Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Olst-Wijhe, vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders d.d 19 maart 2024
Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.,
besluit:
de Beleidsregels sociaal domein Olst-Wijhe Januari 2024
met terugwerkende kracht vast te stellen per 1 januari 2024.
hoofdstuk
1.1 Inleiding
1.1.1 Waarom deze regels
Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
•Participatiewet (PW);
•Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);
•Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
•Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ)
•Wet Uitvoeren breed offensief;
•Wet inburgering 2021;
•Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);
•Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)
•Jeugdwet
•Wet kinderopvang
•Algemene wet bestuursrecht (Awb)
•Gemeentewet
•Verordening sociaal domein gemeente Olst-Wijhe
De gemeente maakte regels om te kunnen beoordelen welke hulp ze kan geven. Het zijn regels op hoofdlijnen. Per situatie onderzoekt de gemeente wat de beste oplossing is voor het probleem van de inwoner. Belangrijk is dat de oplossing past bij de doelen van de gemeente. Soms levert het volgen van de regels geen goed resultaat op. De regels lossen het probleem van de inwoner niet op terwijl dat wel hard nodig is. De gemeente kan dan van de regels afwijken en bijstand geven als de persoonlijke situatie belangrijk genoeg is en er geen andere oplossing voor het probleem is.
Deze beleidsregels zijn een aanvulling op deze wetten en de Verordening sociaal domein Olst-Wijhe januari 2024. Alleen waar dit nodig is zijn bijzondere bepalingen opgenomen in deze beleidsregels.
1.1.2 Leeswijzer
Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar “hij” staat kan ook “zij of die “gelezen worden.
Alleen waar dit nodig is zijn bijzondere bepalingen opgenomen in deze beleidsregels. In de bijlage financieel besluit worden de geldende bedragen genoemd. Deze kunnen jaarlijks door de gemeente worden aangepast.
Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de wetten die bij 1.1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze beleidsregels. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd. Soms is een paragraaf of hoofdstuk helemaal gebaseerd op één of meer wetten. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of dat hoofdstuk. Soms wordt in deze beleidsregels ‘Gemeentewet’ als grondslag genoemd. Dan wordt de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen staan die op dat artikel van toepassing zijn.
De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 11.
Dit hoofdstuk gaat over alle in paragraaf 1.1.1 genoemde wetten.
2 De hulpvraag
2.1 Waar kunnen inwoners terecht voor hulp?
2.1.1 Voorkomen is beter dan genezen
Het is beter om financiële problemen te voorkomen, dan ze op te lossen. Om problemen te voorkomen, is het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen goed weten welke hulp de gemeente kan geven. Dit kan financiële steun zijn, maar ook andere vormen van hulp. Zo kan de inwoner bijvoorbeeld hulp vragen bij Financiën de baas. Het doel van Financiën de baas is om inwoners van Olst-Wijhe te helpen bij hun thuisadministratie en daarmee hun zelfredzaamheid op te vergroten.
Als een inwoner al schulden heeft die hij moeilijk kan aflossen, kan hij schulddienstverlening krijgen. Deze wordt uitgevoerd door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Naast budgetadvies (hoe omgaan met geld) en budgetbeheer kan het BAD ook kijken naar de mogelijkheid van een schuldregeling. Het BAD maakt dan afspraken met schuldeisers over gehele of gedeeltelijke afbetaling van de schulden.
Deze maatregelen zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat inwoners zelf hun huishoudboekje op orde kunnen houden.
(PW, IOAW, IOAZ)
3 Werk en participatie
3.2 Doelgroep
3.2.1 Nuggers (niet-uitkeringsgerechtigden)
Een nugger is iemand die niet werkt of minder dan 12 uur per week werkt en die minimaal 12 uur per week zou willen werken. Dit is de definitie die het UWV gebruikt voor het meten van werkloosheid. De Participatiewet geeft gemeente de opdracht Nuggers te ondersteunen. Veelal gaat het om huishoudens waarbij één partner werkt. Concreet kunnen we denken aan herintredende vrouwen, ZZP’ers die gestopt zijn, afgestudeerden die werkloos thuis zitten en gezinsmigranten.
Mensen die om welke redenen dan ook een beroep op ondersteuning doen, hebben allereerst een eigen verantwoordelijkheid om terug te keren op de arbeidsmarkt of om de arbeidsmarkt voor het eerste te betreden. Dit geldt met name voor inwoners die een zodanig verdienvermogen hebben dat ze zelfstandig mee kunnen doen op de arbeidsmarkt. Deze groep wordt niet actief benadert. De hulp wordt beperkt tot een groep die een (gezamenlijk) netto-inkomen heeft dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Bovendien moet de nugger minimaal 24 uur per week beschikbaar zijn voor werk en gaat het om inwoners die kans hebben op betaald werk. Het accent van de ondersteuning ligt op matching op vacatures en hulp bij solliciteren.
3.2.2 Jongeren van 18 tot 27 jaar
In dit artikel maken we een uitzondering voor kwetsbare jongeren van 18 tot 27 jaar. Schoolverlaters van het Voortgezet Speciaal onderwijs (VSO) en het Praktijkonderwijs (Pro) werden tot 1 januari 2015 al op 18-jarige leeftijd toegelaten tot de Wajong. Vanaf 1 januari 2015 doet deze groep een beroep op de Participatiewet. Deze jongeren hebben niet altijd recht op een uitkering. Om onze sluitende aanpak voor deze kwetsbare groep jongeren te borgen kan deze groep wel gebruik maken van al onze voorzieningen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de loonwaardemeting, loonkostensubsidie, persoonlijke ondersteuning etc. Per situatie beoordeelt de gemeente welke hulp nodig is,
3.2.3 Diagnose en trajectplan
De persoonlijke situatie van de inwoner bepaalt welke voorzieningen zinvol zijn richting werk. Het is daarom nodig om een goed beeld te krijgen van de positie op de arbeidsmarkt, zijn sterke punten en belemmeringen die van belang zijn voor werk. Hiervoor gebruiken we de zogenoemde ABC-meting van L&d support.
Als een inwoner recht heeft op een uitkering, wordt samen met de inwoner een trajectplan opgesteld. In het plan worden concrete doelen en activiteiten opgenomen, gericht op werk of maatschappelijke activiteiten. In het trajectplan wordt ook de ondersteuning vanuit de gemeente concreet gemaakt.
3.4 Voorzieningen instrumenten
3.4.1 Voorziening werkervaring
1Een voorziening werkaanvaarding is een vorm van werken met behoud van uitkering. Het is in de eerste plaats bedoelt om op een werkplek werkervaring op te doen of te leren functioneren in een werkomgeving. Denk aan omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Aangesloten wordt bij de behoefte van de inwoner
2Hier vallen alle soorten werkervaringsplekken onder zoals een werk-leertraject, een werkfit traject, maar ook een (taal) stage.
3De voorziening werkervaring is bedoeld voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het gaat daarbij in de eerste plaats om inwoners die nooit of lang geleden hebben gewerkt, maar ook om inwoners voor wie een voorziening werkervaring om andere reden zinvol is, bijvoorbeeld om werknemersvaardigheden aan te leren. De invulling van dit traject is op basis van maatwerk, wat is er nodig om de arbeidskansen te vergroten.
4Een voorziening werkervaring duurt in principe maximaal zes maanden. Dit kan worden verlengd met nog eens zes maanden als daardoor de arbeidskansen worden vergroot. De noodzaak wordt in gezamenlijk overleg vastgesteld.
3.4.2 Participatieplaats
1Voor inwoners met een bijstandsuitkering voor wie de kans op inschakeling op de arbeidsmarkt gering is en die als gevolg daarvan nog niet bemiddelbaar zijn kan een participatieplaats worden ingezet. Het gaat hierbij om onbeloonde additionele werkzaamheden. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken is het doel van de inzet van een participatieplaats.
2De gemeente kan een inwoner van 27 jaar of ouder met recht op een bijstandsuitkering volgens artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.
3Na zes maanden werken op een participatieplaats moet aan de inwoner zonder startkwalificatie scholing of een opleiding worden aangeboden, tenzij dit niet bijdraagt aan hun kansen op de arbeidsmarkt. Hierbij wordt rekening gehouden met
a.Het oordeel van degene in wiens opdracht de inwoner de additionele werkzaamheden uitvoert
b.De scholingswens van de inwoner.
4Na negen maanden vindt beoordeling plaats of de participatieplaats en de additionele werkzaamheden de kans op inschakeling in het arbeidsproces vergroot. Als dit niet het geval is, worden na 12 maanden de werkzaamheden beëindigt.
5De termijn van twee jaar kan met twee keer één jaar worden verlengd als daarmee de arbeidskansen worden vergroot. Het heeft grote voorkeur de voortzetting van de participatieplaats na twee jaar te laten verrichten in een andere omgeving.
6Na iedere periode van zes maanden werken op een participatieplaats wordt een premie toegekend. De hoogte van de premie is opgenomen in het financieel besluit.
3.4.3 Wettelijke loonkostensubsidie
1Loonkostensubsidie is een maandelijkse tegemoetkoming in de loonkosten. De werkgever ontvangt de wettelijke loonkostensubsidie voor een werknemer die minder productief is door een arbeidsbeperking. Hoe lager de productiviteit, hoe hoger de loonkostensubsidie. De werknemer ontvangt het normale cao-loon of het wettelijk minimumloon als er geen cao is.
2Loonkostensubsidie is bedoeld voor een werkgever die iemand in dienst neemt die wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen vanwege een arbeidsbeperking.
3Het moet gaan om iemand uit één van de volgende groepen:
a.inwoners met een gemeentelijke uitkering;
b.inwoners die door de gemeente geholpen moeten worden om werk te vinden, zoals inwoners met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet of mensen die geen uitkering ontvangen, de zogenaamde nuggers;
c.jongeren die vanuit het praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of de MBO- entree-opleiding aan het werk gaan of die in een BBL-traject zitten (ook voor 16- en 17-jarigen);
d.inwoners, die een beschutte werkplek hebben, behalve inwoners met een Wajong-uitkering.
4De loonkostensubsidie moet worden aangevraagd voordat het dienstverband wordt aangegaan, behalve als het gaat om:
a.een jongere die praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of een MBO-entree-opleiding heeft gevolgd. Het dienstverband met die jongere moet binnen zes maanden na beëindiging van de opleiding zijn aangegaan.
b.mensen die door de gemeente aan passend werk zijn geholpen, maar die kort na de start in een dienstbetrekking alsnog verminderd productief blijken te zijn. Hiervoor moet de aanvraag binnen zes maanden na de start van het dienstverband worden ingediend. In dit geval is geen forfaitaire loonkostensubsidie mogelijk.
5De loonkostensubsidie kan zowel door de werknemer als de werkgever worden aangevraagd.
6De gemeente stelt vast of het gaat om iemand die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat de inwoner op de werkplek zou kunnen verdienen op basis van de cao van de werkgever, afgezet tegen de mogelijkheden van de inwoner om het werk te kunnen doen. De loonwaardemeting wordt gedaan volgens de uniforme landelijke methode. De loonwaarde wordt gemeten als percentage van het wettelijk minimumloon.
7De loonwaarde wordt vastgesteld door de een loonwaarde-expert. Het proces van de loonwaardebepaling bestaat uit de volgende stappen:
a.Eerst stelt de loonwaarde-expert samen met de werkgever de normfunctie, functieloon en hoofdtaken vast.
b.Daarna brengt de loonwaarde-expert een werkplekbezoek aan de werkgever. Hij spreekt de werkgever en werknemer en beoordeelt de prestatie van de werknemer ter plekke.
c.De loonwaarde-expert bespreekt zijn bevindingen met de werkgever.
d.Dan stelt de loonwaarde-expert een rapportage op en berekent de loonwaarde en de loonkostensubsidie.
e.Ten slotte legt gemeente in een beschikking vast of er loonkostensubsidie wordt verstrekt en zo ja, hoe hoog die dan is. De werkgever en de werknemer ontvangen de beschikking.
8De berekening van de loonkostensubsidie gaat volgens de volgende rekenformule:
a.bepalen loonwaarde;
b.loonwaarde = percentage van het wettelijk minimum (jeugd)loon (inclusief 8% vakantietoeslag);
c.wettelijk minimumloon (inclusief 8% vakantietoeslag) minus loonwaarde = hoogte loonkostensubsidie (exclusief vergoeding werkgeverslasten);
d.vergoeding werkgeverslasten = 23,5% van loonkostensubsidie (per 1 januari 2024);
e.stap c en d optellen = de loonkostensubsidie.
9De loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. De werkgever ontvangt daarnaast een vergoeding voor de werkgeverslasten zoals opgenomen in het financieel besluit. (2024: 23,5% van de loonsom waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt). Het eventuele verschil tussen minimumloon en cao-loon komt voor rekening van de werkgever.
10Het kan ook zijn dat de werknemer wordt gedetacheerd (uitgeleend). De werkgever bij wie de werknemer gaat werken, betaalt dan een inleenvergoeding aan de werkgever die de werknemer detacheert (de formele werkgever). Bij het bepalen van de hoogte van de inleenvergoeding kan rekening worden gehouden met de hoogte van de loonkostensubsidie.
11De loonkostensubsidie loopt door tot het einde van het dienstverband of tot het moment waarop de arbeidsproductiviteit zo is toegenomen dat er geen loonkostensubsidie meer nodig is. Er kan tussentijds onderzoek worden gedaan naar de arbeidsproductiviteit en de loonwaarde.
12Als een werknemer ziek wordt tijdens het dienstverband, dan wordt de loonkostensubsidie doorbetaald zo lang de werknemer ziek is, maar maximaal twee jaar.
13Bij verhuizing naar een andere gemeente binnen Nederland vindt directe overdracht van de loonkostensubsidie naar de (nieuwe) woongemeente plaats.
14Als werknemer verhuist naar een andere lidstaat van de EU, EER of Zwitserland wordt de loonkostensubsidie gecontinueerd.
3.4.4 Vaste (forfaitaire) loonkostensubsidie
1Naast de loonkostensubsidie op basis van een loonwaardemeting op de werkplek, bestaat wettelijk de mogelijkheid om voor de eerste zes maanden dat iemand bij een werkgever in dienst komt een vaste loonkostensubsidie te verlenen. Hierbij wordt in eerste instantie geen loonwaarde gemeten, maar bedraagt de subsidie standaard 50% van het wettelijk minimumloon. Deze vaste loonkostensubsidie is beschikbaar als werkgevers daarom vragen en een arbeidsovereenkomst van tenminste zes maanden, geen o-urencontract, aanbieden en de intentie hebben de inwoner aansluitend een contractverlenging aan te bieden Na afloop van de vaste loonkostensubsidie, beoordeelt de gemeente of de loonkostensubsidie kan worden voortgezet op basis van een loonwaardemeting.
2Aan de vaste loonkostensubsidie zijn enkele nadelen verbonden voor werknemer en werkgever:
a.de werknemer wordt niet opgenomen in het doelgroepregister voor de banenafspraak;
b.de werkgever kan niet in aanmerking komen voor de no-riskpolis als de werknemer ziek wordt;
c.de werkgever kan niet in aanmerking komen voor de vrijwaringsregeling in het kader van de WGA-regeling.
3De voordelen die onder b en c staan genoemd, zijn pas beschikbaar als de werknemer wordt opgenomen in het doelgroepregister banenafspraak.
3.4.5 Beschut werk
1Beschut werk is werken in een normaal dienstverband, maar onder aangepaste omstandigheden. Beschut werk vraagt altijd om aanpassing van de werkplek of intensieve begeleiding in een veilige (beschutte) werkomgeving. De gemeente is verantwoordelijk voor het aanbieden van beschut werk.
2Het gaat om inwoners die door hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een hoge mate van (structurele) begeleiding of aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat niet van een werkgever mag worden verwacht dat hij deze inwoners in dienst neemt, ook niet met extra voorzieningen van gemeente of UWV.
3Er wordt ook gekeken hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft).
4Zodra de taakstelling bereikt is wordt de inwoner op de wachtlijst geplaatst.
5Het UWV moet een positief advies geven. De inwoner of de gemeente kunnen een advies aanvragen. UWV beoordeelt of de persoon kan werken en of er sprake is van:
a.één of meer technische of organisatorische aanpassingen die niet voor rekening van de werkgever kunnen worden gebracht omdat ze te kostbaar zijn;
b.permanent toezicht of intensieve begeleiding die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kan worden aangeboden.
6Als aan deze voorwaarden is voldaan, adviseert het UWV positief. De gemeente neemt dit advies in principe over en gaat dan op zoek naar een geschikte beschutte werkplek. Samen met de inwoner wordt bepaald welke voorziening het meest passend is.
7Met de inwoner en de werkgever worden eventueel fysieke aanpassingen, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur bepaald.
8De inwoner die voor beschut werken in aanmerking komt, krijgt een dienstverband aangeboden van minimaal 12 uur per week.
9De beloning bedraagt 100% van het wettelijk minimumloon bij een volledige werkweek. Bij een dienstverband van minder dan een volledig werkweek wordt de beloning naar rato vastgesteld.
10De gemeente/KonnecteD verzorgt het dienstverband.
11De gemeente kan voor de ondersteuning op de beschutte werkplek het volgende aanbieden:
a.loonkostenkostensubsidie;
b.forfaitaire loonkostensubsidie te weten 70% van het wettelijk minimumloon voor de duur van maximaal zes maanden.
c.extra begeleiding op de werkplek (jobcoaching);
d.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
12uitsplitsing van taken
a.aanpassingen in het werktempo, de werktijden of de werkbegeleiding
b.een vergoeding voor begeleidingskosten zoals opgenomen in het financieel besluit.
13Als de gemeente het nodig en zinvol vindt, kunnen ook andere voorzieningen worden ingezet, zoals schuldhulpverlening of persoonlijke ondersteuning.
14De werkgever die een beschutte werkplek aanbiedt heeft recht op de zogenaamde no-riskpolis van UWV bij ziekte van de werknemer en kan gebruikmaken van fiscale maatregelen, waaronder het Lage inkomensvoordeel.
15Beschut werk wordt in principe gedurende de eerste twee jaar van het dienstverband aangeboden in de vorm van een tijdelijk dienstverband.
16Na het einde van de hierboven genoemde periode wordt beschut werk aangeboden in de vorm van een dienstverband voor onbepaalde duur, tenzij uit tussentijds onderzoek is gebleken dat iemand niet langer tot de doelgroep beschut werk behoort. Zo lang als het positieve advies van UWV geldig is en het dienstverband duurt tot aan de AOW-leeftijd. In de meeste situaties zal het om een langdurige periode gaan. Maar het is mogelijk dat omstandigheden veranderen, waardoor een nieuw advies van UWV nodig is. Zowel de werknemer als de gemeente kunnen een advies aanvragen bij UWV.
17Als het aantal te realiseren beschutte werkplekken al is gerealiseerd wordt de inwoner met een indicatie op een wachtlijst geplaatst.
18Deze inwoner krijgt voorrang op inwoners met een indicatie van latere datum, tenzij het beschikbare beschut werk niet aansluit bij de arbeidsmogelijkheden van deze inwoner. In dat geval wordt het beschut werk aangeboden aan de eerstvolgende persoon bij wie het beschut werk wel aansluit op diens arbeidsmogelijkheden.
19Elke situatie is anders, dus de gemeente houdt rekening met de individuele situatie van de inwoner. Als het nodig en zinvol is, biedt de gemeente, tijdens de wachtperiode, één van de volgende voorzieningen aan:
a.ondersteuning bij het invullen van de dag, waaronder arbeidsmatige dagbesteding;
b.sociale activering (vrijwilligerswerk)
c.andere vormen van maatschappelijke participatie of werk
d.scholing.
3.4.6 Detacheringsbaan
1Een detacheringsbaan is betaald werk in loondienst via een organisatie die als tussenpersoon optreedt. De inwoner komt in dienst van de organisatie, die de inwoner detacheert (uitleent) op een werkplek bij een andere organisatie. Het doel is om de inwoner betaald werk aan te bieden om werkervaring op doen.
2Een detacheringsbaan kan worden aangeboden aan inwoners voor wie de gemeente de re-integratie moet verzorgen. Het gaat in de eerste plaats om inwoners met een bijstandsuitkering.
3Een detacheringsbaan past bij de inwoner en biedt uitzicht op doorstroming naar een “normaal” dienstverband
4De inwoner werkt onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers in dienst van de inlenende organisatie.
5Er moet in elk geval een schriftelijke overeenkomst te worden gesloten, waarin het volgende wordt vastgelegd:
a.Doel van de detacheringsbaan;
b.Duur van de detacheringsbaan;
c.Hoogte van de inleenvergoeding;
d.Afspraken over werktijden en verlof;
e.De werkzaamheden die uitgevoerd worden;
f.De wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven.
3.4.7 Scholing met behoud van uitkering
1Soms is scholing nodig om dichter bij de arbeidsmarkt te komen. Een inwoner jonger dan 27 jaar moet in principe gebruik maken van het reguliere onderwijs, zoals een MBO- of hbo-opleiding die door het Rijk wordt bekostigd.
2Het algemene uitgangspunt is dat ’werk’ boven uitkering gaat. Wanneer toestemming wordt gevraagd voor het volgen van een studie wordt beoordeeld of deze opleiding noodzakelijk is om de stap naar passend werk te maken voor een langere periode en de re-integratie niet in de weg staat.
3De motivatie van de inwoner voor de scholing en het belang van de scholing voor de arbeidskansen van de inwoner staan daarbij voorop. Het is mogelijk dat de gemeente dit zelf organiseert of inkoopt, het kan ook zijn dat daarvoor een vergoeding wordt verstrekt. De scholing kan een kortdurende training of cursus zijn maar ook een langer durende opleiding.
4Scholing is bedoeld voor inwoners die zonder scholing de afstand tot de arbeidsmarkt moeilijk kunnen overbruggen. Dit geldt in het bijzonder voor inwoners zonder startkwalificatie. Alleenstaande ouders die een ontheffing van de arbeidsplicht hebben gekregen, krijgen van de gemeente in principe altijd een aanbod voor scholing die de arbeidskansen laat stijgen. (zie ook artikel 3.3)
5Voor scholing met behoud van uitkering gelden de volgende voorwaarden:
a.De inwoner heeft actief naar werk gezocht, maar het is niet gelukt om werk te vinden;
b.De opleiding mag niet gevolgd (gaan) worden in plaats van een baan te accepteren;
c.De opleiding is een logisch vervolg op een opleiding die al eerder is gedaan;
d.Met de opleiding wordt de kans op het krijgen van betaald werk vergroot;
e.De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner
f.De scholing leidt tot duurzaam werk
g.Dit artikel geldt niet als ander organisaties ook passende scholing kunnen aanbieden.
h.Er bestaat geen recht op een studietoelage of studiefinanciering en er kan ook geen lening voor de studie worden afgesloten bij DUO.
6Voor het volgen van een opleiding moet er dus toestemming gevraagd worden aan de gemeente. Er is géén toestemming nodig voor:
a.een avondopleiding;
b.een schriftelijke opleiding, of;
c.een opleiding van de Open Universiteit.
De uitkering loopt bij deze opleidingen gewoon door. Maar als de inwoner een baan krijgt aangeboden, dan moet hij deze aannemen.
7De opleiding mag in beginsel maximaal twee jaar duren. Een uitzondering kan worden gemaakt als er in overleg met het UAF een studietraject is opgesteld. Het UAF ondersteunt studenten bij het afmaken van hun studie en het vinden van een baan. Hiervoor gelden strenge selectiecriteria.
8De kosten van les- en boekengeld moet de student zelf betalen. Mogelijk kan er op grond van het “Levenlanglerenkrediet” onder bepaalde voorwaarden een lening worden afgesloten bij DUO. In sommige gevallen betaalt het UAF de kosten van de studie. De gemeente kan het UAF een vergoeding geven voor de trajectkosten.
9De kosten bedragen maximaal het bedrag opgenomen in het financieel besluit.
3.4.8 Uitstroompremie
De inwoner die betaald werk gaat doen heeft recht op een uitstroompremie onder de voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening sociaal domein. De hoogte van de premie is opgenomen in het financieel besluit.
3.4.9 premie vrijwilligerswerk
De inwoner die vrijwilligerswerk gaat doen heeft recht op een premie onder de voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening sociaal domein. De hoogte van de premie is opgenomen in het financieel besluit.
3.4.10 Kinderopvang
De voorwaarden voor het krijgen van een kinderopvangtoeslag zijn vastgelegd in paragraaf 7.11.
3.4.11 Andere voorzieningen en vergoedingen
1Werk of een traject naar werk kan voor de inwoner extra kosten met zich meebrengen. De gemeente kan deze kosten vergoeden als dit nodig is om aan het werk te gaan of een traject naar werk te volgen.
2Voor inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen. Het kan gaan om bijvoorbeeld de aanschaf van een fiets, een ov-kaart, kilometervergoeding of de aanschaf van kleding.
3Het gaat om kosten die noodzakelijk zijn voor werk, een traject naar werk (zonder deze kosten geen werk) of een inburgeringstraject.
4De kosten kunnen niet op een andere manier worden vergoed (bijvoorbeeld via carpooling of een voorschot van de werkgever).
5Vergoed worden slechts de kosten die worden gemaakt voor de goedkoopste, passende oplossing.
6Voor reiskosten voor enkele reizen minder dan 10 kilometer wordt geen vergoeding verstrekt.
7Voor reiskosten in verband met een re-integratietraject binnen de gemeentegrenzen wordt geen vergoeding gegeven.
8Een reiskostenvergoeding wordt voor maximaal 12 maanden gegeven.
9De reiskosten in verband met een inburgeringstraject dat wordt gevolgd op een locatie binnen de driehoek Apeldoorn, Zwolle en Deventer worden maximaal 24 maanden vergoed. Deze reiskosten worden betaald uit de bijzondere bijstand.
10De reiskostenvergoeding wordt vastgesteld op de kosten van openbaar vervoer en als dat niet mogelijk is op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel. Het aantal kilometers wordt bepaald via de kortste route van herkomst naar bestemming De hoogte van de reiskostenvergoeding is vastgelegd in het financieel besluit.
11De eenmalige vergoeding voor kosten werkaanvaarding bedraagt maximaal het bedrag zoals opgenomen in het financieel besluit.
12De kosten worden met bewijsstukken aangetoond.
13De gemeente kan op eigen initiatief of op verzoek van de inwoner nagaan of een onkostenvergoeding verstrekt kan worden.
3.5 Wet inburgering 2021
3.5.1 Informatieverstrekking
1De gemeente zorgt ervoor voor dat de inburgeringsplichtigen op een behoorlijke wijze informatie ontvangen over:
a.hun rechten en plichten op grond van de inburgeringswetgeving;
b.de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP);
c.het Participatieveerklaringstraject (PVT);
d.de leerroutes.
2De gemeente zorgt ervoor dat de asielstatushouders op een behoorlijke wijze informatie ontvangen over de maatschappelijke begeleiding.
3.5.2 Brede intake inburgeringsplichtingen
1De gemeente neemt de brede intake af zo snel mogelijk nadat de inburgeringsplichtige, eventueel na een eerder verblijf in het asielzoekerscentrum (AZC), in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente is ingeschreven.
2De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief:
a.wat de brede intake inhoudt;
b.waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor de brede intake moet verschijnen;
c.dat de inburgeringsplichtige er recht op heeft om de gesprekken in het kader van de brede intake te voeren zonder dat daarbij andere mensen (bijvoorbeeld familieleden) aanwezig zijn dan professionals;
d.wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt.
3Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen.
4De gemeente legt de relevante informatie die wordt verkregen in verband met de afname van de brede intake schriftelijk vast.
3.5.3 Passende leerroute inburgeringsplichtigen en aanbod leerroute asielstatushouders
1De gemeente beoordeelt op basis van de gegevens die het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) bij de eventuele voorinburgering heeft verkregen en ook op basis van de uitkomsten van de brede intake welke leerroute voor de inburgeringsplichtige passend is.
2Bij de vaststelling van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen houdt De gemeente in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet.
3De gemeente stemt de keuze voor een leerroute in ieder geval af op de MAP, het PVT, de (eventuele) maatschappelijke begeleiding en het financieel ontzorgen en de financiële zelfredzaamheid.
4De gemeente neemt de leerroute op in het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP).
5De gemeente registreert de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in de Portal Inburgering.
6De gemeente verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute.
7De gemeente biedt asielstatushouders binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de vastgestelde leerroute kunnen voldoen.
8Als het aanbod uitblijft, dan registreert de gemeente dat in de Portal Inburgering.
9De gemeente registreert de deelname en afronding van de leerroute en het taalniveau in de Portal Inburgering.
3.5.4 Participatieverklaringstraject (PVT) inburgeringsplichtigen
1Het PVT bestaat in ieder geval uit: een wekelijkse workshop van drie uren, gedurende ten minste vier weken.
2De frequentie en duur als bedoeld in het eerste lid, kan in het PIP worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige, de urennorm van ten minste twaalf uur voor de workshops is niet aan te passen.
3De gemeente neemt het PVT op in het PIP.
4De gemeente biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal achttien maanden na de verzending van het PIP het PVT aan.
5De gemeente registreert de deelname aan het PVT in de Portal Inburgering.
6Bij afronding van de in het eerste lid bedoelde activiteiten ontvangt de inburgeringsplichtige een uitnodiging voor de ondertekening van de participatieverklaring.
7De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief:
a.wat de ondertekening van de participatieverklaring inhoudt;
b.waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor ondertekening moet verschijnen;
c.wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet voor de ondertekening verschijnt.
8Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de ondertekening van de participatieverklaring liggen minimaal vijf werkdagen.
9De gemeente registreert de ondertekende participatieverklaring in de Portal Inburgering.
3.5.5 Module arbeidsmarkt en participatie (MAP) inburgeringsplichtigen
1De MAP bestaat in ieder geval uit:
a.minimaal twintig en maximaal veertig uren kennismaking met, en voorbereiding op de Nederlandse arbeidsmarkt in klassikale vorm; en
b.veertig uren stage.
2De gemeente beoordeelt op basis van de uitkomsten van de brede intake hoeveel klassikale uren en welke stage voor de inburgeringsplichtige passend zijn.
3Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede intake MAP-activiteiten heeft verricht, dan brengt de gemeente deze bestede uren in mindering op de urennorm van veertig uren als bedoeld in het eerste lid, onder b.
4Bij de vaststelling van de MAP houdt de gemeente in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet.
5De gemeente neemt de MAP op in het PIP.
6De gemeente biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal zes maanden na de verzending van het PIP de MAP aan.
7De gemeente registreert de deelname aan de MAP in de Portal Inburgering.
8Na afronding van de klassikale uren en de stage nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige uit voor het eindgesprek ter afronding van de MAP.
9De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief:
a.wat het eindgesprek inhoudt;
b.waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het eindgesprek moet verschijnen;
c.wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet voor het eindgesprek verschijnt.
10Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het eindgesprek liggen minimaal vijf werkdagen.
11De gemeente doet verslag van het eindgesprek en stelt dat zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de inburgeringsplichtige.
12De gemeente registreert de afronding van de MAP in de Portal Inburgering.
3.5.6 Voortgangsgesprekken
1De frequentie van de voortgangsgesprekken wordt vastgesteld op basis van de uitkomsten van de brede intake en afgestemd op de inburgeringsplichtige. In het eerste jaar zijn er minimaal twee voortgangsgesprekken.
2De gemeente neemt de frequentie van de voortgangsgesprekken op in het PIP.
3De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief:
a.wat het voortgangsgesprek inhoudt;
b.waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het voortgangsgesprek moet verschijnen;
c.wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet voor het voortgangsgesprek verschijnt.
4Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het voortgangsgesprek liggen minimaal vijf werkdagen.
5Ter voorbereiding op de voortgangsgesprekken beziet de gemeente de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige.
6De gemeente doet verslag van het voortgangsgesprek en stelt dat op verzoek ter beschikking aan de inburgeringsplichtige.
3.5.7 Maatschappelijke begeleiding
1De maatschappelijke begeleiding voor asielstatushouders bevat in ieder geval:
2ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken ten aanzien van voorzieningen zoals onder andere: wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving;
a.voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals onder andere: wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties.
b.De maatschappelijke begeleiding wordt gegeven door VluchtelingenWerk Oost-Nederland (VWON). De inburgeringsplichtige krijgt zo mogelijk een vaste begeleider toegewezen.
3De maatschappelijke begeleiding begint zo snel mogelijk nadat de asielstatushouder, eventueel na een eerder verblijf in het AZC, in de BRP van de gemeente is ingeschreven.
3.5.8 Persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP)
1In het PIP worden vastgesteld:
a.de te volgen leerroute;
b.de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding (voortgangsgesprekken);
c.de intensiteit van het PVT en de MAP;
d.voor zover van toepassing: de mogelijkheden van voor- of vroegschoolse educatie; en
e.indien het gaat om een asielstatushouder: de intensiteit van de leerroute.
2Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen bevat, naast het bepaalde in het eerste lid, de beschikkingen op grond van de Participatiewet over opgelegde arbeids- en reintegratieverplichtingen (en/of ontheffingen) en over toegekende re-integratievoorzieningen.
3Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bevat, naast het bepaalde in het eerste en het tweede lid, de ‘ontzorgingsbeschikking’ op grond van artikel 56a Participatiewet.
4Zo snel mogelijk na de afname van de brede intake stelt de gemeente de inburgeringsplichtige in de gelegenheid tot samenspraak over de manier waarop de inburgeringsplichtige aan zijn inburgeringsplicht moet voldoen.
5De gemeente verzendt het PIP in ieder geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 10 weken na inschrijving in de BRP als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan de inburgeringsplichtige.
6De gemeente registreert de datum van vaststelling van het PIP in de Portal Inburgering.
3.5.9 Overschakelen naar een andere leerroute
1De termijn om over te schakelen van de ene naar de andere leerroute is, bijzondere gevallen daargelaten, maximaal anderhalf jaar vanaf de dag na dagtekening van het PIP, uitzondering is dat gedurende het gehele inburgeringstraject de onderwijsroute kan worden gewijzigd in de B1-route.
2De beoordeling van de gemeente of er onvoldoende voortgang of een grotere voortgang is dan op grond van het PIP was te verwachten, gebeurt aan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige.
3Als de beoordeling bedoeld in het tweede lid daartoe aanleiding geeft, schakelt de inburgeringsplichtige over naar een andere leerroute en past de gemeente het PIP aan.
4De gemeente registreert de wijziging van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in de Portal Inburgering.
5De gemeente verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de nieuwe leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute.
6De gemeente biedt asielstatushouders binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de nieuwe vastgestelde leerroute kunnen voldoen.
7De gemeente registreert de deelname en afronding van de nieuwe leerroute en het taalniveau in de Portal Inburgering.
3.5.10 Afschalen
1Afschalen van niveau B1 naar niveau A2 in de B1-route is mogelijk na in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal wanneer uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de inburgeringsplichtige zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen.
2Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede cursusuren Nederlands als tweede taal heeft gevolgd, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, dan brengt de gemeente deze bestede uren in mindering op de urennorm van 600 uren.
3De beoordeling of niveau B1 niet (op alle onderdelen) haalbaar is, geschiedt aan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling en/of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige.
4Als de beoordeling bedoeld in het derde lid daartoe aanleiding geeft, schaalt de gemeente (onderdelen van) de B1-route af naar A2-niveau en past de gemeente het PIP aan.
3.6 Bijzondere regels om deelname aan werk van inwoners met een beperking te vergroten
3.6.1 Persoonlijke ondersteuning bij werk
In de verordening sociaal domein zijn de voorwaarden voor persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoaching) opgenomen.
1De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in verschillende vormen aanbieden:
2Jobcoaching als dienst (in natura) door middel van een jobcoach die werkt bij of in opdracht van de gemeente OF bij een andere organisatie waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht.
3de gemeente kan een subsidie (geldbedrag) geven aan de werkgever voor:
a.jobcoaching door een jobcoach die ook werkt in het bedrijf of buiten het bedrijf;
b.werkbegeleiding door iemand die in het bedrijf werkt.
4Het aantal in te zetten begeleidingsuren is altijd maatwerk. Het aantal begeleidingsuren is afhankelijk van het begeleidingsregime (licht, midden of intensief). Het aantal begeleidingsuren wordt uitgedrukt in een percentage van het aantal uren van het dienstverband.
5Het begeleidingsregime wordt vastgesteld aan de hand van
a.de kwaliteit van de match
b.de persoonlijke omstandigheden
c.de mate van structurele functionele beperking in relatie tot de taak.
6Zowel de werknemer als de werkgever kan een aanvraag voor een externe jobcoach indienen.
7Uitsluitend activiteiten die direct verband houden met de persoonlijke ondersteuning van de persoon bij de uitvoering van zijn werkzaamheden worden vergoed. De volgende activiteiten van een jobcoachorganisatie komen niet voor vergoeding in aanmerking:
a.Activiteiten die verband houden met de eigen bedrijfsvoering van de jobcoachorganisatie. Hieronder vallen ook administratieve werkzaamheden
b.Reistijd van de jobcoach
c.Overdracht van de persoonsinformatie van de ene naar de andere jobcoach
d.Scholing of bijscholing van de jobcoach
e.Intervisie (tussen o.a. de jobcoaches).
8De maximum uren en maximum bedragen zijn opgenomen in het financieel besluit
9Betaling geschiedt achteraf aan de jobcoach(organisatie). De jobcoach(organisatie) stuurt per kwartaal een factuur voor de daadwerkelijk gemaakte uren onderbouwd met een urenverantwoording.
10Bij jobcoaching tijdens een proefplaatsing wordt achteraf in één keer aan de jobcoach(organisatie) betaald. Betaling geschiedt op basis van een factuur.
11Minimaal ieder kwartaal zorgt de jobcoach voor een (korte schriftelijke of mondelinge) terugkoppeling aan de gemeente.
12Bij jobcoaching tijdens een proefplaatsing geldt dat aan het einde van de proefplaatsing een rapportage wordt opgeleverd.
13Wanneer de gemeente heeft vastgesteld dat de (potentiële) werknemer zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de door de werkgever opgedragen taken te verrichten kan interne jobcoaching ingezet worden als:
a.De duur van de dienstbetrekking bij de start hiervan tenminste 6 maanden bedraagt en
b.De persoon in deze dienstbetrekking ten minste 12 uur per week werkt.
c.De interne jobcoach heeft een HARRIE certificaat of iets vergelijkbaars in het bezit of behaald dit op korte termijn.
d.De interne jobcoach is voor het betreffende aantal begeleidingsuren vrijgemaakt
e.Er is achtervang geregeld voor de jobcoach zodat de continuïteit is gewaarborgd bij afwezigheid.
14De hoogte van de subsidie betreft een vast bedrag en is vastgelegd in het financieel besluit
3.6.2 Bijzondere voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
Vervoersvoorzieningen: om naar het werk te reizen, in de vorm van aanpassing van een eigen vervoermiddel of van een vergoeding voor speciaal vervoer. De gemeente kijkt of er gebruik gemaakt kan worden van vervoer in het kader van de Wmo en andere regelingen.
3.6.3 Bijzondere voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap
Intermediaire voorzieningen: voor inwoners met arbeidsvermogen die moeite hebben met zien, horen of bewegen, bijvoorbeeld een doventolk of voorleeshulp.
3.6.4 Bijzondere voorwaarden meeneembare voorzieningen
Meeneembare voorzieningen: aanpassingen of hulpmiddelen die ook op een andere werkplek gebruikt kunnen worden (en niet standaard beschikbaar zijn binnen een bedrijf), bijvoorbeeld;
•communicatiehulpmiddelen als een brailleleesregel, computersoftware, een voorleesmachine, een beeldschermloep, een speciaal toetsenbord of een muis.
•meubilair zoals een aangepaste bureaustoel, zitmeubilair en zit-sta bureaus, tillift
•orthopedische schoenen
3.6.5 Bijzondere regels bij persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing
1Werkplekaanpassingen: aanpassingen van de werkplek die aan de betreffende werkplek zijn gebonden. Het gaat om op de persoon en de op de specifieke werkplek afgestemde aanpassingen zoals bijvoorbeeld een aangepast toilet, een traplift of een aangepaste werkplek.
2Als de werkgever een vergoeding aanvraagt, beoordeelt de gemeente of de voorziening echt nodig is. Hiervoor kunnen wij een deskundigenoordeel vragen bij een onafhankelijk arts of een arbeidsdeskundige. De gemeente gaan altijd uit van de goedkoopste adequate aanpassing. Ook bekijken we in hoeverre de aanpassing 'algemeen gebruikelijk' is, zoals internet of een aangepast toilet. De kosten voor een algemeen gebruikelijke aanpassing worden niet vergoed.
3Bij aanpassingen in het pand, bijvoorbeeld een lift, stijgt de waarde van het bedrijfspand. De gemeente voert dan een bedrijfseconomische toets uit. Dit kan vermindering van de vergoeding betekenen.
4Een voorziening kan ‘in natura’ beschikbaar worden gesteld (als product of dienst) of in de vorm van een geldbedrag. Gaat het om een product, dan wordt per geval beoordeeld of het in bruikleen of in eigendom aan de inwoner wordt gegeven. Uitgangspunt is in bruikleen, als dit zinvol is.
5Voor persoonlijke voorzieningen zoals genoemd in de artikelen 3.6.2 tot en met 3.6.5 zijn enkele spelregels vastgesteld:
a.De voorziening is noodzakelijk.
b.Er is geen andere mogelijkheid beschikbaar.
c.Er is een arbeidscontract van minimaal 6 maanden van tenminste 24 uur per week of er is zicht op zo’n arbeidscontract (bijvoorbeeld tijdens de proefplaatsing).
d.De kosten moeten in verhouding staan tot de opbrengsten (uitstroom).
e.De voorziening wordt toegekend volgens het principe: niet meer, niet duurder en niet langer dan noodzakelijk.
f.De maximale hoogte is opgenomen in het financieel besluit.
In dit hoofdstuk kunnen op een later moment artikelen worden ingevoegd.
(Participatiewet, IOAW, IOAZ)
7 Inkomen en schulden
7.1 Kostendelersnorm
7.1.1 Geen toepassing kostendelersnorm
1Een belanghebbende die een commerciële huurprijs betaalt, wordt niet aangemerkt als kostendeler.
2Er is sprake van een commerciële huurprijs als de huurprijs minimaal de basishuur is. Bij een lagere huurprijs dan de basishuur wordt beoordeeld of het bedrag gebruikelijk is voor de ruimte die gehuurd wordt. Wanneer het om woonkosten gaat, waarin water- en energielasten zijn begrepen, is er sprake van een commerciële huurprijs als 60% van de totale huurprijs gelijk is aan de basishuur.
3De basishuur is het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huur-toeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft. Zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag.
7.1.2 Voorwaarden aantonen van een commerciële huur/kostgangersovereenkomst
1Op grond van artikel 19a, tweede lid, van de Participatiewet moet een belanghebbende die op basis van een commerciële prijs onderhuurt of kostganger is dit aantonen met een huurcontract c.q. kostgangersovereenkomst.
2Gegevens die in het huurcontract c.q. de kostgangerovereenkomst vermeld moeten zijn:
a.de kamer, gemeubileerd of kaal, die wordt gehuurd;
b.ingangsdatum verhuur;
c.het overeengekomen bedrag per periode;
d.wijze van betaling: deze dient een bancaire betaling te zijn;
e.of de huur inclusief (gas, elektra, enz.) of exclusief is;
f.looptijd van de huurovereenkomst;
g.dat de huurder zich verplicht zich op dat adres bij de gemeente in te schrijven;
h.bij kostgangers dient bovendien een overzicht te worden bijgevoegd van de diensten die in het contract zijn begrepen zoals, welke maaltijden, bewassing, verzorging bijv. bij ziekte, schoonmaken;
i.de ruimtes de kostganger en de kamerhuurder nog meer mag gebruiken;
j.uit het contract moeten de periodieke prijsverhogingen blijken.
7.1.3 Ontbreken van woonlasten
De gemeente kan de bijstandsnorm lager afstellen als er sprake is van het ontbreken van woonkosten.
1In afwijking van artikel 27 Participatiewet wordt de gestelde rekennorm verlaagd:
a.met 20% als de inwoner lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, doordat hij niet kan aantonen woonlasten verschuldigd te zijn voor de woning die men bewoont.
b.In afwijking van het eerste lid wordt de rekennorm voor belanghebbende verlaagd als er sprake is van lage woonlasten. Dit zoals is opgenomen in het financieel besluit.
2In afwijking van het eerste lid wordt de rekennorm voor belanghebbende niet naar beneden bijgesteld als aan dit verblijf aantoonbaar kosten zijn verbonden van minimaal de commerciële huur- of kostgangersbedragen.
3Onder woonkosten wordt verstaan:
a.bij een huurwoning: de maandelijks verschuldigde huur, inclusief de servicekosten die op grond van de Wet op de huurtoeslag voor huurtoeslag in aanmerking komen;
b.bij een eigen woning: de maandelijks verschuldigde hypotheekrente, verhoogd met de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;
c.bij kamerhuur: de maandelijks verschuldigde huur exclusief de bijdrage voor gas, water en elektra;
d.bij anti-kraakbewoning of tijdelijke huur ingeval van leegstand: de maandelijks verschuldigde vergoeding voor bruikleen of tijdelijke huur, exclusief de bijkomende kosten.
7.1.4 Verrekening inkomsten uit verhuur of kostgangersovereenkomst.
1Een ontvangen vergoeding uit een commerciële huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7.1.3 voor verhuur wordt in beginsel onder aftrek van een bedrag 5% van het minimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand.
2Een ontvangen vergoeding uit een commerciële overeenkomst als bedoeld in artikel 7.1.3 vanwege een kostganger wordt onder in beginsel onder aftrek van een bedrag van 20% van het nettominimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand.
3Ten aanzien van lid 1en 2 moet aan de navolgende voorwaarden worden voldaan:
a.De afspraken over de verhuur van de woning moeten op papier staan, in een huur of kostgangersovereenkomst en:
b.Bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de gevraagde prijs werkelijk wordt betaald.
7.3 Studietoeslag
7.3.1 Structurele medische beperking
1Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.
2Structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen.
3Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bij:
•mantelzorg;
•een gebroken been;
•kortdurende beperkingen;
•beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken.
7.3.2 Voorwaarden
1Er bestaat recht op studietoeslag als de inwoner:
a.als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te ververwerven;
b.studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het “levenlanglerenkrediet” van de WSF valt niet hieronder;
c.geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong.
7.3.3 Aanvraag
1De aanvraag voor studietoeslag wordt ingediend via het algemene aanvraagformulier Financiële tegemoetkomingen. De belanghebbende verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken:
a.een kopie legitimatie;
b.een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS;
c.bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt.
2De inwoner kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring verstrekken waarin staat waarom belanghebbende niet kan werken naast de studie. Het college kan hierop besluiten dat een medisch onderzoek niet nodig is.
7.3.4 Toekennen en uitbetalen
1Als door de gemeente is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
2In afwijking van lid 1 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als:
a.belanghebbende daarom verzoekt; en
b.belanghebbende over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag;
3In afwijking van lid 2 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen:
a.voor 1 april 2022;
b.vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
4De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.
5De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald.
7.3.5 Hoogte studietoeslag
1Als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de studietoeslag geldt, het bedrag dat hoort bij de leeftijd die belanghebbende op de verjaardag heeft bereikt.
7.3.6 Medisch advies
1Het college is verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking, tenzij dit naar oordeel van het college al voldoende blijkt uit een deskundigenverklaring.
2Het college vraagt het medisch advies aan.
3In afwijking van lid 1 kan het college alleen in deze situaties een medisch advies achterwege laten als direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking;
4Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
7.5 Armoedebestrijding
7.5.1 Regels
In de Verordening sociaal domein zijn de hoofdregels genoemd. De gemeenteraad stelde deze regels vast. Wat een inwoner kan krijgen, verschilt per regeling. Hieronder staan de verschillende regelingen, waar nodig, verder uitgewerkt.
Er zijn veel soorten kosten waarvoor, in bijzondere omstandigheden, bijzondere bijstand kan worden gegeven. Daarom staan niet alle kosten in deze beleidsregels. Als er bijzondere bijstand wordt gevraagd voor kosten die niet in deze beleidsregels staan, wordt de aanvraag behandeld aan de hand van de volgende vragen:
1Zijn de kosten noodzakelijk?
2Zijn het kosten die vanuit het inkomen moeten worden betaald?
3Is er sprake van bijzondere omstandigheden?
4Kunnen de kosten worden betaald uit het inkomen of een financiële buffer (draagkracht)?
7.5.2 Voor wie zijn de regelingen bedoeld?
De regelingen uit het armoedebeleid zijn bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Dit zijn de belangrijkste basisvoorwaarden:
1de inwoner is 18 jaar of ouder
2is bij de gemeente Olst-Wijhe ingeschreven in de Basisregistratie personen
3heeft de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfstitel.
4de Reductieregeling en de inkomenstoeslag zijn niet bedoeld voor studenten.
5de inkomenstoeslag is er ook niet voor inwoners die de AOW-leeftijd hebben bereikt.
Voor sommige minimaregelingen gelden andere voorwaarden. Deze staan dan vermeld.
Soms is het nodig dat een inwoner gebruik maakt van de minimaregelingen, ook al voldoet hij niet aan alle voorwaarden. Als het nodig is, dan kan die inwoner toch van die regeling gebruikmaken. Denk bijvoorbeeld aan ouders van kinderen die anders niet kunnen meedoen met schoolactiviteiten.
7.5.3 Hoe tellen het inkomen en vermogen mee?
Samen met de inwoner onderzoekt de medewerker de financiële situatie. De medewerker beoordeelt of de inwoner de kosten zelf kan betalen. Als dat zo is, dan is het niet nodig om bijzondere bijstand te geven.
1De regels over inkomen die voor algemene bijstand gelden, gelden in principe ook voor de regelingen. Wat de Participatiewet aan inkomsten heeft vrijgelaten, telt voor de regelingen niet mee als inkomen.
2Als het inkomen lager is dan 110% van de bijstandsnorm die voor de inwoner geldt, is er een draagkracht van 35% voor bijzondere kosten.
3Hierop zijn een paar uitzonderingen;
a.Bij bijstand voor de dagelijkse kosten, zoals woonkostentoeslag en aanvullende bijstand voor 18- tot 21 -jarigen, geldt dat de inwoner bij een inkomen hoger dan 100% van de bijstandsnorm het meerdere inkomen aan de kosten bijdraagt.
b.Bij bijstand voor de kosten die helpen om zelf in een inkomen te kunnen voorzien of die ervoor zorgen dat ouderen en gehandicapten zelfstandig kunnen blijven functioneren, wordt met een draagkrachtpercentage van 10% gerekend.
c.Het gaat hierbij om de volgende kosten:
I. personenalarmering
II. maaltijdvoorziening
III. eigen bijdrage(n) op grond van de Wmo
IV. premie aanvullende ziektekostenverzekering
V. eigen risico ziektekostenverzekering
VI. kinderopvang op grond van Sociaal Medische Indicatie
d.Alleen bij toepassing van de paragrafen 7.7, 7.10.1 tot en met 7.10.5 wordt rekening gehouden met de kostendelersnorm.
e.Bij deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering geldt een draagkrachtpercentage van 130%.
f.Bij schuldensituaties kan een overzicht van de inkomsten en uitgaven worden opgevraagd om te beoordelen of er ruimte is in het budget om bepaalde kosten te betalen.
7.5.4 Zelfstandigen
1Het inkomen van een zelfstandig ondernemer wordt geschat aan de hand van het inkomen van vorig jaar, de laatst vastgestelde jaarrekening, een IB-verklaring of de huidige boekhouding.
2Als de bijzondere bijstand per jaar meer bedraagt dan de geldende bijstandsnorm per maand wordt aan het eind van het jaar, aan de hand van de jaarrekening, de uiteindelijke draagkracht vastgesteld.
3Als de draagkracht hoger is dan de verstrekte bijzondere bijstand wordt de bijzondere bijstand teruggevorderd.
4De financiële buffer in het bedrijf wordt alleen meegeteld als deze financiële buffer redelijkerwijs ingezet kan worden.
5De reductieregeling wordt altijd om niet verstrekt en niet achteraf teruggevorderd.
7.5.5 Hoe wordt de inbreng van de inwoner berekend?
1De inbreng wordt in principe berekend over de maand van aanvraag. Alleen bij sterk wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de afgelopen drie maanden.
2De draagkracht wordt één keer per kalenderjaar vastgesteld, tenzij het inkomen of vermogen flink veranderd zijn dan kan een nieuwe berekening worden gemaakt. wijzigt met 20% of meer. Dit beoordeelt de medewerker.
7.6 Vermogensgrenzen
7.6.1 Bijzondere bepalingen
1Er is sprake van draagkracht uit vermogen als de inwoner een vermogen heeft dat hoger is dan het vermogen genoemd in artikel 34 van de Participatiewet.
2Als er sprake is van een eigen woning telt de overwaarde niet mee als:
a.de gevraagde bijstand lager is dan één keer de bijstandsnorm
b.de kosten verband houden met kosten om zelf in het inkomen te kunnen voorzien
c.de kosten ervoor zorgen dat ouderen of gehandicapten langer voor zichzelf kunnen zorgen. Het gaat hierbij om de kosten voor personenalarmering, maaltijdvoorziening, eigen bijdrage Wmo, premie aanvullende ziektekostenverzekering en kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie.
3De waarde van de auto telt mee voor zover deze meer bedraagt dan de waarde genoemd in het financieel besluit. De waarde van de auto wordt vastgesteld op basis van de prijzengids van www.autotrack.nl.
4De waarde van de auto telt niet mee als:
a.de auto gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk is.
b.de auto ouder is dan acht jaar
c.het geen exclusieve auto is
d.er maximaal één auto per huishouden is.
5Het saldo van de lopende rekening telt niet mee voor zover dit minder bedraagt dan de hoogte van de bijstandsnorm.
6Er geldt een extra vermogensvrijlating als er sprake is van een reservering voor uitvaartkosten. Deze vrijlating kan alleen worden toegepast als het gereserveerde bedrag alleen beschikbaar komt bij overlijden. Contant geld, een banktegoed, een spaardeposito of spaargeld voor dit doel telt wel mee.
7Als er sprake is van een schuldenregeling wordt de draagkracht bepaald aan de hand van het besteedbare inkomen. Dit voor zolang er sprake is van een wettelijk schuldtraject. Als een inwoner in een minnelijk schuldtraject zit is wordt er maximaal drie jaar rekening gehouden met het besteedbare inkomen.
8De individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag gelden niet als middel voor de bijzondere bijstand.
9De bijzondere bijstand en reductieregeling worden uitbetaald na het inleveren van de betaalbewijzen. De inwoner kan vragen om de betaling rechtstreeks aan de leverancier te doen.
7.7 Kosten van algemene aard
7.7.1 Bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar
1Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar geldt dat zij algemene bijstand kunnen krijgen als ze geen andere mogelijkheden hebben om in het levensonderhoud te voorzie. Tot zijn 21e jaar valt de jongere nog onder de onderhoudsplicht van de ouder(s).
2De gemeente gaat ervan uit dat de onderhoudsplicht van de ouder(s) in ieder geval niet kan worden aangesproken als:
a.de ouder(s) in het buitenland woont
b.de jongere buiten het gezin is geplaatst op grond van de Jeugdwet, of
c.er een acute noodsituatie is waarin de jongere zelf geen verandering kan brengen. Er is dan een indicatie van een hulpverlenende organisatie nodig.
3De totale bijstand (bijzondere bijstand plus de algemene bijstand) is in dit geval gelijk aan de bijstandsnormen die gelden voor personen van 21 jaar en ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in dezelfde leef- en woonsituatie (inclusief de kostendelersnorm).
7.7.2 Bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting
1Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting wonen hebben geen recht op algemene bijstand. Wel kan bijzondere bijstand worden gegeven.
2De bijzondere bijstand is in principe beperkt tot de normen die gelden voor 21-plussers die in een inrichting verblijven.
3De bijstand wordt alleen gegeven als er geen gebruik kan worden gemaakt van de onderhoudsplicht van de ouder(s).
4Als de ouder(s) niet wil(len) bijdragen in de kosten, dan onderzoekt de gemeente de mogelijkheden om de verstrekte bijstand te verhalen op de ouders.
5De gemeente gaat ervan uit dat de onderhoudsplicht van de ouder(s) in ieder geval niet kan worden aangesproken als:
a.de ouder(s) in het buitenland woont
b.de jongere buiten het gezin is geplaatst op grond van de Jeugdwet, of
c.er een acute noodsituatie is waarin de jongere zelf geen verandering kan brengen. Er is dan een indicatie van een hulpverlenende organisatie nodig.
7.7.3 Aanvulling alleenstaande ouder
1Voor een alleenstaande ouder geldt dezelfde bijstandsnorm als voor een alleenstaande. In een aantal situaties is in verband met het mislopen van de alleenstaande ouderkop het verlenen van een aanvulling alleenstaande ouder aan de orde.
2Daar is in ieder geval sprake van in de volgende gevallen:
a.Het gaat om een echtpaar waarvan één partner niet rechtmatig in Nederland verblijft.
b.De aanvulling alleenstaande ouder wordt niet ontvangen omdat het partnerbegrip voor het extra kindgebonden budget anders is dan voor de uitkering. Hiervan kan sprake zijn als de partner in detentie is of in het buitenland verblijft.
3De kosten voor het levensonderhoud van de alleenstaande ouder worden gelijkgesteld met de norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder, artikel 21 onder a Participatiewet, aangevuld met de alleenstaande ouderkop die geldt als belanghebbende geen toeslagpartner heeft. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de alleenstaande ouder en de toepasselijke bijstandsnorm.
4In een aantal situaties is het mogelijk bij de Belastingdienst door te geven dat er geen partner is. Het gaat dan om een echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De inwoner komt alleen in aanmerking voor de alleenstaande ouderkop als er een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed is aangevraagd. Ook moet er nog voor worden gezorgd dat de ex-partner niet op hetzelfde adres woont en ook niet voorkomt in de BRP (basisregistratie personen) en dus wordt uitgeschreven van het adres van de alleenstaande ouder.
5De inwoner moet kijken naar de mogelijkheden die er zijn om voor de alleenstaande ouderkop in aanmerking te komen. Dit staat in de artikelen 15 en 55 van de Participatiewet.
7.7.4 Woonkostentoeslag bij een huurwoning
Bijzondere bijstand voor de huur is niet mogelijk, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijstand voor woonkosten heet woonkostentoeslag.
Als de inwoner geen huurtoeslag krijgt omdat de huur te hoog is, kan er ook een bijzondere situatie zijn. De medewerker bespreekt met de inwoner de oorzaak van de hoge woonlasten en de mogelijkheden om goedkopere woonruimte te zoeken en te verhuizen.
1De woonkostentoeslag wordt als volgt berekend:
a.Welke huurtoeslag zou de inwoner maximaal kunnen krijgen voor deze woning?
b.Hoeveel hoger is de huur dan de maximale huurgrens voor de betreffende woning in de situatie van de inwoner?
2De woonkosten bestaan uit de ‘kale’ huur. Dat is de huur die voor de huurtoeslag meetelt. Daarnaast kunnen de servicekosten worden meegenomen. Het gaat om de servicekosten waarvoor huurtoeslag kan worden verstrekt. Zie ook: www.toeslagen.nl. De woonkostentoeslag wordt uitbetaald voor een afgebakende periode (in principe maximaal één jaar).
3De inwoner zet zich in om goedkopere woonruimte te zoeken.
4Voor de huur van een kamer of voor kostgeld wordt in principe geen bijzondere bijstand gegeven.
5Voor de huur van een woonwagen is wel bijstand mogelijk.
7.7.5 Woonkostentoeslag bij een eigen woning
Een inwoner met een eigen huis kan geen huurtoeslag krijgen. De medewerker bespreekt met de inwoner wat er nodig is. Wat nodig is, hangt af van de omstandigheden. Het kan betekenen dat de inwoner de woning te koop zet en andere woonruimte zoekt.
1De kosten van de hypotheekrente, de zakelijke lasten en een bedrag voor onderhoud (normen van het Ministerie van VROM) tellen mee voor de hoogte van de woonkosten. De gemeente houdt ook rekening met de (voorlopige) belastingteruggave.
2Op basis van deze woonkosten wordt de woonkostentoeslag berekend, op dezelfde manier als voor een huurwoning.
3Als woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens nodig is, kan deze beperkt worden tot de periode die nodig is voor de verkoop van de woning, maar in principe voor maximaal één jaar.
4Als de inwoner later over dezelfde periode als waarin woonkostentoeslag is gegeven een teruggave van de Belastingdienst ontvangt, bepaalt de gemeente welk bedrag moet worden terugbetaald.
7.7.6 Waarborgsom, administratiekosten en eerste huur
1Als er geen andere mogelijkheden zijn om een waarborgsom, administratiekosten en/of de eerste huur te betalen, kan de gemeente bijzondere bijstand geven.
2Het moet dan gaan om een noodzakelijke huisvesting of verhuizing.
3De bijstand voor een waarborgsom is in principe een lening. De medewerker van de gemeente maakt afspraken met de inwoner over terugbetaling.
7.7.7 Woonlasten bij tijdelijke opname in een inrichting of bij detentie
1Tijdens opname in een inrichting lopen de woonlasten vaak door. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden gegeven als er geen andere mogelijkheden zijn.
2Gaat het om een langere opname, dan beoordeelt de medewerker of het verstandig is om de huur op te zeggen. De richtlijn is een periode van maximaal zes maanden.
3Tijdens detentie kan de gemeente in principe geen bijstand voor doorlopende woonlasten geven. In bijzondere situaties kan er een uitzondering worden gemaakt.
4Belangrijk is de vraag: wat zijn de gevolgen als er geen bijstand wordt verstrekt?
5De bijzondere bijstand kan worden verleend voor de volgende kosten:
a.huur
b.gas, water en elektra ter hoogte van het vastrecht
c.televisie abonnement
d.onroerendezaakbelasting
e.verzekeringen, zoals inboedelverzekering
6Voor de wettelijke rente en aflossing van een hypotheek bij een eigen woning kan geen bijzondere bijstand worden gegeven. De inwoner moet dan een regeling treffen met de hypotheekverstrekker.
7.7.8 Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
Deze regeling wordt uitgevoerd door de Regionale belastingsamenwerking in Deventer.
1Of de inwoner voor kwijtschelding in aanmerking komt, hangt af van de financiële situatie. Ook de financiële situatie van mogelijke medebewoners kan een rol spelen. Het inkomen mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm. Wanneer de inwoner vraagt om kwijtschelding, dan worden zijn inkomensgegevens vergeleken met de wettelijke normbedragen.
2Kwijtschelding kan worden aangevraagd voor:
a.Rioolheffing
b.Afvalstoffenheffing
3De inwoner krijgt geen kwijtschelding voor het aanbieden van afvalzakken. Dit betekent dat de inwoner de kosten van deze aanbiedingen, ook wel ledigingen genoemd, zelf moet betalen. Als de inwoner hiervoor in aanmerking komt, ontvangt hij nog wel kwijtschelding over het basistarief.
4Kwijtschelding kan aangevraagd via het aanvraagformulier van de gemeente.
1Zie: www.olst-wijhe.nl/kwijtschelding
5De inwoner krijgt geen kwijtschelding als hij voldoende inkomen heeft. Ook krijgt hij geen kwijtschelding als hij vermogen heeft. De wetgever gaat er dan vanuit dat hij de aanslag dan kan betalen. Bovendien krijgt de inwoner ook geen kwijtschelding als hij een eigen bedrijf heeft of als zelfstandige werkt.
6Als de inwoner niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, maar de gemeentelijke belastingen niet in een keer kan betalen, kan een betalingsregeling worden afgesproken.
7.7.9 Individuele Inkomenstoeslag
1De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die:
a.in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm;
b.geen goede financiële buffer heeft; en
c.geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen.
2Bij een korte onderbreking van de periode van 36 maanden raakt de inwoner zijn recht op inkomenstoeslag niet kwijt. De gemeente bedoelt met een korte onderbreking een periode van maximaal één keer één maand.
3De hoogte van de toeslag is opgenomen in het financieel besluit. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht heeft op inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
4De gemeente Olst-Wijhe gaat ervan uit dat studenten (op de peildatum en tijdens de voorafgaande periode van 36 maanden) uitzicht hebben op een stijging van het inkomen na afloop van de studie. De inkomenstoeslag is er daarom niet voor hen.
5Als er in de laatste 12 maanden sprake is geweest van het verwijtbaar niet nakomen van arbeids- en/of re-integratieverplichtingen, waarvoor een maatregel van 20% of meer is opgelegd, bestaat er geen recht op de inkomenstoeslag. Er was uitzicht op inkomensverbetering, maar door eigen toedoen is dit teniet gedaan. Gedragingen waarvoor een maatregel is opgelegd van minder dan 20% staan de inkomenstoeslag niet in de weg.
6De inwoner vraagt de inkomenstoeslag per kalenderjaar aan via een aanvraagformulier van de gemeente. De gemeente beoordeelt of de inwoner op de aanvraagdatum aan de voorwaarden heeft voldaan. De individuele inkomenstoeslag geldt niet als een voorliggende voorziening voor de bijzondere bijstand.
7.8 Medische kosten
7.8.1 Collectieve zorgverzekering
1De gemeente heeft een collectieve zorgverzekering (CZV) bij zorgverzekeraar Salland Verzekeringen afgesloten.
2De CZV is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Het inkomen is in ieder geval laag als het onder de 130% van de bijstandsnorm blijft.
3De gemeente beoordeelt niet of er een eigen huis of schulden zijn.
4Kinderen tot 18 jaar zijn gratis meeverzekerd.
5Er is geen medische (toegangs)toets.
6Wanbetalers kunnen de CSV niet afsluiten. Dat zijn verzekerden die zes maanden de premie niet betalen.
7Inwoners die bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn, moeten overstappen naar Salland verzekeringen om mee te kunnen doen. Ze moeten dan voor 1 januari van het volgende jaar een aanvraag voor de CZV indienen. Dat is alleen mogelijk in de periode van half november tot 1 januari. Deelname aan de CZV gaat dan in op 1 januari.
8Inwoners moeten wijzigingen in de gezins- en woonsituatie doorgeven aan Salland verzekeringen en de gemeente.
9Wijzigingen in het inkomen, waardoor de inwoner boven de genoemde inkomensgrens komen, moet hij doorgeven aan de gemeente.
10Een inkomen boven de inkomensgrens, vermogen boven de vermogensgrens of een verhuizing naar een andere gemeente in Nederland betekent niet meteen het einde van de verzekering. De verzekering blijft doorlopen in het kalenderjaar, tenzij de inwoner aangeeft dat die eerder beëindigd kan worden.
11De inwoner meldt zich aan via de site Gezond Verzekerd (www.gezondverzekerd.nl ). De gemeente beoordeelt of de inwoner in aanmerking komt voor deelname aan de gemeentepolis.
7.8.2 Premie aanvullende ziektekostenverzekering
1Er kan een bijdrage in de premie voor de aanvullende zorgverzekering worden gegeven. Het gaat om een inwoner die:
a.Geen goede financiële buffer heeft en
b.Moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm
2Bij een inkomen hoger dan 110% van de bijstandsnorm wordt rekening gehouden met dit hogere inkomen
3Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar.
4Bij inwoners die een collectieve ziektekostenverzekering hebben afgesloten wordt de bijdrage maandelijks als premiekorting verrekend.
5Als de inwoner niet het hele jaar recht heeft op bijzondere bijstand wordt het bedrag naar een bijdrage per maand omgerekend.
6De hoogte van de bedragen staat in het financieel besluit.
7.8.3 Eigen risico zorgverzekering
1Er kan een bijdrage worden gegeven voor het verplichte eigen risico als het eigen risico volledig is opgebruikt. Het gaat om een inwoner die:
a.geen goede financiële buffer heeft en
b.moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm.
2Bij een inkomen hoger dan 110% wordt rekening gehouden met dit hogere inkomen.
3De hoogte van de bijdrage staat in het financieel besluit.
4Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar of binnen drie maanden na ontvangst van het bericht dat het volledige eigen risico is opgebruikt.
7.8.4 Brillen en/of contactlenzen
Voor medische kosten die niet in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zijn opgenomen, gaat de gemeente ervan uit dat deze niet noodzakelijk zijn of zo algemeen gebruikelijk zijn dat ze voor rekening van de inwoner blijven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij brillen en contactlenzen. In bijzondere situaties kan de gemeente anders besluiten op basis van een medische indicatie.
Bij de vergoeding wordt aangesloten bij de collectieve aanvullende verzekering (Salland Plus). De hoogte van de vergoeding staat in het financieel besluit.
1Als de inwoner geen (collectieve) aanvullende verzekering heeft, kan de inwoner een vergoeding voor een bril krijgen.
2Het gaat om één bril (of contactlenzen) per twee kalenderjaren.
3Alleen als de sterkte van de glazen met minimaal +1 of -1 is veranderd kan de inwoner eerder bijzondere bijstand voor de glazen aanvragen.
4Als de inwoner door medische klachten een dure bril nodig heeft, dan is een verklaring van de oogarts nodig. Er moeten dan brillenglazen of contactlenzen nodig zijn met een sterkte van +8 of -8.
5De maximale hoogte van deze vergoeding, genoemd in lid 4, is vastgelegd in het financieel besluit.
7.8.5 Hoortoestellen
1De kosten van hoorapparaten worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Hierbij geldt een wettelijke eigen bijdrage van 25%. Voor deze eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden gegeven.
2De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de vergoeding die geldt bij de collectieve aanvullende verzekering van Salland plus.
3Hierbij houdt de gemeente rekening met de vergoeding die de inwoner van zijn eigen verzekeraar ontvangt.
7.8.6 Andere kosten als gevolg van ziekte of handicap
1Voor kosten die raakvlakken hebben met medische kosten kan de gemeente bijstand geven als de medische of sociale noodzaak is vastgesteld en de kosten niet op een andere manier kunnen worden vergoed.
2Het gaat bijvoorbeeld om de kosten van batterijen van gehoortoestellen, kosten van extra slijtage en bewassing van beddengoed en kleding, extra stookkosten als gevolg van chronische ziekte of handicap. Om te bepalen hoeveel hoger de stookkosten zijn, gaat de gemeente uit van de vuistregel dat elke graad verhoging van de temperatuur een extra verbruik met zich meebrengt van 7%.
3Voor al deze kosten geldt dat de gemeente de extra kosten alleen kan vergoeden via de bijzondere bijstand. Om te bepalen hoe hoog die extra kosten zijn, maakt de gemeente gebruik van het financieel Besluit of de laatste Nibud-prijzengids.
4Sommige kosten zijn ook aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Met die (mogelijke) aftrekbaarheid houdt de gemeente geen rekening.
7.8.7 Bevalling en kraamhulp
1De kosten van bevalling en kraamhulp worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Voor de wettelijke eigen bijdrage voor kraamhulp kan bijzondere bijstand worden gegeven.
2Hierbij wordt rekening gehouden met de vergoeding die de inwoner vanuit de (collectieve) aanvullende ziektekostenverzekering ontvangt.
7.8.8 Persoonlijke alarmering
1Als er een medische noodzaak is voor een persoonlijk alarm, dan vergoedt de basisverzekering de aanschafkosten. Is er een sociale noodzaak, dan geeft de gemeente op basis van de Wmo subsidie aan de organisatie die de alarmering verzorgd. In een aantal gevallen kan de aanvullende ziektekostenverzekering een vergoeding geven. Voor de kosten die voor eigen rekening komen, kan bijzondere bijstand worden gegeven. De gemeente gaat dan uit van de goedkoopste voorziening die nodig is.
2Voor vergoeding komt in aanmerking;
a.de huur- en aansluitkosten
b.de service- en/of abonnementskosten (alarmopvolging)
c.huur sleutelkluisje
3Voor mensen die in een zorginstelling wonen, wordt alleen de bijdrage voor de kosten van alarmering vergoed. De overige kosten die de verzorgingshuizen in rekening brengen voor een zorgabonnement, komen niet voor de vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking.
7.8.9 Maaltijdvoorziening
1Als men (tijdelijk) niet in staat is om warm eten voor zichzelf te maken of te laten maken, kan de inwoner gebruikmaken van een maaltijdvoorziening waarbij het eten aan huis of het restaurant in de woonvoorziening wordt bezorgd. Omdat deze service duurder is dan zelf koken, kan bijzondere bijstand worden gegeven.
2Of dit nodig is, wordt vastgesteld door een indicatie van het toegangsteam Wmo, de (thuis)zorgorganisatie of de medewerker van de gemeente.
3Maaltijden die gekocht worden bij een supermarkt, door afhaal- of brengservice, traiteur of een slagerij komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
4De hoogte van de bijdrage is vastgelegd in het financieel besluit.
7.8.10 Tandartskosten
1Bijzondere bijstand voor tandartskosten is in de regel niet mogelijk. De inwoner kan voor deze kosten een (aanvullende) ziektekostenverzekering afsluiten.
2Als hiervan wordt afgeweken kan voor de kosten van een consult maximaal 100% worden vergoed en voor de behandelkosten maximaal 75% tot een maximumbedrag dat is opgenomen in het financieel besluit. De vergoeding van de afgesloten (collectieve) aanvullende ziektekostenverzekering wordt hiervan afgehaald.
3Alleen bij zeer bijzondere omstandigheden (denk aan ernstige medische complicaties) kan de gemeente overwegen om een hogere vergoeding te geven in de vorm van leenbijstand. De gemeente vraagt dan medisch advies. Denk hierbij aan de mogelijkheid om behandelingen te spreiden over meerdere jaren.
4Voor de kosten van orthodontie is geen vergoeding mogelijk; voor personen jonger dan 18 jaar is de vergoeding opgenomen in de ziektekostenverzekering. Voor personen ouder dan 18 jaar is er bewust voor gekozen deze kosten niet in de ziektekostenverzekering op te nemen. Hiervoor kan dan ook geen bijzondere bijstand worden verstrekt.
7.8.11 Gebitsprothese
1De aanschafkosten van een kunstgebit of reparatiekosten van een kunstgebit worden vergoed door de zorgverzekeraar. Na goedkeuring worden de kosten van een kunstgebit (inclusief de techniekkosten) voor 75% vergoed uit de basisverzekering tot een bepaald maximumbedrag. De hoogte van het bedrag is ervan afhankelijk of de tandarts of een tandprotheticus de gebitsprothese verzorgt. Daarnaast wordt een vergoeding gegeven vanuit de aanvullende verzekering. De overgebleven eigen bijdrage komt voor bijzondere bijstand in aanmerking.
2Een medisch advies is niet nodig als het gaat om een prothese die eenmaal per vijf jaar wordt vervangen.
3Als de inwoner niet aanvullend is verzekerd, wordt rekening gehouden met de vergoeding uit de laagste verzekering.
7.8.12 Fysiotherapie
1Voor fysiotherapie en vergelijkbare therapieën, zoals manuele therapie en oefentherapie, is de Zorgverzekeringswet een passende en toereikende voorliggende voorziening. De basisverzekering vergoedt de eerste twintig behandelingen niet (per indicatie). Hiervoor kan een aanvullende verzekering worden afgesloten.
2Wanneer de inwoner geen aanvullende verzekering heeft kunnen vanuit de bijzondere bijstand maximaal zes behandelingen per jaar worden vergoed. Het moet hierbij gaan om (chronische) aandoeningen die staan op een door de minister vastgestelde lijst (Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering). Alleen bij zeer dringende redenen kan hiervan worden afgeweken.
3Voor de inwoner die ergens anders aanvullend verzekerd is, worden maximaal 20 behandelingen per jaar vergoed. Hierbij wordt rekening gehouden met de vergoeding die de inwoner ontvangt op basis van de (aanvullende) ziektekostenverzekering.
7.8.13 Eigen bijdrage Wmo
1Voor ondersteuning vanuit de Wmo wordt een eigen bijdrage in rekening gebracht. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden gegeven waarbij rekening wordt gehouden met de eigen financiële draagkracht.
2Ook voor de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg (voor thuiswonenden) of jeugdhulp kan een eigen bijdrage worden gerekend. De eigen bijdrage wordt in een aantal gevallen inkomensafhankelijk berekend. Ook deze bijdragen komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.
3Soms is het inkomen te hoog ingeschat. Er moet dan eerst worden gevraagd de bijdrage opnieuw te berekenen op basis van de werkelijke situatie.
7.9 Kosten van maatschappelijke aard
7.9.1 Bewindvoeringskosten
Soms heeft iemand een bewindvoerder, curator of mentor nodig. Een bewindvoerder kan nodig zijn als de inwoner probleemschulden heeft of niet goed in staat is zijn financiële huishouding zelf te voeren. De gemeente zet zich ervoor in dat deze inwoners goed worden ondersteund, bijvoorbeeld met budgetbeheer en/of schulddienstverlening. Dit wordt uitgevoerd door het Budget Advies Bureau Deventer (BAD).
1Als de rechter beschermingsbewind, curatele of mentorschap oplegt, dan zijn de kosten die daaraan zijn verbonden noodzakelijk. Voor deze kosten is bijzondere bijstand mogelijk.
2Het bedrag dat maximaal kan worden gegeven, wordt berekend volgens de Regeling curatoren, bewindvoerders en mentoren
2Zie http://wetten.overheid.nl/BWBR0035730/2016-10-01
, tenzij de rechter in zijn beschikking iets anders aangeeft.
3De bijstand duurt in principe een jaar en kan dan opnieuw worden aangevraagd.
7.9.2 Schulden
1Er mag geen bijzondere bijstand worden gegeven voor schulden (artikel 13 lid 1 sub g PW). Wanneer is er sprake van bijstand voor schulden?
a.De inwoner vraagt bijstand voor aflossing van de schulden.
b.De inwoner heeft vóór de dag van de aanvraag kosten gemaakt, maar deze nog niet betaald.
c.De inwoner heeft vóór de dag van de aanvraag kosten gemaakt en deze zijn door een ander betaald. Als de verplichting tot terugbetaling voldoende is aangetoond, is er een schuld (anders een gift).
2De wet noemt twee situaties waarin alsnog bijstand voor schulden kan worden gegeven.
a.Er kan bijzondere bijstand worden gegeven in de vorm van borgtocht als de inwoner alleen een lening voor de sanering van schulden kan krijgen als er iemand (de gemeente bijvoorbeeld) borg staat.
b.De tweede situatie is dat er zeer dringende redenen bestaan om toch bijstand te geven en borgtocht geen oplossing biedt.
7.9.3 Bijstand bij borgtocht
Het sociaal minimum is een gegarandeerd bestaansminimum door het vangnet van de bijstand. Dat betekent dat in principe iedereen kan beschikken over voldoende inkomen om de dagelijkse bestaanskosten te kunnen betalen en het maken van schulden niet nodig is. Iedereen is zelf verantwoordelijk voor het aflossen van zijn schulden. Lukt dit niet, dan kan de inwoner een lening voor het saneren van de schulden aanvragen. Wordt het verzoek om deze lening afgewezen omdat de inwoner onvoldoende mogelijkheden heeft om de lening terug te betalen, dan kan er bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht worden gegeven om de schuldsanering alsnog door te laten gaan. De schuldsanering wordt uitgevoerd door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Als de lening voor het saneren van de schulden niet mogelijk is, kan - als er sprake is van zeer dringende redenen - bijstand in de vorm van een geldlening of een bedrag ‘om niet’ worden gegeven. De aanwezigheid van deze dringende redenen wordt per situatie bekeken.
7.9.4 Rechtsbijstand
Als de inwoner een juridische procedure wil starten, dan betaalt hij daarvoor proceskosten en de kosten van de advocaat. Hij moet altijd eerst telefonisch contact opnemen met het Juridisch Loket voor advies. Het juridisch loket verwijst zo nodig door naar een mediator of advocaat en geeft bij de verwijzing een diagnosedocument mee. Hierin staan het probleem en het advies van het Juridisch Loket beschreven. Het diagnosedocument geeft een korting op de eigen bijdrage voor rechtshulp. Krijgt de inwoner een mediator of advocaat toegevoegd, dan kan voor de eigen bijdrage bijzondere bijstand worden gegeven. De eigen bijdrage (min de korting van het juridisch loket) kan volledig worden vergoed. Heeft de inwoner een advocaat die niet door de Raad voor de rechtsbijstand is toegevoegd, dan blijven de kosten in principe voor eigen rekening.
7.9.5 Reiskosten
1Kosten voor vervoer moet de inwoner in principe zelf betalen als het gaat om privé-activiteiten of om werk. Dat kan anders liggen als het gaat om noodzakelijke reiskosten naar een bestemming buiten de gemeente Olst-Wijhe (maar binnen Nederland).
2Denk daarbij aan reiskosten:
a.van en naar een ziekenhuis, een revalidatie- of andere (medische) instelling voor bezoek aan een familielid of dierbare
b.voor bezoek aan een familielid of dierbare die in een gevangenis zit
c.van en naar school die niet door een voorliggende voorziening worden vergoed. Dit voor zover de soort opleiding niet binnen een in onze gemeente algemeen gebruikelijke vervoersafstand (school staat in Deventer, Raalte of Zwolle) gevolgd kan worden. De enkele reisafstand bedraagt ten minste 20 kilometer
d.naar de begrafenis van een familielid of dierbare
e.voor vervoer van en naar een (medische) instelling en vervoer voor weekendverlof
f.voor vervoer vanuit een gevangenis.
3Als er geen andere voorziening in de kosten is en de inwoner geen andere (gratis) oplossingen kan vinden voor het vervoer (carpoolen, beroep op vrienden en familie) kan de gemeente bijstand geven.
4Als de inwoner geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, kan de gemeente de kosten voor het gebruik van de auto vergoeden voor het bedrag dat is opgenomen in het financieel besluit.
5In overleg met de inwoner bepaalt de medewerker van de gemeente hoe vaak een bezoek moet worden gebracht. Vuistregel is dat hoe inniger de relatie, hoe vaker de reis noodzakelijk is.
6Voor een aantal van de hierboven genoemde kosten is de maximale vergoeding opgenomen in het financieel Besluit.
7.9.6 Computerregeling
1Er kan bijzondere bijstand worden aangevraagd voor een computer, laptop of tablet.
2In de aanvraag mogen ook een beeldscherm, toetsenbord, muis en printer inclusief geïnstalleerde software, officepakket, eventuele installatiekosten en meegeleverde extra inktpatronen worden meegenomen. Andere (meer)kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
3De computerregeling is voor inwoners die in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een netto-inkomen hebben gehad tot en met 110% van de geldende bijstandsnorm en die in deze periode van drie jaar ook geen financiële buffer hebben gehad. Bij een korte onderbreking beoordeelt de gemeente of de inwoner alsnog voor deze regeling in aanmerking kan komen.
4Er wordt uitgegaan van een levensduur van vijf jaar. Reparatiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
5De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld na inlevering van een offerte. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand staat in het financieel besluit.
7.9.7 Begrafenis- of crematiekosten
1De kosten van een begrafenis of crematie moet de inwoner betalen uit de nalatenschap en/of een eventuele uitvaartverzekering.
2Als de inwoner de kosten niet kan betalen, kan hij in aanmerking komen voor bijstand. Hij moet dan wel erfgenaam zijn en hebben meebetaald aan de uitvaartkosten. Vuistregel is dat de gemeente bijstand geeft tot maximaal het erfrechtelijk deel dat de erfgenaam aan kosten heeft, na aftrek van de uitkering van een uitvaartverzekering.
3De maximale bedragen voor een crematie of begrafenis staan in het financieel besluit. Dit bedrag deelt de gemeente door het aantal erfgenamen. De gemeente betaalt de bijstand op basis van de rekeningen die de inwoner opstuurt.
4Als de inwoner geen erfgenaam is, maar een andere verhouding tot de overledene had, dan beoordeelt de gemeente per situatie of er bijstand kan worden verleend. Dit is afhankelijk van de relatie tot de overledene (partner, vriend, collega, etc.), de aanwezigheid en houding van erfgenamen, andere mogelijkheden om in de kosten te voorzien en eigen middelen.
5Begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van een (in Nederland of in het buitenland) overleden persoon komen niet in aanmerking voor bijstand.
7.9.8 Niemand geeft opdracht voor de uitvaart
Als niemand opdracht geeft voor de uitvaart, heeft de gemeente volgens de Wet op de lijkbezorging een zorgplicht. De gemeente geeft dan de opdracht voor de uitvaart en neemt de kosten op zich. In deze situatie is er dus geen sprake van bijstandsverlening. Achteraf bekijkt de gemeente of de kosten kunnen worden verhaald op de eventuele nalatenschap.
7.9.9 Legeskosten voor verblijfsvergunning
Voor het aanvragen van een verblijfsvergunning moet een inwoner meestal kosten maken. Het gaat dan om legeskosten voor de behandeling van de aanvraag. Alleen bij een verlenging van de vergunning kan bijstand worden gegeven voor deze kosten. De bijstand is ‘om niet’ (als gift) en wordt verlaagd met het bedrag dat een Nederlander moet betalen voor een identiteitsbewijs.
7.10 Kosten woninginrichting en verhuizing
7.10.1 Huishoudelijke goederen en apparaten
1De gemeente kan bijzondere bijstand verstrekken voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
2De inwoner heeft geen andere mogelijkheden om reparatie, aanschaf of vervanging van huishoudelijke goederen en apparaten te kunnen betalen
3De inwoner heeft niet kunnen vooraf sparen en hem valt niets te verwijten
4De inwoner heeft een lening aangevraagd bij het Budget Adviesbureau Deventer (BAD) en dit is niet gelukt (ook niet met borgstelling).
5Het moet gaan om goederen die in een huishouden noodzakelijk zijn, zoals een wasmachine, koelkast of eettafel.
6Gaat het om vervanging van een noodzakelijk apparaat, dan beoordeelt de medewerker van de gemeente eerst of reparatie mogelijk is. Als dit een passende oplossing is, gaat dat voor. Om te beoordelen of de vervanging noodzakelijk is, kan de medewerker een huisbezoek afleggen of vragen om een bon van een servicemonteur.
7De bijstand is in principe maximaal het bedrag dat in de Nibud-prijzengids staat. Zijn de kosten lager, dan geeft de gemeente het lagere bedrag.
8De bijstand heeft de vorm van een lening, tenzij dit niet zinvol is door de bijzondere omstandigheden in de individuele situatie. Dat is in ieder geval zoals er een schuldregeling loopt of als de inwoner in de wettelijke schuldsanering zit.
9Voor inwoners die langer dan drie jaar een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm, geen vermogen hebben gehad en in deze periode zelfstandig hebben gewoond, wordt de bijstand om niet verstrekt. Deze hoeft dus niet te worden terugbetaald.
10De bijstand wordt betaald op basis van een rekening. Dit kan ook een rekening zijn waarop het bedrag staat dat het gebruiksgoed gaat kosten (offerte). De kosten worden zoveel mogelijk rechtstreeks aan de leverancier betaald.
7.10.2 Woninginrichting
Voor de volledige inrichting van een woning geldt hetzelfde als voor huishoudelijke apparaten. Er zijn enkele verschillen:
1De hoogte van de bijzondere bijstand wordt berekend aan de hand van de bedragen in het financieel besluit. De bedragen verschillen per type huishouden en aantal personen.
2De bijstand wordt betaald op basis van een rekening. Dit kan ook een rekeningzijn waarop het bedrag staat dat het gebruiksgoed gaat kosten (offerte). De kosten worden zoveel mogelijk rechtstreeks aan de leverancier betaald.
7.10.3 Verhuiskosten
1Gaat het om andere kosten, zoals verf en behang, dan kan de gemeente per huishouden een bedrag ‘om niet’ (als gift) geven. De hoogte van de bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de prijzengids van het Nibud. De inwoner die deze bijstand krijgt, moet rekeningen inleveren, zodat deze achteraf kunnen worden gecontroleerd.
2Voor de kosten van een verhuizing geeft de gemeente bijzondere bijstand voor transportkosten van de inboedel als de verhuizing op medische of sociale gronden noodzakelijk is en er geen andere oplossingen mogelijk zijn.
3Een andere voorziening voor deze kosten is in ieder geval een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo voor een medisch noodzakelijke verhuizing of een tegemoetkoming van de werkgever waarop de inwoner aanspraak kan maken.
7.10.4 Aanvulling op de kosten van rente en aflossing (suppletie)
1Als het inkomen onvoldoende is om de lening voor het kopen van de spullen in huis terug te betalen, kan voor een deel van deze kosten bijzondere bijstand worden gegeven. Bijvoorbeeld als iemand vanuit een asielzoekerscentrum zelfstandig gaat wonen en de woning helemaal moet worden ingericht. Deze aanvulling wordt toegekend voor zolang de lening duurt, maar is maximaal drie jaar.
2De berekening van de hoogte staat in het financieel besluit.
3Als de bijstand eenmaal is vastgesteld wijzigt deze alleen als de bijstandsnorm voor de inwoner verandert. Ook kan de hoogte van de bijstand worden aangepast als het eigen inkomen van de inwoner of zijn gezin verandert. Zodra de inwoner gaat verhuizen buiten de gemeente stopt deze bijstand.
7.10.5 Overbruggingsuitkering
1Er kan eenmalig bijzondere bijstand (overbruggingsuitkering) worden gegeven voor de kosten van levensonderhoud.
2Dit kan als er voordat de inwoner een uitkering ontvangt geen inkomen was en/of de inwoner door bijzondere omstandigheden geen geld opzij heeft kunnen zetten voor de kosten van levensonderhoud. De berekening van de hoogte staat in het financieel besluit.
7.10.6 Babyuitzet
1De kosten van een kraampakket/babyuitzet zijn in principe voor eigen rekening. De inwoner kan zich op de bevalling voorbereiden en daarvoor geld opzij leggen of een andere oplossing zoeken. Alleen als dit niet mogelijk is kan bijzondere bijstand worden verstrekt.
2Het kan zijn dat de inwoner een beroep kan doen op anderen of andere organisaties, zoals Stichting babyspullen.
3Als er geen (volledig) beroep kan worden gedaan zoals bedoeld in lid 1 en 2 kan aanvullend bijzondere bijstand worden verstrekt. Voor de hoogte van de bijstand sluit de gemeente aan bij het basispakket voor een babyuitzet zoals opgenomen in de Nibud-prijzengids.
4Bijstand wordt als lening gegeven, tenzij dit niet zinvol is door de bijzondere omstandigheden in de individuele situatie.
5Een inwoner kan een aanvraag doen na de zesde maand van de zwangerschap. Als de inwoner een aanvraag indient voor de zesde maand van de zwangerschap kan de gemeente wachten tot na de zesde maand met het nemen van een besluit.
6De medewerker kan de inwoner vragen om een zwangerschapsverklaring van de verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling.
7.10.7 Reductieregeling
Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed.
1De reductieregeling is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. De inwoner die een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm kan van de gemeente een bijdrage krijgen uit de reductieregeling. De gemeente kijkt niet of er een financiële buffer is.
2De gemeente vergoedt de feitelijke kosten tot een maximumbedrag per jaar. De bedragen staan in het financieel besluit.
3Er wordt een besluit genomen voor het hele kalenderjaar. Kosten die in de loop van het jaar worden gemaakt, kunnen worden ingediend met een declaratieformulier.
4De inwoner ontvangt een brief van de gemeente waarin staat welk bedrag er nog tegoed is voor de rest van het jaar.
5De inwoner moet een aanvraag indienen voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.
7.10.8 Reductieregeling voor kinderen
Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen samen vormen de reductieregeling voor kinderen.
1De reductieregeling voor kinderen is bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm. De gemeente kijkt niet of er een financiële buffer is.
2Ouders kunnen een bijdrage krijgen voor hun kinderen voor de kosten van school, een computer, sport, cultuur, ontspanning, kinderkleding, peuterspeelzaal en leerzame activiteiten.
3De hoogte van de bijdrage staat in het financieel besluit.
4Bij de aanschaf van een laptop of tablet wordt uitgegaan van een levensduur van minimaal vijf jaar.
5Er wordt een besluit genomen voor het hele kalenderjaar. Kosten die in de loop van het jaar worden gemaakt, kunnen worden ingediend met een declaratieformulier. De inwoner ontvangt een brief van de gemeente een brief waarin staat welk bedrag er nog tegoed is voor de rest van het jaar.
6Ouders moeten een aanvraag voor de reductieregeling voor kinderen indienen voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.
8 De vorm van ondersteuning
8.1 Krediethypotheek
8.1.1 Medewerking
1De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid tot het vestigen van een krediethypotheek zoals bedoeld in artikel 48, derde lid van de Participatiewet, wanneer bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt vanwege overwaarde in de eigen woning zoals bedoeld in artikel 50 van de Participatiewet.
2Hiervan kan worden afgeweken als;
a.van de belanghebbende kan in redelijkheid niet verlangd worden dat hij het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen te gelde maakt, bezwaart of verder bezwaart (artikel 50 lid 1 PW);
b.de te verlenen algemene bijstand bedraagt over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer dan het nettominimumloon (inclusief vakantiebijslag) over één maand (artikel 50 lid 2 onderdeel a) PW);
3De inwoner is verplicht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek.
8.1.2 Vaststelling waarde woning
1Er kan worden uitgegaan van de waarde van de woning op grond van de laatste Wet waardering onroerende zaken (WOZ) als de waarde vaststelling van de woning is gebaseerd op de actuele situatie en binnen anderhalf jaar voor datum van de aanvraag is vastgesteld.
8.1.3 Kosten
1De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte of pandovereenkomst en de inschrijving van de hypotheek of het pand, en ook de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende.
2Voor deze in lid drie genoemde kosten bestaat recht op bijzondere bijstand (om niet), met dien verstande dat, 100% van het aanwezige vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet voor de draagkracht in aanmerking wordt genomen.
8.1.4 Aflossing
1Aflossing van de geldlening begint op het moment van beëindiging van de bijstandsuitkering en vindt maandelijks plaats. Er wordt voor een periode van maximaal tien jaar op de lening afgelost.
2Wanneer na de periode als bedoeld in lid zes het geleende bedrag niet volledig is terugbetaald, blijft de vordering openstaan en wordt het restant van de lening direct in een keer afgelost bij de verkoop of vererving van de woning.
3De hoogte van de aflossing wordt jaarlijks vastgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met het inkomen en met noodzakelijke bijzondere bestaanskosten.
4Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt de gemeente, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
5Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de inwoner komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
6Als de inwoner tijdens de aflossingsperiode van tien jaar zijn aflossingsverplichtingen niet nakomt, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover ook de wettelijke rente verschuldigd.
8.1.5 Rente
1Als na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
2De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent.
3Als de inwoner volgens de gemeente de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
4Als belanghebbende naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
5Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
8.1.6 Verkoop en/of vererving van de woning
1De geldlening is direct opeisbaar als de woning wordt verkocht of vererfd.
2Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek of pand voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
3Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34 lid 2 Participatiewet bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.
4Als bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
8.1.7 Hernieuwde bijstandsaanvraag
1Als binnen een periode van twee jaar na beëindiging van een bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening opnieuw recht op bijstand ontstaat, wordt deze verstrekt met toepassing van de laatst vastgestelde waarde van de woning en de laatst gevestigde krediethypotheek.
2Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.
9 Afspraken tussen inwoner en gemeente
9.2 Afspraken en verplichtingen over Inburgering
9.2.1 Boete niet verschijnen brede intake en meewerkplicht
1Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake, geeft de gemeente hem een schriftelijke waarschuwing. In de schriftelijke waarschuwing vermeldt de gemeente:
a.een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake;
b.wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt.
2Tussen de datum van de waarschuwing en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen.
3Wanneer de inburgeringsplichtige na de waarschuwing niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt de gemeente hem een boete op. De gemeente stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. De gemeente volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. In de boetebeschikking vermeldt de gemeente:
a.een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake;
b.wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt.
4Tussen de datum van het boetebesluit en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen en maximaal twee maanden.
5Wanneer de inburgeringsplichtige na de boete niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt de gemeente hem een boete op en voltooit de gemeente de brede intake in afwezigheid van de inburgeringsplichtige. De tweede en derde volzin van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
6De gemeente registreert de boete in de Portal Inburgering.
9.2.2 Boete tijdens het inburgeringstraject
1Wanneer de inburgeringsplichtige de verplichtingen uit het PIP niet of onvoldoende nakomt, legt de gemeente hem een boete op.
2Voor inburgeringsplichtigen gaat het om de volgende verplichtingen:
a.deelnemen aan de voortgangsgesprekken;
b.deelnemen aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT.
3Voor asielstatushouders gaat het daarnaast om de verplichting om deel te nemen aan de inburgeringslessen.
4De gemeente stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. De gemeente volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb.
5De gemeente registreert de boete in de Portal Inburgering.
9.2.3 Samenloop inburgeringsboete en maatregel Participatiewet
Als de gemeente voor dezelfde gedraging een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan opleggen en de bijstand op grond van artikel 18 of 18b Participatiewet kan verlagen, dan kiest de gemeente ervoor geen boete op te leggen en de bijstand te verlagen.
9.3 Beëindigen en terugvorderen voorziening
9.3.1 Herziening en terugvordering
1De gemeente is verplicht het recht op uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 54, derde lid eerste zin van de Participatiewet dan wel artikel 17, derde lid eerste zin van de IOAW/IOAZ.
2De gemeente is verplicht tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid dan wel artikel 25, eerste lid van de IOAW/IOAZ, tenzij er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid van de Participatiewet dan wel artikel 25, zevende lid van de IOAW/IOAZ.
3De gemeente maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid het recht op uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 54, derde lid tweede zin van de Participatiewet, dan wel artikel 17, derde lid tweede zin van de IOAW/IOAZ, wanneer geen sprake is van een wettelijke verplichte herziening of intrekking van het recht.
4De gemeente maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, artikel 59 van de Participatiewet, artikel 60 van de Participatiewet, artikel 12 lid 2, sub c, artikel 39 en de artikelen 41 en 43 van het Bbz 2004, artikel 25, tweede en derde lid en artikel 26 van de IOAW/IOAZ.
5De inwoner, de gezinsleden en de verzwegen partner als bedoeld in artikel 59 van de Participatiewet en artikel 26 van de IOAW/IOAZ zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de vordering.
6De invordering van terugvorderingsschulden gaan voor op de zogeheten concurrente vorderingen.
7De gemeente bruteert het (resterende) bedrag van een fraudevordering, als de belanghebbende het verschuldigde bedrag niet betaalt in hetzelfde boekjaar, waarin wordt teruggevorderd.
9.3.2 Herziening en terugvordering Armoedebeleid, Wmo en jeugdwet
1De gemeente gebruikt de bevoegdheid om een via de Jeugdwet ten onrechte verleend pgb te herzien, in te trekken en terug te vorderen, in de situatie dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
2De gemeente gebruikt de bevoegdheid om een beslissing op grond van de Wmo 2015 te herzien, dan wel in te trekken, zoals bedoeld in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015.
3De gemeente gebruikt de bevoegdheid om de geldswaarde geheel of gedeeltelijk te vorderen als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Wmo 2015.
4De gemeente gebruikt de bevoegdheid om een regeling uit het armoedebeleid, de bijzondere bijstand of bijdrage kinderopvang te herzien, in te trekken en het verstrekte bedrag terug te vorderen die onterecht is verstrekt;
a.als het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 Participatiewet geleid heeft tot een ten onrechte of te hoog verstrekte vergoeding;
b.als anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.
c.De bijdrage kan in deze gevallen van de inwoner worden teruggevraagd.
9.3.3 Aflossing leenbijstand
1De inwoner aan wie bijzondere bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening, is verplicht tot een maandelijkse aflossing, gedurende drie jaar. Als in die periode een inkomen op bijstandsniveau wordt ontvangen, is de aflossing 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld. Bij een inkomen hoger dan de bijstandsnorm, bedraagt de maandelijkse aflossing maximaal het bedrag dat berekend kan worden met de rekenmodule beslagvrije voet.
2De gemeente kan de aflossingsverplichting voor de inwoner als bedoeld in het eerste lid wijzigen, als het inkomen van de inwoner wijzigt.
9.3.4 De betalingsverplichting en de betalingsregeling
1De inwoner is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van de terugvorderingsbeschikking het volledige bedrag terug te betalen.
2Wanneer verrekening zoals bedoeld in artikel 9.3.5 van deze beleidsregels niet mogelijk is, kan de gemeente een aflossingsregeling met de inwoner afspreken.
3De omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling, zoals bedoeld in het vorige lid wordt in beginsel vastgesteld op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld. Bij een inkomen hoger dan de bijstandsnorm, bedraagt de maandelijkse aflossing maximaal het bedrag dat berekend kan worden met de rekenmodule beslagvrije voet.
4In afwijking van lid 3, kan de gemeente de omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling lager vaststellen, als de vordering binnen 36 maanden wordt voldaan.
5De betalingsverplichting en de aflossingsregeling zoals bedoeld in de vorige leden, worden niet opgeschort in geval van (hoger) beroep tegen het intrekkings- of herzieningsbesluit, het terugvorderings- of boetebesluit of het besluit tot uitstel van betaling.
9.3.5 Verrekening
1De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid tot verrekening op grond van artikel 60, derde en vierde lid en artikel 60a, eerste en vierde lid van de Participatiewet, dan wel artikel 28, tweede, derde en zevende lid van de IOAW/IOAZ.
2Wanneer er sprake is van een terugvordering bijzondere bijstand, kan deze verrekend worden met lopende of toekomstige bijzondere bijstand.
3De gemeente gaat zo spoedig mogelijk na het besluit tot terugvordering over tot verrekening. Artikel 2.3, lid 3 en 4 zijn overeenkomstig van toepassing.
9.3.6 Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal
1De gemeente kan het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 en op grond van artikel 16 Tozo opeisbaar stellen en terugvorderen, als de zelfstandige ook na een aanmaning niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet.
2De gemeente stelt het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 en op grond van artikel 16 Tozo opeisbaar en kan dit terugvorderen als:
a.het bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed;
b.er sprake is van bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf;
c.er sprake is van faillissement of surseance.
3Terugvordering vindt plaats bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en rente.
9.3.7 De betalingsverplichting en de betalingsregeling Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
1De gemeente kan gebruik maken van de bevoegdheid zoals genoemd in artikel 2.4.1. Wmo 2015 en artikel 8.1.4. Jeugdwet.
2Degene van wie de gemeente de geldswaarde van een maatwerkvoorziening (Wmo 2015) of een persoonsgebonden budget (Jw/Wmo 2015) terugvordert, is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van de terugvorderingsbeschikking het volledige bedrag terug te betalen.
3Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van verrekening als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Verordening Sociaal Domein Olst-Wijhe kan de gemeente een aflossingsregeling met belanghebbende afspreken.
4De omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling zoals bedoeld in het vorige lid wordt in beginsel vastgesteld op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. Bij een inkomen hoger dan de bijstandsnorm, bedraagt de maandelijkse aflossing maximaal het bedrag dat berekend kan worden met de rekenmodule beslagvrije voet.
5In afwijking van lid 4, kan de gemeente de omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling lager vaststellen, als de vordering binnen 36 maanden wordt voldaan.
6De betalingsverplichting en de aflossingsregeling als bedoeld in de vorige leden, worden niet opgeschort in geval van (hoger) beroep tegen het intrekkings- of herzieningsbesluit, het terugvorderingsbesluit of het besluit tot uitstel van betaling.
7Dit artikel is overeenkomstig van toepassing op de derde als bedoeld in artikel 2.4.1 van de WMO 2015.
9.3.8 Wettelijke rente en invorderingskosten
1De gemeente verbindt geen kosten aan het versturen van een aanmaning en het uitvaardigen van een dwangbevel.
2De gemeente heft zelf geen rente.
3De gemeente kan de invordering overdragen aan een deurwaarder.
4De aan het derde lid verbonden invorderingskosten, worden volledig doorberekend aan de debiteur.
5In afwijking van lid 2 wordt wettelijke rente in rekening gebracht bij Bbz-geldleningen, ongeacht of aan de betalingsverplichting wordt voldaan of niet.
9.3.9 Volgorde van invordering
1De gemeente vordert de vorderingen op volgorde van boete, fraudevordering, overige vorderingen en geldlening in, zolang de belanghebbende geen verzoek heeft gedaan op grond van artikel 4:92, tweede lid van de Awb.
9.3.10 Kruimelbedragen
1De gemeente ziet af van terugvordering, als het terug te vorderen bedrag minder bedraagt dan € 50,00 per afzonderlijke vordering, verrekening niet mogelijk is èn er geen sprake is van een fraudevordering.
9.3.11 (Her)onderzoeken
1De gemeente kan uit eigen beweging of op verzoek van belanghebbende, als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, onderzoek doen naar de financiële omstandigheden van belanghebbende. Wanneer de omstandigheden daar aanleiding voor geven, kan als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd worden vastgesteld.
9.4 Kwijtschelding, afzien van verdere terugvordering en buiten invordering stellen
9.4.1 Kwijtschelding leenbijstand
1De belanghebbende als bedoeld in artikel 9.3.3 van deze beleidsregels, komt in aanmerking voor kwijtschelding van het restant van de geldlening, als hij gedurende tenminste drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Dit houdt in dat hij in totaal 36 maandtermijnen heeft afgelost. Wanneer de belanghebbende geen of een onvolledige afloscapaciteit heeft (gehad), moet hij de gemiste maandtermijnen alsnog voldoen voordat de vijf-jarentermijn is verstreken.
2De kwijtschelding wordt in beginsel ambtshalve verleend.
9.4.2 Kwijtschelding openstaande vorderingen
1De gemeente stelt zich tot doel om de teruggevorderde uitkering optimaal in te vorderen, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet.
2De gemeente kan overgaan tot kwijtschelding van (het restant van) de vordering als de belanghebbende:
a.gedurende een periode van vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en tenminste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan;
b.gedurende vijf jaar niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog binnen de vijf-jarentermijn heeft voldaan en tenminste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan.
3In afwijking van het tweede lid a en b is de termijn geen vijf jaar maar tien jaar bij besluiten tot terugvordering wegens schending van de inlichtingenplicht.
4In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het tweede lid onder a en b, slechts genomen als de belanghebbende daarom heeft verzocht.
5Kwijtschelding vindt in beginsel niet plaats als de vordering:
a.door middel van beslag of (vereenvoudigd) derdenbeslag wordt ingevorderd;
b.voor invordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder, dan wel
c.wordt gedekt door pand of hypotheek op een of meer goederen, dit voor zover de vordering op deze goederen kan worden verhaald.
9.4.3 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek
1De gemeente besluit met in acht neming van het bepaalde in artikel 60c van de Participatiewet, dan wel artikel 29a van de IOAW/IOAZ, tot medewerking aan een schuldregeling als:
a.redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en
c.de vordering van de gemeente ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de overige schuldeisers van gelijke rang.
2Medewerking aan een schuldregeling, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de vordering, kan niet worden verleend als:
a.de terugvordering het gevolg is van bijstandsverlening in de vorm van een geldlening wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b van de Participatiewet; of
b.de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.
9.4.4 Kwijtschelding bedrijfskapitaal
1De gemeente kan besluiten tot kwijtschelding van bedrijfskapitaal, verleend op grond van artikel 14 Bbz 2004, in de volgende gevallen:
a.geheel of gedeeltelijke kwijtschelding van bedrijfskapitaal is wettelijk mogelijk in die gevallen zoals beschreven in artikel 42, 43 en 43a tot en met d Bbz 2004.
b.bij toepassing van artikel 43, tweede lid Bbz 2004 kan besloten worden de termijn van vijf jaar aflossen, voordat tot kwijtschelding overgegaan kan worden, met 5 jaar te verlengen, als er sprake is van verplichtingen aan bijvoorbeeld andere schulden. Na het voldoen aan de verplichtingen kan tot kwijtschelding worden overgegaan.
c.wanneer bedrijfskapitaal verstrekt is volgens de artikelen 22 of 26 Bbz 2004 en dit volgens artikel 3 Bbz 2004 niet “om niet” verstrekt kan worden, bedraagt de terugbetalingsperiode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz 2004. De termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen van de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden;
d.er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan;
e.als alle zekerheden zijn uitgewonnen.
2Kwijtschelding vindt in beginsel niet plaats als de vordering:
a.door middel van beslag of (vereenvoudigd) derdenbeslag wordt ingevorderd;
b.voor invordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder.
9.4.5 Kwijtschelding rente
1Wanneer in het eerste en/of tweede boekjaar volgende op het jaar van aanvraag, algemene bijstand is verstrekt op grond van het Bbz 2004, en blijkt dat het totale inkomen van belanghebbende in die jaren beneden de toepasselijke jaarnorm lag, dan kan de gemeente besluiten alsnog de verschuldigde rente of al betaalde rente (deels) kwijt te schelden of na te betalen.
2De kwijtschelding of nabetaling kan niet meer bedragen dan het verschil tussen de jaarnorm en het netto-inkomen, inclusief de verstrekte algemene en bijzondere bijstand in het boekjaar. Kwijtschelding is niet mogelijk als het vermogen hoger is dan de grenzen genoemd in artikel 3 Bbz 2004.
9.4.6 Buiten invordering stellen vordering
1Wanneer gedurende vijf jaar niet op een vordering, die niet is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht, is afgelost, kan de gemeente ambtshalve besluiten tot het buiten invordering stellen van het terug te vorderen bedrag als:
a.de belanghebbende niet traceerbaar is en een onderzoek daarnaar niet tot invorderingsmogelijkheden heeft geleid;
b.de belanghebbende in het buitenland woont en als gevolg daarvan incasso niet tot succes heeft geleid.
c.het niet aannemelijk is dat de belanghebbende op enig moment nog een betaling gaat verrichten.
2De onder 1 genoemde termijn van vijf jaar, bedraagt tien jaar als de vordering wel is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht.
9.4.7 Uitstel van betaling
1Wanneer de financiële situatie of de bijzondere omstandigheden van de belanghebbende hiervoor aanleiding geven, kan de gemeente ambtshalve of op verzoek besluiten tot het verlenen van uitstel van betaling tijdens een bepaalde periode.
2De termijn waarvoor het uitstel geldt, wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling.
3Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden.
9.5 Verhaal
9.5.1 Verplichtingen van de bijstandsgerechtigde
1Wanneer er nog geen procedure alimentatie is gevoerd, legt de gemeente in beginsel op grond van artikel 55 van de Participatiewet, de verplichting aan de bijstandsgerechtigde op om alimentatie naar draagkracht te vorderen, door middel van een gerechtelijke uitspraak.
2Wanneer de onderhoudsplichtige de door de rechtbank vastgestelde alimentatie niet, niet volledig of niet tijdig betaalt, wordt bij beschikking aan de bijstandsgerechtigde, op grond van artikel 55 Participatiewet de verplichting opgelegd, de alimentatie door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te laten innen.
9.6 Kwijtschelding en buiten invordering stellen
9.6.1 Kwijtschelding
De gemeente handelt voor de kwijtschelding van vorderingen overeenkomstig de artikelen 9.4.2 en 9.4.3 van deze beleidsregels.
9.6.2 Buiten invordering stellen
De gemeente handelt voor het buiten invordering stellen van vorderingen overeenkomstig artikel 9.4.6 van deze beleidsregels.
9.6.3 Uitstel van betaling
De gemeente handelt voor het verlenen van uitstel van betaling overeenkomstig artikel 9.4.7 van deze beleidsregels.
9.7 Waarschuwing en verminderde verwijtbaarheid
9.7.1 Waarschuwing bij schending niet-geüniformeerde verplichtingen
1De gemeente kan ook besluiten om geen verlaging op te leggen, maar alleen een waarschuwing. De gemeente kan dit doen als het vindt dat een verlaging door schending van niet-geüniformeerde (arbeids)verplichtingen een te zware consequentie is. Dit gelet op de kleine ernst van de gedraging.
2Een waarschuwing moet ook in een beschikking aan belanghebbende worden gestuurd. Dit omdat een waarschuwing meetelt bij recidive.