatsen van een bericht met de dagvaarding in de Berichtenbox van de verdachte in de elektronische voorziening ‘MijnOverheid’. Vaststaat dat twee dagen na plaatsing van dat bericht is ingelogd in de MijnOverheid-omgeving van de verdachte met gebruikmaking van de persoonlijke inloggegevens van de verdachte. De verdachte is niet ter zitting van de politierechter verschenen en door de politierechter bij (mondeling) vonnis van 27 november 2024 bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven weken en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 14 maanden wegens overtreding van art. 8 lid 5 en art. 9 lid 7 Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 12 augustus 2023. Het hoger beroep is niet binnen 14 dagen na het vonnis ingesteld, om welke reden de verdachte door het hof niet-ontvankelijk is verklaard in dat hoger beroep. Art. 36f lid 2 Sv bepaalt immers dat “betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in artikel 36d, tweede lid.” Gelet daarop is volgens het hof op grond van art. 408 lid 1 onder a Sv de beroepstermijn aangevangen daags na het vonnis van de politierechter. Ter zitting van het hof hebben de verdachte en zijn raadsman aangevoerd dat niet de verdachte zelf, maar iemand anders heeft ingelogd. Zijn verloofde en zijn werknemers hebben namelijk de beschikking over zijn (inlog)gegevens. De werknemers hebben die gegevens nodig voor de uitvoering van het bedrijf van de verdachte (een autogarage). Volgens de verdachte heeft degene die heeft ingelogd alleen het bericht geopend dat die persoon nodig had en zijn de andere berichten op ‘ongelezen’ blijven staan. Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte het bericht van het openbaar ministerie niet heeft gezien, voor rekening van de verdachte komt.

2.3

Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. Volgens het middel is geen sprake van het in art. 36f lid 2 Sv bedoelde geval dat “degene voor wie gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening”, nu een ander dan de verdachte heeft ingelogd. Daarnaast voert het middel aan dat, nu de verdachte niet bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg en evenmin van zijn recht op hoger beroep, de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep strijdig is met art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR en/of art. 8 en 9 van Richtlijn (EU) 2016/343.

2.4

Het cassatiemiddel geeft daarmee aanleiding uitgebreider stil te staan bij de juridische en praktische kanten van het elektronisch betekenen van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, zoals dat sinds 1 januari 2020 – met de inwerkingtreding van de Wet USB[_500dbe8a-d5a1-48bd-bf3a-f7db9e59af0b] – op grond van het Wetboek van Strafvordering mogelijk is. De aanleiding daartoe is niet alleen gelegen in het feit dat elektronische betekening een beroep doet op het (digitale) ‘doenvermogen’ van burgers, waartoe zij – volgens onder meer de Nationale ombudsman[_d5f04970-21db-4c53-b63c-35f740edfc42] – niet zonder meer allemaal in staat zijn; die aanleiding is ook gelegen in het feit dat de strafkamer van de Hoge Raad zich, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet eerder heeft uitgelaten over de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen, die bovendien (getuige de tekst van art. 36b lid 2 Sv) de voorkeur van de wetgever geniet. De Hoge Raad wees recent wel (opnieuw) een arrest over het in het cassatiemiddel geduide aanwezigheidsrecht, (mede) in het licht van de eisen van art. 8 en 9 van Richtlijn (EU) 2016/343 en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in (onder meer) art. 6 EVRM.[_e03f4052-27e6-48a2-8103-ee65d8f0b489] De vraag is of het door de Hoge Raad gehanteerde kader in relatie tot het aanwezigheidsrecht/veroordeling bij verstek, dan wel de ontvankelijkheid van hoger beroep in strafzaken bij termijnoverschrijding aanpassing dan wel aanvulling behoeft indien het gaat om elektronisch betekende gerechtelijke mededelingen in strafzaken. Is ook in dat geval op grond van de huidige regeling voldoende gewaarborgd dat de kurk waarop de Nederlandse betekeningsregeling drijft – namelijk (zoals in de vorige (10e) druk van ‘Corstens’ nog werd opgemerkt)[_96aed9e9-992b-46a7-bf8d-839a2b460fa9] dat de verdachte nooit onherroepelijk kan worden veroordeeld voor een misdrijf zonder dat hij van de vervolging weet heeft – niet ‘kopje onder’ gaat? Of signaleert het ontbreken van eenzelfde opmerking in de meest recente (11e) druk van dit handboek wellicht dat die waarborg thans niet zonder meer nog in alle gevallen bestaat?

3 De opbouw van deze conclusie

3.1

In par. 4 schets ik de procedure in feitelijke aanleg in de onderhavige zaak. In par. 5 komt het juridisch kader met betrekking tot de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken en de relevante wetsgeschiedenis aan de orde. Elektronische betekening vindt plaats via de zogenoemde Berichtenbox van MijnOverheid. De daarop betrekking hebbende regelgeving wordt belicht in par. 6. De praktische kanten van het gebruik van de Berichtenbox voor de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken is onderwerp van par. 7. In par. 8 is er aandacht voor de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU in relatie tot het aanwezigheidsrecht en de voorwaarden waaronder naar het oordeel van het EHRM en het HvJ EU door een verdachte (veroordeelde) aanspraak moet kunnen worden gemaakt op een ‘fresh determination’ na een verstekveroordeling. Par. 9 behandelt de ter zake relevante jurisprudentie van de Hoge Raad. In par. 10 volgt een nadere beschouwing van de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen in het licht van de relevante jurisprudentie. Daar komt ook de vraag aan de orde of het door de Hoge Raad gehanteerde kader ter zake verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep in het geval van elektronisch betekende gerechtelijke mededelingen aanpassing/aanvulling behoeft. In par. 11 worden de eindjes aan elkaar geknoopt, waarna ik in par. 12 terugkeer naar het middel.

4 De procedure in feitelijke aanleg

4.1

Als vermeld, is de dagvaarding in eerste aanleg in de onderhavige zaak elektronisch aan de verdachte aangeboden door een bericht te plaatsen in de Berichtenbox (van de verdachte) van MijnOverheid. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitdraai van de “vastlegging van de elektronische overdracht” van deze gerechtelijke mededeling als bedoeld in art. 36i lid 1 Sv. Daaruit volgt dat de dagvaarding voor de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg op 6 september 2024 om 9:33 uur in de MijnOverheid Berichtenbox is geplaatst en dat twee dagen later, op 8 september 2024 om 19:37 uur, is ingelogd in MijnOverheid. Verder vermeldt de hiervoor genoemde vastlegging:

“Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan [verdachte], die is geplaatst in de Berichtenbox van MijnOverheid. In deze bevestiging is betrokkene geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.”

4.2

Bij de stukken bevindt zich daarnaast een bericht van de raadsman van de verdachte waarin hij zich als raadsman stelt in de strafzaak van de verdachte, waarbij de raadsman het parketnummer uit eerste aanleg vermeldt. De uitdraai van dit bericht bevat geen (e-mail)adressering en is niet van een datum voorzien. Daarmee geeft het bericht (mij) onvoldoende houvast om te concluderen dat de raadsman zich in eerste aanleg als raadsman van de verdachte heeft gesteld; het bericht kan ook na het door de raadsman instellen van hoger beroep zijn verstuurd naar het hof. De stukken van het geding zoals die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevatten niet een oproeping van de raadsman voor de terechtzitting van de politierechter, noch blijkt uit die stukken dat een afschrift van de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg ter kennis van de raadsman is gebracht.

4.3

De verdachte is blijkens de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter van 27 november 2024 bij verstek veroordeeld. De politierechter heeft hem wegens overtreding van art. 8 lid 5 en art. 9 lid 7 van de Wegenverkeerswet 1994 (te weten rijden onder invloed en rijden na (in)vordering van zijn rijbewijs) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken en een onvoorwaardelijke OBM van 14 maanden.

4.4

Blijkens de ‘akte instellen rechtsmiddel’ is op 13 december 2024 – dus 16 dagen na het vonnis – door de daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman van de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.[_aa91ed71-7494-405a-9d5b-1f901949a2d5]

4.5

De dagvaarding voor de zitting in hoger beroep van 29 september 2025 is blijkens de uitreikingsaktes in het dossier op drie verschillende momenten in juni en juli 2025 tevergeefs “op papier” aangeboden op de van de verdachte bekende adressen (te weten op het BRP-adres [a-straat 1] te [plaats], alsmede op de volgens de SKDB-staat laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte, zijnde [a-straat 2] te [plaats] ), waarna de gerechtelijke brief is uitgereikt aan het openbaar ministerie en een afschrift van de brief is verzonden aan voornoemd adressen. Of de dagvaarding in hoger beroep (ook) elektronisch is betekend, blijkt niet uit het dossier. Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een aan de advocaat van de verdachte geadresseerde dagvaarding van de verdachte in hoger beroep.

4.6

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van het hof van 29 september 2025. Op deze zitting van het hof, alwaar de verdachte en zijn raadsman aanwezig waren, is de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde geweest. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt het volgende in:

“De voorzitter stelt allereerst de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde.

[…]

De raadsman maakt desgevraagd zijn standpunt kenbaar:

Ik verzoek u om mijn cliënt te ontvangen in het hoger beroep. Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. In eerste aanleg is mijn cliënt gedagvaard voor de zitting van 27 november 2024. Op 6 september 2024 is de dagvaarding geplaatst in de berichtenbox van mijn.overheid.nl. Op 8 september 2024 zou er met de DigiD van cliënt zijn ingelogd. In de bevestiging zou cliënt geïnformeerd zijn over de elektronische overdracht van de dagvaarding. Cliënt stelt dat hij niet op de hoogte was van de dagvaarding. Het is goed mogelijk dat iemand anders heeft ingelogd met de DigiD van mijn cliënt. Uit het dossier blijkt niet dat het mijn cliënt is geweest die heeft ingelogd en die kennis heeft genomen van de dagvaarding. We stellen niet dat er sprake is van een ongeldige betekening, maar wel dat er geen sprake is van een betekening in persoon. De termijn voor het instellen van het hoger beroep is derhalve niet aangevangen op het moment dat het vonnis is gewezen. Het hoger beroep is derhalve tijdig ingesteld en mijn cliënt kan worden ontvangen in het hoger beroep.

De verdachte verklaart:

U, voorzitter, vraagt mij wie dan nog meer mijn inloggegevens heeft. Mijn werknemers hebben toegang tot mijn DigiD en mijn verloofde ook.

U, voorzitter, houdt mij voor dat dit erg onverstandig is. Dat kunt u wel stellen. Ik wist niet van de zitting bij de rechtbank. Twee weken later belde mijn advocaat dat er een zitting was geweest. Ik wist daar niets van. Ik dacht dat ik de brief per post zou krijgen.

U, voorzitter, houdt mij voor dat ik niets moet veronderstellen en dat ik een bericht heb gekregen dat ik moet inloggen met DigiD om het bericht te bekijken. De inloggegevens zijn overal hetzelfde. Ik moet met mijn DigiD inloggen om auto’s over te schrijven voor het werk.

De voorzitter deelt mede:

De regeling omtrent de digitale betekening is relatief nieuw. De wetgever gaat ervan uit dat als je inlogt met je DigiD, je dan ook daadwerkelijk zelf inlogt en niet dat iemand anders met jouw gegevens inlogt. U zegt nu dat iemand anders heeft ingelogd met uw gegevens.

De advocaat-generaal voert het woord:

Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. DigiD zijn persoonlijke inloggegevens. Als iemand anders met de gegevens van de verdachte heeft ingelogd, dan komt het voor rekening van de verdachte.

De verdachte verklaart desgevraagd dat hij begrijpt wat de advocaat-generaal zegt.

De raadsman brengt naar voren:

Mijn cliënt heeft een eigen autogarage. Zijn werknemers hebben toegang tot zijn gegevens. Die gegevens hebben de werknemers nodig voor de uitvoering van het bedrijf. Mijn cliënt zegt in ieder geval dat hij niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg. Het standpunt is ongewijzigd. Ik vraag uw hof om mijn cliënt het voordeel van de twijfel te geven en hem te ontvangen in het hoger beroep. Met name ook in verband met de grote gevolgen van het niet bijwonen van de strafzaak in eerste aanleg.

De voorzitter deelt mede:

Ik snap het belang van uw cliënt, maar eerst moet de ontvankelijkheid worden beoordeeld. Heeft u gevraagd wie er met uw gegevens ingelogd heeft?

De verdachte verklaart:

Ik weet wie het was. Ik heb gezegd dat hij zulke dingen wel aan mij door moet geven. Degene die heeft ingelogd zei dat er meerdere berichten waren en dat hij alleen het bericht heeft geopend dat hij op dat moment nodig had. De andere berichten blijven dan op ongelezen staan. Ik wist niet dat ik de oproep voor een zitting zou krijgen via mijn telefoon. Voorheen kreeg ik oproepen altijd per brief. Ik zit niet dagelijks in mijn berichtenbox te kijken.

De voorzitter deelt mede:

Ik begrijp wat u zegt. Ik vind het vervelend voor u, maar de wet is de wet. Dat u anderen laat inloggen met uw DigiD, is uw eigen risico. Ik snap dat u boos bent op de werknemer die heeft ingelogd, maar het is en blijft uw eigen verantwoordelijkheid.”

4.7

Het hof heeft vervolgens de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het hof heeft daartoe blijkens de aantekening van het mondeling arrest het volgende overwogen:

“De verdachte is ter terechtzitting van de politierechter van 27 november 2024 veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde.

De dagvaarding om voor die zitting te verschijnen is op 8 september 2024 middels elektronische overdracht aan de verdachte in persoon betekend. Verdachte bestrijdt niet dat het bericht via DigiD is binnengekomen, maar zegt wel dat hij het zelf niet gezien heeft. Dat is echter een omstandigheid die voor rekening van verdachte dient te komen.

Op grond van artikel 408 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering had de verdachte het hoger beroep in moeten stellen binnen veertien dagen na de einduitspraak van de politierechter. De verdachte heeft echter op 13 december 2024 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. De verdachte is daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”

5 Juridisch kader

5.1

De volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering en het Besluit digitale stukken Strafvordering zijn van belang.

- De bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering:

Art. 36b lid 2

“Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.”

Art. 36d lid 2

“De elektronische overdracht van een gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt met behulp van een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening.”

Art. 36f

“1. Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd.

2. Betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.”

Art. 36i

“1. Van iedere elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt langs elektronische weg vastgelegd:

a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;

b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;

c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;

d. de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft.

2. De eisen waaraan de vastlegging van de elektronische overdracht moet voldoen, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.”

Art. 408

“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;

d. […].

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

3. […]

4. […].”

- De bepalingen uit het Besluit digitale stukken Strafvordering:[_4913f0c5-1e58-4f35-b8ca-a551fe478c4c]

Art. 2

“Onze Minister wijst een elektronische voorziening aan ten behoeve van:

[…]

d. de betekening en kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, bedoeld in artikel 36b, tweede en derde lid, van de wet.”

Art. 3

“1. De elektronische voorziening voldoet aan de volgende eisen:

a. de gebruiker van de voorziening wordt geïdentificeerd;

b. na te gaan is wie de verzender is van het stuk;

c. na te gaan is of het stuk is gewijzigd na het moment van verzending;

d. na te gaan is op welk tijdstip het stuk is ontvangen respectievelijk ter beschikking is gesteld in de elektronische voorziening;

e. na te gaan is op welk moment zich in de voorziening een storing voordoet of zich heeft voorgedaan, en

f. het stuk in de voorziening is uitsluitend toegankelijk voor een gebruiker die daarvoor is geautoriseerd.

2. De inrichting van de elektronische voorziening voldoet aan de nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging en is in staat langs elektronische weg de gegevens, bedoeld in artikel 36i van de wet, vast te leggen. Bij ministeriële regeling kan nader worden bepaald aan welke standaarden de elektronische voorziening voldoet.”

Art. 5

“De indiening, toezending, kennisneming, verstrekking en betekening van stukken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, alsook de elektronische handtekening, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vereisen authenticatie met een middel dat voldoet aan de volgende eisen:

a. het middel is uitgegeven door de overheid of een onder toezicht van de overheid staande organisatie;

b. het middel gaat uit van een tweefactorauthenticatie of hoger, en

c. het middel is aangewezen door de bevoegde instanties.”

5.2

Art. 36b lid 2 Sv en art. 36f Sv zijn ingevoerd bij de hiervoor reeds genoemde Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) en in werking getreden op 1 januari 2020. De Wet USB voorziet in de mogelijkheid van elektronische kennisgeving van gerechtelijke mededelingen op twee niveaus, namelijk volledig elektronische betekening als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv en de elektronische ondersteuning van een fysieke betekening. Over dit laatste gaat het in deze conclusie niet.

5.3

Ik geef hierna de relevante passages uit de wetgeschiedenis weer. Bij lezing daarvan is van belang om voor ogen te houden dat bij de totstandkoming van de regeling voor elektronische betekening (in de periode 2014-2017) de leidende gedachte was dat een notificatie dat een te betekenen gerechtelijke mededeling elektronisch beschikbaar werd gesteld, zou worden verstuurd aan het e-mailadres dat de betrokkene in de strafrechtelijke procedure zelf had opgegeven. Naar dat e-mailadres zou, zo was het idee, tevens een notificatie worden verzonden dat er was ingelogd op het desbetreffende systeem, zodat via die weg bevestigd werd dat er een (geslaagde) betekening van het stuk had plaatsgevonden (en daarmee sprake was van betekening “in persoon”). Om die reden voorzag de Wet USB (onderdeel A) ook in de toevoeging van een derde lid aan art. 27a Sv, inhoudende:

“De verdachte wordt ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen gevraagd naar zijn elektronisch adres.”

5.4

De notificatieplicht dat er een bericht klaarstaat zou wettelijk worden verankerd in art. 36f lid 1 Sv, dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel luidde:

“Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan het elektronisch adres dat is opgegeven door degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is.”

5.5

In de hierna vermelde passages uit de wetsgeschiedenis wordt met regelmaat aan deze notificatie(s) op het door de verdachte zelf opgegeven e-mailadres gerefereerd. Na vaststelling van de Wet USB, maar voorafgaand aan de inwerkingtreding daarvan, werden de bepalingen die daarin voorzagen (waaronder dus art. 27a lid 3 Sv) evenwel ingetrokken/aangepast.[_f46ab090-7b6e-4040-879a-3a41e1b55492] Dat hield verband met het feit dat volgens de wetgever in de tussentijd was gebleken dat voor de communicatie met burgers via de Berichtenbox van MijnOverheid in toenemende mate geen e-mailadres meer wordt gebruikt, omdat veel gebruik wordt gemaakt van de Berichtenbox-app op mobiele communicatieapparatuur. Dat wil overigens niet zeggen dat de notificatieverplichting niet meer bestaat (waarover hierna meer).

5.6

De memorie van toelichting (uit vergaderjaar 2014/15) bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet USB vermeldt over de elektronische betekening als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv onder meer het volgende:[_54e4dfba-350e-49c1-976d-a0f48f33be88]

“6.3.1 Elektronische betekening

[…]

Het eerste, meest vergaande niveau is de voorgestelde mogelijkheid van volledig elektronische betekening (artikel 36b, tweede lid, Sv). Op basis van instemming van de betrokkene ontvangt hij op het door hem opgegeven e-mailadres een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. In dit verband vraagt de Raad voor de rechtspraak of ieder willekeurig e-mailadres kan worden opgegeven en of dit ook het e-mailadres van een ander kan zijn. Er is geen centrale overheidsregistratie waarin e-mailadressen zijn gekoppeld aan specifieke personen, zodat er enkel kan worden nagegaan of het opgegeven adres een geldig e-mailadres is. Van belang hierbij is dat de e-mailnotificatie weinig meer bevat dan een hyperlink naar de genoemde beveiligde omgeving. Om in te kunnen loggen moet de verdachte of veroordeelde zich digitaal identificeren met een authenticatiemiddel dat voldoet aan de eisen die binnen de in Europees verband ontwikkelde standaarden worden gesteld (voorgesteld artikel 36f Sv). Binnen het huidige Europese raamwerk (STORK) betekent dit dat zal worden aangesloten bij niveau 3. Dit niveau biedt een hoge mate van zekerheid voor de verificatie van de geclaimde identiteit van de gebruiker, zoals de NOvA terecht opmerkt. Hierbij kan worden gedacht aan het gebruik van DigiD waarbij niet alleen een gebruikersnaam en wachtwoord worden vereist, maar ook een sms-controle (DigiD midden, zie www.digid.nl). Bij de afgifte van een DigiD wordt een e-mailadres gekoppeld aan een burgerservicenummer. Voor online identificatie door bedrijven en overheden kan worden gedacht aan eHerkenning (zie www.eherkenning.nl). Beoogd is dat het systeem het moment registreert waarop de betrokkene inlogt en dus de aangeboden gerechtelijke stukken kan inzien. Pas na dit inloggen in de beveiligde omgeving is sprake van (elektronische) betekening in persoon. De betrokkene ontvangt nadat geautomatiseerd is vastgesteld dat is ingelogd een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat overeenkomstige gegevens als de akte van uitreiking die wordt opgemaakt van een fysieke uitreiking (artikel 36i Sv). De vastlegging van de elektronische overdracht wordt opgeslagen en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elke elektronische betekening geldt als betekening in persoon. Grootschalige toepassing van deze volledig elektronische betekening leidt uiteraard tot een aanzienlijke besparing ten opzichte van de huidige betekening in persoon van papieren stukken. Betrokkenen zijn niet verplicht tot inloggen om kennis te nemen van aan hun gerichte gerechtelijke mededelingen. Door de steeds grotere beschikbaarheid van technologische voorzieningen en de efficiëntievoordelen die volgen uit de plaats- en tijdonafhankelijkheid van elektronische betekening is niettemin de verwachting dat hiervan in toenemende mate gebruik zal worden gemaakt, zowel door professionele partijen zoals advocatenkantoren en grote bedrijven, als door verdachten en veroordeelden die graag op de meest eenvoudige manier of onopvallend vanachter de computer kennis willen nemen van gerechtelijke mededelingen. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het belang van de verdachte om kennis te nemen van gerechtelijke mededelingen kan wijzigen naarmate de procedure verder loopt; zo kan er wel belang worden gehecht aan kennisneming van het strafdossier, maar minder aan een veroordeling die ten uitvoer zal worden gelegd. In reactie op een vraag in het advies van de Raad voor de rechtspraak merken wij op dat de voorkeur uitgaat naar elektronische in plaats van fysieke betekening. Iemand die zijn elektronische adres opgeeft is daarmee echter niet gevrijwaard van fysieke betekening. Als bijvoorbeeld vanuit eerdere ervaringen met de verdachte of veroordeelde niet wordt verwacht dat iemand zal inloggen of er om andere redenen – zoals spoed – aanleiding is om iemand fysiek in persoon op te zoeken, dan wordt de elektronische betekening overgeslagen om vertraging te voorkomen. De beoordeling van wat een redelijke termijn is voor het pogen van elektronische betekening en wanneer wordt overgegaan tot fysieke betekening is ter beoordeling van de instantie die verantwoordelijk is voor de kennisgeving van de mededeling. Elektronische betekening is verder niet aan de orde op het moment dat iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen. […]”

5.7

In de memorie van toelichting wordt ook ingegaan op elektronische betekening tegen de achtergrond van het EVRM: een onderwerp dat in par. 8 van deze conclusie nog uitgebreid(er) aan de orde zal komen. De memorie van toelichting vermeldt daarover: [_4711fd47-327c-405d-8c4b-f8fb04de6687]

“6.5 Elektronische betekening en het EVRM

In het rechtsvergelijkend onderzoek naar betekening is in beeld gebracht in hoeverre de voorzieningen die er in de onderzochte landen zijn voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken acceptabel en werkbaar zijn, gelet op het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Voor geen van de onderzochte landen blijkt dat de inrichting van de regelgeving en de praktijk van aspecten van de betekening in strafzaken in strijd zijn met het EVRM-recht. De algemene conclusie van de onderzoekers is dat er geen al te grote belemmeringen zijn in de zin dat bepaalde modaliteiten reeds op voorhand moeten worden uitgesloten omdat zij in het geheel of in het merendeel van de gevallen in EVRM-context voor het EHRM niet acceptabel zijn (rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 169).

Voor een beschouwing van de betekenis van het EVRM voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken is van belang dat noch uit het EVRM, noch uit de jurisprudentie van het EHRM rechtstreeks eisen voortvloeien over hoe de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken er uit moet zien. De regeling daarvan is aan de verdragsstaten. De rechten die het EVRM aan de verdachte toekent zijn op onderdelen wel afhankelijk van de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken. Hierbij gaat het met name om de in artikel 6, derde lid, EVRM expliciet opgenomen rechten van verdachten over bijvoorbeeld het informeren van de verdachte over de tegen hem ingebrachte beschuldiging, en het in artikel 6, derde lid, EVRM door het EHRM ingelezen algemene recht op aanwezigheid van de verdachte bij zijn berechting. Dit aanwezigheidsrecht is niet absoluut; verstekveroordelingen zijn mogelijk. De overheid is niet verplicht verdachten op een zitting te doen verschijnen als deze zelf niet voldoende moeite doen betrokken te zijn in de procedure (EHRM 10 april 2003, Nunes Dias tegen Portugal, zaaknummer 69829/01). Om het aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen, moet de verdachte op de hoogte kunnen zijn van de terechtzitting. De overheid heeft hiertoe een inspanningsplicht. Die inspanningsplicht brengt met zich dat de overheid in alle strafzaken daadwerkelijk, op een actieve wijze, inspanningen dient te leveren ten einde de verdachte te bereiken over de komende terechtzitting (idem, blz. 175). Het EHRM heeft in de aan hem voorgelegde gevallen aangenomen dat onder omstandigheden ook op de verdachte een zekere inspanningsplicht rust om kennis te nemen van zijn zaak. Verdachten die zelf geen moeite doen om bereikbaar te zijn dan wel zich actief onbereikbaar houden voor de verschillende inspanningen die de overheid zich troost om de verdachte te informeren, kunnen niet zonder meer succesvol klagen dat hun aanwezigheidsrecht is geschonden op het moment dat het de overheid niet gelukt is hem te bereiken (EHRM 23 februari 1999, De Groot tegen Nederland, zaaknummer 34966/97, NJ 1999, 641; EHRM 16 december 1992, Hennings tegen Duitsland, zaaknummer 68/1991/ 320/292; EHRM 2 oktober 2007, Weber tegen Duitsland, zaaknummer 30203/03). Bij de beoordeling van dergelijke zaken door het EHRM hangt veel af van de omstandigheden van het concrete geval. Indien een verdachte niet op de terechtzitting aanwezig was en er bovendien onzekerheid bestond over de vraag of de verdachte zich bewust was van het feit dat er een procedure tegen hem aanhangig was, neemt het Hof als beoordelingskader voor het antwoord op de vraag of sprake is van een eerlijk proces in acht in hoeverre de overheid inspanningen heeft geleverd om contact met de verdachte te zoeken en op welke wijze die inspanningen in dat geval zijn vormgegeven. Daarbij is van belang dat aan de verplichting van de overheid om de verdachte op de hoogte te stellen van het feit dat er een strafzaak tegen hem gaat lopen, een zwaarder belang wordt toegekend naarmate het delict, waarvan de verdachte wordt beschuldigd, ernstiger is en de daarop gestelde straf hoger ligt (rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 152). Een bijkomende voorwaarde die het EHRM stelt naast de inspanningsplicht de verdachte te bereiken, is dat indien de verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting, die verdachte zijn zaak feitelijk nogmaals, maar dan in zijn aanwezigheid, moet kunnen laten behandelen in een full re-trial (idem, blz. 187; EHRM 12 februari 1985, Colozza tegen Italië, zaaknummer 9024/80). Bij een verstekveroordeling is de tijdige kennisgeving van de uitspraak aan de veroordeelde dus van belang voor het geven van deze mogelijkheid van een «fresh determination». Ook hiervoor geldt dat dit voor het EHRM niet een absoluut recht is. Als een verdachte op de juiste wijze op de hoogte was gesteld van zijn proces en van de datum van de terechtzitting en zijn afwezigheid duidelijk aan hemzelf te wijten is, kan een mogelijkheid van een inhoudelijke behandeling in hoger beroep aan de bij verstek veroordeelde worden onthouden (EHRM 14 juni 2011 [AG: bedoeld zal zijn: 2001], Medenica tegen Zwitserland, zaaknummer 20491/92; rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 188).

Het bovenstaande laat zich als volgt samenvatten. Het EVRM stelt geen materiële eisen aan een betekeningsregeling. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt geen beoordeling van de nationale regeling als zodanig, het gaat om de inspanningen die de overheid in het concrete geval op basis van die regeling heeft geleverd om de verdachte juist en tijdig te informeren, zodat hij zijn aanwezigheidsrecht heeft kunnen uitoefenen in eerste aanleg of in hoger beroep. Voor de voorgestelde mogelijkheden van elektronische kennisgeving binnen de Nederlandse betekeningsregeling geldt dat er tot op heden geen uitspraken bekend zijn waarin het Europese Hof zich heeft gebogen over het gebruik van elektronische middelen in het kader van kennisgevingen van gerechtelijke mededelingen. Als het gebruik van een e-mailadres dat de verdachte uitdrukkelijk voor het doel van het doen van gerechtelijke mededelingen ter beschikking stelt, helpt om de inhoudelijke doelen van adequate betekening te realiseren, zal het EHRM zich volgens de onderzoekers daartegen allicht niet verzetten (idem, blz. 169). Voor de thans voorgestelde wijziging die elektronische betekening mogelijk maakt, geldt dat deze geheel afhankelijk is van de vrijwillige medewerking van de betrokkene; de verdachte moet zelf een e-mailadres opgeven en kan er zelf voor kiezen om al dan niet in te loggen na de ontvangst van de notificatie. Van strijdigheid met het EVRM van de voorgestelde regeling voor de elektronische kennisgeving van gerechtelijke mededeling zal dus geen sprake zijn omdat in deze situatie bij niet verschijnen van de verdachte in de regel mag worden aangenomen dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.”

5.8

In de artikelsgewijze toelichting wordt in de memorie van toelichting over de te volgen werkwijze in relatie tot art. 36b lid 2 Sv het volgende opgemerkt:[_eff71079-e18e-4885-8356-e84ee1afd221]

“[…] Bij elektronische overdracht wordt de volgende werkwijze gevolgd. De betrokkene ontvangt op het door hem opgegeven e-mailadres (voorgesteld artikel 27a, derde lid, Sv) een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. Voor de identificatie op de website waarop de gerechtelijke mededeling worden aangeboden, zal gebruik worden gemaakt van DigiD (zie www.digid.nl) of een vergelijkbare authenticatie dienst. Hierbij wordt aangesloten bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Voor het inloggen met DigiD zal voor de betekening naast het standaardgebruik van een gebruikersnaam en wachtwoord de extra controle van een per sms ontvangen code worden vereist (STORK 3). In de aldus beveiligde omgeving kan de betrokkene kennis nemen van de aan hem gerichte gerechtelijke stukken. Het systeem zal het moment registreren waarop de betrokkene kennis kan nemen van de aangeboden stukken. De betrokkene ontvangt op dat moment een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat de gegevens genoemd in het voorgestelde artikel 36i Sv, onder meer de autoriteit die het gerechtelijke schrijven uitstuurt, het nummer van het schrijven, de persoon aan wie is uitgereikt en de dag en het uur van de uitreiking. Deze betekening door elektronische overdracht wordt vastgelegd en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elektronische betekening geldt als betekening in persoon.

De tweede volzin van het tweede lid maakt duidelijk dat in het geval betekening door elektronische overdracht mogelijk is, dat de voorkeur heeft. Betekening door elektronische overdracht is onmogelijk in het geval degene die de mededeling moet ontvangen geen e-mailadres heeft opgegeven. Daarnaast kan betekening door elektronische overdracht onmogelijk blijken doordat niet binnen een redelijke termijn wordt gereageerd op de aan het opgegeven e-mailadres verzonden notificatie. Wat een redelijke termijn is, is ter beoordeling aan het openbaar ministerie en kan afhankelijk zijn van de urgentie van de mededeling, maar bijvoorbeeld ook van eerdere ervaringen met het doen van mededelingen aan de geadresseerde. Als bij eerdere gelegenheden is gebleken dat de geadresseerde wel zijn e-mailadres heeft opgegeven, maar daarna nooit gebruik heeft gemaakt van de elektronische voorziening, kan de termijn heel kort zijn of elektronische betekening zelfs geheel worden overgeslagen.”

5.9

In de artikelsgewijze toelichting op art. 36f Sv wordt onder meer vermeld hoe de minister aankijkt tegen het door een ander dan de geadresseerde van de gerechtelijke mededeling inloggen in de Berichtenbox van die geadresseerde. De artikelsgewijze toelichting houdt op dit punt het volgende in:[_6eb24fd7-0455-4653-9aac-57220c7a0213]

“Deze bepaling geeft – analoog aan het bepaalde in artikel 36e Sv over de wijze van uitreiking van een gerechtelijk schrijven – de wijze waarop elektronische overdracht gebeurt. De stappen die hierbij worden gevolgd, zijn toegelicht bij de toelichting op artikel 36b. Betekening via elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als de geadresseerde zich voor de toegang tot de elektronische voorziening op de voorgeschreven wijze heeft geïdentificeerd (tweede lid). Het College van procureurs-generaal merkt in zijn advies op dat noch door het openbaar ministerie, noch door de rechter zou kunnen worden gecontroleerd of degene voor wie de mededeling bestemd is zich daadwerkelijk zelf de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening. Toegang tot de elektronische voorziening kan alleen worden verkregen door gebruik te maken van aan het burgerservicenummer van de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens. Aan die authenticatie, worden bij algemene maatregel van bestuur eisen gesteld. Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting en bij de toelichting bij artikel 36b Sv is toegelicht, gaat het om een meervoudige authenticatie met in elk geval wachtwoord en sms-verificatie. […]. Na de elektronische identificatie («inloggen») treft de betrokkene de voor hem bestemde stukken aan in de elektronische voorziening. In het door het College geschetste geval dat een (al dan niet uitdrukkelijk) gemachtigde zich in de praktijk met de gegevens van een ander toegang verschaft tot de elektronische voorziening, blijft dat bovendien niet onopgemerkt voor de betrokkene. De betrokkene ontvangt immers op het door hem opgegeven elektronisch adres een bevestiging dat hij heeft ingelogd (zie nader artikel 36i Sv en de bij die bepaling gegeven toelichting). Als adres wordt het elektronisch adres gebruikt dat de verdachte op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 27a Sv heeft opgegeven. Hiermee achten wij de zekerheid dat de geadresseerde zich zelf toegang verschaft tot de elektronische voorziening voldoende gegarandeerd. Als door onachtzaam gebruik van de persoonlijke authenticatiegegevens een ander via de elektronische voorziening (eveneens) kennis neemt van een gerechtelijke mededeling, is dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene. […].”

5.10

De nota naar aanleiding van het verslag vermeldt over elektronische betekening daarnaast nog:[_eaff103b-5045-4466-a02e-c83710683675]

“De leden van de SP-fractie zijn benieuwd of wat meer kan worden verteld over de termijn die zal worden aangehouden voordat wordt besloten of iemand niet reageert en betekening dus alsnog op papier moet plaats vinden. Daarnaast vragen deze leden naar de situatie dat er geen e-mailadres bekend is of onbekend is of iemand internet heeft. Graag beantwoorden wij eerst de laatste vraag van deze leden. Om over te kunnen gaan tot elektronische betekening van een gerechtelijke mededeling is nodig dat de overheid beschikt over het e-mailadres van de betrokkene. Aangezien er geen centrale overheidsregistratie bestaat waarin e-mailadressen zijn gekoppeld aan specifieke personen, is de overheid – bij betekening het openbaar ministerie – daarbij afhankelijk van door de betrokkenen zelf opgegeven wens per e-mail een notificatie te ontvangen. Indien daartoe geen e-mailadres bekend is, kan en zal dus niet worden overgegaan tot elektronische betekening. Het eerste deel van de vragen van deze leden ziet op de situatie dat er wel een e-mailadres bekend is, maar de naar dat adres verzonden e-mailnotificatie er niet toe leidt dat wordt ingelogd in het systeem (wat ook kan zijn omdat de betrokkene op dat moment geen beschikking heeft over internet). […] Voor wat betreft de termijn waarna van (de poging tot) elektronische betekening zal worden overgegaan tot fysieke betekening, geldt dat het openbaar ministerie – verantwoordelijk voor de tijdige kennisgeving – in overleg met het AICE zal bepalen hoe wordt beoordeeld wat een redelijke termijn is. Hierbij kunnen bijvoorbeeld eerdere ervaringen met de geadresseerde relevant zijn en de termijn waarbinnen de mededeling de betrokkene bereikt zou moeten hebben, bepalend zijn. Indien het een mededeling betreft die met spoed moet worden overhandigd, zal moeten worden afgezien van elektronische betekening. Voorop staat dat alle wettelijk vereiste inspanningen om de mededeling uit te reiken aan de geadresseerde worden geleverd, en dat betreft nooit enkel een poging tot elektronische betekening of uitreiking.

[…] Elektronische betekening is immers afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de geadresseerde: pas als hij of zij naar aanleiding van de verzonden notificatie inlogt in het systeem, is er sprake van een succesvolle betekening en kunnen daar processuele gevolgen aan worden verbonden.”

5.11

Als opgemerkt, is de in voornoemde passages opgenomen voorwaarde dat een e-mailadres van de verdachte beschikbaar is, nadien komen te vervallen: het voorgestelde art. 27a lid 3 Sv is niet ingevoerd en uit art. 36f lid 1 Sv is geschrapt dat de notificatie (dat een te betekenen gerechtelijke mededeling beschikbaar is) plaatsvindt op “het elektronisch adres dat is opgegeven” door de betrokkene.[_21be020b-1c95-4b5f-b59f-dc502e4c46b0] De memorie van toelichting bij de invoeringswet USB vermeldt:[_788a6835-7a8f-4d8b-bf7d-98984e2534c9]

“Bij de totstandkoming van de regeling voor elektronische betekening in de Wet USB was de leidende gedachte dat door het openbaar ministerie een notificatie aan een e-mailadres van de betrokkene zou worden gestuurd op het moment dat een te betekenen bericht elektronisch beschikbaar wordt gesteld (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 48 en 58). In de voorbereiding van de uitvoering van de elektronische betekeningsregeling is gebleken dat in de communicatie met burgers via de BerichtenBox van MijnOverheid (het beoogde systeem, dat bij ministeriële regeling zal worden aangewezen) in toenemende mate geen e-mailadres meer wordt gebruikt. Dit hangt samen met de toename in het gebruik van de BerichtenBox-app, waarbij notificatie plaatsvindt via een kort bericht op het scherm van het apparaat waarop de app is geïnstalleerd, dat ook wordt getoond als de app niet is geopend. Voor dergelijke pushberichten is geen e-mailadres nodig. Het systeem biedt dan ook de mogelijkheid voor de betrokkene om – na de eerste aanmelding waarvoor een geldig e-mailadres is vereist – zijn of haar e-mailadres te verwijderen zodat de elektronische voorziening niet in alle gevallen voorziet in een actueel e-mailadres. De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat ook bij eventuele toekomstige systemen voor de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen het e-mailadres niet leidend zal zijn.

Op grond van deze ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk strekt de thans voorgestelde wijziging van artikel 36i, eerste lid, Sv ertoe niet langer te verplichten dat bij een voltooide elektronische betekening «het elektronische adres waaraan het bericht is gestuurd dat de gerechtelijke mededeling beschikbaar is gesteld voor elektronische overdracht» wordt vastgelegd. Voor de goede orde wordt hierbij opgemerkt dat de rechter op basis van de gegevens die onverminderd op grond van artikel 36i Sv moeten worden vastgelegd, zoals de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft, nog steeds kan vaststellen dat er sprake is van een rechtsgeldige elektronische betekening in persoon.

Bij de totstandkoming van de regeling van de elektronische betekening was verder de gedachte dat de e-mailadressen in de elektronische voorziening zouden worden geplaatst door het openbaar ministerie, dat verantwoordelijk is voor de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen. Daartoe wordt met de Wet USB in de artikelen 27a, derde lid, en 51b, zevende lid, Sv voorgeschreven dat aan de verdachte en het slachtoffer naar dat elektronisch adres wordt gevraagd. Het voorgeschreven uitvragen van dit elektronische adres, wat uitsluitend voor het doel van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen gebeurt, blijkt een overbodige gegevensverwerking met bijbehorende onnodige administratieve lasten geworden. Zoals hierboven opgemerkt, is namelijk bij de (eerste) aanmelding bij MijnOverheid het opgeven van een e-mailadres vereist. Dat door de betrokkene zelf opgegeven e-mailadres zal worden gebruikt in die gevallen dat wel nog het elektronisch adres wordt gebruikt door de elektronische voorziening. Om deze reden wordt thans voorgesteld in artikel I van de Wet USB de onderdelen A en E te laten vervallen.”

Kort samengevat

5.12

De gedachte achter de elektronische betekening in de zin van art. 36b lid 2 Sv en art. 36f Sv was aldus oorspronkelijk dat de verdachte opgave kon doen van een e-mailadres, waarna hij op dat e-mailadres zowel een notificatie zou ontvangen dat een aan hem te betekenen gerechtelijke mededeling beschikbaar is, als een notificatie dat met zijn inloggegevens is ingelogd in het systeem en de geadresseerde op die wijze kennis heeft kunnen nemen van de (aldus betekende) gerechtelijke mededeling; die gerechtelijke mededeling geldt alsdan als “in persoon” aan hem betekend in de zin van de wet. Indien geen e-mailadres beschikbaar was en derhalve geen notificatie van de verdachte op dat e-mailadres mogelijk was, konden gerechtelijke mededelingen volgens de toelichting op het wetsvoorstel USB niet elektronisch betekend worden.

5.13

Nadien is de verplichting om opgave te doen van een e-mailadres als bedoeld in het voorgestelde art. 27a lid 3 Sv komen te vervallen, onder meer vanwege het toenemende gebruik van de Berichtenbox-app van MijnOverheid. In dat geval ontvangt de verdachte volgens de wetgever een notificatie van een voor hem bestemde gerechtelijke mededeling via een pushbericht. In alle andere gevallen ontvangt de verdachte – indien hij op enig moment heeft aangegeven voor het openbaar ministerie digitaal bereikbaar te zijn – de notificatie dat een voor hem bestemde gerechtelijke mededeling beschikbaar is, op het e-mailadres dat hij bij aanmelding van MijnOverheid heeft opgegeven (tenzij de verdachte in MijnOverheid te kennen heeft gegeven dergelijke notificaties niet te willen ontvangen; zie hierna in par. 6 en 7).

5.14

Kennelijk achtte de wetgever voldoende verzekerd dat de verdachte op die wijze op de hoogte wordt gebracht van aan hem te betekenen en betekende gerechtelijke mededelingen. De vraag of die veronderstelling onder alle omstandigheden gerechtvaardigd is, komt in het hierna volgende aan de orde.

6 De Berichtenbox van MijnOverheid: de regelgeving

6.1

De elektronische overdracht van gerechtelijke mededelingen moet volgens art. 36d lid 2 Sv plaatsvinden met behulp van een “elektronische voorziening”. Als zodanig is bij besluit van de minister – als het gaat om de betekening en kennisgeving van gerechtelijke mededelingen – met ingang van 26 mei 2020 (onder meer) ‘MijnOverheid’ aangewezen.[_0ca6ec62-9449-48f0-b57c-d9d5eed4934e] MijnOverheid biedt na inloggen onder meer toegang tot de Berichtenbox, waarmee tal van (semi-) overheidsorganisaties op één centrale plek digitaal berichten aan burgers kunnen sturen: andersom (het door de burger versturen van berichten aan één van de bij MijnOverheid aangesloten organisaties) is niet mogelijk. MijnOverheid is de “elektronische voorziening” als bedoeld in art. 36d lid 2 Sv die het openbaar ministerie gebruikt voor het elektronisch betekenen van gerechtelijke mededelingen door de berichten in de Berichtenbox te plaatsen.[_4141364e-7bba-4647-bdce-3d74bdf8abba] MijnOverheid omvat meer ‘diensten’ dan alleen de Berichtenbox. Inloggen kan ook om ‘Lopende zaken’ – zoals een vergunningsaanvraag – te bekijken of om inzicht te krijgen in de persoonlijke gegevens die de overheid van de desbetreffende burger aanhoudt op het gebied van identiteit, financiën, wonen etc.[_e1f3c2e4-5ad7-4f14-b4ba-d9715c475022] In 2025 verzonden 431 overheidsorganisaties in totaal 92 miljoen berichten aan burgers via de Berichtenbox.[_2870a639-9082-4e69-8853-9c5b3a7bba39] Het aantal actieve MijnOverheid-accounts lag eind 2025 op 11,7 miljoen.[_ea1d3d8b-f5fb-4a59-9973-c7c87949f1e2] Na 3 weken was 68% van die ruim 92 miljoen berichten volgens de Monitor Digitale overheid geopend: na 6 weken was dat 74%. In 2023 waren deze percentages respectievelijk 65% en 71%; in 2022 (en 2021) 63% en 69%.[_948588bc-d50f-4092-92b9-bf629b6dcfa2] Volgens een rapport van de Nationale Ombudsman uit december 2023 heeft 92% van de gebruikers van MijnOverheid een e-mailadres aan het account gekoppeld.[_53342ddf-ca22-4e55-b709-07394c548507]

6.2

Over de Berichtenbox is in juridisch opzicht al veel te doen geweest, met name in het bestuursrecht. Dat houdt verband met het feit dat een burger kenbaar kan maken om hem aangaande besluiten van bestuursorganen via de Berichtenbox te willen ontvangen. Bestuursrechtelijk geldt dan het moment van plaatsing van het besluit in de Berichtenbox als het moment van bekendmaking van dat besluit in de zin van art. 3:41 lid 1 Awb.[_476b5d29-1542-483b-a047-519fbb17c827] Als gevolg daarvan is in het bestuursrecht meerdere malen de situatie aan de orde geweest dat de belanghebbende niet tijdig kennis heeft genomen van het besluit, omdat hij informatie omtrent de plaatsing van het besluit in de Berichtenbox – in de vorm van een notificatie – niet (tijdig) had ontvangen (of gezien). Daarover gaat de in februari 2026 verschenen, uitgebreide en lezenswaardige conclusie van mijn ambtgenoot Pauwels (ECLI:NL:PHR:2026:152), die ook een bespreking van de totstandkoming van de Berichtenbox en de betekenis die aan notificeren wordt toegekend in de verschillende regelingen en/of toelichtingen omvat. Dat is – om met de woorden van AG Pauwels te spreken – (enigszins) “taaie kost”. Voor een goed begrip van de problematiek die elektronisch betekenen met zich brengt, lijkt het niettemin goed om ook in deze conclusie kort aandacht te besteden aan de regelgeving aangaande de Berichtenbox. Die regelgeving (en de toelichting daarop) is namelijk in potentie ook relevant voor de vraag welke verantwoordelijkheden de overheid en de burger toekomen met betrekking tot het gebruik van de Berichtenbox.

6.3

Om die reden vat ik hieronder kort de aanloop naar, en de regelgeving omtrent de Berichtenbox samen voor zover relevant voor de elektronische betekening in strafzaken. Voor een meer volledig – zij het op het bestuursrecht toegespitst – overzicht verwijs ik naar de hiervoor genoemde conclusie van AG Pauwels.

6.4

Bij brief van 10 april 2006 kondigde de minister voor Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijkrelaties de (verdere) ontwikkeling van een Persoonlijke Internet Pagina (PIP) aan: een ‘digitale toegangsdeur’ tot overheidsinformatie en dienstverlening. De PIP zou burgers en bedrijven onder meer de mogelijkheid moeten bieden om “berichten van de overheid voortaan niet meer verspreid maar op een plek elektronisch te ontvangen.”[_e51f23e1-3006-4842-bcb6-3b9206d3f81a] Nadien kreeg de PIP “de merknaam MijnOverheid.nl”.[_34abe8c0-35ea-4d46-9b84-a56c566b2e5b]

6.5

Een wettelijke grondslag voor voorzieningen voor elektronisch berichtenverkeer (MijnOverheid/Berichtenbox) kwam er met (art. X van) de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (WEBB), die op 1 november 2015 in werking trad.[_6337151b-80a1-4d51-a179-4ac19b3e7678] Anders dan de naam van de wet zou kunnen doen vermoeden, is de wettelijke grondslag voor de infrastructuur van elektronisch berichtenverkeer met de overheid in art. X WEBB niet alleen van belang voor berichtenverkeer met de Belastingdienst, maar ook voor berichtenverkeer met andere overheden. Dat houdt ermee verband dat MijnOverheid een “uniforme, overheidsbreed bruikbare voorziening” is, die onderdeel uitmaakt van de generieke digitale infrastructuur (GDI) van de overheid. Daarmee zou niet sporen dat voor verschillende groepen gebruikers verschillende regels zouden gelden; om die reden diende het fiscale deel van het wetsvoorstel ingebed te worden in een bredere regeling.[_aad6ecf4-f2c4-4200-b77f-84640cfcfee5]

6.6

Art. X lid 2 WEBB voorzag in de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) om regels te stellen met betrekking tot de werking, beveiliging en betrouwbaarheid van de voorzieningen voor elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing, elektronische authenticatie en elektronische registratie van machtigingen. Van die bevoegdheid heeft de minister gebruik gemaakt met de Regeling voorzieningen GDI, die eveneens op 1 november 2015 in werking trad[_08eca32f-8dcc-4f4d-b2db-d464f6e6459b] en met ingang van 1 juli 2023 is opgevolgd door de Regeling voorzieningen Wdo (Wet digitale overheid). De Regeling voorzieningen GDI bevatte onder meer bepalingen betreffende het (door de minister) aanmaken een Mijnoverheid-account, op welke wijze de gebruiker dit account in gebruik neemt, toegang heeft tot de account en kenbaar kan maken dat hij langs elektronische weg bereikbaar is voor het ontvangen van berichten in de Berichtenbox van door hem geselecteerde afnemers (art. 2), hoe een DigiD kan worden aangevraagd en gebruikt (art. 3) en het gebruik van DigiD machtigingen (art. 5).

6.7

Het derde lid van art. X WEBB vormde de grondslag voor het Besluit verwerking persoonsgegevens generieke digitale infrastructuur (Besluit verwerking persoonsgegevens GDI), welk besluit met terugwerkende kracht (ook) in werking trad op 1 november 2015.[_93c55ac8-6388-4f6f-b1e9-bfee745114f9] In de nota van toelichting komt onder meer naar voren wat de verhouding is tussen MijnOverheid en de Berichtenbox en wat de Berichtenbox en het versturen van notificaties inhoudt.

“De voorziening MijnOverheid bevat drie diensten, namelijk de Berichtenbox, Lopende Zaken en Persoonlijke gegevens. Er wordt één account aangemaakt dat al deze drie diensten omvat. […]

De Berichtenbox is een persoonlijke, beveiligde postbus voor digitale berichten van de overheid en rechtspersonen met een wettelijke taak. In de Berichtenbox kan de gebruiker berichten ontvangen, bewaren en beheren. De gebruiker kan zelf aangeven van welke overheidsorganisaties hij berichten wil ontvangen. […] Als er een nieuw bericht in de Berichtenbox is aangekomen, verstuurt MijnOverheid hierover een notificatie, mits de gebruiker aan heeft gegeven een dergelijk notificatiebericht te willen ontvangen en hiervoor een digitaal adres heeft opgegeven. Op dit moment wordt voor het versturen van notificaties e-mail gebruikt. […].”[_e0b86554-12df-4675-b14f-801594b3db32]

6.8

De voorzieningen DigiD en MijnOverheid zijn in beheer bij Logius, de “dienst digitale overheid” die valt onder verantwoordelijkheid van de minister van BZK.[_2440ccc5-0716-41c8-acc4-dd6153118c17] Op grond van art. 4 van het Besluit verwerking persoonsgegevens GDI verwerkt de minister (althans Logius) gegevens over het aanmaken en wijzigen van het MijnOverheid-account, waaronder het e-mailadres waarop een gebruiker van MijnOverheid (zijnde een burger)[_9aad9a9f-7930-4f86-8f3b-9a9bc91c9f7a] notificaties ontvangt. Ook verwerkt Logius gegevens over de verzending van notificaties en de berichtenvoorkeuren van MijnOverheid, waarmee een gebruiker kenbaar maakt voor welke afnemers van MijnOverheid hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is voor het ontvangen van elektronische berichten in de Berichtenbox (zoals geregeld in art. 2 Regeling voorzieningen GDI). Een afnemer van Mijnoverheid is een overheidsorgaan (of rechtspersoon met een wettelijke taak) die bij de uitoefening van zijn taak of bevoegdheid gebruik maakt van Mijnoverheid.[_4455feda-730e-43df-bd83-5c20520dc258] Art. 8 van het Besluit verwerking persoonsgegevens GDI bepaalt verder dat de minister aan een afnemer (onder meer) gegevens over de status van de toepasselijke berichtenvoorkeur van de gebruiker van MijnOverheid verstrekt.

6.9

Uit (onder meer) de nota van toelichting bij het Besluit verwerking persoonsgegevens GDI volgt dat MijnOverheid uitgaat van een ‘opt-in’-regime voor wat betreft de door de gebruikers te selecteren afnemers voor wie de gebruiker digitaal beschikbaar is:[_6a2b522f-cac2-4dd5-b751-cf833ceef983]

“[Na activering] wordt de gebruiker gevraagd of hij elektronisch bereikbaar wil zijn voor alle andere afnemers, uitgezonderd de Belastingdienst (de elektronische bereikbaarheid voor de Belastingdienst is een gegeven onder de Wet EBV). Deze keuze wordt na het eerste keer inloggen geboden en kan vervolgens te allen tijde worden aangepast door de gebruiker in de «berichtvoorkeuren» door de gewenste afnemers aan te vinken en andere uit. De naam en deze accountgegevens (zoals aanmaakdatum, wijzigingsdatum, e-mailadres, berichtvoorkeuren) blijven opgeslagen voor zolang als het account bestaat. Bij het wijzigen van deze gegevens, zoals het opgeven van een alternatief e-mailadres, blijft de originele invoer ook bewaard ten behoeve van gebruikersondersteuning, het waarborgen van de betrouwbaarheid en voor foutanalyse.”

6.10

Op 1 juli 2023 is de Wet digitale overheid (Wdo) (gefaseerd) in werking getreden.[_de13135e-e0d2-4323-9e9d-a8825778e500] Daarmee verviel art. X WEBB. De Wdo voorziet onder meer in een regeling betreffende de verantwoordelijkheid voor het beheer van de voorzieningen en diensten binnen de generieke digitale overheidsinfrastructuur, waaronder infrastructuur voor elektronisch berichtenverkeer met en informatieverschaffing aan (onder meer) natuurlijke personen. De Wdo geeft regels voor het geval digitaal met de overheid wordt gecommuniceerd: het verplicht daartoe niet.[_95b613a5-7ded-4fd6-95f8-f20f13ead0ed] Art. 10 lid 2 Wdo bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van publieke identificatiemiddelen en de voorzieningen, bedoeld in art. 5 lid 1 Wdo. Die regels zijn opgenomen in de ook thans nog van toepassing zijnde Regeling voorzieningen Wdo, die op 1 juli 2023 eveneens in werking trad en de hiervoor genoemde Regeling voorzieningen GDI verving.[_7ff2f99a-4728-4adf-aa72-68925b9920a3]

6.11

Art. 5 van de Regeling voorzieningen Wdo bevat bepalingen met betrekking tot het gebruik door burgers van MijnOverheid. Het tweede lid bepaalt onder meer dat door het activeren van zijn MijnOverheid-account de gebruiker dit account in gebruik neemt en tevens kenbaar maakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is voor het ontvangen van berichten in de Berichtenbox van door hem geselecteerde afnemers (de organisaties die berichten versturen via de Berichtenbox) en zijn e-mailadres verstrekt voor de ontvangst van een kennisgeving dat voor hem een bericht toegankelijk is geworden, tenzij hij heeft laten weten een dergelijke kennisgeving niet te willen ontvangen (een ‘opt-out’-systeem voor het ontvangen van notificaties derhalve). Het vierde lid bepaalt dat de gebruiker deze keuze nadien altijd kan wijzigen.

Het belang van de notificatie (per e-mail)

6.12

Bijzondere aandacht verdient de notificatie. Daarover is zowel bij de totstandkoming van de diverse hiervoor genoemde wetten als – blijkens de hiervoor genoemde conclusie van AG Pauwels – nadien het nodige te doen geweest, meer in het bijzonder in de context van het bestuursrecht. Zoals hiervoor in randnr. 6.2 reeds is aangestipt, houdt dat verband met het feit dat die notificatie in het bestuursrecht een belangrijke betekenis toekomt: met die notificatie wordt de burger er immers over geïnformeerd dat een (bestuursrechtelijk) besluit aan hem bekend is gemaakt in de zin van art. 3:41 lid 1 Awb (en dat daarmee termijnen voor bezwaar of beroep zijn gaan lopen).[_8cc2b682-2812-425f-b0f2-d3e56f235e68] In het strafrecht is dat anders. Strafrechtelijk gezien geldt op grond van art. 36f lid 2 Sv dat de betekening van een gerechtelijke mededeling pas (in persoon) plaatsvindt als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening (niet: zich toegang verschaft tot het bewuste bericht). De notificatie als bedoeld in art. 36f lid 1 Sv aan de gebruiker voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, is strafrechtelijk gezien zuiver bedoeld om de gebruiker van MijnOverheid erop te wijzen dat een gerechtelijke mededeling beschikbaar is in/via de Berichtenbox. De tweede notificatie die bij de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken wordt verzonden aan de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd (welke notificatie overigens geen wettelijke basis heeft),[_1c0c6ce5-c1bd-4a22-bec6-fb13c9b33874] is bedoeld om vast te leggen dat degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft. Dat is het moment waarop de gerechtelijke mededeling op grond van art. 36f lid 2 Sv als “in persoon” betekend wordt beschouwd.

6.13

De oorspronkelijke gedachte was dat het (per e-mail) versturen van notificaties met betrekking tot in de Berichtenbox geplaatste mededelingen zuiver een vorm van serviceverlening aan de burger is: van de burger werd simpelweg verwacht dat hij met regelmaat zijn Berichtenbox checkt, zoals hij ook met regelmaat zijn (fysieke) brievenbus controleert of behoort te controleren. Het opgeven van een e-mailadres voor het ontvangen van een notificatie was (en is) dan ook geen verplichting van de burger.

6.14

De eigen verantwoordelijkheid van de burger ter zake blijkt onder meer uit de reactie van de staatssecretaris van Financiën op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State in relatie tot de WEBB. De Afdeling advisering oordeelde dat de wijze van notificatie een wezenlijk onderdeel vormde van het beoogde elektronisch berichtenverkeer (in de context van het bestuursrecht) en adviseerde daarom destijds om de wijze van notificatie op een hoger niveau van regelgeving vast te stellen dan bij ministeriële regeling. De staatssecretaris deelde die mening niet:[_081ad33b-3240-452d-a668-b66f58f4af1e]

“Burgers kunnen bij het activeren van hun MijnOverheidaccount en de Berichtenbox die daarvan onderdeel uitmaakt, kiezen voor het ontvangen van e-mailnotificatie zodra een bericht in hun Berichtenbox is bezorgd. Deze e-mailnotificatie is optioneel: […]. In het activeringsproces wordt gewezen op de voordelen van een e-mailnotificatie en worden burgers gestimuleerd om hiervoor te kiezen. Dat laat onverlet dat het ook een verantwoordelijkheid van de burger is om regelmatig op eigen initiatief zijn Berichtenbox te controleren op berichten, zoals hij dat ook met zijn fysieke brievenbus normaal gesproken doet.

[…]

Een notificatie heeft bij het gebruik van een berichtenbox een signaleringsfunctie, verhoogt het gebruiksgemak en biedt daarmee een extra waarborg; de belanghebbende wordt er via e-mail op geattendeerd dat er een bericht in zijn berichtenbox is afgeleverd. Deze mogelijkheid wordt ook nu al in MijnOverheid aangeboden. Omdat het wenselijk is dat de wijze van notificeren vlot kan worden aangepast aan technische ontwikkelingen (bijvoorbeeld in de toekomst het gebruik van apps of andere media), ligt het in de rede de wijze van notificatie in een ministeriële regeling op te nemen.”

6.15

Ook elders werd de eigen verantwoordelijkheid van de burger ter zake ten opzichte van de overheid benadrukt:[_d3d7e818-b1ba-4554-9ec0-1db9a4c8745d]

“De e-mailnotificatie is een service aan de burger. De burger wordt vanzelfsprekend aangemoedigd van deze service gebruik te maken, maar de e-mailnotificatie kan de eigen verantwoordelijkheid van de burger in zijn contacten met de overheid niet volledig vervangen. Het is daarom wenselijk dat de burger regelmatig zijn berichtenbox bezoekt om te zien of er berichten zijn. Anders dan de leden van de fractie van het CDA zie ik geen wezenlijk verschil tussen de verzending van berichten per post en verzending op elektronische wijze. Het risico dat burgers niet tijdig kennisnemen van een bericht neemt naar mijn mening bij verzending op elektronische wijze eerder af dan toe. Zoals ik hiervoor heb aangegeven kunnen belastingplichtigen zichzelf namelijk laten notificeren als er een bericht in de Berichtenbox wordt geplaatst, zodat zij er altijd en overal van op de hoogte kunnen zijn dat zij een bericht hebben ontvangen. Dit geldt dus zelfs als mensen vanwege een vakantie of om andere redenen niet in staat zijn hun fysieke brievenbus te controleren.”

6.16

Meer recent lijkt de wetgever zich evenwel te hebben gerealiseerd dat die verwachting wellicht overtrokken is[_132b1f29-c71f-4aba-a733-2c41e44df473] – in ieder geval in de context van het bestuursrecht. Zo verplicht art. 2:10 Awb als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (WMEBV)[_355ce4dc-c2cf-4bb7-90bc-a64fcb1eabcd] op 1 januari 2026 tot een notificatie aan de geadresseerde (binnen 48 uur), indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt “door het bericht te plaatsen in een systeem van gegevensverwerking waarin de geadresseerde toegang heeft” (zoals een Berichtenbox), tenzij de geadresseerde – conform art. 5 lid 2 Regeling voorzieningen Wdo – heeft laten weten een dergelijke kennisgeving niet te willen ontvangen.[_4934fa80-5f2a-4fb4-a48f-a5b35adfcd8f] Het tweede lid van art. 2:10 Awb – dat eerst op 1 januari 2027 in werking zal treden[_7bc86404-2491-41f6-9bc3-c0ebfd2a7f4c] – stelt daarbij eisen aan de inhoud van die kennisgeving:

“De kennisgeving ontsluit het bericht of bevat informatie over de aard en rechtsgevolgen van het bericht en vermeldt, voor zover van toepassing, de termijn voor het verrichten van een handeling door de geadresseerde.”

6.17

Hoewel de Awb uit de aard der zaak niet van toepassing is op de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, signaleren de wijzigingen die in de Awb op 1 januari 2026 in werking zijn getreden en op 1 januari 2027 in werking zullen treden een andere grondhouding ten opzichte van de burger. Zo vermeldt de memorie van toelichting bij de wijzigingen onder meer:[_aaa5f330-d0df-4b0e-b031-e5127b77d91c]

“[…] De hierboven genoemde berichtenboxen werken alle met een dergelijke notificatie. Een dergelijke kennisgeving is facultatief, dat wil zeggen dat de ontvanger kan aangeven dat hij deze niet wil ontvangen. De ontvanger dient bovendien een e-mailadres te hebben opgegeven om dergelijke notificaties te kunnen ontvangen. Notificaties vergroten de kenbaarheid van de door het bestuursorgaan verzonden bericht. De meeste mensen hebben niet zo frequent contact met de overheid, dat het voor de hand ligt dat zij hun elektronische postbussen net zo vaak «legen» als hun fysieke brievenbus thuis of hun privémailbox. Het niet tijdig raadplegen van een bericht kan wel tot gevolg hebben dat termijnen verstrijken. Notificaties kunnen een dergelijke termijnoverschrijding helpen voorkomen. Daarom wordt in het voorgestelde artikel 2:10 het aan de burger aanbieden van notificaties verplicht gesteld. Zelfs als alle bestuursorganen voor hun berichten dezelfde infrastructuur (bijvoorbeeld door een aansluiting op MijnOverheid) zouden gebruiken, zouden veel burgers niet meer dan enkele keren per jaar een bericht in hun berichtenbox ontvangen. Van die burger kan niet worden verwacht dat hij wekelijks zijn berichtenbox raadpleegt als daar mogelijk enkele maanden geen bericht in zal worden geplaatst.”

De essentie

6.18

Wat leert het bovenstaande ons nu in relatie tot de werking van de MijnOverheid Berichtenbox? Een aantal aspecten is mijns inziens van belang. Allereerst: digitale communicatie met de overheid via MijnOverheid is niet verplicht: de burger kan er – enkele uitzonderingen daargelaten – voor kiezen om niet digitaal bereikbaar te zijn voor de overheid. Die keuzevrijheid geldt – uitzonderingen daargelaten – ook ten aanzien van de vraag voor welke overheidsorganisaties de burger zich digitaal beschikbaar houdt. Daarvoor geldt een ‘opt-in’-systeem: de burger zelf bepaalt.

6.19

Ten tweede: daar waar de burger kenbaar heeft gemaakt (via het ‘opt-in’-systeem) dat hij digitaal bereikbaar is voor een overheidsorganisatie, worden berichten van die overheidsorganisatie in zijn Berichtenbox geplaatst. Indien en voor zover de burger heeft aangegeven notificaties te willen ontvangen, ontvangt de burger van de plaatsing van het bericht een notificatie. Zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk heeft die notificatie geen andere betekenis dan dat het de burger alarmeert op de beschikbaarheid van een voor hem bestemd bericht, afkomstig van een organisatie voor welke de burger heeft aangegeven digitaal bereikbaar te zijn (al geldt dat dit – in ieder geval – sinds de invoering van de WMEBV bestuursrechtelijk gezien genuanceerder ligt).[_1650598e-7925-4207-80a8-6c98ac42ef05] Voor deze notificaties gold oorspronkelijk dat ook daarbij sprake was van een ‘opt-in’-systeem: de burger kon ervoor kiezen om geen notificaties te ontvangen. Sinds de inwerkingtreding van de Regeling voorzieningen Wdo op 1 juli 2023 is sprake van een ‘opt-out’-systeem, waarbij de notificaties dus automatisch aanstaan, maar desgewenst door de burger wel uitgezet kunnen worden. Indien de burger ervoor heeft gekozen geen notificaties te willen ontvangen, ontvangt hij een dergelijk bericht derhalve niet.

6.20

Ten derde: tot voor kort werd het al dan niet ontvangen van notificaties tot de eigen verantwoordelijkheid van de burger gerekend, zoals ook het met regelmaat kennisnemen van de inhoud van de Berichtenbox tot die verantwoordelijkheid werd (en deels nog steeds: wordt) gerekend. Inmiddels is een iets andere grondhouding te bespeuren: van de burger kan – in ieder geval wat de bestuursrechtelijke wetgever betreft – niet worden verwacht dat hij wekelijks zijn Berichtenbox raadpleegt. De meeste mensen hebben immers niet zo frequent contact met de overheid dat verwacht kan worden dat zij hun elektronische postbussen net zo vaak ‘legen’ als hun fysieke brievenbus thuis of hun privémailbox.[_c9590184-d8b5-442a-a538-386bc8c35faf] Om die reden worden (binnenkort) bestuursrechtelijk (in art. 2:10 lid 2 Awb) ook eisen gesteld aan de inhoud van de kennisgeving: die moet de burger informeren over de aard en rechtsgevolgen van het bericht en de termijn vermelden voor het verrichten van een handeling door de geadresseerde.

6.21

En last but not least: wil de notificatie zijn signaalfunctie kunnen vervullen, dan is mijns inziens van belang dat die notificatie op een andere wijze plaatsvindt dan een alarmering binnen de Berichtenbox zelf. Daar waar van de (gemiddelde) burger niet kan worden verwacht dat hij wekelijks zijn Berichtenbox raadpleegt, ligt het geenszins voor de hand te (mogen) verwachten dat zijn eigen verantwoordelijkheid wordt geactiveerd door in diezelfde Berichtenbox een notificatie te plaatsen dat er een gerechtelijke mededeling voor hem klaarstaat (of bij hem is afgeleverd omdat de geadresseerde heeft ingelogd dan wel heeft laten inloggen op het systeem van MijnOverheid).

7. De elektronische betekening via (de Berichtenbox van) MijnOverheid in strafzaken

7.1

Dat brengt mij bij (het gebruik van) de Berichtenbox van MijnOverheid in relatie tot de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken.

Kiezen voor elektronische post

7.2

Hoewel art. 36b lid 2 Sv de indruk kan wekken dat de keuze om elektronisch te betekenen volledig bij het openbaar ministerie ligt, volgt uit het voorgaande dat dit niet het geval is. Er zullen in de eerste plaats verdachten zijn die hun MijnOverheid-account (nog) niet hebben geactiveerd.[_a85b9792-c175-4d59-9919-b1a319da2cfc] In dat geval kunnen gerechtelijke mededelingen niet elektronisch aan deze verdachten worden betekend en dient de ‘papieren weg’ te worden gevolgd. Maar ook als de verdachte zijn MijnOverheid-account wel heeft geactiveerd, heeft de verdachte nog steeds de keuze of hij post van het openbaar ministerie digitaal wil ontvangen. Hiervoor (in randnr. 6.11) haalde ik al art. 5 lid 2 van de Regeling voorzieningen Wdo aan. Daaruit volgt dat de burger bij ingebruikneming van MijnOverheid kan selecteren van welke organisaties hij post digitaal wil ontvangen (het ‘opt-in’-systeem). Die selectie kan ook weer worden gewijzigd, zo bepaalt lid 4 van genoemd artikel. In de praktijk gebeurt dit door het aan- en uitvinken van organisaties in een (aanzienlijke) lijst van mogelijke overheidsorganisaties in MijnOverheid. Pas na het aanvinken van het vakje “openbaar ministerie” heeft de gebruiker voor deze organisatie kenbaar gemaakt dat hij via de Berichtenbox bereikbaar is. Als de verdachte het openbaar ministerie niet heeft aangevinkt, zal het openbaar ministerie op grond van art. 36b lid 2 Sv moeten betekenen op de oude (papieren) manier, omdat elektronische betekening dan “niet mogelijk” is in de zin van die bepaling.

7.3

De verdachte die gerechtelijke mededelingen van het openbaar ministerie in de Berichtenbox ontvangt, heeft daar eerder dus zelf een actieve keuze in gemaakt. Dat is ook de insteek van de wetgever geweest, zo volgt uit de hiervoor in randnr. 5.6-5.10 aangehaalde wetsgeschiedenis. Daarbij past wel een relativerende opmerking. De lijst met deelnemende (overheids-)instanties is lang (en groeiende): volgens de website van MijnOverheid wordt de Nederlandse overheid gevormd door meer dan 1.600 organisaties en instanties, waaronder 15 ministeries, 12 provincies en 342 gemeenten, maar ook waterschappen, adviesorganen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en zelfstandige bestuursorganisaties.[_94c26c9b-7006-4352-8d24-db10a1f0e4c5] Een deel van deze instanties kan (met onderscheid in landelijke organisaties, provincies, gemeenten, etc. ) ‘met één druk op de knop’ tegelijkertijd worden geselecteerd en aangevinkt. Daaronder valt ook het openbaar ministerie. Het is tegen die achtergrond goed voorstelbaar dat het besef dat zich onder die aangevinkte organisaties ook het openbaar ministerie bevindt, is weggezakt – als het al ooit aanwezig was – bij iemand die mogelijk jaren later met justitie in aanraking komt. “Mensen weten vaak niet precies waar ze ooit toestemming voor hebben gegeven in MijnOverheid”, aldus ook de Nationale ombudsman.[_450afa08-2248-46e5-9f62-3d88ee9fa9ec] Daar zou tegenin kunnen worden gebracht dat in zo’n geval de burger eerder toch echt zelf te kennen heeft gegeven dat hij voor ‘de overheid’ in den brede digitaal bereikbaar is. Aangenomen dat de betreffende burger die keuze ook daadwerkelijk zelf heeft gemaakt, zou kunnen worden gezegd dat een onderscheid naar specifieke organisaties daarbij – in ieder geval om het moment dat de keuze werd gemaakt – voor hem/haar kennelijk minder van belang was.

7.4

Dat de burger heeft aangegeven digitaal bereikbaar te zijn voor het openbaar ministerie, wil niet zeggen het openbaar ministerie gerechtelijke mededelingen in die gevallen ook steeds elektronisch aan de burger betekent of moet betekenen: elektronische betekening is wettelijk gezien een mogelijkheid, geen verplichting. Deze wijze van betekening heeft, gelet op art. 36b lid 2 Sv, wel de voorkeur van de wetgever. Geen rechtsregel lijkt er evenwel aan in de weg te staan dat het openbaar ministerie ervoor kiest om gerechtelijke mededelingen alleen in papieren vorm te betekenen, ook als de burger heeft aangegeven voor het openbaar ministerie digitaal bereikbaar te zijn. Het is (kennelijk) evenzeer mogelijk dat een dagvaarding in een strafzaak in papieren vorm aan de verdachte wordt betekend, waarna de ‘mededeling uitspraak’ elektronisch aan diezelfde verdachte wordt betekend, en vice versa. Of het openbaar ministerie ter zake beleid heeft ontwikkeld waaruit volgt in welke gevallen – categorieën zaken, dan wel verdachten – wel en in welke gevallen niet elektronisch wordt betekend (voor zover de verdachte ‘digitaal bereikbaar’ is voor het openbaar ministerie), heb ik niet kunnen achterhalen. In het licht van de eigen verantwoordelijkheid van de burger (verdachte) – die hierna nog verder aan de orde zal komen – is de constatering dat (kennelijk) tussen het fysieke en elektronische ‘spoor’ gewisseld kan worden, niet zonder belang: het introduceert een element van onzekerheid/onvoorspelbaarheid in de betekening van gerechtelijke mededelingen door het openbaar ministerie, die aan die eigen verantwoordelijkheid van de burger afbreuk zou kunnen doen.

Een geslaagde elektronische betekening in strafzaken

7.5

Voor een ‘geslaagde’ elektronische betekening van een bericht dat het openbaar ministerie in de Berichtenbox heeft geplaatst, is vereist dat door de burger voor wie het bericht is bestemd, wordt ingelogd in MijnOverheid. Van de (geslaagde) elektronische overdracht moet op grond van art. 36i lid 1 Sv een aantal gegevens worden “vastgelegd”, waaronder het moment dat is ingelogd in de elektronische voorziening. Deze vastlegging is het equivalent van de uitreikingsakte bij de betekening van een papieren document. Bij ministeriële regeling is voor deze vastlegging een model vastgesteld.[_3181253f-208b-4a4b-8ea3-d8c4e4233599] Als niet (tijdig) wordt ingelogd, dient het openbaar ministerie op grond van art. 36b lid 2 Sv alsnog over te gaan tot uitreiking van de gerechtelijke mededeling op de oude (‘papieren’) manier – waarbij het bericht in de Berichtenbox overigens blijft bestaan.[_7ffa9569-be3d-4742-9e54-625262f17aa2] Wat ‘tijdig’ inloggen inhoudt – en derhalve wanneer moet worden overgegaan tot fysieke betekening – is door de wetgever niet nader bepaald. Uit de hiervoor in randnr. 5.6, 5.8 en 5.10 aangehaalde wetsgeschiedenis volgt dat het aan het openbaar ministerie is overgelaten om te bepalen wat in dat opzicht al dan niet redelijk is. Slaagt de elektronische betekening wel omdat er is ingelogd in MijnOverheid, dan geldt dit volgens art. 36f lid 2 Sv als een betekening “in persoon”.

7.6

Het is goed om op deze plaats te benadrukken dat voor een geslaagde elektronische betekening dus niet vereist is dat het bericht van het openbaar ministerie ook daadwerkelijk als zodanig door de geadresseerde is geopend in de Berichtenbox. Het enkele inloggen in MijnOverheid volstaat om van een betekening “in persoon” te spreken. Of het bericht van het openbaar ministerie binnen de Berichtenbox daadwerkelijk geopend is, zal de rechter ook niet bekend zijn als de verdachte niet ter zitting verschijnt: dit is niet een gegeven dat op grond van art. 36i lid 1 Sv moet worden vermeld in de vastlegging van de elektronische overdracht en deze vraag komt (dan ook) niet terug in het vastgestelde model voor die vastlegging.

7.7

Dit laatste zal overigens veranderen in het voorgestelde nieuwe Wetboek van Strafvordering. Ongewijzigd blijft dat het inloggen in de elektronische voorziening voldoende is om te spreken van een betekening “in persoon” (art. 1.9.11 lid 2 NSv). In aanvulling op de reeds bestaande eis dat het moment van inloggen wordt vastgelegd, moet volgens art. 1.9.15 lid 1 aanhef en onder e NSv na inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering ook “zo mogelijk, het tijdstip waarop deze persoon het bericht heeft ontsloten” worden vastgelegd. Die bepaling gaat luiden:

“Van iedere betekening langs elektronische weg wordt vastgelegd:

[…]

e. de wijze, de dag en het tijdstip waarop de persoon voor wie het bericht bestemd is zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft alsmede, zo mogelijk, het tijdstip waarop deze persoon het bericht heeft ontsloten.”

7.8

Dat deze informatie “zo mogelijk” moet worden vastgelegd, suggereert dat niet onder alle omstandigheden geregistreerd kan (of hoeft te) worden of en wanneer een bericht ontsloten (geopend) is. In welke zin daarin beperkingen zijn te verwachten en of die beperkingen zich ook kunnen voordoen bij het gebruik van de Berichtenbox, heb ik niet kunnen achterhalen. Al te veel betekenis hebben de ministers kennelijk ook niet aan het moment van ontsluiten van het bericht willen toekennen. Het is volgens de memorie van toelichting “mogelijk relevante aanvullende informatie”, maar het laat volgens de ministers onverlet dat het moment van inloggen op MijnOverheid strafrechtelijk gezien geldt als een voltooide betekening “in persoon”. De memorie van toelichting bij de Eerste Vaststellingswet vermeldt:[_489a63fd-4a6f-4880-9c3a-d7172f5e531b]

“Ten opzichte van het huidige artikel 36i is een verschil dat niet enkel het moment waarop degene voor wie het bericht bestemd is zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening wordt vastgelegd. Vastgelegd wordt ook, zo mogelijk, het moment waarop degene voor wie het bericht bestemd is het toegezonden document daadwerkelijk heeft ontsloten. In een vergelijking met de fysieke betekening van berichten betreft dit als het ware het vastleggen van het moment waarop de envelop met het bericht wordt geopend. Dit is mogelijk relevante aanvullende informatie die na het inloggen in de elektronische voorziening kan worden vastgelegd. Dit laat onverlet dat ingevolge artikel 1.9.11 voor een geldige betekening in persoon van een bericht langs elektronische weg voldoende is dat kan worden vastgesteld dat degene voor wie het bericht bestemd is, zich, nadat het bericht in de elektronische voorziening is geplaatst, de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening.”

Digitaal identificeren

7.9

Een geslaagde elektronische betekening geldt dus op grond van art. 36f lid 2 Sv als een uitreiking “in persoon”. In de hiervoor geciteerde memorie van toelichting bij de Wet USB (zie randnr. 5.6 en 5.8) komt tot uitdrukking dat hiervoor van belang is dat de geadresseerde zich bij inloggen in de digitale voorziening “digitaal identificeert” door het gebruik van een “authenticatiemiddel” dat voldoet aan bepaalde standaarden. Art. 5 aanhef en onder b van het Besluit digitale stukken Strafvordering geeft invulling aan de eisen waaraan het inlogmiddel moet voldoen. De betekening en kennisgeving van gerechtelijke mededelingen moet plaatsvinden met authenticatie met een middel dat is uitgegeven door de overheid of een onder toezicht van de overheid staande organisatie, het moet uitgaan van “een tweefactorauthenticatie of hoger” en moet zijn aangewezen door de bevoegde instanties. Ook uit de nota van toelichting bij dit Besluit spreekt dat het inloggen met dit middel wordt beschouwd als een vorm van identificatie, waarbij het middel dusdanig beschermd moet zijn dat “de bevoegde instanties er zeker van kunnen zijn dat de persoon die zich met het middel identificeert de exclusieve beschikking heeft over het middel.”[_f2cf5327-e74b-4321-ac66-53c60a1a4aae]

7.10

In de praktijk kan momenteel in MijnOverheid worden ingelogd met DigiD met tweefactorauthenticatie of hoger.[_7d62f565-f95a-4442-8905-bd21a712644d] Ik ga daar iets dieper op in, maar daarmee is de actualiteitswaarde van deze conclusie (mogelijk) ook meteen beperkt. De rijksoverheid werkt onder het ‘Stelsel Toegang’ namelijk toe naar het toelaten van andere inlogmiddelen van private aanbieders.[_c2a9c35d-541b-40f4-b3a9-4d25692858cb] Niet uitgesloten is dat in de toekomst dus met andere inlogmiddelen dan DigiD kan worden ingelogd in MijnOverheid.

7.11

Vóór 30 januari 2023 kon nog in MijnOverheid worden ingelogd met alleen een DigiD gebruikersnaam en een wachtwoord. Na die tijd is inloggen met een hoger betrouwbaarheidsniveau (tweefactorauthenticatie of hoger) verplicht.[_af142a9d-44d6-4520-889c-109c8579c96c] Art. 1 van het Besluit digitale overheid merkt DigiD aan als een “publiek identificatiemiddel” als bedoeld in art. 5 lid 1 onder a Wdo. Volgens art. 3 Regeling voorzieningen Wdo is DigiD “strikt persoonlijk en niet overdraagbaar” (aan een ander). Ook het MijnOverheid-account is in art. 5 lid 6 van de Regeling voorzieningen Wdo aangemerkt als “strikt persoonlijk en niet overdraagbaar”.

7.12

Vermelding verdient verder dat het mogelijk is om iemand formeel te machtigen om met zijn of haar eigen DigiD – dus de DigiD van de gemachtigde – in te loggen in de Berichtenbox van de machtigende persoon om berichten van bepaalde (semi-)overheidsorganisaties aan de machtigende in te zien. Dit heet ‘DigiD Machtigen’.[_92c8d437-2a4d-47e8-8bb9-9789a97b2254] Die mogelijkheid staat echter niet open voor berichten van het openbaar ministerie. Op de eigen website vermeldt het openbaar ministerie dat het, om de privacy van de geadresseerde te beschermen, niet mogelijk is om iemand te machtigen om met zijn of haar eigen DigiD post van het openbaar ministerie in te zien. Iemand die wel gemachtigd is voor berichten van andere organisaties dan het openbaar ministerie kan ook niet zien dat er een bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox van de machtigende persoon staat.[_34e767ae-aa40-4981-a433-b3a4f744e4a3] Naar mag worden aangenomen, zal het inloggen door een gemachtigde via zijn of haar eigen DigiD in de Berichtenbox van de verdachte dus niet geregistreerd worden als ‘een inlog’ die maakt dat sprake is van een geslaagde betekening (“in persoon”) aan de verdachte.

7.13

DigiD is in de regelgeving dus aangemerkt als een identificatiemiddel voor strikt persoonlijk gebruik. De vereiste tweefactorauthenticatie (of hoger) zorgt er bovendien voor dat alleen een wachtwoord, dat gemakkelijk is af te geven aan anderen, niet genoeg is. Het apparaat van de geadresseerde waarop de DigiD controle-sms binnenkomt of waarop DigiD-app is geïnstalleerd (een telefoon of tablet), is nodig om in te loggen. Daarmee is DigiD met tweefactorauthenticatie (of hoger) zowel juridisch als functioneel ingericht op exclusief gebruik door de houder van de DigiD.

7.14

Toch past ook hier een aantal kanttekeningen. In december 2023 verscheen het rapport ‘DigiD helpt niet mee’ van de Nationale ombudsman.[_aeff380c-3950-4988-8007-84000550fb10] De ombudsman constateerde daarin onder meer dat de toegang tot digitale dienstverlening voor wettelijk vertegenwoordigers, zoals bewindvoerders, curatoren en personen met gezag over een minderjarige, nog niet goed geregeld was. Zij konden niet als vertegenwoordiger inloggen namens degene die zij vertegenwoordigen. Daarnaast was ook het vrijwillig machtigen van een ander – wat handig kan zijn voor de 2,3 miljoen mensen in Nederland die digitaal minder vaardig zijn of wie lezen en schrijven niet gemakkelijk afgaat – volgens de ombudsman nog nauwelijks geregeld. Er bestond toen al wel de reeds genoemde voorziening ‘DigiD Machtigen’, maar veel overheidsinstanties waren toen nog niet aangesloten op dit systeem. Bij slechts 600 van de 3.000 instanties waarbij met DigiD ingelogd kan worden, was het op dat moment mogelijk om als gemachtigde met de eigen DigiD in te loggen. Onder die 600 organisaties bevonden zich grote organisaties als het UWV, de Belastingdienst, Toeslagen en de SVB, maar bij slechts 21 van de 342 gemeenten was vrijwillig machtigen mogelijk. Ook organisaties als de RDW, het CBR, het CJIB, zorgkantoren en waterschappen waren ten tijde van het rapport van de ombudsman niet aangesloten.

7.15

Een meer actuele stand van zaken is te vinden in de ‘Evaluatie Wet digitale overheid’ van 14 januari 2026. Uit dat rapport maak ik op dat de voorziening ‘DigiD Machtigen’ voor wettelijke vertegenwoordigers ook op dat moment nog niet volledig operationeel was, maar dat naar verwachting op termijn wel zal worden.[_7bff6b98-3e54-4ab2-84cf-4910ab0856a2] Op de voorziening ‘DigiD Machtigen’ waren volgens het rapport op dat moment ruim 675 dienstverleners aangesloten, wat nog steeds veel minder is dan de (volgens het rapport van de ombudsman) 3.000 instanties waarbij met DigiD kan worden ingelogd.[_1e7ae520-a7cf-439d-b9ef-ccc68f1d6fc1]

7.16

De constateringen van de ombudsman zien niet specifiek op MijnOverheid en de Berichtenbox, maar gelden breder voor de digitale dienstverlening door de overheid. Waar het mij hier om gaat is dat de ombudsman constateert dat wettelijk vertegenwoordigers als oplossing soms, tegen de regels in, de DigiD gebruiken van degenen die zij vertegenwoordigen. Ook de onderzoekers van het genoemde evaluatierapport wijzen op dat risico.[_04b3cded-abcd-460f-85f3-fc6fb1ee2f3d] Naar ik meen, kunnen ook de beperkingen in de mogelijkheid om iemand vrijwillig te machtigen zaken digitaal te regelen, mensen aanzetten om iemand anders met hun DigiD te laten inloggen waaronder, mogelijk, in MijnOverheid.

7.17

Daar waar machtigen geen optie is, dan wel sprake is van een (tijdelijke) beperking aan de zijde van de burger om (zelf) in te inloggen in MijnOverheid, betekent bovenstaande dat burgers – onder omstandigheden – min of meer voor het blok staan om hun inloggegevens (inclusief de te ontvangen sms-code) beschikbaar te stellen aan een derde, zodat die derde kan inloggen als zijnde de betreffende burger. Indien en voor zover diezelfde burger in het verleden heeft aangegeven digitaal beschikbaar te zijn voor het openbaar ministerie, kunnen zich in die Berichtenbox gerechtelijke mededelingen bevinden. Het gevolg van het inloggen door die derde namens de burger is – als opgemerkt – dat de desbetreffende gerechtelijke mededeling in dat geval ook direct geldt als “in persoon betekend”, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat eventuele termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen gaan lopen. Daar waar die burger er niet zonder meer op bedacht is of hoeft te zijn dat het openbaar ministerie in zijn of haar geval inderdaad via elektronische weg gerechtelijke mededelingen uitreikt, kunnen dergelijke mededelingen gemakkelijk onopgemerkt blijven – al zeker indien door de derde op verzoek van de burger wordt ingelogd met een specifieke reden (bijvoorbeeld om te achterhalen of een VOG is verstrekt).[_4ef89894-39e7-436f-bf56-c27eb5dce9a1]

De notificatie in strafzaken

7.18

Dat brengt mij op (het belang van) de notificatie. Uit de hiervoor in randnr. 5.6-5.10 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat bij de totstandkoming van de regeling voor elektronische betekening in strafzaken de leidende gedachte was dat door het openbaar ministerie een notificatie zou worden gestuurd aan het e-mailadres dat de betrokkene (de verdachte of het slachtoffer) had opgegeven bij de politie, op het moment dat een te betekenen bericht elektronisch beschikbaar werd gesteld en voorts dat naar dat e-mailadres een notificatie zou worden verzonden zodra was ingelogd in de elektronische voorziening. Ik herhaal hier gemakshalve dat de notificatieplicht aan dit opgegeven e-mailadres dat een gerechtelijke mededeling voor de (verdachte) burger beschikbaar is, wettelijk zou worden verankerd in art. 36f lid 1 Sv, dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel luidde:

“Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan het elektronisch adres dat is opgegeven door degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is” [AG: cursivering door mij toegevoegd].

7.19

Om die reden voorzag de Wet USB (onderdeel A) ook in de toevoeging van een derde lid aan art. 27a Sv, inhoudende:

“De verdachte wordt ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen gevraagd naar zijn elektronisch adres.”

7.20

Verder zou art. 36i lid 3 onder d Sv gaan inhouden dat de vastlegging van de elektronische overdracht ook het elektronisch adres (e-mailadres) moest vermelden waaraan het bericht is gestuurd dat de gerechtelijke mededeling beschikbaar was gesteld voor elektronische overdracht.[_5c2613bf-e662-4139-85b4-52be059908c2]

7.21

Na vaststelling van de Wet USB, maar voorafgaand aan de inwerkingtreding daarvan, kwam hier – als opgemerkt – echter verandering in.[_4a562478-7bb6-40f2-8612-a340229989e4] Dat hield verband met het feit dat volgens de wetgever in de tussentijd was gebleken dat voor de communicatie met burgers via de Berichtenbox van MijnOverheid in toenemende mate geen e-mailadres meer wordt gebruikt.

7.22

Met de Invoeringswet Wet USB kwam aldus het voorschrift te vervallen dat de verdachte naar zijn e-mailadres zou worden gevraagd (art. 27a lid 3 Sv), zoals ook het voorschrift dat dit e-mailadres in de vastlegging van de elektronische overdracht moest worden vermeld. Art. 36f lid 1 Sv werd in die zin gewijzigd, dat deze bepaling niet meer inhoudt dat een (notificatie-)bericht moet worden verzonden naar het opgegeven elektronisch adres. Die bepaling luidt thans:

“Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd.”

7.23

Hoewel deze gewijzigde, huidige bepaling bij eerste lezing ook kan worden opgevat als een voorschrift voor de wijze waarop de elektronische overdracht als zodanig moet plaatsvinden, moet deze bepaling – gelet de hiervoor geschetste totstandkomingsgeschiedenis – mijns inziens nog steeds worden gelezen als een notificatie-instructie voor het openbaar ministerie. Die instructie luidt dat naar de verdachte een bericht moet worden gezonden dat er een bericht in de elektronische voorziening (MijnOverheid) is geplaatst. De wijze waarop die notificatie moet plaatsvinden is in de strafrechtelijk regelgeving niet nader omschreven omdat de wetgever dit, met het oog op toekomstige toepassingen als de Berichtenbox-app, techniek-neutraal heeft willen houden. De vraag of, en zo ja hoe, een notificatie is verzonden, behoeft niet op grond van art. 36i lid 1 Sv te worden vermeld in de vastlegging van de elektronische overdracht. De rechter wordt hier dus niet over geïnformeerd.

7.24

Zoals hiervoor al aan de orde kwam, kan in MijnOverheid een e-mailadres worden opgegeven voor de ontvangst van een notificatie dat een nieuw bericht klaarstaat in de Berichtenbox. De Berichtenbox-app kan (als dit is ingesteld) een push-bericht als notificatie sturen. Op die manieren zal vermoedelijk dus invulling gegeven worden aan de notificatieverplichting voor het openbaar ministerie. De gebruiker van het account kan echter ook aangeven géén notificaties (meer) te willen ontvangen. Daarbij was oorspronkelijk sprake van een ‘opt-in’-systeem, inhoudende dat de notificaties (automatisch) uit staan en de gebruiker dus zelf een actieve keuze moest maken om notificaties te willen ontvangen. Sinds 1 juli 2023 is sprake van een ‘opt-out’-systeem, maar dat geldt alleen voor nieuwe gebruikers. Logius liet op 10 februari 2025 weten dat 900.000 mensen bij het (eerder) activeren van hun MijnOverheid-account geen e-mailadres hebben opgegeven.[_639c26bd-60e5-4610-84a0-02a9b87cef06] Aan een brief met het verzoek dit alsnog te doen, hebben 144.000 mensen gehoor gegeven.[_26f0d415-3c9d-4c90-aa86-4afb27201c25] Ik heb niet kunnen achterhalen of het openbaar ministerie – in het licht van de notificatie-instructie in art. 36f lid 1 Sv – afziet van elektronische betekening in het geval de verdachte in MijnOverheid geen e-mailadres heeft opgegeven voor de ontvangst van notificaties en/of te kennen heeft gegeven (in de web-versie of in de Berichtenbox-app) geen notificaties te willen ontvangen. De beschikbare informatie lijkt evenwel te indiceren dat in die gevallen gerechtelijke mededelingen (in strafzaken) wel elektronisch kunnen worden betekend.[_355037fd-1dbf-47b6-83e4-1778c1e1a6bd]

7.25

In het Nieuwe Wetboek van Strafvordering komt de notificatie-instructie overigens in duidelijkere bewoordingen terug. Het voorgestelde art. 1.9.11 lid 1 NSv luidt:

“Een bericht wordt langs elektronische weg betekend door plaatsing van het bericht in de elektronische voorziening, onder notificatie aan de persoon voor wie het bericht bestemd is.”

7.26

De memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Wet USB hield ook in dat de betrokkene niet alleen genotificeerd zou worden dat een nieuw bericht klaarstaat in de elektronische voorziening (MijnOverheid), maar dat na het inloggen in de elektronische voorziening ook de vastlegging van die inlog zou worden verzonden naar het e-mailadres dat door de betrokkene was opgegeven. De wetgever zag hierin een waarborg dat de verdachte op de hoogte zou komen van dit inloggen, ook als iemand anders zou inloggen (zie randnr. 5.9). Deze tweede notificatie, die ertoe dient te signaleren dat een gerechtelijke mededeling aan de burger is betekend omdat er is ingelogd in MijnOverheid, is evenwel niet in wet- of regelgeving vastgelegd.[_13ccae83-ba8d-42c0-a2b6-8ac98b6eb0a3]

7.27

Zoals hiervoor opgemerkt, komt aan de notificatie(s) een belangrijke signaalfunctie toe: het attendeert de burger op de aanwezigheid van een gerechtelijke mededeling in zijn digitale brievenbus, alsmede (strafrechtelijk gezien) op de betekening van die gerechtelijke mededeling aan hem als gevolg van een inlog in die digitale brievenbus. Dat is geen overbodige luxe, nu uit onderzoek blijkt dat veel mensen – wellicht vooralsnog – maar één keer per halfjaar in MijnOverheid kijken.[_5f5e20b0-6beb-4573-8e3b-732d7005e3ac] Of een verdachte burger op dergelijke notificaties aanslaat in de afwezigheid van een vermelding waarmee de verdachte wordt ingescherpt dat het betekenen van een gerechtelijke mededeling belangrijke consequenties kan hebben en dat de verdachte mogelijk tijdig actie moet ondernemen (zoals op grond van ar. 2:10 lid 2 Awb met ingang van 1 januari 2027 het geval is), is vraag twee, maar ook los daarvan komt aan de notificaties – en in ieder geval de notificatie dat de gerechtelijke mededeling is betekend – belang toe.

7.28

Waar de eerste notificatie ‘landt’ (als de burger het ontvangen daarvan niet heeft uitgezet), kan op grond van het regelgevend kader wel met enige mate van zekerheid worden vastgesteld. Art. 5 lid 2 van de Regeling voorzieningen Wdo bepaalt immers dat de gebruiker bij het activeren van zijn MijnOverheid-account dit account in gebruik neemt en tevens kenbaar maakt “dat hij langs elektronische weg bereikbaar is voor het ontvangen van berichten in de Berichtenbox van door hem geselecteerde afnemers en verstrekt zijn e-mailadres voor de ontvangst van een kennisgeving dat voor hem een bericht toegankelijk is geworden, tenzij hij heeft laten weten een dergelijke kennisgeving niet te willen ontvangen.”

7.29

De tweede in de memorie van toelichting genoemde, maar niet bij wet of regelgeving voorziene notificatie, namelijk de mededeling dat de burger heeft ingelogd in MijnOverheid en dat een gerechtelijke mededeling daardoor/daarmee aan hem (in persoon) is betekend, vindt niet per e-mail plaats. Die notificatie wordt verzonden naar de Berichtenbox zelf, zo volgt onder meer uit de standaardtekst in het vastgestelde standaardmodel voor de vastlegging van de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken:

“Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan <naam>, die is geplaatst in de berichtenbox van MijnOverheid. In die bevestiging is de betrokkene geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.”

7.30

Ik sluit niet uit dat de plaatsing van dit bericht in de Berichtenbox op zichzelf weer een notificatie uitlokt op het e-mailadres van de verdachte of via een pushbericht in de Berichtenbox-app (tenzij de geadresseerde heeft aangegeven dergelijke notificaties niet te willen ontvangen), maar constateer ook dat het vertrekpunt in de memorie van toelichting bij de Wet USB dat de verdachte de gegevens die zijn vastgelegd over de inlog rechtstreeks in zijn e-mail ontvangt (zie randnr. 5.9), in ieder geval lijkt te zijn verlaten. Indien en voor zover de notificatie van de betekening van de gerechtelijke mededeling inderdaad uitsluitend in de Berichtenbox belandt, komt de aan de notificatie toekomende (belangrijke) signaalfunctie niet zonder meer volledig tot zijn recht: een burger die niet bedacht is op de betekening van gerechtelijke mededelingen via MijnOverheid, zal om diezelfde reden zeer wel mogelijk ook de notificatie in datzelfde systeem missen dat zo’n mededeling aan hem betekend is. Of dat ‘erg’ is, is een vraag die in het navolgende nog aan de orde zal komen.

7.31

Wat de Berichtenbox-app betreft: gelet op de hiervoor aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis lijkt de wetgever te veronderstellen dat een digitaal aangesloten burger die van de Berichtenbox-app gebruik maakt, automatisch wordt genotificeerd van de aanwezigheid van een gerechtelijke mededeling in zijn of haar Berichtenbox “via een kort bericht op het scherm van het apparaat waarop de app is geïnstalleerd, dat ook wordt getoond als de app niet is geopend” (zie randnr. 5.11). De vraag is of die veronderstelling juist is. Niet uitgesloten is dat dit alleen gebeurt, indien de gebruiker van het apparaat heeft toegestaan dat dergelijke meldingen voor de Berichtenbox op het apparaat worden getoond, zoals bijvoorbeeld het geval is bij apps als de Buienrader of notificaties van bankapps. Indien de burger dergelijke push-berichten niet heeft ‘aangezet’ wordt de burger– en anders dan de minister kennelijk voor ogen stond – niet automatisch gealarmeerd dat een gerechtelijke mededeling in strafzaken voor hem beschikbaar is en evenmin dat die gerechtelijke mededeling aan hem is betekend doordat er is ingelogd in MijnOverheid.

Het proces van digitaal betekenen in strafzaken

7.32

Uit het document ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het openbaar ministerie d.d. 30 maart 2023 (dat voor zover ik heb kunnen nagaan overigens niet openbaar toegankelijk is) lijkt evenwel te volgen dat het openbaar ministerie in het geval van digitale betekening (ook) andere waarborgen heeft ingebouwd om zoveel als mogelijk zeker te stellen dat de geadresseerde van de gerechtelijke mededeling ook daadwerkelijk wordt gealarmeerd dat een dergelijke mededeling voor hem beschikbaar is in de Berichtenbox, alsmede dat en wanneer die mededeling aan hem is betekend. De ‘Informatieset’ vermeldt:

“Het proces van digitaal betekenen verloopt als volgt:

1. Voor het betekenen van een gerechtelijke mededeling wordt door het OM eerst geautomatiseerd getoetst of de geadresseerde digitaal post van het OM wenst te ontvangen. Dit moet de burger al in een eerder stadium bij MijnOverheid hebben aangegeven. Inmiddels hebben 2,8 miljoen burgers dit kenbaar gemaakt.

2. Het OM stuurt de gerechtelijke mededeling naar MijnOverheid, alwaar het bericht in de Berichtenbox van de geadresseerde wordt geplaatst.

3. Zodra er een nieuw bericht klaar staat bij MijnOverheid in de Berichtenbox ontvangt de geadresseerde hiervan een notificatie per e-mail of een pushbericht op zijn of haar mobiele device, mits men de notificatieservice in MijnOverheid niet zelf heeft uitgezet.

4. Wanneer de geadresseerde na ontvangst van het bericht inlogt bij MijnOverheid met tweefactor authenticatie -en daarmee de gerechtelijke mededeling in de Berichtenbox kan zien-, is er sprake van een digitale betekening in persoon. Dat is ook het geval als de geadresseerde naar aanleiding van een notificatie van een andere overheidsorganisatie, dat er een bericht voor hem klaar staat in zijn Berichtenbox, inlogt in MijnOverheid, terwijl er op dat moment een gerechtelijke mededeling ter betekening voor hem klaar staat.

5. MijnOverheid stuurt daarop een elektronisch bericht naar het OM met de datum en het tijdstip van inloggen.

6. Op basis van dit elektronisch bericht wordt geautomatiseerd een vastlegging van elektronische overdracht aangemaakt en aan het digitale strafdossier toegevoegd. In voorkomende gevallen wordt een kopie van deze vastlegging via DIVOS en het Advocatenportaal verstrekt aan de Rechtspraak en aan de advocaat van verdachte.

7. De geadresseerde ontvangt daarna een bevestigingsbericht van het OM in zijn Berichtenbox. Hierin staat dat hij of zij door in te loggen in MijnOverheid kennis heeft kunnen nemen van (de inhoud van) de gerechtelijke mededeling.

Bij een niet geslaagde digitale betekening -dat is als de geadresseerde niet of niet tijdig inlogt bij MijnOverheid- wordt de gerechtelijke mededeling alsnog fysiek aan de geadresseerde aangeboden door de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (IPKD).”

7.33

Uit voornoemde ‘Informatieset’ blijkt voorts dat berichten afkomstig van het openbaar ministerie als ‘bericht met bezorgbevestiging’ zijn aangemerkt. Dergelijke berichten zijn – aldus nog steeds de ‘Informatieset’ – als zodanig herkenbaar in de Berichtenbox: een dergelijk bericht “staat de eerste maand altijd omkaderd bovenaan in de Berichtenbox. Daarnaast is achter de informatiebutton bij een bericht met bezorgbevestiging een aparte pagina ingericht met informatie wat een bericht met bezorgbevestiging inhoudt en wie het bericht kan lezen (alleen de geadresseerde zelf).”[_2e024dff-2afb-4773-adc9-adc3d40bc490] De ‘Informatieset’ vermeldt voorts (met weglating van de voetnoot):

“Nadat de geadresseerde heeft ingelogd bij MijnOverheid, ontvangt deze de dag erna een bevestigingsbericht van het OM in zijn Berichtenbox, waarin staat dat het OM ervan uitgaat dat de geadresseerde kennis heeft kunnen nemen van de gerechtelijke mededeling die voor hem klaarstond. Dit geldt alléén voor berichten met een ‘bezorgbevestiging’, zoals een dagvaarding, een oproeping of een mededeling uitspraak. Op deze manier wordt de geadresseerde er nogmaals op geattendeerd, dat er een bericht van het OM voor hem klaarstond in zijn Berichtenbox bij MijnOverheid. Dit om te voorkomen dat dit bericht aan zijn aandacht is ontsnapt bijvoorbeeld bij het inloggen voor een bericht van een andere overheidsinstantie.”

7.34

Uit de ‘Informatieset’ volgt daarnaast dat Logius na drie weken kennelijk opnieuw een notificatie verstuurt, als de burger drie weken na het plaatsen van het bericht nog niet heeft ingelogd in MijnOverheid. Die notificatie vindt plaats op dezelfde manier als de eerdere notificatie en geschiedt derhalve hetzij per e-mail (als de burger op MijnOverheid niet heeft aangegeven dergelijke notificaties niet te willen ontvangen), hetzij per pushbericht op de telefoon van de burger (als de burger die heeft aangezet). Een burger die heeft aangegeven geen notificaties te willen ontvangen, zal overigens ook deze notificatie missen.

Beschouwing

7.35

De elektronische uitreiking van gerechtelijke mededelingen in strafzaken past in een steeds verder digitaliserende samenleving. Veel mensen zullen er ook de voordelen van inzien. Elektronische betekening is onafhankelijk van tijd en plaats; je hoeft er niet voor thuis te zijn of de brief van het openbaar ministerie af te halen op het postkantoor. Je loopt in beginsel niet het risico dat er opeens een politiemedewerker voor de deur staat om een dagvaarding of mededeling uitspraak aan je te betekenen. En berichten zijn altijd terug te vinden in de digitale postbus: zij blijven daarin beschikbaar tot het moment dat de gebruiker ze zelf verwijdert. Dat moet worden ingelogd met DigiD met tweefactorauthenticatie of hoger waarborgt tot op grote hoogte dat de verdachte zelf inlogt, of in ieder geval dat niet zonder zijn medeweten wordt ingelogd door iemand anders: zijn actieve betrokkenheid is immers – in beginsel – vereist.[_5444c2c4-0e68-4d1f-b5eb-e0680809913d] In lijn met het uitgangspunt van de Wet digitale overheid is het digitaal ontvangen van post van het openbaar ministerie bovendien niet verplicht. Wie de dagvaarding of andere mededelingen op de oude (‘papieren’) manier wenst uitgereikt te krijgen, kan het openbaar ministerie als afzender ‘uitvinken’ (of niet aanvinken) in MijnOverheid.

7.36

Tegelijkertijd vraagt de wetgever in bepaalde opzichten ook een grotere mate van oplettendheid van de verdachte. Niet elke (verdachte) burger is daartoe in staat. Volgens het rapport van de Nationale ombudsman uit december 2023 zijn 2,6 miljoen burgers niet digitaal vaardig of hebben zij moeite met lezen en schrijven.[_7d9cf62a-e829-4040-9889-1b32e8d5df07] Weliswaar lag – zoals hiervoor aan de orde kwam – het aantal actieve MijnOverheid-accounts eind 2025 op 11,7 miljoen en was 69% van de (92 miljoen) digitaal verzonden berichten aan burgers na drie weken geopend en 74% daarvan na zes weken,[_df264de6-4315-4461-9962-d412c8f8e169] maar dat betekent dus ook dat een significant aantal burgers geen MijnOverheid-account heeft en dat meer dan een kwart van het aantal verzonden berichten na zes weken nog niet was geopend.[_05fae610-ac41-441f-ab23-e470345c5118]

7.37

Voor het digitaal betekenen in strafzaken is het niet hebben van, of het niet inloggen in een MijnOverheid-account van geen betekenis: gerechtelijke mededelingen kunnen immers niet digitaal aan de burger worden betekend als de burger geen Mijnoverheid-account heeft en leveren geen geslaagde betekening op, zolang de burger niet inlogt in MijnOverheid.

7.38

Strafrechtelijk gezien is wel van belang dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de (verdachte) burger die op het systeem inlogt (of laat inloggen) eigenlijk niet goed begrijpt wat hij daar aantreft of wat het belang van de verstrekte informatie is. Dat geldt meer in het bijzonder nu het enkele inloggen in MijnOverheid volstaat om een betekening “in persoon” aan te nemen. De leidende gedachte in de memorie van toelichting is geweest dat de verdachte min of meer bewust inlogt om kennis te nemen van de digitale post van het openbaar ministerie, nadat hij een notificatie van de plaatsing van dat bericht heeft ontvangen in zijn e-mail. Zo zal het in veel gevallen ook gaan. Maar er kunnen zich situaties voordoen die verder afstaan van het startpunt van denken in de memorie van toelichting; situaties waarbij de verdachte inlogt (of een ander laat inloggen) in MijnOverheid, waarbij het de burger niet bekend is dat er een bericht van het openbaar ministerie voor hem/haar klaarstaat. Daarbij is ook van belang dat het (voor de burger) niet kenbaar is wanneer (in welke gevallen) het openbaar ministerie overgaat tot de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen, terwijl evenmin is vastgelegd (althans kenbaar is) dat indien strafrechtelijk gezien eenmaal ‘het digitale spoor’ is gekozen, dat spoor gevolgd moet blijven worden. Hetzelfde geldt voor het ‘fysieke spoor’.

7.39

Hiervoor bleek al dat gaande het wetgevingstraject het voorschrift dat de verdachte zijn e-mailadres opgeeft bij de politie is komen te vervallen. Veel gebruikers zullen de notificatie dat er een bericht van het openbaar ministerie klaarstaat in de Berichtenbox niettemin ontvangen omdat zij een e-mailadres voor notificaties hebben opgegeven in MijnOverheid: dat is in 92% van de gebruikers van een MijnOverheid-account het geval.[_7467edd2-c01d-4005-93e7-e159a50d9211] Maar een eenmaal opgegeven e-mailadres kan buiten (regelmatig) gebruik raken en de notificatie kan in de beslommeringen van alledag simpelweg over het hoofd worden gezien of worden vergeten. Nu is dat op zichzelf nog geen probleem, omdat de betekening van een gerechtelijke mededeling niet voltooid is zo lang er niet is ingelogd. Maar de verlangde oplettendheid wordt wel groter op het moment dat men zich niet door notificatie van het bericht bewust is en er om een andere reden wordt ingelogd. Daar kan genoeg aanleiding voor bestaan, nu in MijnOverheid niet alleen berichten kunnen worden bekeken, maar ook ‘Lopende Zaken’ en persoonlijke gegevens kunnen worden ingezien. Ook voor de verdachte die slechts een ‘lopende zaak’ bekijkt en niet de Berichtenbox opent – bijvoorbeeld omdat hij druk is datgene te regelen waarvoor hij inlogde – geldt immers dat het bericht van het openbaar ministerie met dat inloggen volgens de wet wel “in persoon” aan hem/haar is betekend. De wetgever verlangt kennelijk ook in die gevallen dat het bericht van het openbaar ministerie wel wordt opgemerkt als er eenmaal is ingelogd in MijnOverheid.

7.40

Verder kan de verdachte onwetend blijven van het bericht als iemand anders inlogt in de Berichtenbox met gebruikmaking van de DigiD van de verdachte (en uit de aard der zaak daarmee met diens – al dan niet impliciete – toestemming). Dat is ook wat volgens de verdachte in de onderhavige zaak is gebeurd. Hiervoor kwam ook al aan de orde dat de systemen rond DigiD nog niet zo zijn ingericht dat wettelijk vertegenwoordigers of vrijwillig gemachtigden steeds met hun eigen DigiD kunnen inloggen in digitale overheidsomgevingen en daarom soms – uit noodzaak of omdat de drempel daarvoor door de gebrekkige systemen al verlaagd is – het DigiD gebruiken van degene die zij vertegenwoordigen of helpen. Niet uitgesloten is dat zij daarbij ook inloggen in MijnOverheid. In het geval van gerechtelijke mededelingen afkomstig van het openbaar ministerie geldt dat dergelijke berichten slechts kunnen worden (in-)gezien door de persoon voor wie de mededeling is bestemd.

7.41

Ter illustratie van een situatie die betrekkelijk ver afstaat van het vertrekpunt in de memorie van toelichting noem ik de zaak die in cassatie aan de orde is onder nr. 25/03372 en waarin ik vandaag eveneens concludeer. In die zaak werden in eerste aanleg meerdere pogingen ondernomen om de dagvaarding fysiek aan de verdachte in persoon uit te reiken. Die pogingen mislukten, waarna de dagvaarding – conform de daarop betrekking hebbende regelgeving – aan het openbaar ministerie werd betekend. Ter zitting van de politierechter verscheen de verdachte niet. Een raadsman verscheen evenmin. De verdachte werd door de politierechter bij verstek veroordeeld. De ‘mededeling uitspraak’ werd door het openbaar ministerie kort daarop in de Berichtenbox geplaatst. Meer dan anderhalf jaar (!) nadat dit gebeurde, werd ingelogd in die Berichtenbox. Van die betekening werd de verdachte genotificeerd, maar waar die notificatie in dit geval is ‘geland’, is niet zonder meer helder. Niet uitgesloten is dat die notificatie ook (alleen) in de Berichtenbox is geland. De verdachte in die zaak stelde in hoger beroep dat iemand anders voor hem heeft ingelogd om hem te helpen bij een aanvraag van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG). Die ander – die deze gang van zaken heeft bevestigd – heeft alleen het voor hem relevante bericht geopend en niet aan de verdachte kenbaar gemaakt dat er een bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox stond. De cassatieschriftuur in die zaak voert daarbij aan dat het bericht van het openbaar ministerie na anderhalf jaar misschien wel op pagina 2 of 3 van de Berichtenbox is terechtgekomen en daarom misschien niet eens is opgemerkt. Dat is niet geheel onvoorstelbaar, nu berichten met een bezorgbevestiging alleen de eerste maand bovenaan de Berichtenbox blijven staan: zie randnr. 7.33. Deze andere persoon is kennelijk ook niet aangeslagen op de notificatie van de betekening in de Berichtenbox, aangenomen dat dit bericht ook direct (toen er nog was ingelogd) in de Berichtenbox is verschenen. Of de verdachte in de desbetreffende zaak kennis heeft genomen van het bericht van het openbaar ministerie van een dag later dat een gerechtelijke mededeling aan hem is betekend en dat volgens de ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het openbaar ministerie uit maart 2023 wordt verzonden om de verdachte (nogmaals) te informeren over de betekening (en dat eveneens in de Berichtenbox ‘landt’; zie randnr. 7.33), blijkt uit het desbetreffende strafdossier niet.

7.42

Het gaat me er op deze plek niet om of en in welke mate het onder de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte is te scharen dat hij in de bovenbedoelde situaties onwetend blijft van het bericht van het openbaar ministerie. Daar ga ik hierna nog op in. Waar het mij hier wel om gaat is dat de regeling voor elektronische betekening in de praktijk de mogelijkheid openlaat dát de verdachte zich feitelijk niet bewust is geworden van (het bestaan van) het bericht van het openbaar ministerie – en daarmee van de gerechtelijke procedure – terwijl wel een betekening “in persoon” wordt aangenomen, althans dat de burger zich niet bewust is geworden van het belang van de ‘gerechtelijke mededeling’ en de (rechts-) gevolgen die aan een betekening (“in persoon”) kleven. Daarover wordt de verdachte binnen het strafrechtelijke kader immers niet (afzonderlijk) geïnformeerd – anders dan de gebruikelijke toelichting bij een dagvaarding. Als de verdachte evenwel de (betekening van de) gerechtelijke mededeling als zodanig heeft ‘gemist’, dan zal die informatie hem om diezelfde reden niet bekend zijn.

7.43

De rechtsgevolgen van een betekening “in persoon” zijn in de tussentijd groot. In het bijzonder kan erop gewezen worden dat art. 408 (lid 1 en lid 2) Sv meebrengt dat door de betekening in persoon van de dagvaarding of van een mededeling van een (verstek-) uitspraak (art. 366 lid 1 Sv) de termijn voor hoger beroep direct gaat lopen.[_0fcd7137-e8fc-4ef2-9c9b-3380f4e71032] Met name bij verstekveroordelingen in eerste aanleg kan dit problematisch zijn, omdat de elektronische betekening “in persoon” van de dagvaarding in eerste aanleg of van de mededeling van de verstekuitspraak kan meebrengen dat hoger beroep tegen die verstekveroordeling effectief niet meer openstaat op het moment dat de verdachte zich (wel) bewust wordt van de inhoud van de gerechtelijke mededeling – bijvoorbeeld omdat hij (per brief) wordt geïnformeerd over de executie van de opgelegde straf(fen) en/of maatregelen.

7.44

Zo illustreert de onderhavige zaak dat het over het hoofd zien van de dagvaarding in eerste aanleg in de Berichtenbox ertoe kan leiden dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek wordt veroordeeld, terwijl een hoger beroep te laat wordt ingesteld omdat die termijn 14 dagen na het uitspreken van het vonnis verstreek. De verdachte in de onderhavige zaak is – zonder inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep – onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven weken (en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van 14 maanden), terwijl hij volgens de stellers van het cassatiemiddel de facto nooit op de hoogte is geweest van de strafrechtelijke procedure, althans volgens de stellers van het middel niet kan worden uitgesloten dat hij de facto op het relevante moment niet op de hoogte was.

7.45

Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde in hoeverre dit – en daaronder versta ik in dit geval: een veroordeling bij verstek, die onherroepelijk wordt/is indien het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard – zich verhoudt met de art. 6 en 13 EVRM en art. 8 en 9 van Richtlijn (EU) 2016/343 en de rechtspraak van het EHRM en HvJ EU daaromtrent. Die regelgeving en jurisprudentie vormt onderwerp van de volgende paragraaf.

8 Behandeling bij verstek en het recht op een ‘fresh determination’

De rechtspraak van het EHRM

8.1

Verdachten hebben het recht om bij de terechtzitting in hun zaak aanwezig te zijn. Dat recht ligt naar het oordeel van het EHRM als zodanig besloten in art. 6 lid 1 EVRM: “the object and purpose of the Article taken as a whole show that a person ‘charged with a criminal offence’ is entitled to take part in the hearing”.[_11b5d047-f36b-4768-98aa-064c9ffb80c2] Het is lastig voor te stellen dat de verdachte in de gelegenheid is gebruik te maken van de door art. 6 lid 3 EVRM gewaarborgde rechten (waaronder het recht “to defend himself in person”) indien hij niet aanwezig is.

8.2

Om van dat aanwezigheidsrecht gebruik te kunnen maken, is cruciaal dat de verdachte (tijdig) op de hoogte is van het moment (en de plaats) waarop die terechtzitting zal plaatsvinden, zodat de verdachte zich ook adequaat kan voorbereiden. In de woorden van het EHRM: “to inform someone of a prosecution brought against him is […] a legal act of such importance that it must be carried out in accordance with procedural and substantive requirements capable of guaranteeing the effective exercise of the accused’s rights as is moreover clear from Article 6 § 3 (a) of the Convention; vague and informal knowledge cannot suffice.”[_157dbdc8-e9b9-4c18-9f93-b40b5adac90f]

8.3

Een recht om op een bepaalde wijze te worden geïnformeerd over de behandeling van zijn zaak bevat het EVRM niet. Maar indien gerechtelijke documenten, “including summonses to hearings, are not served in person, an applicant might be prevented from defending himself in the proceedings”. [_d8e6a70e-3b2b-4cec-8e19-8fbb9aae87db] Het EHRM heeft om die reden (ook in strafzaken) een voorkeur voor het “in persoon” informeren van de verdachte.[_192cf239-3bae-41ed-905e-d7645c047571] Die voorkeur moet worden onderscheiden van een betekening “in persoon” naar Nederlands recht: het gaat het EHRM erom dat de nationale autoriteiten voldoende en op actieve wijze inspanningen hebben verricht om de feitelijke verblijfplaats van de verdachte te achterhalen, om hem aldus ‘in persoon’– formeel – van de strafvervolging op de hoogte te (kunnen) stellen.[_48c756ad-4bd7-46ca-b7ae-b1b7949e61d0] Aan die verplichting wordt bovendien een zwaarder belang toegekend naarmate het delict waarvan de verdachte wordt beschuldigd, ernstiger is en de daarop gestelde straf hoger ligt.[_7793ae9e-6faf-47e3-bc0e-f41323abb5ec]

8.4

Het belang dat door het EHRM wordt gehecht aan de aanwezigheid van een verdachte bij de behandeling van zijn zaak betekent niet dat verdachten niet – bij wijze van uitzondering[_d5c7a644-590d-4cd7-9469-71e18ace9efa] – buiten hun aanwezigheid kunnen worden berecht: verdachten kunnen immers ondubbelzinnig afstand doen van dat recht, [_87b7cbda-120d-46e6-92e5-de796bec2c26] waarbij wel van belang is dat zij ook beseffen wat de betekenis van die beslissing is.[_c609afd4-007c-465f-8ff2-7a9982ddfd4a] Bij de vraag of sprake is van een geldige waiver kan onder omstandigheden ook een rol spelen of de verdachte werd bijgestaan door een raadsman.[_798a15d5-aa69-482d-af3e-4f4d1419f25b] Blijkt niet van een ondubbelzinnige afstand door de verdachte, dan kan berechting in diens afwezigheid leiden tot schending van art. 6 EVRM, indien en voor zover de verdachte geen recht heeft (gehad) op een ‘fresh determination’ van zijn zaak, zowel feitelijk als juridisch,[_b7e02dd0-7165-4543-ba61-34c3b65878ba] tenzij aantoonbaar is dat de verdachte heeft geprobeerd zich aan zijn berechting te onttrekken.[_a3404b58-e17f-49bc-9338-3dd10d42cbe9]

8.5

De verdachte heeft evenwel ook een eigen verantwoordelijkheid om het ertoe te leiden dat zijn zaak in zijn aanwezigheid (opnieuw) wordt berecht. Zo oordeelde het EHRM in Hennings tegen Duitsland dat het feit dat de ‘penal order’ die tegen Hennings was uitgevaardigd, niet door hem werd ontvangen, in belangrijke mate aan Hennings zelf te wijten was. Hennings beriep zich erop dat hij die order niet (tijdig) had ontvangen, omdat zijn vrouw afwezig was en hij als gevolg daarvan geen toegang had tot de postbus: hij beschikte niet over de sleutel daarvan. Het EHRM concludeerde evenwel “that the applicant could reasonably have been expected to obtain a key to his letter-box in order to have ready access to any mail addressed to him, particularly since he must have foreseen that proceedings would be brought against him […]. The authorities cannot be held responsible for barring his access to a court because he failed to take the necessary steps to ensure receipt of his mail and was thereby unable to comply with the requisite time-limits laid down under German law.”[_7b717d61-3554-4c04-b6fb-3a9bd5b67c40]

8.6

Wanneer omissies in relatie tot het daadwerkelijk notificeren van de verdachte dat zijn zaak zal worden behandeld evenwel aan de justitiële autoriteiten kunnen worden toegerekend (of niet kan worden uitgesloten dat zij daarvoor (mede-)verantwoordelijk zijn), kan de onmogelijkheid van de verdachte om alsnog toegang tot een (hogere) rechter te krijgen voor een ‘fresh determination’ van de zaak na een veroordeling bij verstek resulteren in schending van art. 6 EVRM.[_2b462461-bbc6-4af0-834e-2defa9124d2e] In die gevallen kan namelijk niet (zonder meer) worden geconcludeerd dat de verdachte (ondubbelzinnig) afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.[_42cdc746-a74e-4ed9-846e-37cd1d16a1b8] Vanwege het belang van een recht op een eerlijk proces verplicht art. 6 EVRM de nationale gerechten in dat kader om daadwerkelijk te controleren “whether the defendant has had the opportunity to apprise himself of the date of the hearing and the steps to be taken in order to take part where, as in the instant case, this is disputed on a ground that does not immediately appear to be manifestly devoid of merit”.[_b30cfc98-3bfd-41d1-a78d-28933746433d] Uit Lobzhanidze en Peradze lijkt bovendien te kunnen worden afgeleid dat een weigering van de nationale rechter om een veroordeelde toe te staan op te komen tegen een verstekveroordeling voldoende gemotiveerd dient te zijn en niet gebaseerd mag zijn op een “excessively formalistic application by the appellate court of a procedural rule”.[_a43ffda7-4dda-49e1-9328-6c64fe919b83] In dat verband: hoewel het EHRM belangrijke waarde hecht aan ‘legal certainty’ en een ‘proper administration of justice’ (“two central elements for drawing a distinction between excessive formalism and an acceptable application of procedural formalities”)[_1bbec86b-8c24-4285-a65b-a1158bcea99e] en vaker heeft geoordeeld dat rechtsmiddelen – zoals hoger beroep – uit de aard der zaak onderhevig zijn aan (voorzienbare) wettelijke beperkingen, volgt uit diverse uitspraken ook dat “[I]n applying the rules of procedure, the national courts must avoid both excessive formalism which would affect the fairness of the procedure, and excessive flexibility which would result in removing procedural requirements established by law.”[_0ca85586-5d83-497a-b34d-ae4babebeb00]Dat geldt ook voor ‘time-limits’: hoewel die in uitgangspunt legitieme procedurele beperkingen vormen van het recht op toegang tot een rechter, geldt dat “their interpretation in disregard of relevant practical circumstances may result in violations of the Convention.”[_b0c15e30-8121-411e-a30e-779dcc8027c3]

De rechtspraak van het HvJ EU

8.7

Ook in het EU-recht vormt het recht van verdachten om in hun aanwezigheid te worden berecht, het uitgangspunt. Berechting bij verstek is ook op basis van het EU-recht niet uitgesloten, in ieder geval niet wanneer verdachten en beklaagden uitdrukkelijk of stilzwijgend, maar in ieder geval op ondubbelzinnige wijze, afstand hebben gedaan van het recht om in hun aanwezigheid te worden berecht. Ook zonder een dergelijke ‘waiver’ is berechting in afwezigheid van de verdachte onder omstandigheden evenwel mogelijk.

8.8

Art. 8 lid 1 t/m 4 van Richtlijn (EU) 2016/343 bepaalt:

“1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting.

2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van de verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:

a. de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of

b. de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld.

3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd.

4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9.”

8.9

Art. 9 van Richtlijn (EU) 2016/343 luidt:

“De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.”

8.10

De preambule van deze Richtlijn houdt ter zake onder meer het volgende in:

“(35) Het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, is niet absoluut. Onder bepaalde voorwaarden dienen verdachten en beklaagden de mogelijkheid te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht.

(36) In bepaalde omstandigheden moet een beslissing over de schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde kunnen worden gegeven, zelfs wanneer de betrokkene niet bij de terechtzitting aanwezig is. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid, en desondanks niet verschijnt. Het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van een terechtzitting moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting. Het in kennis stellen van de verdachte of de beklaagde van de gevolgen van afwezigheid moet met name worden begrepen als het informeren van de betrokkenen dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt.

(37) […]

(38) Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, moet in voorkomend geval ook bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen.”

8.11

Uit deze bepalingen volgt dat een bij verstek veroordeelde persoon slechts een recht op een nieuw proces kan worden ontzegd, indien voldaan is aan de voorwaarden van art. 8 lid 2 van Richtlijn 2016/343 (hierna ook: de Richtlijn). Eén van die voorwaarden is dat de verdachte tijdig in kennis is gesteld van zijn terechtzitting. Bij de vraag of aan die voorwaarde is voldaan, dient ook wat het HvJ EU betreft bijzondere aandacht te worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds, en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds.[_70499f40-9f59-4b2a-a5fb-95e53a91a964] Van de zijde van de bevoegde overheidsinstanties is in dat kader noodzakelijk dat zij “redelijke inspanningen” hebben geleverd om de verdachte te lokaliseren en hem in persoon te dagvaarden of hem anderszins officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van die terechtzitting.[_fb39ab2b-525d-4572-82ab-0cd6aab6431f] Als dat het geval is, kan de verdachte worden geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting.

8.12

Daarnaast dient de verdachte, om bij verstek te kunnen worden veroordeeld zonder recht te hebben op een nieuw proces, hetzij op de hoogte te zijn gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid, hetzij ter zitting te worden vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. Wanneer een verdachte niet tijdig en daadwerkelijk – en op zodanige wijze “dat met zekerheid vaststaat dat de informatie is verstrekt en daadwerkelijk door hem is ontvangen”[_f4f33d93-c61a-45bc-8aa3-e710e22a743b] – is geïnformeerd over de gevolgen van zijn afwezigheid op de terechtzitting, kan niet worden aangenomen dat aan de tweede voorwaarde genoemd in art. 8 lid 2 onder a van de Richtlijn is voldaan. Er is wat het HvJ EU betreft geen enkele omstandigheid denkbaar waarin de betrokkene (verdachte) eenvoudigweg kan worden geacht die informatie te hebben ontvangen, zelfs niet wanneer hij is ondergedoken voorafgaand aan het moment in de procedure waarin die informatie hem normaliter overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften had moeten worden verstrekt. “De verdachte of beklaagde die weet heeft van het feit dat hij in staat van beschuldiging is gesteld, kan namelijk weliswaar redelijkerwijs worden geacht te kunnen weten dat er waarschijnlijk een proces tegen hem zal worden gevoerd, maar deze kennis alleen stelt hem niet in staat te begrijpen wat de gevolgen zijn van zijn afwezigheid op dat proces.”[_a74e934c-503a-4dc1-b249-8b499daa7adc] Wanneer de verdachte tijdig in kennis is gesteld van zijn terechtzitting of kan worden geacht daarvan in kennis te zijn gesteld, maar niet is geïnformeerd over de gevolgen van zijn afwezigheid en ter zitting evenmin door een gemachtigd advocaat werd vertegenwoordigd (aan wie de verdachte heeft opgedragen om hem in zijn afwezigheid te verdedigen ten overstaan van de strafrechter),[_9961ba00-e101-4aa0-ba52-88335158a4f1] heeft hij in beginsel recht op een nieuw proces vanaf het moment dat hij kennis krijgt van het verstekvonnis.[_59ae3003-0ed6-4aa0-96ae-e7aa2b55673a]

8.13

Ten aanzien van dit laatste recht is wat het HvJ EU betreft in verband met het doeltreffendheidsbeginsel vereist “dat de bij verstek veroordeelde persoon, wanneer hij in kennis wordt gesteld van zijn veroordeling of snel daarna, een afschrift ontvangt van de volledige bij verstek gegeven beslissing en wordt geïnformeerd over zijn procedurele rechten, met inbegrip van de mogelijkheid om een verzoek tot heropening van de strafprocedure in te dienen, en over de rechter bij wie en de termijn waarbinnen dat verzoek moet worden ingediend.”[_fa68f6ac-278b-45a2-9665-752a77241970]

8.14

Bij de vraag of aan de voorwaarden van art. 8 lid 2 van de Richtlijn – en meer in het bijzonder de vraag of de verdachte (tijdig) in kennis is gesteld van de terechtzitting – is voldaan, kan de rechter zich baseren op de wijze waarop een verdachte volgens het nationale recht wordt opgeroepen voor de terechtzitting. Dergelijke regels van nationaal recht mogen echter niet afdoen aan de doelstelling van de Richtlijn, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de verdachte (effectief) in staat stellen bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn.[_9242b275-8094-4dba-b6a9-6f9391972d3f] Daarvoor is evenwel niet vereist, zo blijkt uit de rechtspraak van het HvJ EU, dat de verdachte ook daadwerkelijk in persoon wordt getroffen en genotificeerd: voldoende is dat het document met de datum en de plaats van het proces is verstuurd naar het door de verdachte opgegeven adres (althans: naar de met redelijke inspanningen van de bevoegde instanties gelokaliseerde verdachte) en daadwerkelijk aldaar is afgeleverd.[_4815b680-3bdf-4021-ba17-ad4e273133c0]

8.15

Uit de jurisprudentie van het HvJ EU kan voorts worden afgeleid dat indien en voor zover door de verdachte gemotiveerd wordt betwist dat aan alle voorwaarden is voldaan voor berechting bij verstek zonder recht op een nieuw proces, door de bevoegde instantie dient te worden onderzocht of aan die voorwaarden (wel) is voldaan, alvorens een (gemotiveerde) beslissing te nemen over het al dan niet bestaan van het recht op een nieuw proces in de omstandigheden van het geval.[_ce1db30f-b2a9-4e50-bfba-42e257436e11] Uit het arrest van het HvJ EU van 16 januari 2025 in de zaak VB II volgt in dat verband dat de Richtlijn zich er niet tegen verzet dat na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de bij verstek gewezen beslissing, de voor de betrokkene beschikbare voorziening in rechte erin bestaat dat bij een rechtelijke instantie een verzoek tot heropening van de strafprocedure wordt ingediend, waarbij die procedure ertoe strekt om vast te stellen of voldaan is aan de voorwaarden van art. 8 lid 2 van de Richtlijn, zonder dat dit automatisch leidt tot heropening van de strafprocedure (of een nieuw proces).[_e8b75aed-1c96-4d65-9585-029612f878f6] Een dergelijke procedure kan bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van versterking van het recht op een eerlijk proces, mits die procedurele regeling voldoet aan de eis dat zij noodzakelijkerwijs leidt tot een nieuw proces wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 8 lid 2 van de Richtlijn, zonder dat de rechter die bevoegd is te oordelen over het verzoek kan weigeren dat een nieuw proces plaatsvindt op grond van andere criteria dan die welke in art. 8 lid 2 van de Richtlijn zijn neergelegd.[_9bb40276-bbc3-4f0b-9b06-5671e6fa23d8]

8.16

Wanneer de nationale regeling niet in overeenstemming met art. 8 lid 4 en art. 9 van de Richtlijn kan worden uitgelegd, dient een met deze Unierechtelijke bepalingen strijdige nationale bepaling buiten toepassing te worden gelaten.[_4c36e3f1-e7b9-45c3-aedc-c385884549d2]

8.17

Daarmee resteert de vraag of een recht op een ‘fresh determination’ aan een verdachte kan worden ontzegd, indien de verdachte daarom niet tijdig heeft verzocht.

8.18

In zijn algemeenheid geldt in dat kader dat art. 47 van het EU Handvest eist dat een ieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, het recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte. Daarmee is niet (zonder meer) in strijd dat strikte termijnen worden gehanteerd: daarmee wordt immers ook de rechtszekerheid gediend.[_d17bddb0-ed82-424a-ad21-ac52b1383b19] Uit de jurisprudentie van het HvJ EU volgt evenwel ook dat de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt.[_8c50d66c-a580-44c3-9732-0096ba682169] Meer specifiek met het betrekking tot het recht op een nieuwe behandeling na een veroordeling bij verstek oordeelde het HvJ EU in VB II dat het met het oog op het doeltreffendheidsbeginsel van belang is “dat de procedure voor het verzoek tot heropening van de strafprocedure resulteert in de erkenning van het recht op een nieuw proces in alle gevallen waarin niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn.” [_81881fd8-78c2-4b85-84be-5433faf2f6a7] Dat suggereert mijn inziens dat binnen het nationale recht minst genomen de mogelijkheid aanwezig moet zijn om in rechte vast te laten stellen of (al dan niet) aan de voorwaarden van art. 8 lid 2 van de Richtlijn is voldaan.

Samenvattend

8.19

Zowel op grond van de jurisprudentie van het EHRM als die van het HvJ EU is van belang dat kan worden vastgesteld dat de nationale autoriteiten de verdachte tijdig (en adequaat) in kennis hebben gesteld van de terechtzitting. Indien dit is gebeurd, kan de verdachte worden geacht bekend te zijn met het tijdstip van zijn berechting. Daarnaast moet de verdachte zijn geïnformeerd over de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid ter terechtzitting: zie daartoe randnr. 8.12. Is aan die voorwaarden voldaan, dan kan de verdachte in beginsel in zijn afwezigheid (en zonder ter zitting te worden verdedigd door een door hem aldus gemachtigd raadsman) worden berecht zonder recht te hebben op een nieuw proces. Is niet aan die voorwaarden voldaan (en is geen sprake van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat de verdachte met opzet heeft vermeden officieel in kennis te worden gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting), dan kan de verdachte nog steeds in zijn afwezigheid worden berecht, maar komt hem wel het recht toe vervolgens alsnog in zijn aanwezigheid te worden berecht.

8.20

Uit voornoemde jurisprudentie volgt ook dat indien door de verdachte wordt betwist dat aan de voorwaarden voor berechting (en veroordeling) bij verstek zonder recht op een nieuw proces is voldaan en die betwisting niet op voorhand “manifestly devoid of merit” is, de bevoegde nationale instantie daarnaar onderzoek dient te verrichten en daaromtrent (gemotiveerde) vaststellingen dient te doen. De jurisprudentie van het HvJ EU lijkt daarbij te indiceren dat een dergelijke mogelijkheid ook na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep moet bestaan.

9 De jurisprudentie van de Hoge Raad

Berechting bij verstek

9.1

Uit de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU volgt dat een verdachte slechts dan een recht op een nieuwe berechting kan worden ontzegd, indien hij adequaat (en tijdig) op de hoogte is gesteld van de datum en het tijdstip van zijn berechting en de gevolgen van zijn afwezigheid ter zitting en desondanks bij die zitting verstek heeft laten gaan en ter zitting ook niet door een gemachtigd raadsman is verdedigd. Aldus komt cruciale betekenis toe aan de vraag of de justitiële autoriteiten (alle) redelijke inspanningen hebben verricht om de verdachte te lokaliseren om hem officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van die terechtzitting (en de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid op die zitting).

9.2

Dat wil niet zeggen dat de verdachte slechts in zijn afwezigheid kan worden berecht, indien sprake is van daadwerkelijke betekening “in persoon”. Een recht om (alleen) op die wijze te worden geïnformeerd, valt aan het EVRM en Richtlijn (EU) 2016/343, als opgemerkt, niet te ontlenen. Voldoende is dat het document met de datum en de plaats van het proces en mededeling over de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid ter zitting zijn verstuurd naar het door de verdachte opgegeven adres (althans: naar de met redelijke inspanningen van de bevoegde instanties gelokaliseerde verdachte) en daadwerkelijk aldaar is afgeleverd.[_90c1789d-ca7b-4f64-a665-a43062549fa3]

9.3

De Hoge Raad formuleerde dat in zijn uitspraak van 1 september 2026 met verwijzing naar art. 8 en 9 van de Richtlijn en het EVRM als volgt:[_a85cc037-b0ef-42dd-b30b-33adbd3f643b]

“2.6.1. […] Het gaat erom dat de verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van die terechtzitting, dat wil zeggen: dat de manier waarop de informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting wordt verstrekt, het voor de verdachte mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting.

2.6.2.

Ook uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt niet dat artikel 6 EVRM een specifieke manier voorschrijft waarop een verdachte in kennis wordt gesteld van de terechtzitting (vgl. EHRM 28 augustus 2018, nr. 12307/16 (Vyacheslav Korchagin/Rusland), overweging 65). Die rechtspraak houdt ook niet in dat een verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de terechtzitting. Dat zo’n vereiste zou gelden, kan niet worden afgeleid uit de in de schriftuur aangehaalde uitspraak EHRM 12 juni 2018, nr. 47081/06 (M.T.B./Turkije). In die zaak beoordeelde het EHRM of de verzoeker “sufficiently aware of the criminal proceedings” was. Het EHRM was van oordeel dat dit niet het geval was nu het nationale gerecht niet had beoordeeld “whether the applicant had in fact been notified” (zie overweging 50 en 62; cursivering toegevoegd).

2.7.

Bij de beoordeling of de manier van kennisgeving – mede in het licht van de verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht en het EVRM – voldoende waarborgen biedt dat de verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van de terechtzitting, komt betekenis toe aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij het doen van de kennisgeving, maar ook aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (vgl. HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842, rechtsoverweging 2.6.2). Waar het gaat om de inspanningen die van de overheid mogen worden verlangd om de verdachte die over een BRP-adres beschikt, op de hoogte te stellen van de datum van de terechtzitting, volstaat – behoudens bijzondere omstandigheden – betekening aan dat BRP-adres, ook als de verdachte niet zelf de dagvaarding of de oproeping in ontvangst neemt. Het enkele gegeven dat het BRP-adres een locatie betreft waar ook veel andere mensen (kunnen) verblijven, brengt niet met zich dat van zo’n bijzondere omstandigheid sprake is.”

9.4

Behoudens bijzondere omstandigheden volstaat dus – waar het de inspanningen van de justitiële autoriteiten betreft – naar het oordeel van de Hoge Raad betekening van de dagvaarding aan het BRP-adres van de verdachte, ook als de verdachte niet zelf de dagvaarding of oproeping in ontvangst neemt.[_06105f70-69dc-497f-a011-131b3a80f9d6] In dat geval is evenwel geen sprake van betekening “in persoon” in de zin van de wet.[_81527d56-d88d-4ea4-852d-8baa526a59cf] Indien een niet-gedetineerde verdachte niet in Nederland staat ingeschreven in de BRP, maar van hem wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, moet de uitreiking van de dagvaarding op dat adres plaatsvinden.[_769f3c5c-a6e0-4854-8881-d45d96c55848] Bij een rechtsgeldige betekening mag de rechter, indien de verdachte en/of diens raadsman op de terechtzitting niet verschijnt, en ongeacht dus de vraag of betekening “in persoon” heeft plaatsgevonden, behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.[_05acb91b-1796-42a0-8fc9-2618113ff212]

9.5

Wanneer uit de stukken of het verhandelde ter zitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te vinden (a) in het geval op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit andere hoofde is gedetineerd; (b) in het geval de verdachte een postbus heeft; alsook (c) in het geval waarin het adres van de verdachte in het buitenland bekend is en hetzij blijkt dat bij de toezending van de dagvaarding aan de verdachte de ter zake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd, hetzij het ernstige vermoeden bestaat dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek tot uitreiking van de dagvaarding.[_07eeb99c-81ac-4a68-aac0-13fb92d2d0d5] Ontbreken die aanwijzingen, dan wordt verstek tegen de verdachte verleend en wordt hij in zijn afwezigheid berecht.

9.6

De Hoge Raad besteedt in zijn jurisprudentie geen afzonderlijke aandacht aan de vraag of de verdachte ook is geïnformeerd over de gevolgen van zijn afwezigheid ter zitting. Dat zal verband houden met het feit dat een dagvaarding naar Nederlands recht standaard informatie bevat omtrent de (mogelijke) gevolgen van afwezigheid van de verdachte ter zitting. Zo bevat de ‘Dagvaarding van het parket Centrale Verwerking O.M.’ in het onderhavige geval een ‘toelichting op de procedure’, waarin (in de kleine lettertjes) staat vermeld:

“1. Aanwezigheid op de zitting

Als u ten tijde van het feit dat u ten laste is gelegd jonger was dan 18 jaar dan bent u verplicht om op de zitting te verschijnen. In alle andere gevallen bent u niet verplicht te verschijnen. Als de rechter het absoluut nodig acht dat u aanwezig bent bij de zitting, kan hij u daartoe verplichten. Komt u niet dan kan de rechter u uiteindelijk onder dwang laten ophalen door de politie. U kunt zich tijdens de rechtszitting laten verdedigen door een advocaat. Een mondelinge machtiging is daarvoor voldoende. Bij zittingen van de kantonrechter en/of de economische politierechter kunt u zich ook laten vertegenwoordigen door iemand die geen advocaat is, tenzij het feit dat u ten laste is gelegd een misdrijf betreft. Die persoon moet wel beschikken over een bijzondere schriftelijke volmacht. Verschijnt uw vertegenwoordiger of gemachtigd advocaat op de zitting en u niet, dan wordt er bij de verdere behandeling van de zaak van uitgegaan dat u wel persoonlijk aanwezig was.

[…]

9 Informatie over de uitspraak

Als deze dagvaarding persoonlijk aan u is uitgereikt of als u zelf, uw gemachtigde advocaat of uw vertegenwoordiger aanwezig is geweest bij de (nadere) terechtzitting, is de uitspraak van de rechter na 14 dagen onherroepelijk en ontvangt u hiervan geen bericht. Dit is ook het geval als er bijzonderheden zijn geweest waardoor u tevoren kon weten wat de dag van de terechtzitting was. Voor informatie over de uitspraak kunt u contact opnemen met de griffie van de rechtbank of met uw advocaat. Heeft u een aanhoudingsverzoek gedaan dan moet u zelf informeren of dit ook daadwerkelijk is gehonoreerd.

10 Beroepsmogelijkheden

Bent u het oneens met de beslissing van de rechter dan kunt u binnen veertien dagen in hoger beroep (ook wel genaamd appel) gaan.”

9.7

Uit die toelichting blijkt niet met zoveel woorden dat de verdachte in zijn afwezigheid kan worden berecht (en veroordeeld), indien hij noch een door hem gemachtigd raadsman ter zitting verschijnt. Impliciet ligt dat er wel in besloten. Of verdachten dat ook onder alle omstandigheden op basis van de standaard toelichting (voldoende) begrijpen, waag ik overigens te betwijfelen. Gelet op hetgeen er wel staat, sluit ik op zichzelf niet uit dat het HvJ EU zou (kunnen) menen dat in de toelichting (wellicht) in abstracto voldoende besloten ligt dat een berechting van de verdachte bij verstek mogelijk is, maar dat rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat dit, afhankelijk van de omstandigheden van het geval (en de persoon van de verdachte), anders ligt, bijvoorbeeld wanneer moet worden geconstateerd dat niet vaststaat dat de verdachte van de gevolgen van zijn afwezigheid ter terechtzitting (voldoende) op de hoogte was.

9.8

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, als opgemerkt, dat een rechter bij een rechtsgeldige betekening van de dagvaarding, behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel, bij afwezigheid ter zitting van de verdachte of een door hem gemachtigd raadsman de zaak bij verstek kan behandelen en (aansluitend) een veroordeling bij verstek kan uitspreken, ook als de betekening niet in persoon heeft plaatsgevonden. Een aldus veroordeelde verdachte heeft op grond van het EVRM en het Unierecht in beginsel geen recht op een nieuwe berechting (‘fresh determination’). Dat betekent (ook) dat het EVRM en het Unierecht er niet aan in de weg staan dat een dergelijke verdachte op grond van art. 408 Sv in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

9.9

Dat is evenwel anders, indien er aanwijzingen zijn dat de verdachte niet vrijwillig en op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en ter zitting (in eerste aanleg) niet door een gemachtigd raadsman de verdediging is gevoerd (of zou moeten worden geconcludeerd dat de verdachte niet daadwerkelijk is geïnformeerd over de gevolgen van zijn afwezigheid ter zitting). In dat geval is noodzakelijk dat in rechte wordt beoordeeld of daadwerkelijk aan de eisen van berechting bij verstek in eerste aanleg is voldaan. Blijkt niet van een dergelijke afstand, dan heeft de verdachte immers op grond van de jurisprudentie van het EHRM en het Unierecht recht op een nieuwe berechting, welke berechting naar Nederlands recht ook de gedaante van het hoger beroep kan aannemen.

De ontvankelijkheid van een door de verdachte ingesteld hoger beroep

9.10

Het recht op hoger beroep is naar Nederlands recht niet beperkt tot verdachten die in eerste aanleg bij verstek zijn veroordeeld. Dat betekent (onder meer) dat de vraag of in een gegeven geval een recht op hoger beroep bestaat, naar Nederlands recht op basis van andere criteria wordt beoordeeld dan de vraag of – Europeesrechtelijk gezien – recht bestaat op een ‘fresh determination’.

9.11

De ontvankelijkheid van een door de verdachte ingesteld hoger beroep na een veroordeling bij verstek wordt naar Nederlands recht beoordeeld op grond van art. 408 Sv. Kort samengevat bepaalt dat artikel dat het hoger beroep binnen 14 dagen dient te worden ingesteld, te rekenen vanaf hetzij het moment waarop de einduitspraak is gedaan (indien de dagvaarding of oproeping “in persoon” is betekend; art. 408 lid 1, aanhef en onder a Sv), hetzij (in andere gevallen) “zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” (art. 408 lid 2 Sv). In beide gevallen komt cruciale betekenis toe aan de vraag of sprake is van betekening “in persoon” in de zin van de wet. Dat geldt ook voor het tweede lid, nu betekening van de bij verstek gewezen uitspraak “in persoon” tot gevolg heeft dat (wordt aangenomen dat) de verdachte op dat moment met de einduitspraak bekend is.[_3343f604-2d1b-48b8-887d-25571c4cbb65]

9.12

Uit de wet volgt dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep op basis van art. 408 lid 1, aanhef en onder a, Sv volstaat dat in hoger beroep wordt getoetst of de dagvaarding in persoon is betekend en of het hoger beroep in dat geval binnen 14 dagen na de einduitspraak is ingesteld. Omdat het daarbij om een termijn van openbare orde gaat, wordt aan die termijn strikt de hand gehouden.[_27bb530d-573a-4524-be76-fe0e261534c1]Weliswaar is denkbaar dat de termijn verontschuldigbaar door de verdachte wordt overschreden, maar dat geldt blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad alleen indien het verzuim om binnen die termijn te blijven niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarvan is slechts in uitzonderlijke omstandigheden sprake.[_b46b105c-a05a-4be9-a494-2df3eb0684b3] Kort samengevat kan dat het geval zijn bij (i) door de overheid opgewekt vertrouwen (dat de termijn voor het instellen pas op een bepaald moment zou aanvangen of verstrijken),[_7666a3f9-9469-4f4f-9677-c5d1f4886fcb](ii) ernstige beperkingen in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren van de verdachte op het moment dat het rechtsmiddel had moeten worden ingesteld,[_117db948-9afa-4928-b70d-007140786d31]dan wel (iii) het ontbreken van een op de voet van art. 366 lid 4 Sv vereiste vertaling.[_95c1849b-fe5c-43c4-9541-4bf4ae4752fa] Voor zover ter zake duidelijk en gemotiveerd verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop uitdrukkelijk een met reden omklede beslissing moeten nemen.[_a0a6de6b-1e80-472a-9a0a-80d27ec1782b]

9.13

De vraag of de verdachte in eerste aanleg wel ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, speelt in de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep geen rol.[_a35bf934-fa19-4d10-be69-31f1b48827e3] Dat is niet verwonderlijk, in die zin dat een verdachte aan wie de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, slechts bij verstek kan zijn veroordeeld indien er geen duidelijke aanwijzingen (meer) zijn dat hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenste te maken.

9.14

Tegen de achtergrond van de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU is evenwel de vraag of daarmee in alle gevallen van een veroordeling bij verstek in eerste aanleg voldoende recht wordt gedaan aan de in deze jurisprudentie vervatte eis dat bij een betwisting dat de justitiële autoriteiten in eerste aanleg voldoende inspanningen hebben verricht om de verdachte te lokaliseren en/of de verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (in eerste aanleg), door de rechter in hoger beroep moet worden onderzocht of daadwerkelijk aan de eisen voor berechting bij verstek (in eerste aanleg) is voldaan. Is dat niet het geval, dan heeft de verdachte immers recht op een nieuwe berechting. Daarbij is, gelet op de jurisprudentie van het HvJ EU, ook van belang of de bij verstek veroordeelde verdachte een afschrift heeft ontvangen “van de volledige bij verstek gegeven beslissing en wordt geïnformeerd over zijn procedurele rechten, met inbegrip van de mogelijkheid om een verzoek tot heropening van de strafprocedure in te dienen, en over de rechter bij wie en de termijn waarbinnen dat verzoek moet worden ingediend.”[_bd6ba901-9cdc-4dc0-aa5f-4ccc9a5f727f]

9.15

Eenzelfde vraag rijst in relatie de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep op grond van art. 408 lid 2 Sv. Weliswaar stelt de Hoge Raad strikte eisen aan de beoordeling dat zich “een omstandigheid” als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv heeft voorgedaan,[_fb77fdce-2539-4238-b459-f7852bf12c84] maar onderdeel van die eisen – of van de vraag of de termijnoverschrijding in het gegeven geval verontschuldigbaar is – vormt niet een beoordeling of de justitiële autoriteiten zich in eerste aanleg voldoende hebben ingespannen om de verdachte te bereiken teneinde hem op de hoogte te stellen van de inleidende dagvaarding en evenmin de vraag of de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht om (in eerste aanleg) in zijn aanwezigheid te worden berecht. Onder (bijzondere) omstandigheden kan het nalaten daaromtrent (begrijpelijke) vaststellingen te doen, tot gevolg hebben dat de verdachte, als gevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep, ten onrechte een recht op een nieuwe berechting wordt ontzegd. Zoals hierna nog aan de orde zal komen, is dat (mijns inziens) in het geval van de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen relevant, omdat de zaken aangaande die betekening die thans aan de Hoge Raad voorliggen, zich (telkens) kenmerken door een overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte (als gevolg van die elektronische betekening).

9.16

Afzonderlijke aandacht verdient in dit kader nog de situatie dat de verdachte wel tijdig (in de zin van art. 408 lid 1 of lid 2 Sv) in hoger beroep is gegaan, maar vervolgens de – al dan niet elektronisch betekende – dagvaarding ‘mist’ en als gevolg daarvan niet ter terechtzitting in hoger beroep verschijnt. Die situatie is in zekere zin eenvoudiger dan de hiervoor geduide situatie(s). Indien de verdachte zelf (tijdig) een rechtsmiddel instelt, immers, komt – indien en voor zover kan worden vastgesteld dat de justitiële autoriteiten ook bij de betekening van de dagvaarding in hoger beroep de noodzakelijke zorgvuldigheid in acht hebben genomen – een (belangrijke) rol toe aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen. In zijn uitspraak van 12 maart 2002 overwoog de Hoge Raad ter zake:

“3.36. Vooropgesteld dient te worden dat wanneer door of namens de verdachte appèl is ingesteld - maar overigens ook indien het beroep is ingesteld door de officier van justitie - rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken.

3.37.

Daarom mag van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Dat geldt niet alleen indien de verdachte in hoger beroep is gegaan maar ook wanneer de eerder in de zaak gewezen uitspraak door de Hoge Raad is vernietigd met verwijzing of terugwijzing van de zaak naar de feitenrechter. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.”[_22604f82-842e-485e-a0fa-142d05ffb017]

9.17

Indien de overheid zelf evenwel niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen om het ertoe te leiden dat de verdachte op de hoogte is van het proces, kan de beslissing om verstek te verlenen aan de verdachte wat de Hoge Raad betreft niet uitsluitend berusten op de grond dat de verdachte zelf onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen, bijvoorbeeld omdat hij zich – na het instellen van het hoger beroep – niet of onvoldoende bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman of raadsvrouw.[_5b284351-dac5-48ce-8dba-e7b8c29cf8cd]

10. De elektronische betekening in strafzaken en het recht op een ‘fresh determination’

Fysieke versus elektronische betekening “in persoon”

10.1

Wat betekent dit alles nu voor de elektronische betekening in strafzaken?

10.2

Een wezenlijk verschil tussen regeling van elektronische betekening in de zin van art. 36f lid 2 Sv enerzijds en de regeling van de betekening “in persoon” in papieren vorm anderzijds, is dat op grond van die laatste regeling er in het gehele traject van strafvervolging altijd (ten minste) één moment is waarop de verdachte ‘in levende lijve’ wordt getroffen. Onder de ‘papieren regeling’ is slechts sprake van een uitreiking “in persoon” als de gerechtelijke mededeling daadwerkelijk aan de persoon van de verdachte zelf is uitgereikt.[_c568abb2-9572-4f7c-9129-2d8e7526c3f5] Indien de dagvaarding in eerste aanleg niet fysiek aan de verdachte “in persoon” is uitgereikt en de verdachte evenmin ter zitting aanwezig is (of een raadsman heeft gemachtigd de verdediging in zijn afwezigheid te voeren), dan gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep pas lopen op het moment dat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is (art. 408 lid 2 Sv). Als opgemerkt, stelt de Hoge Raad aan die vaststelling hoge eisen. Stelt de in eerste aanleg bij verstek veroordeelde verdachte vervolgens binnen de termijn hoger beroep in, dan wordt zijn zaak in hoger beroep in beginsel (opnieuw) behandeld en kan de verdachte gebruik maken van zijn aanwezigheidsrecht. De betekeningsregels verhinderen aldus dat de verdachte in hoger beroep wordt veroordeeld, na een vervolging waarvan hij nooit heeft gehoord.[_dd772c14-44ae-41dd-ad4c-77387756f4a0]

10.3

Als uitgangspunt van de regeling van fysieke betekening “in persoon” geldt dus dat – door de daarvan opgemaakte akte – vaststaat dat de verdachte zich er persoonlijk van bewust is dat een gerechtelijke mededeling aan hem gericht is. De verdachte moet er alleen nog zelf kennis van nemen (als in: de enveloppe opmaken en de brief (laten voor)lezen).

10.4

Ik ben er niet van overtuigd dat hetzelfde steeds gewaarborgd is in het geval van elektronische betekening van een dagvaarding in eerste aanleg of van een ‘mededeling verstekuitspraak’. Zoals in het voorgaande reeds meerdere malen aan de orde kwam, staat het de verdachte vrij om zich digitaal beschikbaar te houden voor het openbaar ministerie. De wijze waarop de verdachte dat kenbaar kan maken – het ‘opt-in’-systeem, waarbij het mogelijk is dat het openbaar ministerie onderdeel is van een grote(re) hoeveelheid organisaties die met één druk op de knop wordt aangevinkt – garandeert niet zonder meer dat de verdachte zich er (voldoende) bewust van is dat gerechtelijke mededelingen door het openbaar ministerie elektronisch aan hem kunnen worden betekend, al zeker niet indien dat ‘aan’- of ‘uitvinken’ al weer enige jaren geleden heeft plaatsgevonden. Het is bovendien geenszins gezegd dat gerechtelijke mededelingen ook daadwerkelijk elektronisch aan de burger worden betekend als die burger daarvoor toestemming heeft gegeven: dat heeft weliswaar de voorkeur van de wetgever (gelet op de tekst van art. 36b lid 2 Sv), maar het kan evengoed dat gerechtelijke mededelingen alsnog ‘in papieren vorm’ aan hem worden uitgereikt. Evenmin is duidelijk dat een door het openbaar ministerie eenmaal gekozen ‘elektronisch spoor’ ook een elektronisch spoor moet blijven (en een ‘fysiek’ spoor een fysiek spoor). De vraag is of tegen die achtergrond van de burger wel mag worden verwacht dat hij steeds alert is op de aanwezigheid van gerechtelijke mededelingen van de zijde van het openbaar ministerie in zijn Berichtenbox.

10.5

De vraag is voorts of die (bewustheid en) alertheid in het geval van gerechtelijke mededelingen in strafzaken voldoende wordt geactiveerd door de mogelijkheid van notificaties. Ook daarbij geldt dat de burger ervoor kan kiezen geen notificaties te willen ontvangen. Doet hij dat wel, dan ontvangt de verdachte per e-mail of pushbericht (als hij die functie op zijn mobile device heeft aangezet) een mededeling dat er een gerechtelijk schrijven voor hem klaarstaat. Wat voor soort schrijven dat is – en wat het belang ervan is – vermeldt dat bericht, als ik het goed begrijp, niet. Mocht de verdachte in de drie weken daarna niet hebben ingelogd in MijnOverheid, dan ontvangt hij nogmaals zo’n zelfde bericht.

10.6

Dat is strafrechtelijk bezien in die zin ‘lood om oud ijzer’, dat de gerechtelijke mededeling in de Berichtenbox geen enkel gevolg heeft, zolang niet in MijnOverheid is ingelogd. Zodra dat laatste wel het geval is, zijn de gevolgen evenwel aanzienlijk, ook als de verdachte het desbetreffende bericht niet (zelf) heeft geopend. Op dat moment is immers sprake van betekening “in persoon”, met alle gevolgen die wet en jurisprudentie daaraan verbinden voor wat betreft het aanwezigheidsrecht en het moment waarop nog in hoger beroep kan worden gekomen tegen een verstekvonnis.

10.7

Het is ontegenzeggelijk zo dat gepoogd is om de daadwerkelijke bezorging van het bericht met de nodige waarborgen, althans ‘red flags’, te omgeven. Als zijnde een bericht met bezorgbevestiging is het bericht aangaande de gerechtelijke mededeling de eerste maand omkaderd in de Berichtenbox aanwezig en wordt de verdachte bovendien genotificeerd dat het bericht is bezorgd (doordat is ingelogd in MijnOverheid). Dat laatste gebeurt – zo begrijp ik – zowel direct nadat is ingelogd, als de dag erna (door het openbaar ministerie; zie randnr. 7.33). Die twee berichten ‘landen’ evenwel in de Berichtenbox zelf en (kennelijk) niet in de mailbox van de verdachte, zoals oorspronkelijk de bedoeling van de wetgever was. Na een maand is het bericht bovendien niet meer omkaderd in de Berichtenbox aanwezig (zo begrijp ik eveneens).

10.8

In de wetenschap dat (i) elektronische betekening de voorkeur van de wetgever heeft; (ii) burgers niet een andere persoon kunnen machtigen om met gebruikmaking van de eigen DigiD kennis te nemen van gerechtelijke mededelingen afkomstig van het openbaar ministerie en bestemd voor de verdachte en (iii) (verdachte) burgers zelf niet allemaal even digitaal vaardig zijn, is dat is niet onproblematisch. Het gevolg daarvan kan namelijk zijn dat een gerechtelijke mededeling volledig rechtsgeldig – en met toestemming van de verdachte – elektronisch “in persoon” aan de verdachte is betekend, terwijl de verdachte daarvan toch geen (tijdige) kennis heeft genomen. In die gevallen is de fictie van betekening “in persoon” – zie art. 36f lid 2 Sv: betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon – daadwerkelijk slechts een fictie.

10.9

Er zijn, anders gezegd, omstandigheden denkbaar waarin in het geval van elektronische betekening ernstige twijfel kan bestaan over de vraag of de geregistreerde inlog in MijnOverheid ook met zich heeft gebracht dat de verdachte inderdaad op de hoogte is geraakt van het bestaan van een bericht van openbaar ministerie, hetzij in de vorm van een dagvaarding, hetzij in de vorm van een ‘mededeling vonnis’.

Twijfelgevallen: twee situaties en een ‘uitlaatklep’

10.10

In het merendeel van de gevallen zal die twijfel in strafzaken voor het eerst aan de orde komen bij de vraag of de verdachte kan worden ontvangen in het door hem (te laat) ingestelde hoger beroep tegen een verstekvonnis. Alsdan komt een verweer ter zake veelal feitelijk neer op de vraag of wel kan worden geconcludeerd dat de verdachte in eerste aanleg (ondubbelzinnig) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Twee situaties kunnen in dat verband worden onderscheiden:

(i) de situatie dat de dagvaarding in eerste aanleg elektronisch “in persoon” aan de verdachte is betekend, maar de verdachte die dagvaarding (kort gezegd) niet heeft opgemerkt, waarna te laat hoger beroep is ingesteld tegen het verstekvonnis; en

(ii) de situatie dat de dagvaarding in eerste aanleg niet “in persoon” aan de verdachte – maar wel rechtsgeldig – is betekend, de verdachte vervolgens niet is verschenen bij de berechting van zijn zaak in eerste aanleg, waarna de ‘mededeling uitspraak’ elektronisch aan de verdachte “in persoon” is betekend, maar de verdachte die mededeling niet heeft opgemerkt, waarna te laat hoger beroep is ingesteld tegen het verstekvonnis.

10.11

In beide situaties gaat het derhalve om een veroordeling bij verstek en een te laat daartegen aangewend rechtsmiddel. In beide gevallen is in eerste aanleg verondersteld dat de verdachte afstand deed van zijn aanwezigheidsrecht. In de eerste situatie is dat zo omdat de dagvaarding – wettelijk gezien – “in persoon” aan hem is betekend en hij ‘dus’ in persoon op de hoogte is gesteld van het moment van zijn berechting en de verdachte (of een door hem gemachtigd raadsman/raadsvrouw) aldaar vervolgens niet is verschenen. In de tweede situatie wordt op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad (randnr. 9.3-9.5) behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel eveneens uitgegaan van een vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

10.12

Aan de vereiste inspanningen van de justitiële autoriteiten om de verdachte te lokaliseren om hem aldus zoveel mogelijk in persoon te dagvaarden of hem anderszins officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting in eerste aanleg, zal in het geval van elektronische betekening van de dagvaarding (situatie i) in de regel wel zijn voldaan, al zijn ook daarop uitzonderingen denkbaar. Bij een fysiek niet “in persoon” betekende dagvaarding (situatie ii) kan dat anders zijn, maar ook daar geldt dat de rechtsgeldigheid van de betekening, in combinatie met het ontbreken van duidelijke aanwijzingen dat de verdachte aanwezig wenst te zijn (in welk geval de zitting had moeten worden aangehouden), in beginsel de veronderstelling rechtvaardigt dat de verdachte in zijn afwezigheid kan worden berecht.

10.13

Dat tegen de veroordeling bij verstek – zij het te laat – een rechtsmiddel wordt aangewend, zou kunnen worden opgevat als een (duidelijke) aanwijzing dat die veronderstelling niet gerechtvaardigd is. Dat betekent evenwel nog niet dat de verdachte ‘dus’ in alle gevallen tot dat hoger beroep moet worden ‘toegelaten’. Termijnen voor het instellen van hoger beroep zijn immers van openbare orde en van (groot) belang voor de rechtszekerheid: ook het EHRM hecht aan dergelijke termijnen.[_be66e920-7a2a-4600-8837-bbe6fb7c0d5c] Het EHRM en het HvJ EU hechten evenwel ook aan het uitgangspunt dat verdachten slechts in hun afwezigheid kunnen worden berecht indien is voldaan aan de voorwaarden waaronder een dergelijke berechting mogelijk is, alsook aan het bestaan van de mogelijkheid dat indien de verdachte betwist dat voldoende inspanningen zijn geleverd, of betwist dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en die betwisting niet op voorhand “devoid of merit” is, in ieder geval kan worden getoetst of in de gegeven omstandigheden een recht op een nieuwe behandeling bestaat.

10.14

Mijns inziens betekent dit laatste dat de (appel)rechter, indien en voor zover door de verdachte in hoger beroep in het geval van de hiervoor in randnr. 10.10 genoemde situaties (gemotiveerd) wordt beargumenteerd dat niet aan alle voorwaarden werd voldaan voor zijn berechting bij verstek in eerste aanleg, in het kader van de ontvankelijkheid van het (te laat ingestelde) hoger beroep dient te onderzoeken of er voldoende aanleiding is om te concluderen dat inderdaad niet aan de voorwaarden is voldaan en derhalve recht op een ‘fresh determination’ bestaat.[_84bfe2e8-50b3-409d-8ced-c3f900b0d88b] Weliswaar kan immers in het geval van elektronische betekening van een dagvaarding bij het niet verschijnen van de verdachte – zoals ook uit de wetsgeschiedenis volgt – “in de regel” worden aangenomen dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (zie randnr. 5.7), maar die regel kan in bijzondere omstandigheden uitzondering lijden. Dat geldt, zo zou ik menen, ook – of misschien wel meer – in het geval de dagvaarding in eerste aanleg (fysiek) niet “in persoon” is betekend en de verdachte door (bijzondere) omstandigheden heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen na een elektronisch aan hem (“in persoon”) betekende ‘mededeling uitspraak’.

10.15

De jurisprudentie van de Hoge Raad in relatie tot de ontvankelijkheid van een door de verdachte ingesteld hoger beroep na een veroordeling bij verstek voorziet (nog) niet in een dergelijke toets. Bij een “in persoon” betekende dagvaarding of mededeling verstekvonnis wordt bij de ontvankelijkheid van het hoger beroep slechts getoetst of de verdachte binnen 14 dagen (respectievelijk na het vonnis of nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is) hoger beroep heeft ingesteld. Weliswaar laat de jurisprudentie van de Hoge Raad ruimte voor gevallen van verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep, maar van dat laatste kan op grond van de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad alleen dan sprake zijn, indien de (uitzonderlijke) omstandigheden die tot het verzuim (om tijdig hoger beroep in te stellen) hebben geleid, niet aan de verdachte zijn toe te rekenen. In het geval van een elektronisch (“in persoon”) betekende dagvaarding of een zodanig betekend verstekvonnis zal welhaast zonder uitzondering sprake zijn van omstandigheden waarbij de verdachte – in ieder geval tot op zekere hoogte – feitelijk (wel degelijk) ook zelf in verzuim is. In het geval van een elektronische betekening heeft de verdachte immers (i) eerder aangegeven digitaal bereikbaar te zijn voor het openbaar ministerie, terwijl (ii) hij ten minste twee keer, maar mogelijk vaker, is geïnformeerd over het feit dat die mededing aan hem betekend is, omdat is ingelogd in MijnOverheid (met zijn inloggegevens).

10.16

Vanwege die – op zichzelf terecht – strenge toets van de ontvankelijkheid van het hoger beroep is het in de context van de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen onder omstandigheden mogelijk dat aan de verdachte die in eerste aanleg niet bewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (of niet adequaat op de gevolgen van zijn afwezigheid ter zitting is gewezen), maar wel bij verstek is veroordeeld, het recht op een nieuwe berechting (in hoger beroep) ten onrechte wordt ontzegd. Gelet op het belang van het aanwezigheidsrecht en het belang dat aan het door de verdachte kunnen uitoefenen van zijn verdedigingsrechten ter zitting wordt gehecht, zou dat in die gevallen neerkomen op een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.

10.17

In die zin vertoont de regeling omtrent de elektronische betekening in strafzaken een zekere gelijkenis met de betekening aan een ‘gekozen adres’ in de vorm van domiciliekeuze. Ten aanzien van die “fictie”[_d36bf2fd-d734-4809-93c4-65fac28f2ca1]concludeerde Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg in haar proefschrift over de Nederlandse betekeningsregels in rechtshistorisch en Europees perspectief (1998) dat berechting van de verdachte bij verstek na een betekening van de dagvaarding in het geval van een dergelijke domiciliekeuze “in de regel” in overeenstemming zal zijn met het EVRM, omdat een verdachte naar Nederlands recht na berechting in eerste aanleg altijd recht heeft op een ‘fresh determination’ (namelijk hoger beroep of – destijds nog – verzet). Met het oog op de “verdragsbestendigheid” van een dergelijke regeling meende ze evenwel ook dat in hoger beroep wellicht een “uitlaatklep” zou moeten bestaan voor gevallen waarin de verdachte zich in een dergelijk geval (betekening aan een gekozen adres als vorm van domiciliekeuze) verontschuldigbaar niet aan de rechtsmiddelentermijn heeft gehouden.[_772dab42-4e64-462a-9a8b-e280b32300ae] Daarbij zou wat haar betreft ook de zwaarte van het strafbare feit een rol moeten spelen.[_676226c7-77fb-471e-a432-2a30304b4135]

10.18

Omdat de mogelijkheid niet kan worden uitgesloten dat elektronische betekening “in persoon” onder omstandigheden daadwerkelijk een fictie zal blijken te zijn, meen ik dat de ontvankelijkheidsbeslissing in hoger beroep inderdaad zo’n “uitlaatklep” zou moeten bevatten.

10.19

Mede tegen de achtergrond van de hiervoor geduide jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU zou die uitlaatklep mijns inziens dus moeten bestaan in een aanvullende motiveringsplicht voor de rechter in hoger beroep op het moment dat door de verdachte aan wie hetzij de inleidende dagvaarding elektronisch is betekend, hetzij de ‘mededeling (verstek)uitspraak’ elektronisch is betekend en de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend, in relatie tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep gemotiveerd wordt aangevoerd dat hij, vanwege bijzondere omstandigheden van het geval, niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (dan wel niet (adequaat) over de gevolgen van zijn afwezigheid ter zitting is geïnformeerd) en zijn verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen in het onderhavige geval, gelet op die omstandigheden, in redelijkheid verontschuldigbaar dient te zijn.[_7e7f910f-48cf-4c89-ad2c-da6c3221e08d] Op een dergelijk verweer dient de rechter een met reden omklede beslissing te geven.

10.20

Maatstaf voor die beslissing is of de verdachte, indien hij in dat beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, gelet op alle omstandigheden van het geval, nog wel een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM en/of het Unierecht heeft genoten.

10.21

Of en zo ja, onder welke (bijzondere) omstandigheden een termijnoverschrijding in hoger beroep in het geval van elektronische betekening daadwerkelijk verontschuldigbaar is, is (sterk) afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Algemene regels daaromtrent zijn niet te geven. Zo zal van een burger die goed bekend is met (de Berichtenbox van) MijnOverheid en daarvan zelf met regelmaat gebruik maakt, mijns inziens een hogere mate van alertheid en zorgvuldigheid mogen worden verwacht ten aanzien van gerechtelijke mededelingen die zich in de Berichtenbox (kunnen) bevinden, dan van de burger die zelden of nooit van het systeem gebruik maakt en daarbij in belangrijke mate afhankelijk is van de medewerking van anderen. Ook de vraag of sprake is van een (digitaal of anderszins) ‘kwetsbare’ burger zal een rol kunnen spelen, zoals ook de vraag of het gaat om de elektronische betekening van de dagvaarding in eerste aanleg, dan wel de elektronische betekening van een verstekvonnis die vele maanden in een onaangeroerde Berichtenbox blijft ‘hangen’, terwijl de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg niet in persoon heeft plaatsgevonden. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM zal voorts betekenis (kunnen) toekomen aan de zwaarte van het verweten strafbare feit en de hoogte van de aan de verdachte opgelegde straf, alsook de vraag of de verdachte adequaat is geïnformeerd over de gevolgen van zijn (eventuele) afwezigheid ter zitting. Ook de vraag of de verdachte ermee rekening diende te houden dat de dagvaarding (of mededeling uitspraak) digitaal aan hem betekend zou worden lijkt mij een rol te (kunnen) spelen, zoals ook het moment waarop wel hoger beroep is ingesteld. Conform de jurisprudentie van de Hoge Raad mag immers, als sprake is van een bijzondere (de verdachte niet toe te rekenen) omstandigheid waardoor de verdachte het rechtsmiddel niet tijdig heeft ingesteld, van de verdachte worden verlangd dat hij zo spoedig mogelijk alsnog het rechtsmiddel instelt of doet instellen nadat die omstandigheid zich niet meer voordoet: het alsnog (doen) instellen van het rechtsmiddel binnen een termijn van 14 dagen na dat moment geldt daarbij in elk geval als ‘zo spoedig mogelijk’.[_e57d9ce1-f3d3-47b3-ba8c-8d9e1018b4a2]

10.22

De omvang van de motiveringsplicht van de rechter zal derhalve (moeten) afhangen van de aard en indringendheid van hetgeen door de verdachte naar voren wordt gebracht. Met het oog op het uitlokken van de door mij voorgestane rechterlijke motiveringsplicht volstaat wat mij betreft in ieder geval niet het argument dat de gerechtelijke mededeling in de Berichtenbox gewoonweg over het hoofd is gezien. Die gerechtelijke mededeling kan daar immers alleen in terechtgekomen zijn als de burger daarmee eerder heeft ingestemd. Als uitgangspunt zal de rechter dan ook mogen aannemen dat de verdachte als gevolg van de elektronische betekening daadwerkelijk “in persoon” in kennis is gesteld van die terechtzitting (of het verstekvonnis); dat de manier waarop de informatie aan de verdachte is verstrekt, het voor de verdachte mogelijk heeft gemaakt kennis te krijgen van de terechtzitting (of de ‘mededeling uitspraak’). In bijzondere omstandigheden – bij duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – zal dat vermoeden evenwel moeten wijken voor de constatering dat de verdachte geen afstand heeft gedaan van het recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, dat hem om die reden een recht op een ‘fresh determination’ (in hoger beroep) toekomt en dat het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen in de gegeven situatie derhalve verontschuldigbaar dient te zijn.

10.23

Als sterk verweven met de feiten en omstandigheden van het geval, kan een beslissing door de rechter ter zake in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

10.24

Een beslissing in antwoord op een dergelijk gemotiveerd verweer, ertoe strekkende dat voor een elektronische betekening “in persoon” nodig is dat met de inloggegevens van de verdachte is ingelogd in MijnOverheid en dat voor rekening van de verdachte dient te blijven dat anderen dat kennelijk op zijn verzoek namens hem hebben gedaan, zal in de regel evenwel niet volstaan, al zal dat ook afhangen van de inhoud die aan het verweer door de verdachte is gegeven.

Een andere ‘uitlaatklep’?

10.25

Ik heb mij afgevraagd of de door mij voorgestane ‘uitlaatklep’ ook een andere vorm zou kunnen krijgen. Denkbaar is bijvoorbeeld dat onderscheid wordt gemaakt tussen de hiervoor in randnr. 10.10 genoemde (twee) situaties, waarbij de tweede – vanuit het EHRM/HvJ EU-perspectief gezien – wellicht het meest in het oog springt als het gaat om twijfel over de vraag of de verdachte wel terecht bij verstek is veroordeeld. In dergelijke situaties is de inleidende dagvaarding immers niet in persoon betekend, terwijl de ‘mededeling uitspraak’ weliswaar formeel “in persoon” is betekend, maar dan wel uitsluitend in digitale zin. Indien beoogd wordt te waarborgen dat een verdachte in een dergelijke situatie onder omstandigheden alsnog opnieuw kan worden berecht (in hoger beroep), zou qua ‘uitlaatklep’ kunnen worden aangehaakt bij de eisen die de Hoge Raad stelt aan “een omstandigheid” in de zin van art. 408 lid 2 Sv. De ‘uitlaatklep’ zou dan kunnen inhouden dat de elektronische betekening van de ‘mededeling uitspraak’ (“in persoon”) niet onder alle omstandigheden een dergelijke “omstandigheid” vormt.

10.26

Het gevolg van het maken van onderscheid tussen de beide hiervoor in randnr. 10.10 genoemde situaties zou dan zijn dat personen aan wie de inleidende dagvaarding elektronisch “in persoon” is betekend, geen recht op hoger beroep toekomt indien zij de deadline voor het instellen van dat hoger beroep door (bijzondere) omstandigheden hebben gemist, bijvoorbeeld omdat iemand anders op hun verzoek met een specifieke reden heeft ingelogd en als gevolg daarvan de dagvaarding over het hoofd is gezien. Gelet op het hiervoor geduide Europeesrechtelijk kader ligt het maken van een dergelijk onderscheid mijns inziens niet (zonder meer) voor de hand.

10.27

Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn om – in beide situaties – eenvoudigweg aan te knopen bij de bewoordingen van art. 36f lid 2 Sv. Daarin staat immers dat betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon “als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid”. Betoogd zou kunnen worden dat als een ander dan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, inlogt (met de inloggegevens van de geadresseerde en met diens toestemming of wetenschap) niet onder alle omstandigheden van een dergelijke betekening (“in persoon”) sprake is. Dat is de ‘uitlaatklep’ waartoe mijn ambtsgenote Paridaens aangaande de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen komt in haar eveneens vandaag te nemen conclusies ECLI:NL:PHR:2026:1003 en ECLI:NL:PHR:2026:1004. Dat heeft zonder meer de charme van de eenvoud.

10.28

Ik zie daarvoor zelf evenwel zowel grammaticaal als qua wetsgeschiedenis geen (althans: niet voldoende) ruimte. Een inlog door een ander valt grammaticaal gezien mijns inziens onder het zich “als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is” toegang verschaffen tot de elektronische voorziening, indien en voor zover dat gebeurt met het identificatiemiddel (met “tweefactorauthenticatie of hoger”) van de verdachte. Zoals in randnr. 7.9 aan de orde kwam immers, zijn de eisen die in dat verband aan het identificatiemiddel worden gesteld, bedoeld om zeker te stellen dat “de bevoegde instanties er zeker van kunnen zijn dat de persoon die zich met het middel identificeert de exclusieve beschikking heeft over het middel.”[_34d8379e-3850-4293-b645-ae940129dcc9] Een dergelijke inlog kan bovendien – aldus ook de wetgever – (in beginsel) niet plaatsvinden zonder wetenschap van de verdachte: zie daartoe randnr. 5.6-5.10.

10.29

Ik acht het bovendien op zichzelf voorstelbaar dat ook een verdachte die daadwerkelijk (helemaal) zelf heeft ingelogd in MijnOverheid, onder exceptionele omstandigheden de gerechtelijke mededeling ‘verontschuldigbaar’ heeft gemist. Daarbij komt dat het mijns inziens juist de (niet-)ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep vanwege termijnoverschrijding is, die in het geval van elektronische betekening in de zin van art. 36f lid 2 Sv onder (bijzondere) omstandigheden problematisch kan zijn tegen de achtergrond van de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU. Door aan te knopen bij de reeds bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent verontschuldigbare termijnoverschrijding wordt voorts recht gedaan aan het uitzonderlijke karakter van de ontvankelijkheid van een hoger beroep dat is ingesteld na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn.

10.30

De door mij bepleite uitlaatklep – een beoordeling van de ontvankelijkheid van het (te laat) ingestelde hoger beroep in het geval van elektronisch betekende gerechtelijke mededelingen, waarbij betekenis toekomt aan de bijzondere omstandigheden van het geval – sluit mijns inziens overigens (goed) aan bij de tekst van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Daarin zal namelijk – in art. 5.1.3 NSv – als “hardheidsclausule”[_10d20315-e096-4e5a-abec-932da5a7831a] worden opgenomen dat een rechtsmiddel dat niet tijdig is ingesteld, toch ontvankelijk is, “indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffende procespartij in verzuim is geweest.” Hoewel het de memorie van toelichting bij dat nieuwe Wetboek lijkt te volgen dat geen verruiming van de jurisprudentie van de Hoge Raad op het punt van verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van rechtsmiddelen is beoogd,[_984138d3-9938-4059-aaf6-d21c27275f2f] biedt de tekst van art. 5.1.3. NSv daarvoor wel ruimte.[_39101c4f-9a58-45fc-bf34-0c34a5b2298f]

10.31

Waar het mij in deze conclusie uiteindelijk om gaat is om de ‘gevoeligheid’ van de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen bloot te leggen en de noodzaak te bepleiten van de aanwezigheid van een ‘uitlaatklep’ voor bijzondere omstandigheden.

11 De eindjes aan elkaar geknoopt

11.1

Ik kom tot een – van nuances en voetnoten ontdane – afronding van voorgaande beschouwing.

11.2

Op grond van art. 36b lid 2 Sv geschiedt de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking. Daaruit volgt dat elektronische overdracht de voorkeur van de wetgever geniet. Uit art. 36f lid 2 Sv volgt dat betekening door elektronische overdracht geldt als betekening “in persoon” indien degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in art. 36d lid 2 Sv. Dat betekent dat van betekening “in persoon” in elektronische zin reeds sprake is, zonder dat de verdachte het desbetreffende (elektronische) bericht daadwerkelijk heeft geopend.

11.3

De elektronische voorziening bedoeld in art. 36d lid 2 Sv wordt gevormd door het systeem van ‘MijnOverheid’: een overheidsbrede, digitale voorziening, in beheer bij Logius, die mogelijk maakt dat door overheidsorganisaties (of aangewezen organisaties) digitaal berichten aan de burger worden gestuurd (andersom is niet mogelijk). MijnOverheid bestaat uit drie delen: een Berichtenbox (waarin de berichten terechtkomen die door voornoemde overheidsorganisaties aan de betreffende burger zijn toegezonden), een onderdeel ‘Lopende Zaken’ (zoals informatie betreffende vergunningsaanvragen van de burger) en een onderdeel ‘Persoonlijke gegevens’. Voor de vraag of sprake is van betekening “in persoon” is irrelevant of de verdachte na het inloggen op MijnOverheid slechts het onderdeel ‘Lopende Zaken’ en/of zijn persoonlijke gegevens heeft bekeken.

11.4

Toegang tot MijnOverheid kan alleen worden verkregen met authenticatiemiddelen die aan bepaalde eisen voldaan. Meer specifiek: om toegang te krijgen tot het systeem, dient gebruik te worden gemaakt van een middel met tweefactorauthenticatie of hoger. Daarvan is bijvoorbeeld sprake in het geval van DigiD (met sms-code).

11.5

Berichten van overheidsorganisaties kunnen alleen in digitale vorm aan een burger worden toegezonden, indien de burger daaraan voorafgaand in MijnOverheid heeft aangegeven voor de betreffende organisatie bereikbaar te zijn. Dat geldt dus ook voor berichten van justitiële organisaties, zoals bijvoorbeeld het openbaar ministerie. Daarbij is sprake van een ‘opt-in’-systeem: de burger moet zelf aanvinken voor welke organisaties hij bereikbaar is via MijnOverheid. Het is evenwel mogelijk om met “één druk op de knop” meerdere organisaties tegelijkertijd aan te vinken. Dat geldt ook voor het openbaar ministerie. Nadien kan die keuze altijd weer (en telkens opnieuw) worden gewijzigd. Indien de burger er niet zelf voor kiest om voor het openbaar ministerie digitaal bereikbaar te zijn, kunnen gerechtelijke mededelingen in strafzaken niet digitaal aan hem worden betekend en dient door het openbaar ministerie de ‘papieren weg’ te worden gevolgd. Indien de burger heeft aangegeven wel digitaal voor het openbaar ministerie bereikbaar te zijn, betekent dat overigens niet dat de burger ook uitsluitend digitaal door het openbaar ministerie zal word benaderd. Gevolg van het ‘opt-in systeem’ is dat een burger slechts digitaal berichten van het openbaar ministerie kan ontvangen, indien hij daarvoor zelf (op enig moment) heeft gekozen – al is de vraag of dat onder alle omstandigheden met voldoende ‘bewustheid’ is gebeurd.

11.6

In MijnOverheid kan de burger voorts aangeven of hij notificaties per e-mail van berichten die in zijn Berichtenbox landen, (niet) op prijs stelt. Daarbij is sprake van een ‘opt-out’-systeem: sinds 1 juli 2023 moet de burger actief aangeven dat hij dergelijke notificaties niet wenst te ontvangen. Voor ‘oudere gebruikers’ (gebruikers die hun MijnOverheid-account voor 1 juli 2023 in gebruik hebben genomen) geldt dus nog een ‘opt-in’-systeem. Indien de burger niet voor notificaties kiest, ontvangt hij die notificaties derhalve niet (per e-mail). In het geval de burger gebruik maakt van de Berichtenbox-app (op een mobile device) is sprake (althans: kan sprake zijn) van een pushbericht waarmee de geadresseerde ervan op de hoogte wordt gesteld dat er een bericht voor hem beschikbaar is (in de app).

11.7

Strafrechtelijk gezien is sprake van twee notificaties. De eerste notificatie betreft de mededeling dat er een gerechtelijk mededeling elektronisch voor de geadresseerde burger in de Berichtenbox aanwezig is. Die notificatie is voorzien van een wettelijke basis (art. 36f lid 1 Sv). Omdat berichten afkomstig van het openbaar ministerie als berichten “met bezorgbevestiging” zijn aangemerkt, zijn dergelijke berichten de eerste maand omkaderd in de Berichtenbox aanwezig. De tweede notificatie – die niet van een wettelijke basis is voorzien – betreft het bericht dat en wanneer met de inloggegevens van de verdachte is ingelogd in de elektronische voorziening (MijnOverheid) en dat de gerechtelijke mededeling daarmee aan de verdachte is betekend. Die notificatie komt terecht in de Berichtenbox zelf. De in art. 36i lid 1 Sv bedoelde ‘Vastlegging van de elektronische overdracht’ komt in het strafdossier terecht, zodat ook door de rechter kan worden vastgesteld wanneer toegang is verkregen tot MijnOverheid en met welk (wiens) authenticatiemiddel dat is gebeurd. Uit informatie van het openbaar ministerie uit maart 2023 kan worden afgeleid dat ook de dag na het verkrijgen van toegang tot de Berichtenbox (met daarin de gerechtelijke mededeling) nog een bericht aan de geadresseerde wordt gezonden; ook die komt terecht in de Berichtenbox (en kan, afhankelijk van de door de burger gemaakte keuzes, leiden tot een e-mail of pushbericht). Mocht drie weken na het toesturen van het bericht via de Berichtenbox nog niet zijn ingelogd, dan stuurt Logius automatisch nogmaals een bericht aan de geadresseerde om richting de burger te signaleren dat er een bericht voor hem beschikbaar is in MijnOverheid. Ook dat bericht komt in de Berichtenbox terecht (en kan leiden tot een notificatie).

11.8

Notificaties vervullen een belangrijke signaalfunctie in relatie tot de inhoud van de Berichtenbox. Die signaalfunctie is nodig: inmiddels is ook bij de overheid het besef tot ontwikkeling gekomen dat burgers niet net zo vaak hun Berichtenbox “legen” als hun fysieke brieven- of postbus. Dat wordt ook niet (zonder) meer van de burger verwacht. Of de signaalfunctie van notificaties ook voldoende tot zijn recht komt, indien de notificaties (alleen) in de Berichtenbox terechtkomen, kan worden betwijfeld.

11.9

Het is mogelijk dat een burger een ander machtigt om – op de eigen naam en met het eigen authenticatiemiddel van die ander – berichten voor hem in te zien. Dit heet ‘DigiD Machtigen’. Uit een rapport van de Nationale ombudsman blijkt dat het proces van ‘DigiD Machtigen’ niet in alle gevallen volledig op orde is. ‘DigiD Machtigen’ is evenwel niet mogelijk als het gaat om berichten van het openbaar ministerie. Dat is, gelet op de gevoeligheid van de materie, zeker geen onlogische keuze. Het niet onder alle omstandigheden kunnen ‘DigiD Machtigen’ heeft tot gevolg dat een digitaal niet (bijzonder) vaardige burger die bijstand van een ander nodig heeft om kennis te nemen van de informatie op MijnOverheid, zijn inloggegevens daartoe beschikbaar dient te stellen aan een ander. In dat kader is relevant dat niet zonder meer kan worden verondersteld dat verdachten in strafzaken allemaal even digitaal vaardig zijn. Zodra evenwel met de gegevens (het authenticatiemiddel) van de verdachte burger wordt ingelogd in MijnOverheid, is de betekening van een zich daarin bevindende gerechtelijke mededeling “in persoon” een feit. Dat de persoon die op verzoek inlogt als zijnde de verdachte burger daarop niet bedacht is en er zelfs geen nota van neemt (bijvoorbeeld omdat het desbetreffende bericht inmiddels naar pagina x is verschoven), is irrelevant; ook dan is sprake van een betekening “in persoon”.

11.10

Gelet op het bovenstaande dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat “betekening in persoon” in strafzaken onder omstandigheden een fictie zal blijken te zijn. Indien het gaat om een elektronisch betekende dagvaarding, kan dat met zich brengen dat de verdachte bij verstek wordt veroordeeld. Omdat er juridisch gezien sprake is van betekening “in persoon”, kan er in beginsel – en behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel – vanuit worden gegaan dat de afwezigheid van de verdachte (en van een gemachtigd raadsman) ter zitting betekent dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Omdat de dagvaarding (digitaal) “in persoon” aan de verdachte is betekend, gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen dit verstekvonnis in dat geval direct na de dag van de uitspraak lopen. Die termijn bedraagt 14 dagen (art. 408 lid 1 onder a Sv). De kans is aanwezig dat een verdachte die de dagvaarding in zijn Berichtenbox door omstandigheden – heel kort door de bocht gezegd – heeft ‘gemist’, die termijn zal laten verlopen. Wanneer diezelfde verdachte vervolgens wordt geconfronteerd met de tenuitvoerlegging van de hem bij verstek opgelegde straf en daarop (meteen) in hoger beroep gaat, zal dat hoger beroep in een groot deel van de gevallen door de rechter niet-ontvankelijk worden verklaard. Termijnoverschrijding is op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad immers slechts verontschuldigbaar indien dat verzuim het gevolg is van omstandigheden die de verdachte niet toe te rekenen zijn. Omdat de wet uitgaat van digitale betekening “in persoon” zodra met de gegevens van de verdachte is ingelogd in MijnOverheid (en een dergelijke betekening in beginsel alleen mogelijk is indien de verdachte daar in MijnOverheid toestemming voor heeft gegeven of kennis van draagt), kan (in beginsel) worden volgehouden dat termijnoverschrijding in het geval van elektronisch betekende gerechtelijke mededelingen in ieder geval deels te wijten is aan de verdachte (en daarmee dus niet verontschuldigbaar is).

11.11

Indien het gaat om een aan de verdachte digitaal toegezonden (en na inlog aldus “in persoon” betekende) ‘mededeling uitspraak’ (na een fysiek niet “in persoon” betekende dagvaarding), dient hoger beroep eveneens binnen 14 dagen daarna te worden ingesteld. Ook in dat geval is mogelijk dat die termijn door de verdachte wordt ‘gemist’, omdat de burger zich door omstandigheden niet heeft gerealiseerd dat sprake is van een aan hem “in persoon” betekende uitspraak. Indien deze verdachte na het verstrijken van die termijn hoger beroep instelt, rijst ook dan de vraag of de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Gezien de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad, zal dat vaker niet dan wel het geval zijn.

11.12

Tegen de achtergrond van de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU is die jurisprudentie in het geval van elektronische betekening niet in alle gevallen onproblematisch. Op grond van die jurisprudentie is berechting bij verstek weliswaar mogelijk, maar dan moet (i) de overheid zich wel voldoende hebben ingespannen om de verdachte te lokaliseren en (ii) de verdachte ondubbelzinnig afstand hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Van dat laatste kan eerst sprake zijn, indien de verdachte adequaat in kennis is gesteld van de datum van zijn berechting en van de gevolgen van zijn afwezigheid tijdens die berechting. Indien niet aan de voorwaarden is voldaan waaronder berechting bij verstek volgens het EHRM en het HvJ EU mogelijk is, is weliswaar nog steeds berechting bij verstek mogelijk, maar dient de bij verstek veroordeelde wel in de gelegenheid te worden gesteld om (indien hij dat wenst) vervolgens alsnog in zijn aanwezigheid te worden berecht. Uit voornoemde jurisprudentie kan voorts worden afgeleid dat de betwisting van een verdachte dat hij daadwerkelijk is geïnformeerd over zijn proces, afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, dan wel niet adequaat is kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid bij zijn proces, door een rechter behoort te worden onderzocht en dat de rechter daarop een gemotiveerde beslissing dient te nemen. De jurisprudentie van het HvJ EU lijkt voorts te signaleren dat een dergelijke voorziening in rechte ook beschikbaar moet zijn, nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verlopen. De vraag die alsdan centraal staat, is of de verdachte recht heeft op een nieuwe berechting.

11.13

Naar Nederlands recht kan daartoe de ontvankelijkheidsbeslissing in hoger beroep dienen. Daarvoor is echter nodig dat bij de beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep, althans de vraag of de termijnoverschrijding als gevolg van de elektronische betekening “in persoon” verontschuldigbaar is, ruimte wordt geboden om daarbij ook de (bijzondere) feiten en omstandigheden van het specifieke geval in ogenschouw te nemen, waarna door de rechter een gemotiveerde beslissing wordt genomen. Mijns inziens is het door de Hoge Raad creëren van die ruimte in het geval van elektronisch betekende gerechtelijke mededelingen nodig om te voorkomen dat verdachten bij verstek worden berecht en die beslissing onherroepelijk wordt, terwijl zij naar de maatstaven van het EHRM en het HvJ EU in beginsel recht hebben op een nieuwe berechting. Alleen op die wijze kan worden voorkomen dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld art. 6 EVRM in individuele gevallen wordt geschonden. Maatstaf voor de beslissing van de rechter dient te zijn of de verdachte, indien hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep vanwege termijnoverschrijding, nog wel een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM heeft genoten.

11.14

Of en zo ja onder welke (bijzondere) omstandigheden sprake is van schending van dat recht, is (sterk) afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Algemene regels daaromtrent zijn niet te geven. In uitgangspunt zal niet (kunnen) volstaan dat de verdachte zich erop beroept dat hij het bericht in zijn Berichtenbox eenvoudigweg heeft gemist. Nu gerechtelijke mededelingen in strafzaken slechts elektronisch aan de verdachte kunnen worden betekend indien de verdachte daarvoor toestemming heeft gegeven en de verdachte van de elektronische betekening van die mededeling “in persoon’ bovendien ten minste twee maal (zij het via een notificatie in de Berichtenbox zelf) is verwittigd, zal de rechter bij de beoordeling van de ontvankelijkheid tot uitgangspunt mogen nemen dat de manier waarop de informatie aan de verdachte is verstrekt, het de verdachte mogelijk heeft gemaakt om van de datum van zijn proces (of veroordeling bij verstek) kennis te nemen. Onder bijzondere omstandigheden – bij duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – zal dat vermoeden evenwel moeten wijken voor de constatering dat de verdachte geen afstand heeft gedaan van het recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, dat hem om die reden een recht op een ‘fresh determination’ (in hoger beroep) toekomt en dat de termijnoverschrijding om hoger beroep in te stellen in de gegeven situatie derhalve verontschuldigbaar dient te zijn.

11.15

De omvang van de motiveringsplicht van de feitenrechter is afhankelijk van de aard en indringendheid van de door de verdachte aangevoerde argumenten. Als (sterk) verweven met de feiten en omstandigheden van het geval, kan een beslissing door de rechter ter zake in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Een motivering, ertoe strekkende dat voor rekening van de verdachte dient te blijven dat anderen van zijn inloggegevens gebruik hebben gemaakt, zal – indien daadwerkelijk is gemotiveerd waarom de termijnoverschrijding in de bijzondere omstandigheden van het geval verontschuldigbaar moet zijn – evenwel niet volstaan.

12 Bespreking van het middel

12.1

Ik keer terug naar het middel. Tegen de achtergrond van het bovenstaande kan de bespreking daarvan kort zijn.

12.2

Volgens het middel is geen sprake van het in art. 36f lid 2 Sv bedoelde geval dat “degene voor die gerechtelijke mededeling bestemd is zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening”, nu een ander dan de verdachte heeft ingelogd. Voor zover het middel daarover klaagt, dient het mijns inziens te falen. Uit het voorgaande – en meer in het bijzonder uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 36f lid 2 Sv (zie randnr. 5.6-5.10) – blijkt dat van ‘zich toegang verschaffen’ in de zin van art. 36f lid 2 Sv ook sprake is indien de verdachte iemand anders met zijn DigiD/authenticatiemiddel met tweefactorauthenticatie of hoger laat inloggen in zijn MijnOverheid-account. Voor de conclusie dat in een dergelijk geval weliswaar sprake is van een betekening, maar niet van een betekening “in persoon”, biedt zowel de tekst van art. 36f lid 2 Sv als de totstandkomingsgeschiedenis mijns inziens geen ruimte: zie daartoe ook randnr. 10.27-10.28.

12.3

Daarmee resteert de klacht dat sprake is van schending van art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR en/of art. 8 en 9 van Richtlijn (EU) 2016/343, omdat de verdachte niet bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg en evenmin van zijn “recht op hoger beroep”.

12.4

De verdachte in de onderhavige strafzaak is door het openbaar ministerie gedagvaard wegens overtreding van art. 8 lid 5 en art. 9 lid 7 Wegenverkeerswet 1994. Twee dagen nadat de dagvaarding in de Berichtenbox is geplaatst, is met de persoonlijke identificatiegegevens van de verdachte om 19:37 uur ingelogd in MijnOverheid. Als gevolg daarvan geldt de dagvaarding als “in persoon” aan hem betekend. Ter zitting van de politierechter was de verdachte niet aanwezig. Evenmin was een raadsman aanwezig die door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd om in zijn afwezigheid de verdediging te voeren. De verdachte is bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven weken en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van 14 maanden. Omdat de dagvaarding (elektronisch) “in persoon” aan de verdachte was betekend, diende binnen 14 dagen na het vonnis hoger beroep te worden ingesteld. Dat gebeurt in dit geval 16 dagen nadat het verstekvonnis werd gewezen.

12.5

Bij de behandeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft de verdachte zich erop beroepen dat hij (vermoedelijk) niet zelf heeft ingelogd, maar dat één van zijn medewerkers dat heeft gedaan: hij bezit een autogarage en toegang tot de Berichtenbox is (kennelijk) nodig om auto’s over te laten schrijven (door zijn medewerkers). In reactie daarop heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte het bericht niet zelf heeft gezien, voor rekening van de verdachte dient te komen.

12.6

Tegen de achtergrond van (al) het voorgaande en meer in het bijzonder de eisen die Europeesrechtelijk gelden voor een veroordeling bij verstek, alsmede gelet op hetgeen door de verdachte specifiek aan de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep na de elektronische betekening van de dagvaarding in eerste aanleg ten grondslag is gelegd, is die enkele overweging mijns inziens niet zonder meer begrijpelijk, althans is de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep daarmee niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft daarmee immers de mogelijkheid in het midden gelaten dat de verdachte in de specifieke omstandigheden van het geval in eerste aanleg ten onrechte bij verstek is veroordeeld omdat hij (achteraf bezien) geen afstand heeft gedaan van zijn recht in zijn aanwezigheid te worden berecht, in welk geval hem het recht op een ‘fresh determination’ (in de vorm van een behandeling van zijn zaak in hoger beroep) niet kan worden ontzegd.

12.7

Mijns inziens had het hof derhalve bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het (te laat) ingestelde hoger beroep nader moeten ingaan op hetgeen door de verdachte aan de termijnoverschrijding ten grondslag is gelegd. Maatstaf voor de beslissing van de rechter daarbij is of de verdachte, indien hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep vanwege termijnoverschrijding, nog wel een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM heeft genoten.

12.8

Daarmee is overigens niet gezegd dat de verdachte in de onderhavige zaak daadwerkelijk recht heeft op een nieuwe berechting in zijn aanwezigheid, maar wel dat het hof zich daarover dient uit te laten en ter zake een gemotiveerde beslissing dient te nemen.

12.9

Het middel slaagt.

Remling

12.10

Volledigheidshalve teken ik daarbij aan dat, nu in cassatie een beroep wordt gedaan op art. 8 en 9 van Richtlijn (EU) 2016/343, de vraag rijst of de Hoge Raad de daarop gebaseerde klacht kan afwijzen zonder aan het HvJ EU de vraag voor te leggen of genoemde bepalingen zich verzetten tegen berechting bij verstek in het geval van elektronische betekening van een dagvaarding aan de verdachte (“in persoon”), zonder dat de verdachte (op een later moment) in de gelegenheid is te betwisten dat voldaan is aan de voorwaarden als bedoeld in genoemde artikelen.

12.11

In Remling[_114db58c-d773-4a06-8a7b-a14b38eecfd6] oordeelde het HvJ EU immers dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep, in beginsel gehouden is zich krachtens art. 267 lid 3 VWEU tot het HvJ EU te wenden wanneer voor haar een vraag wordt opgeworpen over de uitlegging van het Unierecht of de geldigheid van een handeling van afgeleid recht. Een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg is slechts van deze verplichting ontheven wanneer sprake is van één van de drie zogenoemde ‘Cilfit-uitzonderingen’. Dit betekent dat een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg in zaken waarin een vraag over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling wordt opgeworpen, “op eigen verantwoordelijkheid, op onafhankelijke wijze en met de nodige zorgvuldigheid” dient te beoordelen of zij verplicht is om het HvJ EU om een prejudiciële beslissing over de vraag te verzoeken, dan wel of deze vraag onder één van de drie Cilfit-uitzonderingen valt. Daarbij is irrelevant of in cassatie verzocht wordt om al dan niet prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.

12.12

Mijns inziens is een antwoord op de hiervoor in randnr. 12.9 genoemde vraag – indien de Hoge Raad niet voor de door mij geadviseerde of daaraan vergelijkbare oplossing zou kiezen – nodig voor de beslissing op de cassatieklacht, terwijl geen sprake is van een acte éclairé of een acte clair.

12.13

Gelet op mijn conclusie dat het middel slaagt, meen ik er vanaf te kunnen zien dat laatste verder van handen en voeten te voorzien.

13 Afronding

13.1

Het middel slaagt.

13.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

  1. Voluit: de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82, laatstelijk gewijzigd bij Wet van 18 december 2019, Stb. 2019, 504, in werking getreden op 1 januari 2020, Stb. 2019, 507.
  2. Zie o.a. de ‘position paper rondetafelgesprek vaste Kamercommissie Digitale Zaken over digitale inclusie op 27 juni 2024’, waarin (onder meer) wordt vermeld dat 2,6 miljoen mensen niet digitaal vaardig zijn. Zie meer uitgebreid: Nationale ombudsman, “Hoezo MijnOverheid?” Onderzoek naar knelpunten voor burgers bij MijnOverheid / de Berichtenbox, 6 september 2017, rapportnr. 2017/098.
  3. HR 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1391.
  4. G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 721.
  5. De schriftelijke volmacht van de raadsman van de verdachte tot het instellen van het hoger beroep is volgens de ‘akte instellen hoger beroep’ één dag eerder binnengekomen op de griffie van de rechtbank, namelijk op 12 december 2024 om 21:55 uur (en derhalve na sluitingstijd van de griffie).
  6. Voluit: Besluit van 6 oktober 2016, houdende regels betreffende het gebruik van elektronische stukken, Stb. 2016, 432, in werking getreden op 1 december 2016, Stb. 2016, 359.
  7. Art. 1, aanhef en onder A van de Wet van 18 december 2019 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2019, 504.
  8. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 47-48.
  9. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 50-52.
  10. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 55-56.
  11. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 58.
  12. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 7, p. 39.
  13. Stb. 2019, 504.
  14. Kamerstukken II 2019/20, 35 311, nr. 3, p. 4-5.
  15. Art. 2 lid 1 onder d Besluit digitale stukken Strafvordering jo. art. 1 Besluit aanwijzing elektronische voorziening ex art. 2, eerste lid, onder d, Besluit digitale stukken Strafvordering.
  16. https://www.om.nl/onderwerpen/b/berichtenbox (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  17. In art. 1 van het Besluit digitale overheid (vóór 1 januari 2024 geheten: het Besluit verwerking persoonsgegevens generieke digitale infrastructuur) is ‘MijnOverheid’ gedefinieerd als: “de voorziening die bereikbaar is via het webadres mijn.overheid.nl voor de dienst voor elektronisch berichtenverkeer de Berichtenbox, en de diensten voor informatieverschaffing Lopende Zaken, Persoonlijke gegevens en Algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen.” Dit ter uitvoering van in art. 5 lid 1 onder f Wet Digitale Overheid aan de minister opgedragen taak om zorg te dragen voor de inrichting, beschikbaarstelling, instandhouding, werking en beveiliging van generieke digitale infrastructuur “voor elektronisch berichtenverkeer met en informatieverschaffing aan natuurlijke personen, ondernemingen en rechtspersonen.”
  18. Jaarverslag 2025 Logius (onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Zie https://www.logius.nl/onze-organisatie/logius-rapporteert/jaarverslag-2025 (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  19. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Monitor Digitale overheid 2026, p. 13.
  20. Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, Monitor Digitale overheid 2026, p. 14.
  21. Nationale ombudsman, DigiD helpt niet mee, 12 december 2023, rapportnr. 2023/169, p. 13.
  22. Zie HR 1 mei 2025, ECLI:NL:HR:2026:743, rov. 4.3.2.
  23. Kamerstukken II 2005/06, 29 362, nr. 86, p. 2.
  24. Vgl. Stcrt. 2008, 32, p. 6.
  25. Wet van 14 oktober 2015, Stb. 2015, 378, in werking getreden op 1 november 2015, Stb. 2015, 379.
  26. Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 3, p. 10-11.
  27. Voluit: Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 oktober 2015, nr. 2015-609536, houdende regels met betrekking tot de werking, beveiliging en betrouwbaarheid van de voorzieningen voor elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing alsmede van voorzieningen voor elektronische authenticatie en elektronische registratie van machtigingen (Regeling voorzieningen GDI), Stcrt. 2015, 37158.
  28. Besluit van 17 mei 2016, Stb 2016, 195.
  29. Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 17.
  30. Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 10.
  31. Art. 1 Besluit verwerking persoonsgegevens GDI definieert “een gebruiker van MijnOverheid” als “een natuurlijk persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, in het bezit is van een burgerservicenummer, en voor wie een MijnOverheid-account beschikbaar is”.
  32. Zie art. 1 Besluit verwerking persoonsgegevens GDI.
  33. Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 19.
  34. Wet van 24 maart 2023, Stb. 2023, 158; in werking getreden op 1 juli 2023, Stb. 2023, 160.
  35. Vgl. Kamerstukken I 2020/21, 34 972, nr. 3, p. 68.
  36. De Regeling voorzieningen Wdo is per 28 maart 2024 gewijzigd; die wijziging is niet direct relevant in verband met (de werking van) de Berichtenbox.
  37. De verzending en ontvangst van een dergelijke (e-mail)notificatie vormen evenwel geen vereisten om te kunnen aannemen dat een besluit is bekendgemaakt door verzending in de zin van art. 3:41 lid 1 Awb: zie HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:734, rov. 4.3.2.
  38. Zie ook de ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het Openbaar Ministerie d.d. 30 maart 2023, p. 4.
  39. Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 4, p. 8.
  40. Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 7, p. 10.
  41. Zie daartoe ook de rapporten van de Nationale ombudsman uit 2017, te weten SVB: digitaliseren=informeren, 17 januari 2017, rapportnr. 2017/001 en “Hoezo MijnOverheid?” Onderzoek naar knelpunten voor burgers bij MijnOverheid / de Berichtenbox, 7 september 2017, rapportnr. 2017/098,
  42. Wet van 10 mei 2023, Stb. 2023, 183, (grotendeels) in werking getreden op 1 januari 2026, Stb. 2024, 321.
  43. Zie in dat kader ook art. 2:22 Awb (voor het geval van onregelmatigheden bij de notificatie) en art. 2.25 Awb (bewijsrechtelijke waarborgen ten gunste van de burger). Zie meer uitgebreid over deze wijzigingen de conclusie van AG Pauwels, ECLI:NL:PHR:2026:152, randnr. 6.26 e.v.
  44. Besluit van 22 oktober 2024, Stb. 2024, 321.
  45. Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 21.
  46. Zie art. 2:22 Awb en 2:25 Awb. AG Pauwels heeft in zijn conclusie bepleit dat dit ook al zo was onder het oude recht (voor invoering van de WMEVB). Zie ECLI:NL:PHR:2026:152, randnr. 8.44-8.48.
  47. Daarvan getuigt ook het door AG Pauwels in zijn conclusie (randnr. 8.5) genoemde nieuwsbericht van de NOS van 25 augustus 2025 waarin wordt vermeld dat uit eigen onderzoek van de NOS bij gemeenten blijkt dat mensen die een parkeerboete (een naheffingsaanslag parkeerbelasting) toegestuurd krijgen in hun digitale inbox van MijnOverheid, twee keer zo vaak een aanmaning krijgen om te betalen als mensen die hun boete per post ontvangen. De reden daarvoor is dat mensen die digitale boetes missen, vaak niet weten dat boetes via MijnOverheid komen, nooit in de Berichtenbox kijken, of een oud e-mailadres hebben opgegeven en geen notificaties ontvangen. Zie NOS Nieuws 25 augustus 2025, ‘Mensen missen parkeerboetes door verzending via MijnOverheid’.
  48. Volgens de ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het Openbaar Ministerie d.d. 30 maart 2023 hadden op dat moment 2,8 miljoen burgers kenbaar gemaakt digitaal post van het openbaar ministerie te willen ontvangen (p. 5).
  49. https://www.overheid.nl/wie-vormen-de-overheid (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  50. NOS Nieuws 25 augustus 2025, ‘Mensen missen parkeerboetes door verzending via MijnOverheid’.
  51. De vastlegging geschiedt op grond van art. 36i lid 2 Sv jo. art. 7 van de Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen 2026 volgens een model dat is opgenomen in bijlage 9 van de Regeling. Vóór 1 mei 2026 was het model opgenomen in bijlage 1 van de Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen 2021.
  52. Zie ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het Openbaar Ministerie d.d. 30 maart 2023, p. 6.
  53. Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 308..
  54. Stb. 2016, 359, p. 9: “De rechtstreeks belanghebbenden dienen zich bij de door Onze Minister aangewezen en door de bevoegde instanties beschikbaar gestelde elektronische voorziening te identificeren met een authenticatiemiddel dat voldoet aan de eisen zoals uiteengezet in artikel 5.” Zie ook p. 24: “De in onderdeel b neergelegde eis houdt in dat het authenticatiemiddel beschermd dient te zijn tegen onbevoegd gebruik van het middel opdat de bevoegde instanties er zeker van kunnen zijn dat de persoon die zich met het middel identificeert de exclusieve beschikking heeft over het middel.”
  55. Zie art. 3 lid 2-4 Regeling voorzieningen Wdo over de verschillende betrouwbaarheidsniveau’s.
  56. https://www.digitaleoverheid.nl/overzicht-van-alle-onderwerpen/stelsel-toegang/toelating-stelsel-toegang/ (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  57. https://www.logius.nl/actueel/mijnoverheid-verplicht-inloggen-2-stappen, zoals reeds aangekondigd in de Kamerbrief van de Staatssecretaris BZK van 22 november 2022, Kamerstukken II 2022/23, 26 643, nr. 942 (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  58. https://mijn.overheid.nl/wat-is-de-berichtenbox/machtigen/ (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  59. https://www.om.nl/onderwerpen/b/berichtenbox (onder ‘Veel gestelde vragen’) (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026) Zie ook de ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het Openbaar Ministerie d.d. 30 maart 2023, p. 3
  60. Nationale ombudsman, DigiD helpt niet mee, 12 december 2023, rapportnr. 2023/169.
  61. Evaluatie Wet digitale overheid, Kamerstukken II 2025/26, 26 643, nr. 1510, p. 30/31. Voetnoot 95 houdt in: “BZK verwacht dat deze voorziening per 1 juli 2026 gereed is voor ouderlijk gezag tot 12 jaar en dat de voorziening daarna wordt uitgebouwd.”
  62. Evaluatie Wet digitale overheid, Kamerstukken II 2025/26, 26 643, nr. 1510, p. 30/31.
  63. Evaluatie Wet digitale overheid, Kamerstukken II 2025/26, 26 643 nr. 1510, p. 6.
  64. Uit de website van Justis volgt dat een burger er bij de aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor kan kiezen om de VOG digitaal te ontvangen. In dat geval ontvangt de burger de VOG in de Berichtenbox. Zie https://justis.nl/producten/verklaring-omtrent-het-gedrag/informatie-digitale-vog (laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  65. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 2, p. 5.
  66. Stb. 2019, 504.
  67. https://www.logius.nl/actueel/mis-geen-belangrijke-post-van-de-overheid(laatstelijk geraadpleegd op 20 oktober 2026).
  68. Verzamelbrief digitalisering december 2025, bijlage 3 (GDI-programmeringsplan 2026 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1229236.pdf)), Kamerstuk 26 643, nr. 1450, p. 15.
  69. Uit de ‘Informatieset Digitaal betekenen’ lijkt namelijk te volgen dat het openbaar ministerie ook elektronisch betekent als de gebruiker de notificatie-functie niet heeft aanstaan. Zie p. 5 onder punt 3: “Zodra er een nieuw bericht klaar staat bij MijnOverheid in de Berichtenbox ontvangt de geadresseerde hiervan een notificatie per e-mail of een pushbericht op zijn of haar mobiele device, mits men de notificatieservice in MijnOverheid niet zelf heeft uitgezet.”
  70. Zie ook de ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het openbaar ministerie d.d. 30 maart 203, p. 4.
  71. Aldus de Nationale ombudsman. Zie NOS Nieuws 25 augustus 2025, ‘Mensen missen parkeerboetes door verzending via MijnOverheid’.
  72. ‘Informatieset Digitaal betekenen’ van het openbaar ministerie d.d. 30 maart 2023, p. 7-8.
  73. Er zijn overigens omstandigheden denkbaar waarin geen actieve betrokkenheid van de verdachte nodig is voor het door een ander inloggen op de Berichtenbox-app van de verdachte via een mobile device.
  74. Nationale ombudsman, DigiD helpt niet mee, 12 december 2023, rapportnr. 2023/16, p. 12.
  75. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Monitor Digitale overheid 2026, p. 13.
  76. Zie ook Nationale ombudsman, DigiD helpt niet mee, 12 december 2023, rapportnr. 2023/16, p. 13.
  77. Nationale ombudsman, DigiD helpt niet mee, 12 december 2023, rapportnr. 2023/169, p. 13.
  78. De uitreiking “in persoon” van een ‘mededeling uitspraak’ geldt op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Vgl. HR 23 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7568, NJ 1982/618, rov.5.3.
  79. EHRM 12 februari 1985, nr. 9024/80, NJ 1986/685 (Colozza t. Italië), par. 27. Zie ook EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic t. Italië), par. 25; EHRM 28 juni 2005, nr.18114/02 (Hermi t. Italië), par. 33.
  80. EHRM 12 oktober 1992, nr. 14104/88 (T. tegen Italië), par. 2; EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic t. Italië), par. 34.
  81. Vgl. EHRM 21 mei 2015, nr. 53723/13 (Zavodnik t. Slovenië), par. 70.
  82. Vgl. EHRM 12 februari 1985, NJ 1986/685 (Colozza t. Italië), par. 28; EHRM 28 juni 2005, nr.18114/02 (Hermi t. Italië), par. 74. Zie meer uitgebreid B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 442 e.v.
  83. Vgl. EHRM 28 augustus 1991, nr. 12151/86 (F.C.B. t. Italië), par. 33-35; EHRM 1 maart 2012, nr. 15226/05 (Kolegovy t. Rusland), par. 41. Zie meer uitgebreid P.A.M. Mevis e.a., Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief, Den Haag: Boom Juridische uitgever 2013, p. 170 en p. 175.
  84. Mevis e.a., p. 176. Zie ook H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, Dagvaarding en berechting in aanwezigheid. De Nederlandse betekeningsregeling in rechtshistorisch en Europees perspectief (diss. Groningen), Amsterdam: Thesis Publishers 1998, p. 19.
  85. Vgl. Mevis e.a., p. 171.
  86. Vgl. EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic t. Italië), par. 33. Zie omtrent de voorwaarden waaronder behandeling bij verstek op grond van het EVRM mag plaatsvinden meer uitgebreid Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, par. 2.3.
  87. Vgl. Keulen & Knigge, p. 424.
  88. Vgl. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, p. 17.
  89. Vgl. EHRM 12 februari 1985, nr. 9024/80, NJ 1986/685 (Colozza t. Italië), par. 29; EHRM 18 mei 2004, 67972/01 (Somogyi t. Italië), par. 6; EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic t. Italië), par. 84; EHRM 12 april 2012, nr. 18851/07 (Lagardère t. Frankrijk), par. 53.
  90. Vgl. EHRM 14 juni 2001, nr. 20491/92 (Medenica t. Zwitserland).
  91. EHRM 16 december 1992, nr. 12129/86 (Hennings t. Duitsland), par. 26.
  92. Vgl. EHRM 16 december 1992, nr. 12129/86 (Hennings t. Duitsland).
  93. Vgl. EHRM 12 februari 1985, nr. 9024/80, NJ 1986/685 (Colozza t. Italië), waarin het EHRM concludeerde tot schending van art. 6, niettegenstaande het feit dat Colozza had nagelaten bij de burgerlijke stand zijn nieuwe adres door te geven: daarop werd hij latitanti (voortvluchtig) verklaard, hoewel de lokale politie wel degelijk wist waar hij woonde. Het EHRM oordeelde dat onder die omstandigheden van een rechtsgeldige afstand van het aanwezigheidsrecht geen sprake kon zijn en concludeerde tot schending van art. 6 omdat Colozza, toen hij op de hoogte raakte van zijn veroordeling, ten onrechte een nieuwe beoordeling van de beschuldiging werd onthouden. Zie meer uitgebreid Keulen & Knigge, p. 442-443.
  94. EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02 (Hermi t. Italië), par. 76. Zie ook EHRM 18 mei 2004, nr. 67972/01 (Somogyi t. Italië), par. 72. In laatstgenoemde zaak liet het EHRM daarop volgen dat “the Bologna Court of Appeal and the Court of Cassation did not make any such check, thereby depriving the applicant of the possibility of remedying, if that should prove necessary, a situation contrary to the requirements of the Convention. Thus there was no close scrutiny to determine whether, beyond a reasonable doubt, the convicted man had unequivocally waived the right to appear at his trial” en voorts dat “[I]t follows that in the instant case the means employed by the national authorities did not achieve the result required by Article 6 of the Convention.”
  95. EHRM 27 februari 2020, nr. 21447/11 (Lobzhanidze en Peradze t. Georgië), par. 90. Het ging in deze zaak niet om de vraag of de veroordeling bij verstek als zodanig in overeenstemming was met de eisen van art. 6 EVRM, maar om de vraag of de onmogelijkheid zich te laten verdedigen door een advocaat van zijn eigen keuze en de weigering van de nationale rechter om het te laat ingestelde hoger beroep toe te staan tegen deze veroordeling in overeenstemming met die bepaling waren. Binnen de specifieke context van die zaak leidde het eerste tot het te laat instellen van beroep: het nationale gerecht weigerde het verzochte leave to appeal zonder het principiële argument van de klager te adresseren. Het EHRM concludeerde tot schending van art. 6 EVRM. Zie ook Council of Europe, Criminal proceedings in absentia. Overview of the European standards regarding criminal proceedings held in absentia, september 2024, randnr. 69.
  96. Vgl. EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12 (Zubac t. Kroatië), par. 98.
  97. Vgl. EHRM 8 december 2016, nr. 24003/07 (Frida LLC t. Oekraïne), par. 33; EHRM 26 juli 2007, nr. 35787/03 (Walchli t. Frankrijk), par. 29; EHRM 13 maart 2019, nr. 21497/14 (Witkowski t. Polen), par. 44.
  98. Vgl. EHRM 3 oktober 2023, nr. 14684/18 (Efgan Cetin e.a. t. Turkije), par. 39. Zie ook en meer uitgebreid J.H.B. Bemelmans & M.A.P. Timmerman, Too little, too late? Verontschuldigbare overschrijding van termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken, DD 2024/52, p. 744-745.
  99. HvJ EU 20 mei 2025, C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 35; HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 38; HvJ EU 19 mei 2022, C-569/20 (Spetsializirana prokuratura), ECLI:EU:C:2022:401, randnr. 48-50.
  100. HvJ EU 20 mei 2025, C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 37; HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 42; HvJ EU 19 mei 2022, C-569/20 (Spetsializirana prokuratura), ECLI:EU:C:2022:401, randnr. 48.
  101. HvJ EU 20 mei 2025, C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 40.
  102. HvJ EU 20 mei 2025, C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 40.
  103. HvJ EU 20 mei 2025, C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 63.
  104. HvJ EU 20 mei 2025, C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 42; HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 37; HvJ EU 19 mei 2022, C-569/20 (Spetsializirana prokuratura), ECLI:EU:C:2022:401, randnr. 31.
  105. HvJ EU 20 mei 2025, C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 66.
  106. Vgl. HvJ EU 19 mei 2022, C-569/20 (Spetsializirana prokuratura), ECLI:EU:C:2022:401, randnr. 43.
  107. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 42.
  108. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 44-45.
  109. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-400/23 (VB II), ECLI:C:EU:2025:14, randnr. 43, 46 en 75.
  110. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-400/23 (VB II), ECLI:C:EU:2025:14, randnr. 53.
  111. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 45; HvJ EU 16 januari 2025, C-400/23 (VB), ECLI:C:EU:2025:14, randnr. 74.
  112. Vgl. HvJ EU 11 september 2014, C-19/13 (Fastweb), ECLI:EU:C:2014:2194, randnr. 58; HvJ EU 11 september 2019, C- 676/17 (Călin), ECLI:EU:C:2019:700, randnr. 43.
  113. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-400/23 (VB II), ECLI:C:EU:2025:14, randnr. 50.
  114. HvJ EU 16 januari 2025, C-400/23 (VB), ECLI:C:EU:2025:14, randnr. 59.
  115. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 42.
  116. HR 1 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1391.
  117. Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. T.M. Schalken, rov. 3.33.
  118. Zie art. 36e lid 1, aanhef en onder b Sv.
  119. Vgl. HR 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1113.
  120. Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. T.M. Schalken, rov. 3.33.
  121. HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842, NJ 2024/235 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.6.4.
  122. Vgl. HR 23 maart 1982, NJ 1982/618.
  123. HR 28 maart 1995, NJ 1995/500.
  124. Vgl. HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189; HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:341, NJ 2023/140 m.nt. W.H. Vellinga. Zie meer uitgebreid J.H.B. Bemelmans & M.A.P. Timmerman, Too little, too late? Verontschuldigbare overschrijding van termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken, DD 2024/52, p. 745-756.
  125. Vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587; HR 10 september 1996, NJ 1997/10.
  126. Vgl. HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189; HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056
  127. Vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1523; HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534.
  128. Vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:390; HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7794; HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671, NJ 2010/488; HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700.
  129. De formulering van de Hoge Raad luidt dat overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep “betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn” [AG: onderstreping toegevoegd]. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, rov. 3.4. Zie meer recent HR 9 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:781, NJ 2026/269 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.5.2.
  130. HvJ EU 20 mei 2025, zaak C-135/25 (Kachev), ECLI:EU:C:2025:366, randnr. 66. Zie ook HvJ 16 januari 2025, zaak 400/23 (VB), ECLI:EU:C:2025:14, randnr. 61.
  131. Vgl. HR 8 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1422; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/13; HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247.
  132. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. T.M. Schalken, rov 3.33. Vgl. HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, rov.3.6.3.
  133. HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842, NJ 2024/235 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.6.4.
  134. Zie art. 36e lid 1, aanhef onder a en onder b Sv. Vóór 1 januari 2020 gold ook de uitreiking aan een schriftelijk gemachtigde als een uitreiking “in persoon” (art. 588 lid 3 onder b Sv (oud)).
  135. Zie de vorige (10e) druk van ‘Corstens’: G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 720.
  136. Vgl. ook de conclusie van AG Van Kempen. ECLI:NL:PHR:2025:642, randnr.3.18-3.20.
  137. Vgl. HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23 (Stangalov), ECLI:EU:C:2025:16, randnr. 44.
  138. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, p. 213.
  139. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, p. 211 en p. 213-214.
  140. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, p. 213.
  141. Zie voor een vergelijkbaar betoog – maar dan in meer algemene zin gebaseerd op het beperkte ‘doenvermogen’ van de gemiddelde verdachte en de kwetsbaarheid van een deel van hen – J.H.B. Bemelmans & M.A.P. Timmerman, Too little, too late? Verontschuldigbare overschrijding van termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken, DD 2024/52, p. 764-765.
  142. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1523, rov. 2.3.2. Zie ook HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064.
  143. Stb. 2016, 359, p. 24.
  144. Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1128.
  145. Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1128. Zie ook J.H.B. Bemelmans & M.A.P. Timmerman, Too little, too late? Verontschuldigbare overschrijding van termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken, DD 2024/52, p. 740.
  146. Aldus ook J.H.B. Bemelmans & M.A.P. Timmerman, Too little, too late? Verontschuldigbare overschrijding van termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken, DD 2024/52, p. 771. In dezelfde zin: AG Van Kempen in ECLI:NL:PHR:20245:642, randnr. 3.33.
  147. HvJ 24 maart 2026, C-767/23 (Remling), ECLI:EU:2026:243.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.