Aanhef
De gemeente van Burgemeester en wethouders van de gemeente Venray
Gelet op de Verordening sociaal domein 2026 gemeente Venray;
Besluit vast te stellen:
De Beleidsregels Lage inkomens en geldzorgen 2026 gemeente Venray.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
Artikel 2.1 Giften en vergoedingen voor materiële en immateriële schade
1Een gift is een betaling van geld of schenking in natura uit vrijgevigheid van derden (personen of instellingen), waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichtend karakter. Ook een lening van derden waarvoor geen concrete aflossingsregeling aanwezig is en waarop niet wordt afgelost wordt beschouwd als een gift.
2Giften en kostenbesparingen worden tot de wettelijke vrijlatingsgrens (artikel 31 lid 2 sub m van de Participatiewet) niet tot de middelen gerekend. Het gaat om een totaalbedrag per kalenderjaar en geldt per uitkering. Het bedrag geldt ongeacht of de bijstandsgerechtigde het hele jaar of maar een deel van het jaar een uitkering ontvangt.
3Zolang het totaalbedrag van de giften en kostenbesparingen in een kalenderjaar onder de wettelijke vrijlatingsgrens blijft, hoeft de uitkeringsgerechtigde de ontvangst hiervan niet te melden.
4Voor de ontvangst van giften en kostenbesparingen die hoger zijn dan de wettelijke vrijlatingsgrens geldt wel een meldingsplicht. De bijstandsgerechtigde moet dit melden. Hierbij is de inlichtingenplicht van artikel 17, lid 1, van de Participatiewet van toepassing. De inwoner dient hier desgevraagd een administratie van te kunnen overleggen.
5Giften die voor een specifiek doel worden verstrekt en die door de bijstandsgerechtigde ook aantoonbaar aan dit doel worden besteed, worden individueel beoordeeld.
6Vergoedingen voor materiële en immateriële schade als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub s van de Participatiewet zijn geen middelen, tenzij het gaat om een vergoeding vanwege verlies van inkomsten.
7In het geval dat de gift is verstrekt in natura, wordt de waarde van deze gift vastgesteld aan de hand van de Nibud-richtlijnen. Als de gift hierin niet is opgenomen wordt de waarde in het economisch verkeer als uitgangspunt genomen.
Artikel 2.2 Verkorte aanvraag algemene bijstand na kortdurend werk
1De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij haar berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, lid 1, van de Participatiewet, te gebruiken, wanneer:
a.dit gebruik leidt tot een voor de inwoner minder belastende aanvraag;
b.de nieuwe aanvraag is ingediend binnen zes maanden na de einddatum van de algemene bijstand bij gemeente Venray; en,
c.de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege werkaanvaarding.
2Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat de gemeente bij een inwoner ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
a.het hoofdverblijf;
b.de gezinssituatie;
c.het inkomen en het vermogen.
3De gemeente kan de gegevens zoals bedoeld in lid 2 verifiëren door deze op te vragen bij de inwoner.
4Lid 1, lid 2 en lid 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, lid 1, van de Ioaw.
Vanaf artikel 3.7 worden veelvoorkomende kostensoorten voor bijzondere bijstand beschreven. Deze zijn niet uitputtend.
Hoofdstuk 3. Bijzondere bijstand
Artikel 3.1 Verlening bijzondere bijstand
1Bij de beoordeling van een aanvraag bijzondere bijstand wordt door de gemeente de werkwijze van de Omgekeerde toets gehanteerd. Er wordt een afweging gemaakt aan de hand van het te bereiken effect, de grondwaarde van de Participatiewet, de kernwaarden van de gemeente en de juridische randvoorwaarden.
2Aan bijzondere bijstand kan de gemeente aanvullende verplichtingen verbinden aan de inwoner op basis van artikel 55 van de Participatiewet.
Artikel 3.2 Aanvraag bijzondere bijstand
1De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij de gemeente Venray.
2De inwoner verstrekt bij de aanvraag relevante bewijsstukken.
3Een aanvraag bijzondere bijstand is tijdig, indien deze in afwijking van artikel 44 lid 1 Participatiewet binnen twee maanden na het ontstaan van de kosten is ingediend.
Artikel 3.3 Hoogte en vorm bijzondere bijstand
1Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd.
2De te verstrekken bijzondere bijstand richt zich op de goedkoopste adequate voorziening.
3Voor de hoogte van de bijzondere bijstand en afschrijftermijnen wordt waar mogelijk aangesloten bij de Nibud-richtlijnen. Er wordt 50% van de Nibud-richtlijn gehanteerd als tweedehands aanschaf ook voldoet.
4De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt.
5Voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten wordt bijzondere bijstand in beginsel als leenbijstand of borgtocht verstrekt en uitsluitend als de Kredietbank Limburg niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt.
6Achteraf kan middels een steekproef gecontroleerd worden of de bijdragen zijn besteed aan het doel waarvoor deze bedoeld is. Op verzoek moeten er bewijsstukken van de aanschaf/de kosten overlegd kunnen worden. Bij onjuiste besteding kan de bijzondere bijstand teruggevorderd worden.
Artikel 3.4 Duur bijzondere bijstand
1Bijzondere bijstand kan eenmalig of periodiek worden verstrekt.
2De gemeente kan in de looptijd van de bijzondere bijstand controles uitvoeren om te bepalen of er nog recht bestaat op de bijzondere bijstand.
Artikel 3.5 Draagkracht en draagkrachtperiode
1Als het inkomen lager is dan 120% van de bijstandsnorm die voor de inwoner geldt, is er geen sprake van draagkracht. Het volledige inkomen inclusief vakantiegeld boven 120% van de geldende bijstandsnorm is draagkracht.
2In afwijking van lid 1, geldt voor de kosten zoals genoemd in de artikelen 3.7 tot en met 3.12 een inkomensgrens van 100% van de bijstandsnorm. Het volledige inkomen inclusief vakantiegeld boven 100% van de geldende bijstandsnorm is draagkracht.
3De draagkracht uit inkomen wordt vastgesteld op basis van het inkomen inclusief het vakantiegeld door:
a.bij een vast inkomen uit te gaan van het inkomen van de maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend;
b.bij een onregelmatig inkomen uit te gaan van het gemiddelde inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.
4Het vermogen van de inwoner wordt vastgesteld met toepassing van artikel 34 van de Participatiewet. De vrijlating van artikel 34 lid 2 sub c van de Participatiewet is daarbij niet van toepassing.
5Het bedrag boven het op grond van lid 4 vastgestelde in aanmerking te nemen vermogen geldt volledig als draagkracht.
6In afwijking van lid 5 geldt bij bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen het in aanmerking te nemen vermogen boven 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm volledig als draagkracht.
7Als er sprake is van een formele schuldverplichting wordt de draagkracht vastgesteld op basis van het feitelijk besteedbaar inkomen. Onder feitelijk besteedbaar inkomen verstaat de gemeente het inkomen dat de inwoner feitelijk te besteden heeft na het voldoen van betalingsverplichtingen aan schuldeisers. Het vaststellen van de draagkracht op basis van het feitelijk besteedbaar inkomen is van toepassing als één of meer van de volgende situaties van toepassing zijn:
a.de inwoner heeft een wettelijk schuldsaneringstraject (WSNP)
b.de inwoner heeft een minnelijke schuldregeling (MSNP) op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
c.er is sprake van beslaglegging
d.er is sprake van inhouding inzake een bestuursrechtelijke premie.
8De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van 12 maanden, gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn opgekomen.
9Een vastgestelde draagkracht blijft in beginsel gelden, tenzij één of meer van de volgende situaties van toepassing zijn:
a.het inkomen drie maanden of langer met 15 procent of meer verandert;
b.er sprake is van een overschrijding van de in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet genoemde vermogensgrens en dat vermogen niet in aanmerking is genomen bij de vastgestelde draagkracht.
10De aangepaste draagkracht geldt voor de resterende vastgestelde draagkrachtperiode, met ingang van het moment dat de wijziging zoals beschreven in lid 9 zich voordoet.
Artikel 3.6 Middelen
De onderstaande vrijlatingen zijn in beginsel van overeenkomstige toepassing bij de bijzondere bijstand:
a.De vrijlatingen zoals beschreven in artikel 31 lid 2 van de Participatiewet
b.De vrijlatingen zoals beschreven in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet, met uitzondering van sub c (sparen in de bijstand).
KOSTENSOORTEN
Artikel 3.7 Gerechtelijke procedures
1De noodzaak voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage rechtsbijstand is aanwezig als de inwoner een toevoegingsbeschikking voor deze kosten van de Raad voor Rechtsbijstand overhandigt.
2De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de hoogte van de eigen bijdrage.
Artikel 3.8 Bewindvoering, curatele en mentorschap en griffiekosten
1De noodzaak voor bijzondere bijstand voor kosten van onderbewindstelling, mentorschap of onder curatele stelling is aanwezig als dit door de rechter is uitgesproken. De noodzaak voor bijzondere bijstand voor kosten waar de rechter een machtiging voor heeft afgegeven wordt aangenomen; voor PGB beheer is dit niet automatisch het geval en vindt individuele beoordeling plaats.
2Wanneer er sprake is van bewindvoering in verband met de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) wordt voor de bewindvoeringskosten geen bijzondere bijstand verstrekt, tenzij bij de slotuitdeling blijkt dat er onvoldoende saldo is voor het salaris van de bewindvoerder.
3Voor de hoogte en de ingangsdatum van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, tenzij in de uitspraak een afwijkend of expliciet bedrag of datum staat benoemd.
4In afwijking van artikel 3.4 lid 1 kan bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten voor onbepaalde periode worden toegekend. De gemeente voert tijdens de looptijd controles uit of er nog recht bestaat op de bijzondere bijstand. Dit in aanvulling op de inlichtingenplicht van de inwoner zelf.
Artikel 3.9 Budgetbeheer
De kosten voor budgetbeheer komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de gemeentelijke schulddienstverlening als voorliggend wordt beschouwd. Hier kan van worden afgeweken als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.De duur van budgetbeheer is naar verwachting van Schulddienstverlening langer dan 24 maanden en bewindvoering is een te zware maatregel; of
b.Budgetbeheer wordt opgestart in afwachting van een gerechtelijke uitspraak op een verzoek tot onderbewindstelling; en
c.De kosten voor budgetbeheer, die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, betreffen maximaal 75% van de kosten van standaard bewindvoering door een professionele bij de branchevereniging aangesloten bewindvoerder/mentor; en
d.Het budgetbeheer wordt uitgevoerd door een gecertificeerde budgetbeheerder. De budgetbeheerder beschikt over een AFM-vergunning.
Artikel 3.10 Bijzondere bijstand jongeren in inrichting
1Aan de jongere van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft kan bijzondere bijstand worden verleend voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, voor zover hierin niet wordt voorzien door de instelling waar hij verblijft en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a.de middelen van de ouders niet toereikend zijn; of
b.de inwoner redelijkerwijs het onderhoudsrecht ten aanzien van zijn ouders niet te gelde kan maken.
2De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de specifieke noodzakelijke kosten van levensonderhoud waarin niet wordt voorzien op grond van lid 1, en bedraagt maximaal de inrichtingsnorm zoals beschreven in artikel 23 lid 1 sub a van de Participatiewet.
Artikel 3.11 Woonkostentoeslag
Inleiding
Woonkosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Uitgangspunt is dat de algemene bijstand, in combinatie met huurtoeslag, voorziet in de woonkosten. Elk huishouden met een huurwoning en een laag inkomen komt in aanmerking voor huurtoeslag. Hiermee geldt de huurtoeslag als een voorliggende voorziening voor alle huurders. Als iemand in een onvoorziene, bijzondere situatie raakt, kan onder omstandigheden een tijdelijk beroep gedaan worden op bijzondere bijstand voor noodzakelijke (woon)kosten; de woonkostentoeslag. Woonkostentoeslag kan (onder voorwaarden) ook worden verstrekt aan een inwoner met een woning, woonwagen of woonschip in eigendom.
Artikel 3.11.1. Recht op woonkostentoeslag
1Woonkostentoeslag bij een huurwoning, kan worden verstrekt als de inwoner aantoonbaar (nog) geen aanspraak kan maken op (volledige) huurtoeslag om redenen buiten zijn schuld. Hiervan is sprake bij:
a.Een gebroken maand. Huurtoeslag wordt verstrekt vanaf de 1e van de maand. Als er sprake is van een gebroken maand, omdat het huurcontract bijvoorbeeld ingaat op de 15e van de maand, dan gaat het recht op huurtoeslag pas in op de 1e van de volgende maand. In deze situaties kan de woonkostentoeslag worden vastgesteld op het gemiste bedrag aan huurtoeslag gedurende de gebroken maand. De overbruggingsuitkering zoals bedoeld in artikel 3.12 wordt gezien als een toereikende voorliggende voorziening.
b.Een (onvoorziene) inkomensdaling. Huurtoeslag wordt berekend op basis van het (geschat) jaarinkomen. Bij een onvoorziene inkomensdaling gedurende het jaar, is (geschatte) jaarinkomen te hoog voor de maximale huurtoeslag. De gemiste huurtoeslag kan gecompenseerd worden met woonkostentoeslag.
c.Het in afwachting zijn van besluitvorming op de aanvraag huurtoeslag. De gemeente kan ervoor kiezen om in afwachting van besluitvorming op de aanvraag huurtoeslag bij De Dienst Toeslagen de huurtoeslag voor te schieten met woonkostentoeslag. Na toekenning van de huurtoeslag, kan de verstrekte woonkostentoeslag over dezelfde periode worden teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2 sub f onder 2 Participatiewet.
2Woonkostentoeslag bij een huurwoning kan ook worden verstrekt over een deel van de huur boven de maximale huurgrens. Deze situatie kan zich voordoen als de inwoner door onvoorziene omstandigheden in een woning woont die niet passend is met diens financiële situatie.
3Woonkostentoeslag bij een woning, woonwagen of woonschip in eigendom, kan worden verstrekt als de inwoner aantoonbaar om redenen buiten zijn schuld (tijdelijk) zijn noodzakelijke woonkosten niet kan voldoen. De Wet op de huurtoeslag is in deze situaties niet van toepassing.
4Er wordt slechts voor één woning woonkostentoeslag verstrekt, namelijk voor de woning waarin de inwoner het hoofdverblijf heeft. Er wordt geen woonkostentoeslag verstrekt voor woningen of andere panden die niet door de inwoner feitelijk worden bewoond.
Artikel 3.11.2. Voorwaarden en duur van de woonkostentoeslag
1De woonkostentoeslag kan worden verstrekt voor een periode van maximaal 12 maanden. Aan de verstrekking worden in beginsel voorwaarden verbonden op grond van artikel 55 van de Participatiewet zoals het naar vermogen trachten goedkopere passende woonruimte te vinden en/of te verhuizen (verhuisplicht).
2Als de inwoner voldoende heeft voldaan aan de aan hem opgelegde voorwaarden als bedoeld in lid 1, kan de woonkostentoeslag worden verlengd met maximaal 3 keer 6 maanden. Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden, kan de woonkostentoeslag direct worden beëindigd.
3Als de inwoner gebruik wil maken van een verlenging van de woonkostentoeslag zoals bedoeld in lid 2, dient hij daar voor het verstrijken van de toekenningsperiode telkens opnieuw een aanvraag voor in.
Artikel 3.11.3. Hoogte van de woonkostentoeslag
1De noodzakelijke woonkosten die voor woonkostentoeslag in aanmerking komen, mogen in beginsel niet hoger zijn dan 140% van de maximale huurgrens.
2De hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning bedraagt:
a.Een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen de (maximale) huurtoeslag waar de inwoner recht op zou hebben en de huurtoeslag die hij feitelijk ontvangt.
b.Voor de huur boven de maximale huurgrens geldt dat het verschil tussen de maximale huurgrens en de huur tot maximaal 140% van de huurgrens voor vergoeding in aanmerking komt.
3De hoogte van de woonkostentoeslag bij een woning, woonwagen of woonschip in eigendom bedraagt:
a.een bedrag dat gelijk is aan de huurtoeslag waar de inwoner, gelet op zijn financiële situatie recht op zou hebben als hij een huurwoning zou bewonen, vermeerderd met;
b.het verschil tussen de maximale huurgrens en de woonkosten tot maximaal 140% van de huurgrens.
4De woonkosten voor een huurwoning is de rekenhuur zoals bepaald in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag, gelijk aan de huurprijs (= kale maandhuur exclusief servicekosten). Bij een woonwagen of woonschip wordt dit vermeerderd met de huur van de stand- of aanlegplaats.
5De woonkosten voor een woning, woonwagen of woonschip in eigendom zijn de kosten van hypotheekrente, opstalverzekering, eigenaarsdeel onroerendezaakbelasting (OZB), rioolrecht, waterschapslasten, erfpachtcanon en eventuele VvE-kosten.
6De draagkrachtregels zoals beschreven in artikel 3.5 zijn van toepassing op het vaststellen van de hoogte van de woonkostentoeslag.
Artikel 3.12 Vergoedingen voor statushouders
1De volgende vergoedingen kunnen (op aanvraag) worden verstrekt aan de statushouder, die na toekenning van de verblijfsvergunning in de gemeente gehuisvest wordt en per direct recht heeft op algemene bijstand:
a.Een overbruggingsuitkering om niet
b.Inrichtingskosten als leenbijstand
2De bijstand wordt verleend aan de statushouder die voor vestiging in de gemeente verbleef in een Nederlands Asielzoekerscentrum of hervestiger is en direct op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd door de IND wordt toegelaten tot Nederland.
3De overbruggingsuitkering wordt bij aanvang van de bijstandsuitkering verstrekt en is bedoeld om te kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die direct samenhangen met de eerste vestiging in Venray.
4De overbruggingsuitkering bestaat uit de voor de inwoner van toepassing zijnde bijstandsnorm (voor één maand), exclusief de vakantietoeslag zoals genoemd in artikel 19, lid 3 van de Participatiewet. Van de overbruggingsuitkering wordt de eerste maand huur rechtstreeks doorbetaald aan de verhuurder.
5De overbruggingsuitkering wordt niet verstrekt bij gezinshereniging.
6De hoogte van inrichtingskosten wordt bepaald aan de hand van de NIBUD-prijzenlijst.
a.Voor volwassenen geldt 50 % van het van toepassing zijnde inboedelpakket conform de NIBUD prijzengids.
b.Bij gezinshereniging geldt 50 % van het in die situatie van toepassing zijnde inboedelpakket conform de Nibud prijzengids minus de eerder verstrekte lening.
c.Voor inwonende kinderen vanaf 18 jaar geldt een maximumbedrag van € 1.250,00 per kind.
7Voor de inrichtingskosten wordt door de inwoner een lening afgesloten bij de Kredietbank Limburg, waarvoor de gemeente borg staat.
8De lening wordt aan de Kredietbank afgelost gedurende 36 maanden. Voor de inwoner wordt op basis van de lening een termijnbedrag vastgesteld. Hiervan lost de inwoner 5% per maand van de van toepassing zijnde bijstandsnorm af. Voor het resterende termijnbedrag wordt bijzondere bijstand om niet verleend in de vorm van suppletie.
9Bij gezinshereniging kan de statushouder opnieuw gebruik maken van een aanvullende lening bij de Kredietbank Limburg voor woninginrichting. In dat geval gaat de termijn van aflossing opnieuw in voor 36 maanden.
10Als de algemene bijstand beëindigd wordt, wordt de draagkracht voor bijzondere bijstand in de vorm van suppletie opnieuw berekend conform artikel 3.5. De bijbehorende aflossingscapaciteit wordt opnieuw berekend, waarbij de inwoner minimaal 5% van de toepasselijke bijstandsnorm aflost van de lening bij de Kredietbank Limburg.
11Voor de nadere beoordeling van aflossing gelden de beleidsregels Participatie, terug- en invordering en boete 2026 gemeente Venray.
Hoofdstuk 4. Meedoenbudget
Artikel 4.1 Doel van de regeling
1Het meedoenbudget voorziet in een bijdrage voor maatschappelijke participatie, waaronder begrepen kosten voor deelname aan sociaal culturele, educatieve en sportieve activiteiten. Voor ouders met minderjarige kinderen voorziet het meedoenbudget in een bijdrage voor meerkosten waarmee ouders, vanwege hun financiële situatie zich ten behoeve van hun kinderen geconfronteerd zien.
2De hoogte van de bijdrage wordt bepaald aan de hand van de gevraagde vergoeding voor de kosten, maar bedraagt:
a.maximaal € 160,00 per kalenderjaar, per kind van 4 tot 18 jaar.
b.maximaal € 215,00 per kalenderjaar, per volwassene.
3De bedragen genoemd in lid 2 worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op vijf euro’s, waarbij 2026 als basisjaar geldt.
Artikel 4.2 Doelgroep
1Het meedoenbudget volwassenen zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub b, is bedoeld voor een volwassen inwoner ingeschreven in de gemeente Venray met een laag inkomen en vermogen. Het inkomen en vermogen wordt vastgesteld op basis van artikel 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet en het meedoenbudget wordt ambtshalve of op aanvraag verleend.
2Het meedoenbudget kind zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub a, wordt op aanvraag of ambtshalve verleend aan de alleenstaande ouder of gezin met kinderen van 4 tot 18 jaar.
3Een inwoner heeft een laag inkomen als het in aanmerking te nemen inkomen op de aanvraagdatum en gedurende de referteperiode niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. Ook is er sprake van een laag inkomen als de inwoner een minnelijke schuldregeling heeft met een erkende schuldhulpverlenende instantie of de WSNP is over de inwoner uitgesproken.
4Een inwoner voldoet aan de vermogensvoorwaarden, indien het conform artikel 34 van de Participatiewet vastgestelde vermogen op de aanvraagdatum niet hoger is dan de in lid 3 van dat artikel genoemde vermogensgrenzen. Het vermogen in de eigen woning wordt volledig buiten beschouwing gelaten.
5Onder referteperiode wordt verstaan de periode van 3 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum.
6Studerenden (met recht op studiefinanciering) komen niet in aanmerking voor het meedoenbudget.
Artikel 4.3 Ambtshalve toekenning
Huishoudens die voldoen aan de doelgroepomschrijving van artikel 4.2 en op 1 januari van ieder jaar:
a.algemene bijstand ontvangen; of
b.die toegelaten zijn tot de Wgs én een schuldenregeling hebben;
ontvangen het volledige meedoenbudget éénmaal per kalenderjaar ambtshalve. Zij hoeven géén aanvraag in te dienen.
Artikel 4.4 Aanvraag
1Een inwoner die niet in aanmerking komt voor een ambtshalve toekenning van het meedoenbudget kan jaarlijks een aanvraag indienen.
2De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij de gemeente Venray.
3Bij de aanvraag moet worden aangegeven voor welke kosten in het kader van maatschappelijke participatie deze aanvraag wordt gedaan. De verstrekking vindt plaats als het aansluit bij het doel van maatschappelijke participatie volgens deze regeling.
4Uiterste indieningstermijn van de aanvraag is 31 december van het betreffende kalenderjaar.
Artikel 4.5 Controle
De kosten moeten gemaakt zijn in het jaar waar de toekenning betrekking op heeft en hiervan moeten achteraf op verzoek de bewijsstukken overlegd kunnen worden. Achteraf kan middels een steekproef gecontroleerd worden of de bijdragen zijn besteed aan het doel waarvoor deze bedoeld is. Bij onjuiste besteding kan het meedoenbudget teruggevorderd worden.
Hoofdstuk 5. Tegemoetkoming eigen risico zorgverzekering
Artikel 5.1 Doel van de tegemoetkoming
De tegemoetkoming eigen risico zorgverzekering voorziet in een tegemoetkoming voor het leven met een handicap of chronische ziekte. Dit brengt namelijk extra kosten met zich mee zoals meerkosten voor zorg, vervoer, hulpmiddelen, aanpassingen en voorzieningen.
Artikel 5.2 Hoogte tegemoetkoming en doelgroep
1De tegemoetkoming bedraagt € 150,00 en is bedoeld voor een volwassen inwoner van 21 jaar of ouder ingeschreven in de gemeente Venray met een laag inkomen als bedoeld in lid 2, met hoge zorgkosten als bedoeld in lid 3, en wordt op aanvraag als bijzondere bijstand verleend.
2Een inwoner heeft een laag inkomen als gedurende de 2 jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Ook is er sprake van een laag inkomen als de inwoner een minnelijke schuldregeling heeft met een erkende schuldhulpverlenende instantie of de WSNP over de inwoner is uitgesproken.
3Een inwoner heeft hoge zorgkosten als gedurende de twee afgesloten kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraagdatum het verplicht eigen risico op grond van artikel 19 van de Zorgverzekeringswet is opgemaakt.
4Voor toepassing van deze tegemoetkoming wordt het vermogen in het kader van de Participatiewet niet in aanmerking genomen.
Artikel 5.3 Aanvraag
1Een inwoner kan jaarlijks een aanvraag indienen.
2De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij de gemeente Venray.
3De inwoner verstrekt bij de aanvraag de op het aanvraagformulier vermelde bewijsstukken.
4Uiterste indieningstermijn van de aanvraag is 31 december van het betreffende kalenderjaar.
Hoofdstuk 6. Studietoeslag
Artikel 6.1 Doel
1De studietoeslag is bedoeld voor studenten met een aantoonbare en structurele medische beperking die niet kunnen bijverdienen naast hun studie.
2Er is sprake van een aantoonbare medische beperking zoals bedoeld in lid 1 als het een fysieke en/of psychische beperking betreft die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door de inwoner naast de studie.
3Er is sprake van een structurele medische beperking zoals bedoeld in lid 1 als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat de inwoner wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen.
4De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021.
5De hoogte van de studietoeslag in de maand waarin de inwoner jarig is, is gelijk aan het bedrag dat hoort bij de leeftijd die de inwoner op de verjaardag heeft bereikt.
Artikel 6.2 Doelgroep
Er bestaat recht op studietoeslag als de inwoner voldoet aan alle volgende voorwaarden:
a.De inwoner studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het levenlanglerenkrediet van de WSF valt hier niet onder;
b.De inwoner een aantoonbare en structurele medische beperking heeft zoals bedoeld in artikel 6.1 en de inwoner als rechtstreeks gevolg hiervan structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven;
c.De inwoner heeft geen recht op een uitkering op grond van de Wajong.
Artikel 6.3 Aanvraag en toekenning
1De aanvraag voor de studietoeslag wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij de gemeente.
2De inwoner verstrekt bij de aanvraag de op het aanvraagformulier vermelde bewijsstukken.
3De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald vanaf de eerste dag van de maand waarop de aanvraag is toegekend, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de inwoner de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
4In afwijking van lid 3 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop de inwoner de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als:
a.de inwoner daarom verzoekt; en
b.de inwoner over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag.
5In afwijking van lid 4 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen:
a.voor 1 april 2022;
b.5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de inwoner de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
6De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald.
7De gemeente kan tijdens de looptijd controles uitvoeren of er nog recht bestaat op de studietoeslag. Dit in aanvulling op de inlichtingenplicht van de inwoner zelf.
Artikel 6.4 Medisch advies
1De gemeente is verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking;
2De gemeente vraagt het medisch advies aan bij een door de gemeente aan te wijzen medisch adviesorgaan;
3In afwijking van lid 1 kan de gemeente alleen een medisch advies achterwege laten als aan minimaal één van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
a.direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking;
b.vaststaat dat de inwoner geen studiefinanciering op grond van de WSF of tegemoetkoming op grond van de WTOS wordt ontvangen;
c.de inwoner recht heeft op een Wajong uitkering;
d.de inwoner werkt naast de studie, niet zijnde een stage.
4Wanneer het medisch advies en/of de medische situatie daartoe aanleiding geeft, bepaalt de gemeente dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of de inwoner nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
Hoofdstuk 7. Geldzorgen en schulddienstverlening
Artikel 7.1 Doel en doelgroep schulddienstverlening
1Schulddienstverlening heeft tot doel de inwoner te ondersteunen bij het bereiken of behouden van financiële zelfredzaamheid.
2Alle inwoners van de gemeente Venray van 18 jaar en ouder met financiële zorgen of schulden kunnen zich tot de gemeente wenden voor schulddienstverlening, hieronder ook begrepen de zelfstandig ondernemers.
3Er zijn bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 3, lid 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), waarin de gemeente na overleg met de woongemeente kan besluiten om schulddienstverlening te bieden aan een persoon die geen inwoner is. Deze omstandigheden zijn onder andere:
a.verhuizing;
b.detentie; of
c.andere bijzondere omstandigheden.
De persoon wordt dan gelijkgesteld met een inwoner.
Artikel 7.2 Aanvraag en toekenning
1Een gesprek met Schulddienstverlening kan worden aangevraagd via www.venray.nl/hulp-bij-financien of door te bellen met de gemeente.
2Er is sprake van een aanvraag schulddienstverlening als de inwoner tijdens een afspraak met een schuldhulpverlener vraagt om hulp bij het voorkomen of oplossen van geldproblemen, waaronder problematische schulden.
3De gemeente verleent aan de inwoner een schulddienstverleningstraject indien de gemeente dit noodzakelijk acht. De inwoner wordt hierover schriftelijk geïnformeerd middels een besluit en een plan van aanpak op hoofdlijnen.
4Het plan van aanpak wordt uitgevoerd door de inwoner samen met de gemeentelijke afdeling Schulddienstverlening of een door de gemeente gecontracteerde organisatie voor schulddienstverlening aan zelfstandig ondernemers.
Artikel 7.3 Plan van aanpak en aanbod schulddienstverlening
1Als de gemeente toegang tot schulddienstverlening geeft, maakt het na overleg met de inwoner een plan van aanpak als onderdeel van de toegangsbeschikking.
2Het plan van aanpak bevat in ieder geval:
a.het doel van de schulddienstverlening;
b.het aanbod voor de schulddienstverlening dat bestaat uit het oplossen van de schulden en de begeleidingsproducten;
c.de verplichtingen waar de inwoner zich aan moet houden (inlichtingen- en medewerkingsplicht);
d.een overzicht van de momenten die voor de schulddienstverlening belangrijk zijn;
e.de nazorg die wordt geboden;
f.de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 4a, lid 5 van de Wgs; en
g.de afloscapaciteit, op basis van het vrij te laten bedrag.
3Het plan van aanpak wordt regelmatig geëvalueerd en waar nodig aangepast.
4Het aanbod van schulddienstverlening bestaat uit een aantal onderdelen die genoemd staan onder artikel 7.4.
5Bij het bepalen van het aanbod voor de schulddienstverlening houdt de gemeente in ieder geval rekening met:
a.of er sprake is van een crisissituatie;
b.de zwaarte en/of omvang van de schulden van de inwoner;
c.de financiële situatie van de inwoner;
d.het niveau van de financiële zelfredzaamheid (vaardigheden, kennis en competenties);
e.de oorzaak van de schulden;
f.de (psycho)sociale omstandigheden;
g.houding en gedrag van de inwoner;
h.Recidive (eerder gebruik hebben gemaakt van schulddienstverlening, minnelijke schuldsanering natuurlijke personen (Msnp) of wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).
6Voor wat betreft de zwaarte en/of omvang van de schulden maken we onderscheid tussen problematische of niet-problematische schulden. Er is sprake van een problematische schuld als een inwoner redelijkerwijs niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of wanneer hij heeft opgehouden te betalen. Hiervan is sprake als:
a.Het totale bedrag van rekeningen waarvan de betalingstermijn is verstreken niet binnen 3 jaar volledig kan worden ingelopen door het inzetten van de maandelijkse afloscapaciteit en/of;
b.Gebleken is dat er geen (reëel) uitzicht bestaat om de aanwezige schuldenlast volledig af te kunnen lossen als gevolg van een wijziging in de financiële omstandigheden die ten tijde van het aangaan van de financiële verplichtingen (bijv. een lening) redelijkerwijs niet was te voorzien.
Artikel 7.4 Traject schulddienstverlening
1Een traject schulddienstverlening kan bestaan uit één of meerdere van de onderstaande onderdelen:
a.Het geven van informatie en advies over het zelfstandig bereiken of behouden van financiële zelfredzaamheid en/of het zelfstandig oplossen van niet-problematische schulden;
b.Het ondersteunen bij het stabiel blijven of krijgen van de inkomsten van inkomsten en uitgaven en/of het bereiken van financiële zelfredzaamheid aan de hand van onder andere budgetbeheer en budgetcoaching;
c.Het ondersteunen bij het oplossen van niet problematische schulden: het treffen van betalingsregelingen of het regelen van herfinanciering of het overnemen van schulden en/of het afwenden van een (crisis)situatie die een bedreiging vormt ten aanzien van het op kunnen lossen van de betalingsachterstanden;
d.Het ondersteunen bij het oplossen van problematische schulden: er wordt gestreefd naar het oplossen van de problematische schulden met een saneringskrediet. Indien omstandigheden hier aanleiding voor geven is het inzetten van een schuldbemiddeling of het overnemen van schulden en/of het afgeven van een Wsnp-verklaring en/of het afwenden van een (crisis)situatie die een bedreiging vormt ten aanzien van het op kunnen lossen van de schuldenlast ook mogelijk.
2Nazorg wordt standaard ingezet na afloop van een traject schulddienstverlening en is gericht op het voorkomen van nieuwe schulden. Binnen 6 maanden na beëindiging van de dienstverlening wordt het initiatief genomen tot één of meer contactmomenten met de inwoner waarin wordt bekeken of er sprake is van een situatie waarin de inkomsten en uitgaven in evenwicht zijn.
3Bij de uitvoering van het plan van aanpak en het volgen van een traject worden de onderdelen opgevolgd zoals door de NVVK beschreven in modules. Indien die producten of trajecten niet toereikend blijken, kan gekeken worden naar de inzet van andere vormen van dienstverlening als dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is.
Artikel 7.5 Algemene verplichtingen
1Naast de algemene verplichtingen zoals bedoeld in artikel 6 en 7 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geldt vanaf het moment dat de inwoner zich voor schulddienstverlening heeft gewend tot de gemeente dat de inwoner zich verplicht om maximale, aantoonbare inspanningen te verrichten om zijn inkomsten te vergroten ten behoeve van de schuldeisers. De gemeente houdt bij de beoordeling van de naleving van de inlichtingenplicht in ieder geval rekening met de tijdige aanlevering van noodzakelijke bewijsstukken voor de schulddienstverlening en de melding van wijzigingen in de financiële situatie.
2De gemeente verstaat onder de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de schulddienstverlening in ieder geval:
a.het nakomen van gemaakte afspraken en verplichtingen;
b.het afzien van het aangaan van nieuwe schulden die het aflossen van de bestaande schulden moeilijker maken;
c.het bewust meewerken aan de begeleiding;
d.het zorgen voor zoveel mogelijk afloscapaciteit en die ook gebruiken om schulden af te lossen;
e.het volledig benutten van de arbeidscapaciteit om inkomsten te verwerven, het aanvaarden van passende arbeid of het proberen te verkrijgen van passende arbeid in de mate die redelijkerwijs van de inwoner gevraagd kan worden.
f.het beschikken over een basisbankrekening, indien dit noodzakelijk wordt geacht.
Artikel 7.6 Bijzondere verplichtingen
1Naast de algemene verplichtingen vermeld in artikel 7.5 zijn, in ieder geval, de volgende bijzondere verplichtingen van toepassing bij betalingsregeling, zoals bedoeld in artikel 7.4 lid 1 sub c, en saneringskrediet en schuldbemiddeling, zoals bedoeld in artikel 7.4 lid 1 sub d van deze beleidsregel:
a.inwoner verplicht zich mee te werken aan een door de gemeente aan te wijzen budgetbeheerder als dit naar het oordeel van de gemeente nodig is voor de schulddienstverlening in het kader van de Wgs of het actief deelnemen aan budgetcoaching of ander aanbod gericht op duurzame schuldenvrijheid;
a.de schuldbemiddeling wordt gedaan op basis van gelijkberechtiging van schuldeisers;
b.vorderingen waaraan zekerheden zijn verbonden worden als concurrente vorderingen erkend ná uitwinning van de zekerheid;
c.betaling aan schuldeisers geschiedt naar evenredigheid van hun vordering, met dien verstande, dat de schuldeisers met een wettelijke preferentie een twee keer zo hoog percentage als de concurrente schuldeisers ontvangen tot maximaal het beloop van hun vordering;
d.schuldbemiddeling wordt aangemeld bij de stichting Bureau Krediet Registratie te Tiel;
e.uitkeringen uit gemeentelijke en particuliere fondsen aan of ten behoeve van de schuldenaar in het kader van de schuldbemiddeling komen alle schuldeisers ten goede op basis van gelijkberechtiging;
f.de aflossingsverplichtingen worden correct en stipt nagekomen door de inwoner.
2De gemeente kan daarnaast overige, op individuele basis vast te stellen, voorwaarden en verplichtingen opleggen.
3Deze verplichtingen worden opgenomen in het besluit tot schuldbemiddeling of schuldenregeling en in het plan van aanpak.
Artikel 7.7 Beëindiging schulddienstverlening
1In navolgende situaties wordt de schulddienstverlening met onmiddellijke ingang beëindigd:
a.bij misbruik en oneigenlijk gebruik;
b.bij schending van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 6 Wgs en deze schending geen financiële benadeling van de uitkering of inkomensvoorziening van de gemeente tot gevolg heeft maar wel financiële benadeling voor de schuldeisers;
c.bij het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht zoals bedoeld in artikel 7 Wgs en artikel 7.5 van deze beleidsregel, nadat de inwoner in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen binnen een redelijke termijn;
d.als de inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en/of instanties die zijn belast met de uitvoering van de schulddienstverlening;
e.als de inwoner niet langer inwoner is van de gemeente Venray en er nog geen minnelijke schuldbemiddeling tot stand is gekomen.
2Onverminderd overige bepalingen in deze beleidsregel wordt de schulddienstverlening beëindigd als:
a.de schulden volledig zijn gekweten dan wel finale kwijting is verleend door de schuldeisers;
b.de inwoner in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;
c.niet wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het plan van aanpak en/of de daaronder liggende contracten;
d.schuldeisers geen medewerking verlenen aan het minnelijk voorstel, dan staat alleen nog de mogelijkheid open voor een WSNP- traject. De gemeente maakt een afweging om een verzoek tot dwangakkoord bij de rechtbank in te dienen en informeert de inwoner hier schriftelijk over. Als de inwoner niet binnen 3 maanden na bekendmaking van het voornemen van genoemd verzoek, gebruik maakt van het recht om een WSNP aan te vragen, eindigt de gemeentelijke schulddienstverlening;
e.de inwoner hier schriftelijk om verzoekt;
f.de inwoner is overleden.
3Bij toepassing van dit artikel wordt de mate van verwijtbaarheid beoordeeld op basis van de individuele omstandigheden, alvorens over te gaan tot beëindiging van de schulddienstverlening. In situaties waarin minderjarige inwonende kinderen deel uitmaken van het gezin dat een beroep doet op schulddienstverlening, wordt onderzocht in hoeverre de beëindiging gevolgen heeft voor de minderjarige kinderen.
Artikel 7.8 Recidive
Ten aanzien van recidive en de gevolgen die daaraan vanuit oogpunt van schulddienstverlening zijn verbonden, wordt in de volgende situaties geen schulddienstverlening aangeboden:
1Binnen 2 jaar nadat tijdens de eerder aangeboden schulddienstverlening werd gestopt voorafgaande aan de start van het minnelijk traject. Uitzondering hierop is de situatie dat de inwoner eerder heeft voldaan aan de voorwaarden die ten tijde van de eerdere begeleiding zijn opgelegd en daarbij uitdrukkelijk is aangegeven dat het voldoen aan deze voorwaarden leidt tot het verkorten van de wachttijd van 2 jaar;
2Binnen 3 jaar na afsluiting van de eerdere begeleiding nadat de eerder aangeboden schulddienstverlening werd gestopt tijdens het minnelijke traject (na instemming door de schuldeisers) of na afloop van het minnelijk traject;
3Binnen 3 jaar na beëindiging van eerder geboden schulddienstverlening nadat deze werd gestopt als gevolg van fraude.
Hoofdstuk 9. Van oud naar nieuw
Artikel 9.1 Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel, indien strikte toepassing daarvan leidt tot gevolgen voor een inwoner die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 9.2 Overgangsrecht
De draagkrachtregels zoals beschreven in de in te trekken Beleidsregels Lage inkomens en geldzorgen gemeente Venray blijven van toepassing voor de draagkrachtperiodes die zijn vastgesteld voor publicatie van de Beleidsregels Lage inkomens en geldzorgen 2026 gemeente Venray.
Artikel 9.3 Ingangsdatum en naam
1Deze beleidsregels worden genoemd: Beleidsregels Lage inkomens en geldzorgen 2026 gemeente Venray.
2Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de ‘Beleidsregels Lage inkomens en geldzorgen gemeente Venray'