Aanhef
De gemeenteraad van de gemeente Midden-Delfland;
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland d.d. 20 november 2014, nummer 2014-13-05a;
Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
BESLUIT:
de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Delfland 2015vast te stellen.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijving
1Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.
2In deze verordening wordt verstaan onder:
a.het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland.
b.de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Midden-Delfland;
c.uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet, alsmede een uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ;
d.bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet of, voor zover sprake is van een IOAW of IOAZ-uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk artikel 5 van de IOAZ;
e.bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet, individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet en de individuele studietoeslag, bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet;
f.geüniformeerde verplichting: een verplichting zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet;
g.inlichtingenplicht: de plicht zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet alsmede de plicht zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid van de IOAW respectievelijk artikel 13, eerste lid van de IOAZ;
h.maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid van de Participatiewet, of artikel 20 van de IOAW respectievelijk artikel 20 van de IOAZ;
i.recidive: het zich binnen een bepaalde termijn na het nemen van een besluit tot verlaging van de uitkering of het opleggen van een boete, opnieuw schuldig maken aan een schending van een verplichting, voortvloeiende uit de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, waarvoor een verlaging of een boete moet worden opgelegd;
j.benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
k.sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijke zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling, of als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie;
l.regulier onderwijs: onderwijs aan een onderwijsinstelling die gefinancierd wordt door het Rijk;
m.belanghebbende: de persoon die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door het maatregelbesluit, met inbegrip van gezinsleden en ten laste komende kinderen van de alleenstaande ouder.
Artikel 2 Het opleggen van een maatregel
1Het college legt een maatregel op als de belanghebbende:
a.volgens het college onvoldoende besef toont voor de verantwoordelijkheid om zelfstandig in het bestaan te voorzien; of
b.niet of onvoldoende zijn verplichtingen nakomt die voorvloeien uit de Participatiewet, IOAW of IOAZ, of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI), met uitzondering van de inlichtingenplicht; of
c.zich tegenover het college of haar ambtenaren zeer ernstig misdraagt.
2Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
3Indien belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige gedragingen wordt bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel hiermee rekening gehouden.
Artikel 3 Berekeningsgrondslag
1De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.
2In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien:
a.aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet; of
b.de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.
3Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2 tot en met 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.
4Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2 tot en met 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.
Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel
In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval vermeld:
a.de reden van de maatregel;
b.de duur van de maatregel;
c.de periode waarover de maatregel wordt toegepast;
d.het percentage en/of het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de bijstandsnorm, de bijzondere bijstand of het benadelingsbedrag;
e.voor zover van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.
Artikel 5 Horen van belanghebbende
1Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
2Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:
a.belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en sindsdien zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of,
b.er sprake is van een ernstige misdraging door de belanghebbende zoals bedoeld in artikel 15 van deze verordening; of,
c.Belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel
1Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
b.de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden
2Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht.
3Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
4Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen.
Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak
1De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Indien over deze periode al een maatregel is toegepast, wordt de maatregel aansluitend op deze periode opgelegd. Bij de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.
2Bij een aanvraag om bijstand wordt de maatregel met ingang van de ingangsdatum van de bijstand opgelegd.
3Als het opleggen van de maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de uitkering over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden.
4Een op te leggen maatregel die niet kan worden uitgevoerd omdat de uitkering van de belanghebbende inmiddels is beëindigd en waarbij het gestelde in het derde lid niet mogelijk is, wordt alsnog toegepast wanneer de belanghebbende binnen twaalf maanden opnieuw een uitkering aanvraagt.
Artikel 8 Heroverweging en herziening
1Het college heroverweegt een maatregel opgelegd voor het schenden van een niet geüniformeerde verplichting telkens tegen het einde van een tijdvak van drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd.
2Het college kan op verzoek van de belanghebbende een maatregel herzien die wordt opgelegd wegens het schenden van een geüniformeerde verplichting, indien uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de geüniformeerde verplichtingen alsnog nakomt.
3De minimale duur van de maatregel wegens het schenden van een geüniformeerde verplichting is één maand. Herziening als bedoeld in het tweede lid is daarom uitsluitend mogelijk indien deze maatregel is opgelegd voor een periode langer dan één maand.
Hoofdstuk 2 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
Artikel 9 Gedragingen Participatiewet
Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1Eerste categorie:
a) het zich niet of niet tijdig als werkzoekende registreren bij het UWV-Werkbedrijf of het niet tijdig verlengen van die registratie;
b) het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;
c) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of artikel 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet behoren tot de geüniformeerde verplichtingen;
d) het onvoldoende naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een geüniformeerde verplichting;
e) het in onvoldoende mate meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel c van de Participatiewet;
f) het niet, dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
g) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel b van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet;
h) het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 55 Participatiewet, zoals het zich niet onderwerpen aan een door een arts geadviseerde noodzakelijke medische behandeling.
2Tweede categorie
a) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een geüniformeerde verplichting;
b) het niet meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel c van de Participatiewet.
Artikel 10 Gedragingen IOAW en IOAZ
Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1Eerste categorie:
a) het zich niet tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV-Werkbedrijf of het niet tijdig verlengen van de registratie;
b) het onvoldoende naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
c) het in onvoldoende mate meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 37, eerste lid onderdeel f van de IOAW of IOAZ;
d) het niet, dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
e) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid onderdeel e van de IOAW of IOAZ, niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid van de IOAW of IOAZ.
f) het onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en waaronder het niet meewerken aan een onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot het voortijdig beëindigen van deze voorziening.
2Tweede categorie:
a) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
b) het niet aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
c) geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;
d) het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere gemeente dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen;
e) niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
f) het niet verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
g) het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;
h) het onvoldoende of niet gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en waaronder het niet meewerken aan een onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot het voortijdig beëindigen van deze voorziening;
i) het niet meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAW of IOAZ.
Artikel 11 Hoogte en duur van de maatregel bij het schenden van een niet geüniformeerde verplichting
1De maatregel bij gedragingen als bedoeld in artikel 9 en 10, wordt vastgesteld op:
a) 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; en
b) 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie.
2De duur of de hoogte van een maatregel bedraagt bij het binnen twaalf maanden opnieuw schuldig maken aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie:
a) eerste categorie: bij eerste recidive 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Bij de tweede en volgende recidive binnen twaalf maanden 100% van de uitkering gedurende twee maanden.
b) tweede categorie: bij eerste recidive 100% van de bijstandsnorm voor de duur van twee maanden. Bij de tweede en volgende recidive binnen twaalf maanden 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.
Hoofdstuk 3 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
Artikel 12 Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting
1Als een belanghebbende een geüniformeerde verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid niet nakomt, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
2Bij het schenden van de verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid onderdeel a van de Participatiewet, en waarbij er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het college besluiten de duur van de maatregel te verlengen tot twee maanden.
3Bij recidive binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid, bedraagt de maatregel 100% gedurende twee maanden;
4Bij recidive binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid zoals gesteld in lid 2, bedraagt de maatregel 100% gedurende drie maanden;
5Bij de tweede en volgende recidive na bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid, bedraagt de maatregel 100% gedurende drie maanden.
Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot het opleggen van een maatregel
Artikel 13 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voorafgaand aan de uitkering
1Indien een belanghebbende in de periode van maximaal één jaar voorafgaande aan de aanvraag om een uitkering een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en mede als gevolg van deze gedraging een beroep op bijstand wordt gedaan, wordt bij de volgende gedragingen een maatregel toegepast van 100% van de uitkering gedurende één maand:
a.het verwijtbaar verliezen of weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid;
b.het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening;
c.het verwijtbaar verliezen van inkomsten.
2Bij de gedraging zoals bedoeld in het eerste lid onderdeel a en waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het college besluiten de duur van de maatregel te verlengen tot twee maanden.
3Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aangemerkt en wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende één maand.
4Indien een belanghebbende voorafgaand aan de bijstandsperiode een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan heeft betoond door onverantwoorde besteding van middelen, stemt het college de maatregel af op de hoogte van het benadelingsbedrag.
5De maatregel als bedoeld in het vierde lid wordt op de volgende wijze vastgesteld:
a.bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;
b.bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;
c.bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden;
d.bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 10.000,-: 50% gedurende zes maanden; en
e.bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- of meer 50% gedurende twaalf maanden.
6In het geval dat een belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na vaststelling van de eerdere verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in dit artikel, wordt de duur van de maatregel verdubbeld.
Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tijdens de uitkering
1Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, legt het college in de volgende gevallen een maatregel op van 100% gedurende één maand:
a.het door eigen schuld en toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening;
b.het verwijtbaar verliezen van inkomsten.
2Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door onverantwoorde besteding van middelen, stemt het college de maatregel af op de hoogte van het benadelingsbedrag.
3De maatregel als bedoeld in het tweede lid, wordt op de volgende wijze vastgesteld:
a.bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -: 20% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;
b.bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;
c.bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden;
d.bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 10.000,-: 50% gedurende zes maanden; en
e.bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- of meer 50% gedurende twaalf maanden.
7In het geval dat een belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na vaststelling van de eerdere verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in dit artikel, wordt de duur van de maatregel verdubbeld.
Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen
1Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet, wordt een maatregel opgelegd van ten minste 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Het opleggen van een maatregel laat onverlet dat de belanghebbende ook een verbod kan worden opgelegd tot het betreden van gebouwen.
2Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van ten minste 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Het opleggen van een maatregel laat onverlet dat de belanghebbende ook een verbod kan worden opgelegd tot het betreden van gebouwen.
3Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na een gedraging als bedoeld in het eerste en tweede lid opnieuw schuldig maakt aan een dergelijke gedraging, wordt een verlaging toegepast van ten minste 50% gedurende twee maanden.
4In die gevallen dat belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na vaststelling van de vorige verwijtbare gedraging zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, voor een derde of volgende keer schuldig maakt aan een dergelijke verwijtbare gedraging, wordt laatst opgelegde maatregel verdubbeld. Daarbij wordt in eerste instantie de hoogte van de maatregel verdubbeld. Is dit niet mogelijk dan wordt de duur van de eerder opgelegde maatregel verdubbeld.
Hoofdstuk 5 Samenloop
Artikel 16 Samenloop van gedragingen
1Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen of geüniformeerde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.
2Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen of geüniformeerde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.
3Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening genoemde verplichting of een geüniformeerde verplichting als schending van de inlichtingenplicht, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor het schenden van de inlichtingenplicht een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
4Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening genoemde verplichting of een geüniformeerde verplichting als de inlichtingenplicht, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt naast een boete voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.
Hoofdstuk 6 Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ
Artikel 17 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ
Indien het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20, tweede lid IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een maatregel ter zake van die gedraging achterwege.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Artikel 18 Hardheidsclausule
Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 19 Overgangsrecht
1Indien de maatregelwaardige gedraging gestart is vóór de inwerkingtreding van deze verordening, en voortduurt tot op/of na de datum van inwerkingtreding van deze verordening, worden besluiten, waaronder de beslissing op bezwaar, genomen met toepassing van deze verordening.
2Bij toepassing van het eerste lid wordt – voor zover van
toepassing – de hoogte van de maatregel ten gunste van de belanghebbende gematigd tot hetgeen deze zou bedragen in de tot 1 januari 2015 van kracht zijnde ‘Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Delfland 2013’
Artikel 20 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Delfland 2015’.
Artikel 21 Ingangsdatum
1Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.
2Per 1 januari 2015 vervalt de ‘Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Delfland 2013’.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 december 2014.
De griffier, de voorzitter,
A. de Vos, A.J. Rodenburg