Hoofdstuk 1: Algemeen
Waarom deze verordening?
1.1.1 Wij vinden het belangrijk dat:
•Mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;
•Mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;
•Mensen hun financiën op orde hebben;
•Mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;
•Mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen; en
•Kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.
1.1.2 Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen.
De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
•Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ;
•De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);
•De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
•De Jeugdwet;
•De Gemeentewet.
Deze wetten vormen de grondslag voor deze verordening. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Daarvoor stelt de gemeente dan nadere regels vast.
Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene aanvullings-bevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet) die het mogelijk maakt om aanvullende regels over bepaalde onderwerpen te maken.
Bij een aantal artikelen wordt ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemd. Deze wet bevat bepalingen over onder andere de aanvraag, beslistermijnen, bezwaar en klachten.
Hoofdstuk 2: De toegang
2.1 Melding bij de gemeente
2.1.1 De eerste melding
Inwoners die een hulpvraag hebben op het terrein van de onder 1.1 genoemde wetten, kunnen een melding doen bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen bij het loket WegWijs. De melding zal worden doorgeleid naar het Wijkteam. Deze melding is nog niet meteen een aanvraag. Op basis van een eerste uitvraag wordt de problematiek geïnventariseerd en wordt bepaald of een integrale intake nodig is. Mogelijk wordt de inwoner verwezen wanneer de vraag bij een andere instantie hoort.
In het contact bij de eerste melding wordt bij de Quick Scan ook informatie gegeven over onafhankelijke cliëntondersteuning.
Als een melding betrekking heeft op een (mogelijke) aanvraag voor een periodieke uitkering (voor levensonderhoud) op grond van de Participatiewet of IOAW-uitkering dan wordt de inwoner verwezen naar het internetportaal op www.werk.nl. Voor een IOAZ-uitkering en financiële hulp voor zelfstandigen wordt de inwoner verwezen naar www.155.nl. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.
2.1.2 Integrale intake
Als de melding wordt doorgeleid voor een intake dan wordt een gesprek gepland. Dit kan een telefonisch of een persoonlijk gesprek zijn. Het persoonlijk gesprek kan bij de inwoner thuis zijn (huisbezoek), als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag. De inwoner kan al zijn vragen stellen in één gesprek aan één medewerker. De verdere dienstverlening is gebaseerd op het principe één gezin, één plan, één regisseur.
Van het gesprek maakt de gemeente samen met de inwoner een verslag. Het resultaat van het gesprek is een verwijzing, het opmaken van een aanvraag of een combinatie hiervan.
2.1.3 Gegevens
De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het intakegesprek en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.
2.1.4 Advisering
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.
De procedures van de melding en de aanvraag worden in interne protocollen en instructies vastgelegd.
2.1.5 Verval van recht [Jeugdwet, Wmo]
Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen 3 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.
2.2 Verwijzing door derden en spoed
2.2.1 Verwijzing [Jeugdwet, Awb]
1De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, een medisch specialist, een jeugdarts, een gecertificeerde instelling, een medisch specialist, een kinder- of jeugd(straf)rechter, de raad voor de kinderbescherming, de Officier van Justitie of de Zorgverzekeraar de jeugdige verwijst naar jeugdhulp.
2Als de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger na een verwijzing kiest voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract heeft met de gemeente, en de gemeente vergelijkbare jeugdhulp in natura kan laten leveren door een aanbieder waarmee zij een contract heeft gesloten, dan zal de gemeente de kosten van de hulp in natura van de niet-gecontracteerde aanbieder niet vergoeden.
3De gemeente maakt over verwijzingen afspraken met de partijen genoemd in het eerste lid.
2.2.2 Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs]
1In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Het kan dan gaan om de volgende hulp:
a.Het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;
b.Het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;
c.Het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; of
d.Het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend; of
e.Schuldhulpverlening.
2Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.
Hoofdstuk 3: Werk en Participatie
3.1 Algemene bepalingen
3.1.1 Begrippen [PW, IOAW, IOAZ]
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
•De doelgroep: personen die worden genoemd in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.
•Interne werkbegeleiding: De werknemer krijgt dagelijks werkbegeleiding van een collega op de werkvloer, omdat hij anders zijn taken niet kan uitvoeren. Deze begeleiding gaat verder dan wat normaal gesproken gebruikelijk is voor werknemers op hun werkplek
•Jobcoaching: Een erkende deskundige biedt methodische hulp aan mensen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers. Deze hulp is gericht op het vinden en behouden van werk.
•Overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de Participatiewet;
•Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Participatiewet;
•Praktijkroute: Het proces om iemand uit te doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te geven door loonwaardevaststelling op de werkplek.
•Voorziening: Een voorziening die door het college als noodzakelijk wordt gezien. Een voorziening is gericht op hulpmiddelen om aan het werk te gaan. Dit omvat ook persoonlijke hulp bij taken die men moet uitvoeren.
•Werkgever: Degene die, op basis van een arbeidsovereenkomst, de bevoegdheid heeft om een werknemer voor een afgesproken periode in zijn organisatie te laten werken.
•Werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst werk uitvoert bij de werkgever. Dit omvat ook een persoon zoals bedoelt in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet, waarbij de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan of van plan is dit te doen.
•Wet: Participatiewet.
3.1.2 Maatwerk [PW, IOAW, IOAZ]
1Doel van de hulp van de gemeente is dat de inwoner voor een langere periode betaald of onbetaald werk vindt dat bij hem past of dat de inwoner werk kan behouden.
2De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de persoonlijke situatie en de kansen op de arbeidsmarkt. De gemeente houdt ook rekening met de persoonlijke motivatie van de inwoner, zorgtaken, behaalde opleidingen, arbeidsverleden, geloofsovertuiging en vaardigheden.
3In een trajectplan legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt en wat belangrijk is voor die hulp. Ook wordt vastgelegd welke afspraken met de inwoner worden gemaakt over de hulp en over eigen acties van de inwoner om dichterbij werk te komen.
4De gemeente kan hulp aanbieden in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Voorzieningen kunnen worden gegeven aan inwoners uit de doelgroep, maar ook aan werkgevers die deze inwoners aan werk helpen. De gemeente kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen.
5De gemeente beoordeelt welke voorziening voor de inwoner het beste kan worden ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget.
3.1.3 Samenwerking [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente werkt samen met UWV, gemeenten in de regio en andere organisaties om inwoners te helpen betaald of onbetaald werk te vinden.
2De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers die inwoners uit de doelgroep werk willen aanbieden, worden ondersteund.
3.2 Bepalingen over voorzieningen
3.2.1 Algemene bepalingen over participatievoorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een voorziening weigeren als:
a.De inwoner die gebruikt maakt van de voorziening niet behoort tot de doelgroep;
b.De inwoner onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
c.De inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
d.De voorziening naar het oordeel van de gemeente onvoldoende bijdraagt aan arbeidsinschakeling; of
e.Er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
2De gemeente kan een voorziening uit dit hoofdstuk beëindigen als:
a.De inwoner die gebruik maakt van een voorziening zich niet houdt aan de gemaakte afspraken die in het trajectplan zijn opgenomen of die in de wet staan.
b.De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer tot de doelgroep van de gemeente hoort.
c.De inwoner die gebruik maakt van een voorziening algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Uitgezonderd zijn voorzieningen die in de wet of deze verordening ook mogelijk zijn na het aanvaarden van werk.
d.Als de gemeente vindt dat de voorziening onvoldoende oplevert om snel aan het werk te gaan.
e.Als de gemeente vindt dat de voorziening niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening.
f.De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening of de wet worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
3De gemeente biedt de goedkoopst passende voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die binnen het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.
4De gemeente kan op basis van een uitvoeringsbesluit één of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor één of meerdere voorzieningen. De gemeente moet dan wel nagaan welke alternatieve voorzieningen er beschikbaar zijn.
3.2.2 De wettelijke voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan de volgende wettelijke voorzieningen gericht op re-integratie en participatie inzetten:
1Ondersteuning bij leer-werktrajecten, zoals bedoeld in artikel 10f van de Participatiewet;
2Participatievoorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet;
3Loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet;
4Begeleiding op de werkplek zoals bedoeld in artikel 10 da van de Participatiewet.
3.2.3 De regionaal geregelde voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan de volgende regionaal geregelde voorzieningen inzetten uit het Functioneel Ontwerp Werkgeversdienstverlening van de regio Noordoost-Brabant:
1Werkervaring;
2Proefplaatsing;
3Detacheren en uitzenden.
3.2.4 De lokaal geregelde voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan de volgende lokaal geregelde voorzieningen inzetten:
1Scholing;
2Persoonlijke ondersteuning;
3Solliciteren;
4Nazorg;
5Parttime ondernemerschap;
6Aanbodversterking;
7Sociale activering;
8Onkostenvergoeding;
9Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang;
10Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding.
3.2.5 Overige algemene bepalingen over voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente stelt nadere regels vast over de inzet en kaders van de genoemde voorzieningen als de wet niet bepaalt dat dit per verordening moet.
2Voorzieningen die gericht zijn op het verkrijgen van werk worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid volgens de gemeente niet mogelijk is.
3.3 Specifieke bepalingen over de aanspraak op voorzieningen
3.3.1 Participatievoorziening beschut werk [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.
2De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt.
3Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden.
4De gemeente biedt voor beschut werk de volgende voorzieningen aan:
a.Aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
b.Uitsplitsing van taken;
c.Aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.
5De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen:
a.Hulp bij het invullen van de dag;
b.Sociale activering en/of vrijwilligerswerk;
c.Scholing;
d.Schuldhulpverlening.
6De inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, heeft voorrang op inwoners voor wie later is vastgesteld dat zij in aanmerking kunnen komen voor een beschutte werkplek. Zolang er nog geen geschikte werkplek voor de inwoner beschikbaar is, kunnen andere inwoners voorgaan.
3.3.2 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente stelt vast of een inwoner behoort tot de doelgroep voor loonkostensubsidie.
2Hierbij neemt de gemeente de volgende criteria in acht:
a.een inwoner moet behoren tot de gemeentelijke doelgroep van artikel 7 van de Participatiewet; en
b.de inwoner is niet in staat om met een volledige baan het wettelijk minimumloon te verdienen; en;
c.de inwoner heeft mogelijkheden om aan het werk te gaan; en;
d.de inwoner voldoet aan de criteria in het landelijke besluit loonkostensubsidie Participatiewet.
3.3.3 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente verstrekt volgens artikel 10d van de Participatiewet, automatisch of op verzoek, loonkostensubsidie aan werkgevers die van plan zijn een werknemer aan te nemen die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Als er een verzoek wordt ingediend, zijn de bepalingen van het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.
2Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een inwoner betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.
3De gemeente stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet.
4De gemeente hanteert bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie.
3.3.4. Vaststelling van de loonwaarde [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente stelt de loonwaarde vast volgens de methodiek die is vastgesteld door het regionale werkbedrijf van de arbeidsmarktregio Noordoost-Brabant.
3.3.5 Werkstage (Werkervaring) [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage (werkervaringsplaats) aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.
2Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving.
3Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
4De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet.
5De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt afgesproken welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, begin-en einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt.
3.3.6 Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner als proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Een proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden verlengd met 3 maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner.
2Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen beoordelen of de inwoner geschikt is voor het werk.
3Voor een proefplaats wordt alleen toestemming gegeven als:
a.De inwoner, gelet op vaardigheden en capaciteiten, de werkzaamheden kan uitvoeren.
b.De gemeente verwacht dat de plaatsing de kans op arbeidsinschakeling vergroot.
c.De werkgever bij het begin van de proefplaatsing schriftelijk aangeeft de inwoner na de proefplaatsing een betaalde baan te willen aanbieden voor minimaal zes maanden.
d.Door de plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
e.De werkzaamheden van de inwoner niet eerder onbetaald door hem bij de werkgever (of zijn rechtsvoorganger) zijn verricht; en
4De gemeente geeft geen toestemming voor een proefplaatsing als zij aan kan nemen dat de inwoner ook zonder proefplaatsing aangenomen kan worden voor dat werk.
5Als de werkzaamheden op de proefplaats door ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode niet meegenomen in de maximale periode van de proefplaats, bedoeld in het eerste lid.
3.3.7 Detacheringsbaan [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep begeleiden naar een dienstverband met een werkgever die de inwoner detacheert bij een inlener.
2De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en de inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.
3De inlenende organisatie betaalt een detacheringsvergoeding waarbij rekening wordt gehouden met de vastgestelde loonwaarde van de werknemer.
4In de regel biedt de werkgever de werknemer een dienstverband van 38 uur per week aan.
5Minder dan 38 uur per week is mogelijk als de gemeente dit nodig vindt vanwege in de persoon gelegen factoren.
3.3.8 Scholing [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk voor een langere periode te maken.
2De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de talenten en mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.
3Scholing is een onderdeel van een re-integratietraject.
4Kosten van scholing:
a.worden ten laste gebracht van het Participatiebudget;
b.kunnen niet ten laste van het Participatiebudget komen als de inwoner voor de kosten van de scholing een beroep kan doen op een andere voorziening.
5Bij toekenning van scholing kunnen de volgende kosten ten laste van het Participatiebudget worden vergoed:
a.opleidingskosten en cursusbijdragen;
b.kosten voor boeken en leermiddelen die door het opleidingsinstituut verplicht zijn gesteld;
c.examengeld.
3.3.9 Ondersteuning bij leer-werktrajct [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan een jongere die een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten, hulp aanbieden die nodig is voor het volgen van een leer-werktraject. Het moet gaan om jongeren:
a.Van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of
b.Van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
3.3.10 MijnWerkDichtbij [PW, IOAW, IOAZ]
1MijnWerkDichtbij is een werkmethode die toegepast wordt bij alle inwoners die een beroep doen op een uitkering op grond van de Participatiewet (bijstand, Ioaw en Ioaz) en bij inwoners die als niet-uitkeringsgerechtigde ondersteuning vragen aan de gemeente.
2Door toepassing van MijnWerkDichtbij wordt de inwoner direct aan werk geholpen op een werklocatie, wat ook een reguliere werkgever kan zijn. Op basis van de observaties en bevindingen in de diagnosefase wordt een voorstel gemaakt voor een passend vervolgtraject waarin de inwoner met ondersteuning van de voorzieningen in dit hoofdstuk naar (regulier) werk, een leertraject of een zorgtraject wordt geleid.
3.3.11 Solliciteren [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente organiseert jaarlijks verschillende activiteiten om een inwoner aan een baan te helpen, zoals begeleiding bij solliciteren, een banenmarkt of speeddates met werkgevers.
3.3.12 Nazorg [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen.
3.3.13 Parttime ondernemerschap [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente biedt de inwoner die een uitkering ontvangt de mogelijkheid om op kleine schaal als zelfstandig ondernemer te werken als de inwoner niet voldoet aan het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz).
2De gemeente stelt nadere regels vast over het werken als zelfstandige op kleine schaal dat niet voldoet aan het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz).
3.3.14 Aanbodversterking [PW, IOAW, IOAZ]
Onder aanbodversterking worden re-integratieactiviteiten of re-integratievoorzieningen verstaan die nodig zijn om de inwoner de stap naar werk te laten zetten. Het kunnen diverse voorzieningen zijn.
3.3.15 Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep sociale activering aanbieden als aannemelijk is dat de inwoner in de toekomst betaald werk zal kunnen verrichten.
2De gemeente stemt de sociale activering af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner.
3.3.16 Onkostenvergoeding [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kent een vergoeding voor onkosten toe aan:
a.De inwoner met een uitkering van de gemeente, die onkosten heeft vanwege de inzet van een voorziening in dit hoofdstuk. De vergoeding is gelijk aan de aantoonbare kosten.
b.De inwoner zonder uitkering van de gemeente, die onkosten heeft vanwege de inzet van een voorziening in dit hoofdstuk, en die een inkomen heeft dat hoger is dan de bijstandsnorm. De vergoeding is gelijk aan de aantoonbare kosten. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met de nadere regels over draagkracht voor bijzondere bijstand.
2De gemeente kent een vergoeding voor verwervingskosten toe aan de inwoner, die na een voorziening gericht op het krijgen van werk, algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard en aantoonbare verwervingskosten heeft.
3De vergoeding van verwervingskosten is mogelijk gedurende maximaal 6 maanden, gerekend vanaf de datum van werkaanvaarding.
4Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor verwervingskosten wordt rekening gehouden met de nadere regels over draagkracht voor bijzondere bijstand.
5Vergoeding van onkosten en verwervingskosten is niet mogelijk als de kosten op grond van een andere regeling worden vergoed.
3.3.17 Tegemoetkoming kinderopvang [PW-IOAW-IOAZ]
1Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang als:
a.de inwoner zoals afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of
b.de inwoner op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en
c.opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.
2Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, kunnen worden vergoed door de gemeente.
3.3.18 Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding (OAD) [PW, IOAW, IOAZ, Wmo]
1OAD is maatschappelijke participatie door het bieden van een ingevulde dag met arbeidstaken. Hiervoor worden:
a.structuur en ritme aangereikt;
b.sociale vaardigheden bevorderd;
c.arbeidsvaardigheden ontwikkeld in een arbeidsomgeving met collega’s.
2Doel is om te zien of er op den duur loonwaarde kan ontstaan die voldoende is om toch in aanmerking te komen voor betaald werk met loonkostensubsidie.
3.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
3.4.1. Persoonlijke ondersteuning [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in opdracht van de gemeente.
2De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor:
a.Jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of
b.Interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider.
3De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij het verrichten van werk, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
3.4.2. Voorwaarde toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen vertrekken ten behoeve van een inwoner met een arbeidsbeperking.
2Bij het toekennen van de persoonlijke ondersteuning gelden, naast de bepalingen in artikel 2, de volgende voorwaarden:
a.De inwoner hoort bij de doelgroep en is 18 jaar of ouder, tenzij hij VSO/PRO- onderwijs heeft gehad.
b.De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken.
c.De werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden.
d.Het gaat niet om een Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is.
e.Het gaat niet om een niet meeneembare voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of die algemeen gebruikelijk is in een organisatie.
f.Er is volgens de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd.
g.De kosten van de voorziening zijn volgens de gemeente proportioneel. Dat betekent dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk.
3.4.3. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
1Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij de gemeente worden ingediend door de inwoner of diens werkgever.
2De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
3De gemeente bepaalt na overleg met de inwoner, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
4De gemeente verkent, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de inwoner, de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot de best passende hulp met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de Participatiewet.
3.4.4. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente benoemd in een beschikking voor het toekennen van persoonlijke ondersteuning of andere voorzieningen in ieder geval:
a.Welke persoonlijke ondersteuning of voorziening wordt verstrekt.
b.Als subsidie wordt verstrakt geeft de gemeente aan wat de omvang is van het subsidiebedrag.
c.De duur en de intensiteit van de ondersteuning.
d.De ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening.
e.Als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, geeft de gemeente een reden voor de afwijzing; en
f.Als het van toepassing is geeft de gemeente aan welke andere ondersteuning of voorziening relevant is voor de inwoner. Dit doen zij op een manier waardoor de inwoner integraal kan worden ondersteund.
3.4.5. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk [PW, IOAW, IOAZ]
1De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. Dit geldt niet als voorafgaand of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak van ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.
2De gemeente neemt een besluit op basis van individueel maatwerk. Daarbij wordt de aard, grootte, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning gewogen.
3.4.6 Jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ]
1Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Protocol Jobcoach UWV.
2De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van een plan waarin de doelstelling, duur en intensiteit van de jobcoaching omschreven staan. Dit plan wordt door de gemeente aan de hand van het Protocol Jobcoach UWV beoordeeld.
3De gemeente kan wijzigingen aanbrengen in de in het tweede lid genoemde procedure.
3.4.7 Jobcoaching in natura [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan uit eigen beweging of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden.
2Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h van overeenkomstige toepassing.
3.4.8 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching geven aan de werkgever.
2Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, volgens artikelen 14c tot en met 14h worden verleend als:
a.De jobcoaching wordt geborgd door middel van een coachingsplan. De jobcoaching bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van een inwoner behorend tot de doelgroep. De begeleiding is gericht op uitvoeren van de arbeidstaken.
b.De omvang en de kwaliteit van de jobcoaching passend is;
c.De continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en
d.De inwoner voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3De gemeente kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat genoeg is voor de organisatie van de jobcoaching. De gemeente draagt zorg voor de kenbaarheid van de, voor het betreffende jaar, van toepassing zijnde tarieven.
4Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach onder andere:
a.Ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of
b.Integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en bij de overgang van werk naar onderwijs.
3.4.9 Interne werkbegeleiding [PW, IOAW, IOAZ]
Als een inwoner uit de doelgroep begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van werk, die verder gaat dan de gebruikelijke begeleiding die de werkgever biedt, kan de gemeente subsidie verstrekken aan de werkgever. Deze subsidie dekt de aangetoonde meerkosten die gepaard gaan met het organiseren van de interne werkbegeleiding.
3.5 Specifieke bepalingen overige voorzieningen
3.5.1 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
2De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.De inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en
b.Het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.
3De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.
4De gemeente brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
3.5.2 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor een inwoner om te kunnen werken.
2Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. Ieder product kan als meeneembare voorziening worden gezien als de noodzaak en meerwaarde voor het werken aantoonbaar is.
3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten om de voorziening in eigendom te verstrekken.
3.6 Tegenprestatie
3.6.1 Doel van de tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier vindt om de inwoner iets terug te laten doen voor de samenleving.
De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk pas een tegenprestatie op in bijzondere situaties.
2Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving om iets terug te doen voor de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.
3Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de interesses en capaciteiten van de inwoner.
3.6.2 Doelgroep [PW, IOAW, IOAZ]
1Deze regeling is bedoeld voor inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen.
2Uitgezonderd om een tegenprestatie naar vermogen te leveren zijn inwoners met een uitkering die:
a.Mantelzorg geven aan een hulpbehoevende;
b.Maatschappelijke activiteiten en/of vrijwilligerswerk verrichten;
c.Actief zijn in een traject naar werk, of geen ondersteuning krijgen richting werk omdat ze tot de doelgroep worden gerekend die in staat is om 80% tot 100% wettelijk minimumloon te verdienen;
d.Al betaald werk verrichten voor minimaal 20 uur per week.
3.6.3 Opdragen en inhoud van participatie naar vermogen [PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die aanvullend van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:
a.Niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
b.Niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;
c.Worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid;
d.Niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
2Bij het bepalen van de aard, de duur en de omvang van de maatschappelijke participatie houdt de gemeente rekening met de individuele omstandigheden van de inwoner.
3.6.4 Duur en omvang [PW, IOAW, IOAZ]
1De duur en omvang van de tegenprestatie wordt individueel bepaald. Hierin spelen de volgende factoren een rol:
a.De persoonlijke wensen en kwaliteiten van de inwoner;
b.De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de inwoner;
c.Het arbeidsvermogen van de inwoner.
2De omvang van de tegenprestatie is maximaal 26 weken van 10 uur, of 260 uur op jaarbasis.
3Zo lang de geldende maximale omvang en duur van de tegenprestatie nog niet is bereikt zal de gemeente de inwoner controleren en wijzen op deze plicht.
4Op vrijwillige basis en op eigen verzoek kan de inwoner een tegenprestatie leveren als de geldende maximale duur en omvang van de tegenprestatie is bereikt.
3.6.5 Zoektijd en begeleiding [PW, IOAW, IOAZ]
1De inwoner krijgt zelf de gelegenheid binnen 2 maanden nadat de verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is opgelegd, maatschappelijk nuttige werkzaamheden bij een organisatie te zoeken.
2Wanneer de inwoner niet binnen deze periode zelf een maatschappelijk nuttige activiteit heeft gevonden, kan door de gemeente een passende plek worden gezocht.
Hoofdstuk 5: Leven en wonen in een veilige en gezonde omgeving
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
5.2.1 Woonvoorzieningen [Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een woonvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning niet (meer) mogelijk is. De woonvoorziening stelt de inwoner in staat de woning te bereiken en zich in en om de woning te verplaatsen.
2Een woonvoorziening kan bestaan uit een verhuiskostenvergoeding. Dit is een vast geldbedrag om de inwoner tegemoet te komen in de kosten van verhuizing en inrichting.
a.De gemeente verstrekt niet altijd hulp in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp in de volgende situaties:
b.De inwoner woont niet het grootste deel van zijn tijd in de woning waar hij een voorziening voor vraagt.
c.De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt of de slechte staat van onderhoud van de woning.
d.De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een onzelfstandige woning.
e.De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte.
f.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.
g.Het gaat om een voorziening die in ieder geval gerenoveerd moet worden.
h.De inwoner is verhuisd vanuit:
i.een woonruimte die niet bestemd is om daar het hele jaar te wonen; of
ii.vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning.
i.De inwoner verhuist naar:
i.een Wlz-instelling of andere zorginstelling;
ii.een woning die niet geschikt is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daarvoor vooraf schriftelijke toestemming heeft verleend.
j.De inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond op grond van zijn beperkingen en er was geen belangrijke reden voor verhuizing.
3Vanaf een bedrag van € 15.000 bij woningaanpassingen zetten we in principe in op het stimuleren van verhuizing naar een geschikte woning, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om toch aan te passen. Het uitgangspunt van de gemeente blijft altijd maatwerk en de menselijke maat.
4Het college kan een bouwkundige woningaanpassing - of een Pgb om een voorziening met dit doel in te kopen – bij verkoop van de woning door cliënt terugvorderen, voor zover door de bouwkundige aanpassing sprake is van een meerwaarde. Het college gaat daarbij uit van de waarde van de woning voor en na de aanpassing. Voor het bepalen van de waarde voor de aanpassing kan het college zich baseren op de verkoopprijs van de woning en een taxatierapport. Voor het bepalen van de waarde na verkoop kan het college zich baseren op de verkoopprijs van de woning, aangevuld met een taxatierapport door een door het college in overleg met de cliënt gekozen taxateur. De kosten van de taxatie zijn voor rekening van het college.
5.2.2 Hulp bij het huishouden [Wmo]
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp bij het huishouden kan krijgen. Hiermee wil de gemeente bereiken dat de inwoner:
a.de woning schoon en leefbaar kan houden;
b.kan zorgen voor de eerste levensbehoeften;
c.kan beschikken over schone kleding;
d.thuis kan zorgen voor de kinderen uit het gezin.
5.2.3 Verplaatsen in en om de woning [Wmo]
De gemeente zorgt voor maatwerkvoorzieningen waarmee de inwoner met een beperking in staat wordt gesteld zich voldoende te verplaatsen in en om de woning, of de woning te kunnen bereiken.
5.2.4 Beschermd wonen [Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen in de vorm van beschermd wonen als de inwoner als een direct gevolg van psychiatrische, psychosociale of meervoudige sociale problematiek een reële noodzaak heeft om in een beschermde woonomgeving te verblijven.
2De inwoner komt niet in aanmerking voor beschermd wonen indien:
a.de inwoner zelfstandig kan wonen en permanent beschikbare bescherming of begeleiding niet noodzakelijk is;
b.de inwoner geen medisch vastgestelde diagnose kan overleggen waaruit de noodzaak tot beschermd wonen blijkt;
c.de inwoner wel een medisch vastgestelde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar nog dagelijks onder medische behandeling staat.
5.6 Mantelzorg
5.6.1 Ondersteuning mantelzorger [Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven in een situatie waarin steeds toezicht nodig is, ondersteuning kunnen krijgen zodat zij in staat zijn om de mantelzorg vol te houden.
2De ondersteuning kan inhouden dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen, zo nodig door een professional. We noemen dit respijtzorg.
5.6.2. Mantelzorgwaardering [Wmo]
1De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking die wonen in onze gemeente. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantel-zorgwaardering is om een blijk van waardering aan de mantelzorgers te geven.
2De mantelzorgwaardering kan bestaan uit een éénmalig geldbedrag per jaar, een attentie of een andere wijze van waardering, of een combinatie hiervan.
3De gemeente zorgt voor voldoende informatie en voorlichting over de mantelzorgwaardering.
5.6.3 Voorwaarden mantelzorgwaardering [Wmo]
Een mantelzorgwaardering kan worden toegekend aan de inwoner die mantelzorg geeft en die geen betaalde hulp biedt aan de inwoner.
Hoofdstuk 6: De vorm van hulp
6.2 Hulp in natura [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
6.3 Hulp in geld [Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet, Awb]
1De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald.
2De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen zes weken nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling
3De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon of een leverancier betalen.
4De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
5De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd, als bij de overboeking voldoende duidelijk wordt gemaakt waarom de betaling wordt gedaan.
6.4 Persoonsgebonden budget
6.4.1 Voorwaarden pgb [Jeugdwet, Wmo]
1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen.
2De inwoner stelt een pgb-plan op. In dit pgb-plan is opgenomen:
a.de motivatie waarom de beschikbare hulp in natura van de gemeente niet passend is;
b.de beoogde uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de hulp georganiseerd wordt;
c.op welke wijze de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd;
d.de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in het aantal eenheden en het tarief.
3De gemeente stelt nadere regels over het recht, de hoogte en voorwaarden voor het verkrijgen en het besteden van een pgb.
4De gemeente kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de regels in lid 3 niet worden nageleefd.
5De gemeente weigert een pgb in de volgende situaties:
a.de inwoner heeft geen volledig ingevuld pgb-plan overgelegd volgens het door de gemeente vastgestelde model;
b.de inwoner weigert het pgb-plan desgevraagd met de gemeente te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het pgb-plan te bespreken;
c.de inwoner, of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, en één van diens ouders of voogden, heeft surseance van betaling aangevraagd of is failliet verklaard;
d.voor de inwoner of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, voor één van diens ouders of voogden, is de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard, of is een verzoek daartoe bij de rechtbank ingediend;
e.de inwoner heeft zich niet gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;
f.naar het oordeel van de gemeente is onvoldoende aannemelijk dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;
g.het ernstige vermoeden bestaat dat de inwoner problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget;
h.de inwoner laat het beheren van het persoonsgebonden budget over aan de aanbieder die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze aanbieder;
i.de hulp wordt ingekocht bij een aanbieder, waarbij eerder fraude is geconstateerd of waarbij twijfels zijn over de integriteit van de aanbieder.
j.het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door de gemeente op basis van de eisen die zijn opgenomen in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG.
6.4.2 Pgb en hulp uit het sociale netwerk [Jeugd, Wmo]
1Alvorens de inwoner een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij een beroep doet op zijn eigen kracht, die van het gezin en het sociale netwerk.
2Onder het sociaal netwerk wordt de informele hulpverlener verstaan, hieronder vallen onder andere ouders, familie, vrienden en kennissen van de budgethouder.
3Geen pgb voor ondersteuning door het sociale netwerk mag worden ingezet, indien de persoon die de zorg wil verlenen hier naar verwachting niet in staat zal zijn.
4De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken via informele hulp voor zover er geen sprake is van daghulp of verblijf.
6.4.3 Hoogte en tarief persoonsgebonden budget Wmo [Wmo]
1Het pgb:
a.wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld pgb-plan inzake de besteding van het pgb;
b.wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en
c.bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura;
d.kan door de gemeente aangepast worden door een lager pgb-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van personen die behoren tot het sociale netwerk of zzp-ers.
2Het bedrag van het pgb voor hulp bij het huishouden bedraagt maximaal:
a.100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao. Hierbij vindt afstemming plaats op de tarieven van de Regeling dienstverlening aan huis;
b.87,50% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt;
c.87,50% van het van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk.
3Het bedrag van het pgb voor begeleiding bedraagt maximaal:
a.100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao;
b.85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt;
c.50% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk.
4Het pgb voor dagbesteding bedraagt maximaal:
a.100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao;
b.85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt;
c.50% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk.
5Het pgb budget voor kortdurend verblijf bedraagt maximaal:
a.100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao;
b.85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of een zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt;
c.30% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk.
6De tariefdifferentiatie, zoals omschreven in hoofdstuk 5 van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning ’s-Hertogenbosch 2022, is van toepassing.
7De hoogte van een pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt maximaal de huur of de aanschafprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door de gemeente aan de aanbieder zou zijn verschuldigd.
8De gemeente stelt op basis van de systematiek en tariefdifferentiatie genoemd in de leden 1 tot en met 7 nadere regels over het pgb en de tarieven vast.
6.4.4 Hoogte en tarief persoonsgebonden budget Jeugd [Jeugdwet]
1Het pgb:
a.wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld plan inzake de besteding van het pgb;
b.wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp, van derden te betrekken;
c.bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura;
d.kan door de gemeente aangepast worden door een lager pgb-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, en andere maatregelen van personen die behoren tot het sociaal netwerk of zzp-ers.
2Het pgb bedraagt:
a.de hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt maximaal 100% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende PGB-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
b.de hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
c.indien de budgethouder concreet en onderbouwd kan aantonen dat in zijn situatie het pgb-tarief niet toereikend is om passende ondersteuning in te kopen, kan in uitzonderlijke gevallen aanpassing plaatsvinden, passend bij de situatie.
3De tarieven zoals bedoeld in lid 1 en 2 zijn vastgesteld in de nadere regels jeugdhulp 2021.
4De gemeente kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een PGB wordt vastgesteld.
5Jaarlijks vindt indexering van de tarieven plaats conform de indexering van de tarieven voor zorg in natura.
6.4.5 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk [Jeugdwet, Wmo]
De in dit hoofdstuk genoemde pgb-tarieven voor hulp van een persoon uit het sociaal netwerk zijn niet lager dan het minimum uurloon inclusief vakantietoeslag, zoals bedoeld in de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
6.4.6 Kwaliteitseisen voor formele hulp met pgb [Jeugd, Wmo]
De kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. Zorgverleners die zorg verlenen die wordt betaald uit een pgb:
a.staan ingeschreven staan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
b.hebben adequaat opgeleid personeel in dienst;
c.kunnen een recente VOG overleggen van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers);
d.zijn verzekerd tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid;
e.staan ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd).
6.4.7 Verantwoording pgb [Jeugdwet, Wmo]
1Als een inwoner hulp op maat in de vorm van een pgb krijgt, dan komen alleen de kosten van hulp die daadwerkelijk is geleverd ten laste van het pgb.
2De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe, en voor welke kosten het pgb is besteed. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen.
6.5 Eigen bijdrage Wmo-voorzieningen
6.5.1 Kostprijs voorzieningen [Wmo]
1De kostprijs van een voorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de voorziening in natura betrekt van een aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten.
2De kostprijs van een pgb is gelijk aan het bedrag van het pgb.
3De gemeente stelt nadere regels over (het bepalen van) de kostprijs, waarbij de kostprijs in afwijking van het eerste en tweede lid op een lager bedrag kan worden vastgesteld.
6.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen [Wmo]
1De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorzieningen in natura, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt;
2De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorzieningen in de vorm van een pgb gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, tot maximaal de kostprijs van de voorziening;
3De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:
a.woningaanpassingen;
b.hulpmiddelen;
c.vervoersvoorzieningen;
d.hulp in de huishouding;
e.individuele begeleiding;
f.groepsbegeleiding;
g.kortdurend verblijf.
4De gemeente stelt nadere regels over de hoogte van de eigen bijdrage.
6.5.3 Geen eigen bijdrage bij minimum inkomen [Wmo]
Voor maatwerkvoorzieningen is de inwoner die een bijdrageplichtig inkomen heeft lager dan 130% van het sociaal minimum geen eigen bijdrage verschuldigd.
Hoofdstuk 7: Inkomen en schulden
Individuele inkomenstoeslag [PW]
7.3.1 Begrippen [PW]
Bij de individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet wordt verstaan onder:
a.inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;
b.peildatum: datum waarop een persoon zich bij de gemeente meldt voor een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag en aan de voorwaarden voldoet;
c.referteperiode: ononderbroken periode van 36 maanden voor de peildatum.
7.3.2 Indienen verzoek [PW]
Een verzoek voor een individuele inkomenstoeslag wordt ingediend via een aanvraagformulier met de bewijsstukken die nodig zijn.
7.3.3 Doelgroep [PW]
1De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die in de referteperiode een gemiddeld inkomen heeft gehad dat niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnormen in dezelfde periode.
2Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan deze inwoner in het jaar dat vooraf gaat aan de peildatum een maatregel is opgelegd omdat hij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of re-integratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en/of de deze verordening.
3Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt.
7.3.4 Hoogte van de toeslag [PW]
1De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar:
a.€ 517,- voor een alleenstaande;
b.€ 664,- voor een alleenstaande ouder;
c.€ 739,- voor gehuwden of samenwonenden.
2Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
3Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.
4Deze bedragen worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek van de laatste maand oktober en naar boven afgerond op hele euro’s.
7.4 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten, het Welzijnsfonds [Gemeentewet]
7.4.1 Begrippen
1Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 en 33 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;
2De peilmaand: de maand januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
3De peildatum: de eerste dag van de maand januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
7.4.2 Doelgroep en activiteiten [Gemeentewet]
1Om voor een bijdrage in aanmerking te komen moet de inwoner:
a.op de dag van aanvraag ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente, en
b.in de peilmaand een inkomen hebben dat gelijk is aan of minder dan 130% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de Participatiewet, en
c.op de peildatum een bedrag aan vermogen hebben dat ligt beneden de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
2Inwoner komt tevens in aanmerking als er voldaan wordt aan het gestelde in het eerste lid onder a. en één van de hieronder genoemde voorwaarden. Hierop is de peildatum en peilmaand niet van toepassing;
a.Inwoner heeft een toelatingsbeschikking schulddienstverlening;
b.Inwoner beschikt niet over het Vrij Te Laten Bedrag zoals berekend volgens de Recofa-methode, of als gevolg van:
i.loonbeslag;
ii.verrekening huur- en zorgtoeslag;
iii.maximale afloscapaciteit die wordt ingezet ten behoeve van schuldeisers;
iv.specifieke omstandigheden door schulddienstverlener omschreven;
3De bijdrage is bedoeld voor:
a.sportieve, culturele, politieke, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten, die beogen het sociaal isolement te voorkomen of te doorbreken;
b.abonnementen op kranten, tijdschriften, telefoon, internet en hiermee vergelijkbare uitgaven.
7.4.3 Bijdrage [Gemeentewet]
1De bijdrage bedraagt maximaal € 243,- per kalenderjaar per gezinslid dat 18 jaar of ouder is.
2De bijdrage voor een gezinslid dat op de peildatum 3 jaar of ouder is en jonger dan 18 jaar, bedraagt maximaal € 343,-.
3Voor kinderen die op de peildatum jonger zijn dan 3 jaar wordt geen bijdrage verstrekt.
7.4.4 Aanpassing bedragen [Gemeentewet]
1De maximale bijdrage per gezinslid bedoeld in artikel 7.5.3, eerste lid, wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek van de laatste maand oktober en naar boven afgerond op hele euro’s.
2De maximale bijdrage voor een gezinslid bedoeld in artikel 7.5.3, tweede lid, is steeds € 100,- hoger dan de bijdrage bedoeld in artikel 7.5.3, eerste lid.
7.4.5 Aanvraag en toekenning [Gemeentewet]
1De aanvraag om een bijdrage moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, of op een andere door de gemeente vastgestelde wijze.
2De bijdrage dient te worden aangevraagd uiterlijk 10 januari volgend op het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
7.4.6 Uitbetaling [Gemeentewet]
1De gemeente betaalt de bijdrage nadat de aanvraag is toegekend.
2De bijdrage voor volwassenen (18 jaar en ouder) wordt betaald in maart van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan.
3De bijdrage voor kinderen (tot en met 17 jaar) wordt betaald in juli van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan.
4Als de aanvraag wordt gedaan na de betaalmomenten genoemd in lid 2 en 3 dan volgt de betaling zo snel mogelijk.
7.4.7 Terugvordering [Gemeentewet]
1Indien de inwoner onjuiste inlichtingen heeft verstrekt op basis waarvan aan hem ten onrechte de bijdrage is toegekend of indien inwoner desgevraagd de bewijsstukken niet overlegt waaruit blijkt dat hij de kosten waarvoor de bijdrage werd verstrekt, daadwerkelijk heeft gemaakt, of wanneer een onverschuldigde betaling aan hem is gedaan, vordert de gemeente de kosten van de bijdrage geheel of gedeeltelijk terug.
2Bij de beoordeling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, als bedoeld in het eerste lid, houdt de gemeente rekening met de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de inwoner.
3Alvorens tot terugvordering over te gaan, wordt de inwoner in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
4Het horen van inwoner kan achterwege worden gelaten indien:
a.de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b.de inwoner al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
c.er sprake is van zeer ernstige gedragingen als bedoeld in artikel 8.2.9 van deze verordening.
5Terugvordering van de kosten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vindt eerst plaats nadat de gemeente de eerder toegekende bijdrage bij een zelfstandig besluit heeft ingetrokken.
6De gemeente vordert bij zelfstandig besluit vervolgens de bijdrage terug op grond van het bepaalde in artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek.
7.4.8 Uitvoering [Gemeentewet]
De gemeente kan ten behoeve van de uitvoering en controle nadere regels vaststellen.
7.5 Schuldhulpverlening [Wgs]
De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. De gemeente kan daarnaast een inwoner een aanbod doen voor een gesprek nadat vanuit schuldeisers signalen zijn ontvangen. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
7.5.1 Samenwerking en toegang
1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.
2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden.
3De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is.
4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.
7.5.2 Schuldhulpverlening
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt.
2In het plan, dat elke vier jaar door de raad wordt vastgesteld, wordt beschreven op welke wijze de gemeente de inwoner helpt bij het oplossen van schulden.
7.5.3 Belsistermijn Schuldhulpverlening
De beschikking met de toelating tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 8: Afspraken tussen inwoner en gemeente
8.1 Hoe gaan we met elkaar om?
8.1.1 De rol van de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis.
c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen.
e.Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.
f.De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
g.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.
h.De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
i.De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.
2De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet getolereerd kan worden. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
i.zijn rechten en plichten;
ii.wat er van hem wordt verwacht;
iii.welk gedrag niet wordt geaccepteerd;
iv.wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet wordt geaccepteerd; en
v.waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren.
c.De reactie van de gemeente op onacceptabel gedrag past bij:
i.de ernst van het gedrag;
ii.de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
iii.de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening, als deze gestopt is, zal voortzetten.
8.1.2 De rol van de inwoner [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen. Dit noemen we eigen kracht.
b.Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.
c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
b.De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.
c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
8.2 Afspraken en verplichtingen
8.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
2Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:
a.de ernst van het gedrag;
b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en
c.de persoonlijke situatie van de inwoner.
3Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen:
a.telefonisch;
b.schriftelijk;
c.via e-mail.
4Het vragen om een mening van de inwoner hoeft niet als zich een situatie voordoet zoals beschreven in artikel 4:11 Awb.
8.2.2 Verjaring [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering niet als het gedrag van de inwoner meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden of als het gedrag hem niet te verwijten is.
8.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente verlaagt de uitkering met ingang van de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald of met een herzienings- of terugvorderingsbesluit.
2De verlaging wordt voor een bepaalde tijd opgelegd.
3In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging bij nieuwe uitkeringen opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering.
4Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen 6 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
8.2.4 Berekening verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.
2Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.
8.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen [PW, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering één maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
8.2.6 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering één maand met 50% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;
b.het niet voldoende meewerken aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet;
c.het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
d.van de alleenstaande ouder, waarvan de ontheffing als bedoeld in artikel 9a, derde lid van de Participatiewet is ingetrokken: als de alleenstaande ouder uit houding en gedrag laat blijken geen gebruik te maken van een voorziening die de kans op werk vergroot.
2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering één maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner onvoldoende probeert werk te vinden.
3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening;
b.het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
c.het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
d.van de alleenstaande ouder, waarvan de ontheffing als bedoeld in artikel 9a, derde lid van de Participatiewet is ingetrokken: als de alleenstaande ouder uit houding en gedrag laat blijken geen gebruik te maken van een voorziening die de kans op werk vergroot.
4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende proberen werk te vinden;
b.het niet aannemen van aangeboden werk;
c.het niet behouden van werk.
5Als de gemeente de IOAW- of IOAZ-uitkering tijdelijk of blijvend kan weigeren omdat de inwoner verwijtbaar werkloos is, dan wordt de uitkering niet met toepassing van het vierde lid verlaagd, maar tijdelijk of blijvend geweigerd. Het bedrag van de weigering is even hoog als het inkomen dat de inwoner zou hebben kunnen ontvangen als hij niet verwijtbaar werkloos was geworden of gebleven.
8.2.7 Stoppen verlaging [PW, Awb, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de verplichtingen nakomt.
2De inwoner moet de gemeente zelf vragen om de verlaging te stoppen. Hij moet de vraag indienen binnen 14 dagen nadat het besluit om de uitkering te verlagen is genomen.
3De gemeente neemt uiterlijk op de datum waarop de opgelegde verlaging eindigt een nieuw besluit op de vraag van de inwoner om de verlaging te stoppen.
8.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid [PW, Awb]
1Als er sprake is van onverantwoord snel besteden van het vermogen wordt een verlaging van 20% van de toepasselijke bijstandsnorm opgelegd voor de periode dat eerder of langer uitkering is verstrekt dan redelijkerwijs nodig zou zijn geweest, met een maximum van 24 maanden.
2In overige gevallen wordt een verlaging wegens te weinig besef van verantwoordelijkheid voor zijn eigen levensonderhoud als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet afgestemd op het nadeel, uitgedrukt in een bedrag, voor de gemeente.
3De verlaging op basis van het tweede lid wordt vastgesteld op:
a.20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een nadeel voor de gemeente tot € 2000,-;
b.50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een nadeel voor de gemeente vanaf € 2000,- tot € 4000,-;
c.100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een nadeel voor de gemeente vanaf € 4000,-.
4De verlaging wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand als er sprake is van door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid in de periode voorafgaand aan de bijstand.
5In combinatie met de verlaging van het vierde lid is het mogelijk om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken op grond van artikel 48, tweede lid onder b van de Participatiewet.
8.2.9 Zeer ernstig misdragen [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.
8.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen [PW, Awb]
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt.
2De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om:
a.verplichtingen die gericht zijn op werk;
b.verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;
3De verlaging is 50% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand.
4De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand.
8.2.11 Samenloop van gedragingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort.
2Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, dan wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd.
3Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, of een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, dan wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
4Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, of een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, dan wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij de omstandigheden van de inwoner naar het oordeel van de gemeente aanleiding zijn om de verlagingen op te leggen in achtereenvolgende maanden.
8.2.12 Herhaling (recidive) [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0,-. Een verlaging op grond van artikel 8.2.5 kan maximaal 3 maanden worden toegepast.
8.2.13 Uitkeringsgerechtigden boven de pensioengerechtigde leeftijd met een uitkering via de SVB
Als een inwoner een uitkering op grond van Participatiewet ontvangt van de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) dan zijn de vorige artikelen niet van toepassing, maar is het maatregelenbeleid van de SVB van toepassing.
8.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening
8.4.1 Beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet]
1De gemeente kan een besluit om een voorziening toe te kennen, herzien of intrekken als:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
b.de voorziening niet langer passend of nodig is;
c.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
d.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
f.het om een pgb gaat en het pgb niet binnen zes maanden na uitbetaling is gebruikt om een voorziening te betalen waarvoor het pgb is toegekend.
2De gemeente kan een besluit om Wmo-hulp toe te kennen intrekken als de inwoner langer dan 13 weken verblijft in een Wlz-instelling of een instelling in het kader van de Zorgverzekeringswet.
8.4.2 Terugvordering voorziening [Wmo, Burgerlijk Wetboek, Gemeentewet]
1Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan kan de gemeente de geldwaarde van de voorziening die ten onrechte is verstrekt, vorderen van de inwoner.
2Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft ingetrokken, dan kan deze voorziening van de inwoner worden teruggevorderd als het om een product gaat dat in eigendom of in bruikleen is verstrekt.
3Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft ingetrokken, kan het ten onrechte betaalde pgb teruggevorderd worden.
8.4.3 Opschorten pgb [Jeugdwet, Wmo]
De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij het ontvangen van het pgb; of
c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
8.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
8.5.1 Uitgangspunten [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
Om de doelen van de wetten te bereiken, is het belangrijk, dat inwoners hun verplichtingen nakomen en dat de gemeente inwoners daarbij helpt. De gemeente doet dat door:
a.professionele dienstverlening en een passende administratieve organisatie;
b.begrijpelijke informatie aan de inwoner te geven over rechten en plichten;
c.procedures zo in te richten, dat de kans op fraude wordt beperkt;
d.inwoners met een bijstandsuitkering op een passende manier te begeleiden op weg naar betaald of onbetaald werk;
e.samen te werken met andere organisaties, zoals UWV, maatschappelijke organisaties en andere gemeenten;
f.inwoners die hun verplichtingen niet nakomen op een passende manier te sanctioneren.
8.5.2 Controle [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:
a.Huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;
b.Heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek of camera-observaties;
c.Bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
d.Signalen en tips van organisaties of particulieren;
e.Andere passende onderzoeksmethoden.
2De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
3Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
4Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
8.5.3 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
8.5.4 Uitvoeringsplan en beleidsverslag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente legt in een uitvoeringsplan vast hoe de gemeente fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
2In het uitvoeringsplan staat in ieder geval:
a.wat de gemeente doet om fraude te voorkomen;
b.wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);
c.welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en
d.hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.
3De gemeente stelt na afloop van de periode waarvoor het uitvoeringsplan is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.
8.5.5 Privacy [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van:
a.Huisbezoeken.
b.Buurtonderzoeken.
De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar.
2Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
8.5.6 Gegevensverwerking [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente verwerkt alleen de persoonsgegevens die nodig zijn voor het bieden van ondersteuning of het inzetten van voorzieningen als bedoeld in deze verordening.
8.5.7 Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
Hoofdstuk 9. Kwaliteit en aanbesteding
9.1 Kwaliteit [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]
1Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de maatwerkvoorziening:
a.is afgestemd op de persoonlijke situatie van de inwoner;
b.is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg;
c.wordt geleverd door beroepskrachten die voldoen aan de professionele standaard;
d.wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren;
e.veilig, doeltreffend, doelmatig en klantgericht wordt gerealiseerd;
f.beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit noodzakelijk of gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiend uit de professionele standaard;
g.voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en dat de aanbieder dit ook controleerbaar maakt voor de gemeente.
2De gemeente kan nadere regels vaststellen over welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
3De gemeente controleert of deze kwaliteitseisen door leveranciers worden nageleefd.