Gemeentelijke regelgeving

Verordening sociaal domein Gemeente Bronckhorst

Gemeente Bronckhorst · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De raad van de gemeente Bronckhorst;

gelezen het voorstel van het college van b en w van 18 november 2025;

gelet op de Verordening Sociaal Domein gemeente Bronckhorst 2024;

Besluit:

De Verordening Sociaal Domein gemeente Bronckhorst 2026 vast te stellen.

2. Verzoek om ondersteuning

Stap 1: Melding bij de gemeente

2.1.1 Melden Inwoners

1Inwoners die ondersteuning nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente.

2De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen. Iemand anders kan ook een melding namens de inwoner doen.

3Voor sommige vormen van ondersteuning kan de inwoner direct een aanvraag doen (zie art. 2.3.1). De gemeente maakt duidelijk voor welke vormen van ondersteuning dat geldt en hoe de aanvraag kan worden gedaan.

4Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen is het Advies- en meldpunt verward gedrag in het leven geroepen. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen.

5De gemeente biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit Advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.

2.1.2 Doel en procedure melding

1Het doel van de melding is om te bespreken en te onderzoeken of er ondersteuning nodig is. De gemeente nodigt de inwoner uit voor een vervolggesprek. De gemeente geeft aan waarover dat gesprek gaat, waar en wanneer het gesprek zal zijn en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil, of als het van belang is voor de vraag om ondersteuning.

2De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dat noemen wij een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheden.

3De gemeente kan afzien van een gesprek na de melding, als de gemeente al voldoende informatie heeft. De gemeente doet dit alleen in overleg met de inwoner.

2.1.3 Gegevens

De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens op te sturen of mee te nemen naar het gesprek.

Stap 2: Gesprek na de melding

2.2.1 Doel en procedure van het gesprek

1Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de vraag om ondersteuning, van het effect dat de inwoner met zijn vraag om ondersteuning wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats.

2De inwoner kan iemand laten aansluiten bij het gesprek om hem te ondersteunen. De inwoner kan ook gebruik maken van een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).

3De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek.

2.2.2 Gesprek en onderzoek

1De medewerker bespreekt met de inwoner de vraag om ondersteuning en het effect dat de inwoner met de vraag om ondersteuning wil bereiken. De medewerker onderzoekt:

a.De behoefte van de inwoner: wat is er nodig?

b.De persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit? En wat betekent dit voor het effect dat de inwoner wil bereiken?

c.De (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?

d.Andere voorzieningen: kan de inwoner gebruik maken van voorzieningen uit andere wetten?

e.De omgeving van de inwoner: welke ondersteuning kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?

f.De rol van de gemeente: welke ondersteuning kan de gemeente bieden?

g.De rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner?

2Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de vraag om ondersteuning.

3Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.

4Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de voorwaarden om een persoonsgebonden budget (Pgb) te kunnen krijgen. Als de inwoner een Pgb wil aanvragen, dan onderzoekt de gemeente of de inwoner in staat is om het Pgb te beheren en aan andere eisen rond het Pgb voldoet (zie hoofdstuk 8.3).

5Gaat het om ondersteuning-op-maat dan informeert de medewerker de inwoner over een bijdrage in de kosten.

2.2.3 Verslag

1De medewerker maakt een verslag van de uitkomsten van het gesprek.

2Gaat het om een vraag voor ondersteuning voor Wmo- of jeugdhulp, dan stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner.

3De uitkomsten van het gesprek kunnen door de medewerker worden opgenomen in een besluit, waarbij zo nodig het verslag is bijgevoegd.

Stap 3: Aanvraag

2.3.1 Aanvraag

1De inwoner kan een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de vraag om ondersteuning is afgerond. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. In uitzonderingsgevallen zoals bijvoorbeeld in crisissituaties is een telefonische aanvraag ook mogelijk. Het doel van de aanvraag is om te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, welke vorm die ondersteuning dan heeft.

2De inwoner kan in ieder geval direct een aanvraag doen voor de volgende vormen van ondersteuning:

a.Een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, voor inwoners van 27 jaar of ouder;

b.Een IOAW- of IOAZ- uitkering;

c.Leerlingenvervoer.

3De inwoner gebruikt een aanvraagformulier van de gemeente, om een aanvraag te doen in het geval van een aanvraag voor Wmo en Jeugd kan het verslag als aanvraag worden gebruikt.

2.3.2 Voorwaarden voor ondersteuning -op-maat

(Jeugdwet, Wmo, Pw, Wgs)

1Vraagt de inwoner ondersteuning die speciaal is afgestemd op de inwoner (ondersteuning-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

a.De ondersteuning is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;

b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van niet-gebruikelijke ondersteuning van huisgenoten, mantelzorg, met ondersteuning vanuit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of ondersteuning van andere voorzieningen of organisaties;

c.De ondersteuning is geschikt om het gewenste effect te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner.

2Voor sommige vormen van ondersteuning zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.

3De ondersteuning-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het gewenste effect te bereiken.

4De gemeente kan ondersteuning-op-maat in ieder geval weigeren als:

a.De vraag om ondersteuning het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner en hij deze vraag om ondersteuning had kunnen voorkomen;

b.De inwoner de gevraagde ondersteuning zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend;

c.De gemeente de noodzaak van de ondersteuning niet kan vaststellen.

2.3.3 Advisering

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.

2.3.4 Beoordelen aanvraag

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)

1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:

a.De behoefte van de inwoner;

b.De (on)mogelijkheden van de inwoner;

c.De persoonlijke situatie van de inwoner;

d.De mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente.

2Om te bepalen of de gemeente ondersteuning verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen:

•Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de vraag om ondersteuning van de inwoner is.

•Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden problemen of beperkingen er precies zijn die van belang zijn voor het beoordelen van de vraag om ondersteuning.

•Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke ondersteuning nodig is.

•Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), bijvoorbeeld met ondersteuning van huisgenoten, met ondersteuning van anderen uit het sociale netwerk of met ondersteuning van andere organisaties.

•Stap 5; De gemeente bepaalt welke aanvullende ondersteuning de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

2.3.5 Beslistermijn

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een Wmo aanvraag, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen en in ieder geval 8 weken na de melding.

2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de gegevens te verstrekken.

3Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.

Stap 4. Beslissing

2.4.1 Inhoud besluit

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)

1De gemeente legt in een brief uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de inwoner of zijn vertegenwoordiger. In het besluit staat of de gemeente wel of geen ondersteuning geeft. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven.

2Geeft de gemeente de ondersteuning ‘in natura’ (een product of een dienst), dan staat in het besluit in ieder geval:

a.Wat de ondersteuning inhoudt en wat het resultaat van de ondersteuning moet zijn;

b.Wanneer de ondersteuning ingaat en hoelang de ondersteuning duurt;

c.Door wie de ondersteuning wordt gegeven; en

d.Welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor de ondersteuning.

3Geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van een Pgb, dan staat in het besluit in ieder geval:

a.Voor welke ondersteuning het Pgb bedoeld is;

b.Wat het doel is van de ondersteuning;

c.Hoe hoog het Pgb is en hoe dat berekend is:

d.Wanneer het Pgb ingaat en wanneer het Pgb eindigt;

e.Hoe de inwoner achteraf duidelijk maakt hoe hij het Pgb heeft besteed; en

f.Welke voorwaarden en verplichtingen er voor het Pgb gelden.

4Geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval:

a.Hoeveel het is;

b.Voor welk doel het geld wordt gegeven;

c.Wanneer het geld wordt betaald;

d.Hoe vaak het geld wordt betaald; en

e.Welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor het uitgeven van het geld.

5De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele eigen bijdrage in de kosten.

2.5 Uitzonderingen

2.5.1 Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners

(Jeugdwet, Awb)

1De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt.

2De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over doorverwijzingen.

2.5.2 Spoedeisende gevallen

(Jeugdwet, Wmo, Pw, Llv, Wgs)

In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de ondersteuning krijgt die nodig is.

3. Werken en meedoen in de samenleving

3.4 Ondersteuning- werk

3.4.1 Proefplaatsing

( PW, IOAW, IOAZ)

1De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. De inwoner houdt wel een uitkering tijdens die periode.

2Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.

3Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk.

4Als de inwoner geschikt is voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing. De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband.

5In een schriftelijke overeenkomst tussen de medewerker, de inwoner en de werkgever wordt in ieder geval vastgelegd:

a.het doel van de proefplaatsing;

b.de startdatum;

c.de duur;

d.het aantal uren werk per week;

e.de wijze van begeleiding;

f.de intentie van de werkgever om de inwoner een arbeidsovereenkomst aan te bieden.

6In beginsel duurt de proefplaatsing twee maanden. Wanneer de doelstellingen van de proefplaatsing nog niet behaald zijn, kan deze maximaal verlengd worden met vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens zes maanden. Bij een proefplaatsing tussen de twee en zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden.

7De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden.

8Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

9Een proefplaatsing kan niet ingezet worden in combinatie met een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie.

3.4.2 Werkervaringsplaats

(PW, IOAW, IOAZ)

1De gemeente kan een inwoner een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn uitkering.

2De mogelijkheden, talenten, interesses en vaardigheden van de inwoner kunnen uitgangspunt zijn bij het aanbieden van een werkervaringsplaats.

3Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen:

a.De inwoner doet werkervaring op;

b.De inwoner leert om in een dienstverband te functioneren;

c.De inwoner doet arbeidsritme op.

4De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner de kans om ervaring op te doen en te leren op de werkplek.

5De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt.

6De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

7De werkervaringsplaats duurt maximaal zes maanden en kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden.

3.4.3 Participatieplaats

(PW, IOAW, IOAZ)

1De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.

2Bij het aanbieden van een participatieplaats kan de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner betrekken.

3Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt zijn uitkering. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht.

4Een participatieplaats duurt maximaal twee jaar. Dit kan met twee keer één jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden.

5Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

6De inwoner kan telkens na zes maanden een premie ontvangen. Burgemeester en wethouders stellen het bedrag van deze premie vast. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit.

3.4.4 Maatschappelijke participatie

(PW, IOAW, IOAZ)

1De inwoner kan maatschappelijke participatie zelf vormgeven, indien gewenst met hulp van de gemeente.

2De gemeente kan een inwoner activiteiten aanbieden passend bij maatschappelijke participatie.

3De gemeente houdt rekening met de wensen, de mogelijkheden, de kennis en vaardigheden van de inwoner bij het aanbieden van de activiteiten.

4Het doel van maatschappelijke participatie is de inwoner te helpen actief te blijven meedoen in de samenleving. Persoonlijke groei en eenzaamheid voorkomen zijn belangrijke doelen. Ook kan maatschappelijke participatie helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

5Maatschappelijke participatie zorgt niet voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en leidt ook niet tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

6Maatschappelijke participatie vormt geen belemmering voor de arbeidsinschakeling.

7De gemeente kan nadere regels stellen.

3.4.5 Beschut werk

(PW)

1De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft geadviseerd, dat dat nodig is. Dat is zo, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van het UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook.

2Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden.

3De gemeente biedt maximaal het aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt.

4Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. Wel kan de gemeente de inwoner helpen om zich voor te bereiden op de beschutte werkplek.

5De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:

a.Aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;

b.Werk opsplitsen in kleinere taken;

c.Aanpassing van werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.

3.4.6 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

(PW, IOAW, IOAZ, Wsw)

1De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. De gemeente kan ook een vergoeding aan de werkgever geven voor het inzetten van deze ondersteuning.

2Het doel van de ondersteuning is de werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij zonder begeleiding zijn werk kan doen bij een reguliere werkgever.

3.4.7 Loonkostenondersteuning

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een subsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.9) en ook niet in aanmerking kan komen voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner.

2De hoogte van de loonkostenondersteuning wordt door de gemeente in overleg met de inwoner en de werkgever bepaald.

3De loonkostenondersteuning duurzame uitstroom is maximaal 50% van het geldend Wettelijk minimumloon en duurt maximaal 6 maanden. Deze kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.

4Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

5Onder inwoners met een kleine kans op werk wordt verstaan: een inwoner die een periode van 12 maanden of langer aangewezen is geweest op inkomensondersteuning.

3.4.8 Wettelijke loonkostensubsidie

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De werkgever moet wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de Participatiewet voldoen.

2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden.

3Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de gemeente de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging.

4Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door middel van de Praktijkroute.

5De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend.

6De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe.

7De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.

8Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de forfaitaire loonkostensubsidie inzetten. Dit betekent dat de werkgever maximaal 6 maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie kan toekennen van maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.

9De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op www.normaalstezaak.nl

3.4.9 Detacheringsbaan

1De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep (zie 3.1) via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering.

2De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een inlenende organisatie.

3De detachering wordt vastgelegd in schriftelijke overeenkomsten tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner.

4Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3.4.10 Scholing

(PW, IOAW, IOAZ)

1De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als de scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden.

2Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

a.Is duidelijk nodig om de stap te zetten naar passend werk voor een langere periode;

b.Sluit aan op de behoefte van de arbeidsmarkt;

c.Vergroot de mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

3De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.

3.4.11 Ondersteuning bij het leren van de Nederlandse taal

(PW, IOAW, IOAZ)

Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek en mee te doen in de samenleving. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandse taal niet goed beheerst ondersteuning geven om de taal beter te leren.

3.4.12 Kinderopvang

(PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang)

1De gemeente helpt bij het vinden van passende kinderopvang, als:

a.De inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en;

b.De opvang van het kind niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.

2De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan via de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die voor zijn rekening blijven. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a.De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering; en

b.De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening).

c.De inwoner heeft een sociaal medische indicatie

Of

d.De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo-, of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs, en

e.De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau.

3.4.13 Hulp bij leer-werktraject

(PW)

1De gemeente kan een jongere hulp aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om jongeren:

a.Van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of

b.Van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo, of mbo-diploma vanaf niveau 2.

2De gemeente biedt hulp bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van school of werkgever onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen.

3.4.14 Werk aanvaardingspremie

(PW, IOAW, IOAZ)

1De inwoner die betaald werk gaat verrichten, kan per arbeidscontract een opstartpremie krijgen. Deze premie is bedoeld om kosten bij de start van een nieuwe baan te betalen.

2De premie is 250 euro voor inwoners die 21 jaar of ouder zijn. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoelang het arbeidscontract duurt.

3De premie is 62,50 euro voor inwoners die 18, 19 of 20 jaar oud zijn. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoelang het arbeidscontract duurt.

4Wanneer voor een 18-, 19-, of 20-jarige de hoogte van de inkomensondersteuning is aangepast kan de premie naar rato worden betaald.

5De premie kan maximaal één keer per 12 maanden worden gegeven.

3.4.15 Hulp op de werkplek van een jobcoach of intern begeleider.

(PW, IOAW, IOAZ, WsW)

1De gemeente kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden, hierbij wordt gebruik gemaakt van een jobcoach van de gemeente of een door de gemeente gecontracteerde partij, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. Het doel van de ondersteuning is dat de werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij zonder begeleiding zijn werk kan doen bij een reguliere werkgever.

2De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.

3De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.

4Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet de inwoner op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding.

5Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de inwoner te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen.

6De jobcoach of interne werkbegeleider spreekt de leerdoelen met de inwoner en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak.

7De gemeente spreekt met de werkgever en de inwoner de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden af, de intensiteit in duur en aantal uren en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever.

8Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de eisen van het coaching plan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt.

9Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan het Erkennings-en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning van het UWV. Deze is vindbaar op www.uwv.nl

10Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching in te zetten wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes van het UWV, deze staan in het protocol jobcoach 2019 artikel 2.4 te vinden op www.uwv.nl

11De gemeente kan van de begeleidingsregimes van het UWV afwijken en maatwerk leveren, wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en omstandigheden van de inwoner.

3.4.16 Ondersteuning door inzet van een vervoersvoorziening

(PW,IOAW, IOAZ, WsW)

1De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in vergoeding in geld worden verstrekt.

2De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a.De inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en

b.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

3De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.

4De gemeente brengt een eventueel bedrag dat verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening aan de werknemer, in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

3.4.17 Ondersteuning bij een visuele of motorische handicap

(PW, IOAW, IOAZ, WsW)

De gemeente kan hulp geven aan mensen die moeite hebben met zien of bewegen door middel van een voorwerp/ondersteuning die hen kan helpen deze functies te vervangen of te ondersteunen.

3.4.18 Ondersteuning door inzet van een meeneembare voorziening

(PW, IOAW, IOAZ, WsW)

1De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.

2In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde voor het uitvoeren van het werk aantoonbaar is.

3De meeneembare voorziening wordt door de gemeente uitgeleend. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten de voorziening te geven aan de inwoner.

3.4.19 Andere voorzieningen en vergoedingen

( PW, IOAW, IOAZ)

1De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.

2De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de uitkering. De regels staan in artikel 31 van de Participatiewet, artikel 8 van de IOAW en in artikel 8 van de IOAZ.

3Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: Het besluit bijstandsverlening zelfstandigen. (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden.

4De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit kan de gemeente alleen doen als de inwoner de kosten niet op een andere manier vergoed kan krijgen.

3.6 Meedoen in de samenleving

3.6.1. Begeleiding individueel

De begeleiding richt zich op het vergroten of behouden van vaardigheden en/of het voorkomen van achteruitgang. Begeleiding heeft ook een signalerende functie; voorkomen van overvraging en signaleren van achteruitgang. Doel van de begeleiding is het vergroten of behouden van de eigen kracht en eigen regie met positief effect op een of enkele leefgebieden. De begeleiding wordt geboden op de beste plek. Dit kan thuis bij de inwoner zijn, maar ook elders. In aanvulling daarop kan begeleiding op afstand door middel van (beeld) bellen worden geboden, wanneer dit aansluit bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner.

3.6.2. Begeleiding individueel extra

De begeleiding helpt inwoners om stabiel te worden, te herstellen en zich te ontwikkelen. Bij de begeleiding wordt een plan gevolgd. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven. De begeleiding wordt gegeven op de beste plek. Dit kan thuis zijn, maar ook ergens anders. Daarnaast kan begeleiding op afstand via (video) bellen worden gegeven, als dit past bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner.

3.6.3. Begeleiding individueel beschermd thuis

De begeleiding helpt inwoners om te herstellen, zich te ontwikkelen en vast te houden wat ze hebben bereikt. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven en het weer zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding kan veranderen naar een situatie waarin de persoon samen met zijn omgeving om kan gaan met de beperkingen zonder extra hulp of met planbare hulp. De begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Als het nodig is, kan de begeleider binnen 45 minuten bij de inwoner (thuis) zijn.

3.6.4. Beschermd wonen

Vanwege problemen is het nodig dat de inwoner in een instelling met toezicht en begeleiding gaat wonen. Het verblijf is tijdelijk en in veilige omgeving, en helpt de inwoner om zelfredzaam te worden, mee te doen in de samenleving, beter te functioneren, een stabieler psychiatrisch ziektebeeld te krijgen, verwaarlozing of overlast te voorkomen, en gevaar voor zichzelf of anderen af te wenden. De ondersteuning richt zich op door- en uitstroom. De begeleiding is altijd dichtbij en de inwoner kan op elk moment om hulp vragen. De begeleiding moet flexibel zijn om snel te kunnen reageren. Samenwerken met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere belangrijke partners is nodig en onderdeel van de begeleiding. De begeleiding merkt ook dingen op.

Dagbesteding of individuele begeleiding is geen onderdeel van beschermd wonen en kan apart geregeld worden. Dagbesteding kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan de woonaanbieder.

3.6.5. Beschut wonen

De inwoner kan tijdelijk niet zelfstandig wonen en heeft baat bij een veilige en gezamenlijke woonomgeving met zorg en 24-uurs nabijheid door bereikbaarheid. De begeleiding helpt de inwoner om meer zelf te kunnen beslissen, nieuwe vaardigheden te leren of verloren vaardigheden terug te krijgen. Het doel van de begeleiding is ook om de inwoner zelfredzamer te maken en stabiliteit te waarborgen. Soms is het nodig om de sturing van de inwoner over te nemen, maar het doel is altijd om naar eigen regie te streven.

3.6.6. Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+

De inwoner heeft hulp nodig om meer grip te krijgen op zijn of haar leven en zelfstandiger te worden. Dit kan gaan om een jongere of volwassene die is opgegroeid in een situatie die niet goed past bij wat hij of zij nodig heeft. De mensen om de inwoner heen kunnen hierbij niet genoeg helpen. De inwoner is klaar om een volgende stap te zetten richting volwassenheid, maar kan nog niet helemaal zelfstandig wonen. De inwoner werkt eraan om zo zelfstandig mogelijk mee te doen in de samenleving en leert de vaardigheden die daarvoor nodig zijn.

3.6.7. Safehouse

Een Safehouse biedt herstelgerichte ondersteuning aan volwassen cliënten met verslavingsproblematiek en psychosociale en/of psychiatrische problemen. Deze voorziening biedt een veilige en gezonde, afgeschermde omgeving, waarin vaardigheden en gedrag die noodzakelijk zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en wordt geoefend in een huiselijke omgeving met groepsgenoten.

De begeleiding in een Safehouse is met name voor mensen die net een behandeling tegen verslaving hebben afgerond, kampen met multi-problematiek, een terugval hebben gehad of gebaat zijn bij een een ‘’oefenplek’’ zonder de verleiding van hun oude (verslavings-)netwerk. Het doel is om te leren hoe je zonder verslaving kunt leven. De cliënt leert bijvoorbeeld hoe je een dagritme opbouwt, zelfstandig kunt wonen en omgaan met problemen. Ook is er aandacht voor psychische en sociale problemen.

De begeleiders letten goed op hoe het met de cliënt gaat. Ze kijken of er signalen zijn van terugval of andere problemen. Als het nodig is, grijpen ze op tijd in. De cliënt leert ook om problemen te herkennen en ermee om te gaan. De begeleiders werken samen met behandelaars, familie of andere belangrijke mensen in het leven van de cliënt. De begeleiding gebeurt op een vaste locatie van de organisatie, in Nederland. De plek is veilig en geschikt voor de doelgroep. Het verblijf duurt maximaal een jaar. Er is overdag begeleiding aanwezig en er is altijd iemand bereikbaar. Bij spoed kan er binnen 45 minuten iemand op locatie zijn. Er is ook een gezamenlijke ruimte voor groepsactiviteiten. De cliënt woont samen met anderen die ook werken aan hun herstel. Ze kunnen elkaar helpen door ervaringen te delen. Begeleiding op afstand, zoals beeldbellen, gebeurt in principe niet. Wel kunnen begeleiders de cliënt telefonisch ondersteunen. Als er iets misgaat, kunnen zij snel in actie komen. De begeleiding gebeurt vooral op de plek waar de cliënt woont. Dat is belangrijk voor het gevoel van veiligheid en het herstelproces.

3.6.8. Sociaal recreatief vervoer

1De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis.

2Het moet gaan om:

a.het zich verplaatsen rondom de woning; of

b.het zich verplaatsen over ten hoogste 20 km van de woning.

3De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer.

De inwoner kan dan gebruik maken van collectief taxivervoer voor een lager tarief, via ZOOV. De inwoner betaalt een eigen bijdrage van €60,- per jaar.

3.6.9. Rolstoel

1De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel, als deze noodzakelijk is voor dagelijks gebruik.

2De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder sportvoorziening kan eens in de drie jaar in aanmerking komen voor een sportrolstoel.

3De inwoner kan in aanmerking komen voor een bijdrage in het onderhoud van de sportrolstoel. Deze bijdrage wordt 1 keer per 3 jaar verstrekt. De hoogte van deze vergoeding is opgenomen in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bronckhorst.

3.6.10. Aanpassing of vervanging voorziening

Als een vervoermiddel of (sport)rolstoel aangepast of vervangen moet worden, dan doet de gemeente dat alleen, als:

a.Die voorziening onbruikbaar is geworden buiten de schuld van de inwoner om; of

b.Die voorziening geen oplossing meer is voor de ondersteuning aan de inwoner; of

c.De inwoner de kosten van vervanging geheel of gedeeltelijk zelf betaalt.

3.7 Wet inburgering (Wi)

3.7.1 Doelgroep

Asielmigranten met een verblijfsstatus (statushouders) die door het COA gekoppeld worden aan de gemeente. Hierbij horen ook nareizende familieleden die een verblijfsstatus hebben gekregen. Gezinsemigranten; dit zijn de mensen die vanuit de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) bericht hebben gekregen dat ze verplicht zijn om in te burgeren.

3.7.2 Inburgeringsvoorzieningen

Om het inburgeringsproces goed te laten verlopen zijn er in de Wet een aantal stappen vastgelegd. Sommige stappen zijn verplicht en moeten worden doorgegeven aan DUO. Het gaat om de volgende stappen:

•Leefbaarheidstoets

•Brede intake

•Persoonlijk inburgerings- en participatieplan (PIP)

•Module arbeidsparticipatie (MAP)

•Participatieverklaringstraject (PVT)

•Leerroute; B1 leerroute of zelfredzaamheidsroute (Z-route) of de Onderwijsroute.

De maatschappelijke begeleiding bij huisvesting en financiële zelfredzaamheid behoren tot de voorzieningen die de gemeente aanbiedt aan deze doelgroep. De gemeente werkt samen met verschillende professionele partijen om deze inwoner goed te helpen in de eerste jaren als inwoner van de gemeente.

5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.2 Zelfstandig en veilig wonen

5.2.1 Geschikte woning

1De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, als:

a.Het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en

b.Verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de woonvoorziening.

De woonvoorziening houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt.

2Als verhuizing voorgaat, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een geldbedrag voor de verhuizing en inrichting van een geschikte woning van maximaal € 2.849,00.

3De inwoner kan tijdelijk een andere woning nodig hebben om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt. In dat geval kan de inwoner in aanmerking komen voor een bijdrage in de extra kosten van tijdelijke huisvesting van maximaal € 1.354,00.

4De inwoner kan alleen een woonvoorziening krijgen als dat passend en nodig is. De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties:

a.De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt;

b.De woonvoorziening is bedoeld voor een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning.

c.De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex;

d.De inwoner had geen problemen bij het normale gebruik van de woning en er was geen belangrijke reden voor de verhuizing;

e.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner ter verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven;

f.De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn het gevolg van de bouwkundige of woon technische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning;

g.De kosten van de woonvoorziening zijn hoger dan € 50.000,-. Dat is anders als er volgens de gemeente zwaarwegende redenen zijn om de woning wel aan te passen.

5De eigenaar-bewoner die een woningaanpassing heeft ontvangen en de woning verkoopt, moet de verkoop zo snel mogelijk melden aan de gemeente. Dat moet alleen bij verkoop van de woning binnen 7 jaar na gereed melding van de woningaanpassing. Is er bij verkoop een meerwaarde naar aanleiding van de woningaanpassing, dan moeten de kosten van de woningaanpassing worden terugbetaald. De gemeente heeft daarvoor een afschrijvingsschema vastgesteld.

5.2.2 Een schone en leefbare woning

1De inwoner met een beperking die zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden.

2Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de niet-gebruikelijke ondersteuning die kinderen normaal gesproken moeten bieden. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

3De ondersteuning houdt in dat de inwoner de voorziening ‘hulp bij het huishouden 1’of ‘hulp bij het huishouden 2’aangeboden krijgt. Hulp bij het huishouden 1 bestaat uit schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon. Hulp bij het huishouden 2 wordt ingezet voor schoonmaakhulp, maar er wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding en het aanleren van huishoudelijke vaardigheden.

5.2.3 Hulp bij het (zelfstandig) wonen

1De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als de inwoner psychische en/ of psychosociale problemen heeft. Het gaat niet om problematiek die voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarin de gemeente nog geen noodzaak voor hulp bij het (zelfstandig) wonen kan vaststellen. Daarvoor is de voorziening maatschappelijke opvang beschikbaar (zie artikel 5.4).

2De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als andere vormen van hulp-op-maat onvoldoende passend zijn.

3Hulp bij het (zelfstandig) wonen kent verschillende vormen: Beschermd Thuis, Beschut Wonen en Beschermd Wonen. Beschermd Thuis biedt de inwoner die zelfstandig woont de mogelijkheid om 24 uur per dag hulp op afroep in te schakelen. Beschut en Beschermd Wonen biedt de inwoner een beschermde woonomgeving in een woonvorm met begeleiding en mogelijkheid tot 24-uurs toezicht. Afhankelijk van de aard en omvang van de problematiek kan onder een beschermde woonomgeving ook een woning worden verstaan waarbij begeleiding en toezicht in de directe nabijheid wordt geboden.

5.2.4 Maatschappelijke opvang

1De inwoner kan in aanmerking komen voor tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als

a.De inwoner dakloos is en de opvang nodig heeft, omdat hij zich niet op eigen kracht kan redden in de samenleving door onder andere verslavingsproblematiek of door psychische of psychosociale problemen; of

b.Bij huiselijk geweld.

2De opvang is erop gericht, dat de inwoner zich weer kan redden in de samenleving. De opvang wordt pas aangeboden, als andere voorzieningen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken.

3Voor inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem en daarop gebaseerde regelingen.

5.3 Mantelzorg

5.3.1 Ondersteuning mantelzorger

1De gemeente zorgt ervoor dat mantelzorgers van inwoners ondersteuning -op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. Voorwaarde is, dat de mantelzorg niet overgenomen kan worden door anderen, zoals vrijwilligers.

2De inwoner die mantelzorg ontvangt kan in aanmerking komen voor respijtzorg als dit niet vanuit een voorliggende voorziening of andere wetgeving wordt verstrekt. Respijtzorg is het tijdelijk overdragen van de zorg, zodat mantelzorgers ook tijd hebben voor bijvoorbeeld werk, studie, gezin, familie, vrienden en ontspanning. Het kan bijvoorbeeld gaan om het inschakelen van professionele zorgverlening die de zorgtaken tijdelijk overnemen, dagopvang voor de zorgvrager, kortdurend verblijf van de zorgvrager, het inzetten van vrijwilligers, telefoon en online ondersteuning, vakantie voor mantelzorgers, of het logeren in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin. Respijtzorg heeft als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger of zijn omgeving, of om ontsporing van de situatie te voorkomen.

3De (jonge) mantelzorger kan voor (specialistische) vragen en ondersteuning op het gebied van mantelzorg terecht bij het sociaal team van de gemeente Bronckhorst.

5.3.2 Mantelzorgwaardering

1De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan die kan worden aangevraagd door de zorgvrager. Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering te geven aan mantelzorgers. De hoogte van de mantelzorgwaardering is opgenomen in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bronckhorst. Voorwaarde is dat de zorgvrager in de gemeente Bronckhorst woont.

2Een inwoner die mantelzorger is kan jaarlijks deelnemen aan een mantelzorgverwendag. Dit is een dag rondom de Dag van de Mantelzorg om mantelzorgers te waarderen en in het zonnetje te zetten.

5.3.3 Mantelzorgwoning

Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het erf van een inwoner, en is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de mantelzorger of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. De gemeente beoordeeld of een mantelzorgwoning noodzakelijk is.

6. Vervoer naar school (ondersteuning bij leerlingenvervoer)

6.3 Voorwaarden

6.3.1 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer

1De gemeente ondersteunt bij vervoer voor een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, voor:

a.het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.

b.het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.

2De regels uit dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer behalve artikel 6.4 lid 4, onderdeel a.

6.6 Financiële draagkracht / eigen bijdrage

6.6.1 Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage

1Voorwaarden

Er wordt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage van ouders gevraagd wanneer het kind zonder beperking:

a.De dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs

b.meer dan 20 km van de woning af ligt

c.De eigen bijdrage mag nooit hoger zijn dan de kosten voor vervoer.

Bij speciaal onderwijs wordt een beperking aangenomen.

2Hoogte

De hoogte van de eigen bijdrage (per gezin) zijn afhankelijk van het verzamelinkomen volgens Belastingdienst.

3Geen eigen bijdrage

Ouders van kinderen die door langdurige beperkingen niet zelfstandig met het OV kunnen reizen betalen geen eigen bijdrage.

6.6.2 Vaststellen inkomen

1Peiljaar is het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor ouder(s) vergoeding aanvragen. Inkomensverklaringen kunnen worden gedownload in ‘Mijn Belastingdienst’. Bij structurele inkomensdaling van minimaal 15% kan peiljaar verlegd worden, dit kan niet tijdens een schooljaar bij lopende aanvraag. Peiljaarverlegging moet schriftelijk worden aangevraagd.

2De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen en van de eigen bijdrage jaarlijks aan en volgt hierbij het advies van basisnormbedragen leerlingenvervoer VNG.

3Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.

7. Inkomen en schulden

7.1 Armoedebestrijding

7.1.1 Wat wil de gemeente

1De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen. De inwoner heeft een financiële buffer, als zijn vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens uit de Participatiewet. Is het vermogen hoger dan die grens, dan kan de inwoner geen financiële ondersteuning van de gemeente krijgen.

2De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben ondersteuning aan. Het doel van die ondersteuning is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.

3De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan.

4De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden.

5De gemeente zorgt ervoor, dat voorzieningen op een eenvoudige manier aangevraagd kunnen worden, als ze voor een bepaalde periode zijn verstrekt.

7.2 Bijzondere bijstand

7.2.1 Vangnet

1De gemeente biedt bijzondere bijstand aan als een financieel vangnet. Bijzondere bijstand is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer, die extra noodzakelijke uitgaven niet kunnen betalen. Dat zijn onverwachte uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald door bijzondere omstandigheden.

2De gemeente beoordeelt een aanvraag voor bijzondere bijstand vanuit de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijk beleidskader sociaal domein.

3De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand en hoe de hoogte wordt vastgesteld.

7.2.2 Sociaal Medische Indicatie

De gemeente zorgt voor passende kinderopvang wanneer er sprake is van een sociaal medische indicatie waaruit de noodzaak van kinderopvang blijkt. De volgende voorwaarden zijn dan van toepassing;

1Er bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag;

2Het kind kan niet naar de peuterspeelzaal;

3Maximaal 2 dagen of 4 dagdelen aangewezen is op kinderopvang per week gedurende het geldende kalenderjaar;

4Voor de hoogte van de ondersteuning is de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand van toepassing en is nooit hoger dan de kosten voor kinderopvang.

7.3 Inkomenstoeslag

7.3.1 Doelgroep

De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner van 21 jaar of ouder tot de pensioengerechtigde leeftijd die:

1In een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm; en

2Geen recht heeft op studiefinanciering; en

3Geen uitzicht heeft op inkomensverbetering; en

4Gedurende een periode van 36 maanden voor de aanvraag geen maatregel, geen afstemming of boete opgelegd heeft gekregen (hoofdstuk 9 afspraken tussen inwoners en gemeente).

7.3.2 Hoogte van de toeslag

1De inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar 40% van de voor die persoon geldende bijstandsnorm.

2Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als de partner geen recht heeft op inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet.

7.4 Kindpakket, Meedoen voor volwassenen en Collectieve ziektekostenverzekering

7.4.1 Doelstelling

De gemeente wil inwoners en in het bijzonder kinderen, helpen die opgroeien in armoede, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen aan sociale, culturele en sportieve activiteiten. Kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar van ouders/verzorgers met een laag inkomen en vermogen komen in aanmerking voor het Kindpakket zodat deze kinderen kunnen meedoen in de maatschappij net als kinderen die niet in een gezin met een laag inkomen opgroeien.

Aansluitend bij de Nota Lokaal Gezondheidsbeleid het Regioplan Achterhoek IZA, het Preventie Akkoord Achterhoek en het Regionaal Beweeg- en Sportakkoord bieden we volwassenen met een laag inkomen en vermogen de mogelijkheid tot maatschappelijke participatie.

7.4.2 Doelgroep

Voor een vergoeding op basis van deze paragraaf komen in aanmerking huishoudens bestaande uit personen van 18 jaar of ouder en hun eventuele kinderen die:

1Woonachtig zijn in de gemeente Bronckhorst op basis van de Gemeentelijke Basis Administratie en;

2Een inkomen hebben minder dan 130% van de geldende bijstandsnorm als bedoeld in Hoofdstuk 3 – Algemene bijstand, paragraaf 3.2 – Normen van de Participatiewet exclusief vakantiegeld. Het inkomen is het nettobedrag per maand exclusief vakantiegeld en reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. Bij wisselende inkomsten wordt het inkomen vastgesteld op basis van het gemiddelde van de laatste 3 maanden voorafgaande aan de aanvraag. Voor inwoners die zelfstandig ondernemer zijn wordt het inkomen vastgesteld op basis van de meest recente definitieve belastingaanslag en;

3Een vermogen hebben dat minder bedraagt dan de geldende bedragen van de vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. Bij de vaststelling van het vermogen wordt voor de bezittingen alleen uitgegaan van de lopende en spaarrekeningen van de ouders en inwonende kinderen tot 18 jaar. Koopwoning, auto/motor/caravan/boot, waardepapieren, enzovoort tellen niet mee. Met schulden wordt alleen rekening gehouden als deze aantoonbaar en opeisbaar zijn of;

4Een schuldhulptraject via de Stadsbank of Vroeg Erop af volgen en daardoor een laag besteedbaar inkomen hebben of;

5Steun ontvangen via de voedselbank.

6Aanvrager heeft geen recht op een vergoeding uit deze paragraaf, indien:

a.die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft; of

b.die recht heeft op studiefinanciering met uitzondering van (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering; of

c.aan wie op grond van artikel 11 van de PW geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is.

7De aanvrager dient zelf aan te tonen dat hij een inkomen en vermogen heeft binnen de geldende normen.

7.4.3 Reikwijdte en voorwaarden

1Er bestaat recht op een vergoeding vanuit deze paragraaf als de aanvrager tot de doelgroep behoort en voldoet aan de voorwaarden die voor de betreffende regeling geldt.

2Het recht op vergoedingen wordt vastgesteld voor het gehele kalenderjaar. Dit recht kan enkel ten gunste van de aanvrager wijzigen, indien zich wijzigingen voordoen in de huishoudsamenstelling of in het inkomen van de aanvrager.

3Het inkomen wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde inkomen van drie aaneengesloten maanden voorafgaand aan de aanvraag.

4In afwijking van het vierde lid wordt het inkomen van een uitkeringsgerechtigde vastgesteld aan de hand van de meest recente uitkeringsspecificatie.

5Vergoedingen worden verstrekt in natura.

6Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten.

7.4.4 Soorten vergoedingen

1Inwoners kunnen de volgende producten aanvragen:

a.Het Kindpakket, bestaande uit:

i.een Cadeaukaart met een vrij te besteden budget bij aangesloten winkels in gemeente Bronckhorst;

ii.een laptop voor de middelbare school;

iii.een tegemoetkoming in de kosten voor een mobiele telefoon voor kinderen op de middelbare school;

iv.een tegemoetkoming in de kosten voor een fiets voor kinderen op de middelbare school.

b.Meedoen voor volwassenen.

2De producten worden als budget of in natura verstrekt.

7.4.4.1 Kindpakket: de Cadeaukaart

1Ouder/ verzorgers kunnen een Cadeaukaart voor kinderen aanvragen dat besteed kan worden aan producten en activiteiten die bijdragen aan de kernwaarden van deze verordening.

2Het maximale tegoed dat per kind op de Cadeaukaart per periode toegekend kan worden is:

a.€ 200,- voor kinderen die op de peildatum jonger dan 4 jaar zijn;

b.€ 300,- voor kinderen die op de peildatum 4 jaar of ouder zijn maar jonger dan 12 jaar;

c.€ 400,- voor kinderen die op de peildatum 12 jaar of ouder zijn maar jonger dan 18 jaar.

3Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden.

4De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende kalenderjaren. Ook als het inkomen of vermogen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 2.

7.4.4.2 Kindpakket: Laptop middelbare school

1Ouders/ verzorgers kunnen een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een laptop of tablet die door middelbare scholen als noodzakelijk wordt geacht aanvragen.

2Er kan een vergoeding van een laptop of tablet worden aangevraagd voor een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar.

3De vergoeding voor een laptop of tablet kan éénmalig worden aangevraagd per kind.

4Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een laptop of tablet € 400,-, tenzij de aanvrager kan aantonen dat de school een laptop of tablet verplicht stelt die duurder is dan € 400,-, dan kan er een vergoeding voor maximaal € 750,- worden toegekend.

5De vergoeding voor een laptop of tablet voor de middelbare school wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.

7.4.4.3 Kindpakket: Mobiele telefoon middelbare school

1Ouders/ verzorgers kunnen een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een mobiele telefoon aanvragen.

2Er kan een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een mobiele telefoon aangevraagd voor een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar.

3De vergoeding voor een mobiele telefoon kan éénmalig worden aangevraagd per kind.

4Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een mobiele telefoon € 200,-.

5De vergoeding voor een mobiele telefoon wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.

7.4.4.4 Kindpakket: Fiets middelbare school

1Ouders/ verzorgers kunnen een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een fiets aanvragen.

2Er kan een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een fiets worden aangevraagd voor een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar.

3De vergoeding voor een fiets kan éénmalig worden aangevraagd per kind.

4Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een fiets € 250,-.

5De vergoeding voor een fiets wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden.

7.4.4.5 Meedoen voor volwassenen

1Inwoners kunnen een Cadeaukaart aanvragen dat besteed kan worden aan producten en activiteiten die bijdragen aan de kernwaarden van deze verordening.

2Om in aanmerking te komen voor een Cadeaukaart dient de aanvrager op de peildatum 18 jaar of ouder te zijn.

3Het maximale tegoed dat een aanvrager per periode toegekend kan worden kan krijgen is € 75,-.

4Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in lid 2.

5De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende kalenderjaren. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 2.

7.4.5 Aanvraag en beschikking

1Inwoners kunnen het Kindpakket of de regeling “Meedoen voor volwassenen” aanvragen op de website www.bronckhorst.nl. Zij kunnen een papieren aanvraag indienen als een digitale aanvraag niet mogelijk is.

2Inwoners ontvangen via een beschikking het besluit op de aanvraag.

3Aanvragen voor de regelingen uit deze paragraaf kunnen worden ingediend van 1 januari tot en met 15 december van het betreffende kalenderjaar.

4Indien de aanvrager voldoet aan de gestelde voorwaarden, dan wordt vastgesteld op welke vergoedingen de aanvrager recht heeft gedurende het gehele kalenderjaar.

7.5 Schuldhulpverlening

7.5.1 Samenwerking en toegang.

1De gemeente werkt samen met andere organisatie om te voorkomen dat inwoners risicovolle schulden krijgen.

2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om ondersteuning kunnen vragen.

3De gemeente informeert inwoners over de ondersteuning die zij kan aanbieden.

4De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden van deze inwoners melden bij de gemeente.

7.5.2 Schuldhulpverlening

De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van zijn schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt.

7.5.3 Besluit

1De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wgs, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wgs, heeft plaatsgevonden.

8. De vorm van de ondersteuning

8.3 Persoonsgebonden budget (Pgb)

8.3.1 Voorwaarden - algemeen

1De inwoner kan kiezen voor een Pgb, als hij in aanmerking komt voor ondersteuning -op-maat op grond van de Wmo of Jeugdwet. Het moet wel duidelijk zijn dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.De inwoner kan voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het Pgb horen op een verantwoorde en onafhankelijke manier uitvoeren. Dat betekent dat degene die het Pgb beheert alle aan het Pgb verbonden taken, ook benoemen en ontslaan van de hulpverlener en het geven van opdrachten aan de hulpverlener kan uitvoeren. Eventueel met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt.

b.De inwoner maakt duidelijk waarom hij een Pgb wil ontvangen. Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom ondersteuning -op-maat door een aanbieder van de gemeente, niet passend is.

c.De ondersteuning die de inwoner met het Pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De ondersteuning moet veilig en doelmatig zijn en op de inwoner gericht. Dit moet duidelijk worden uit het Pgb-plan van de inwoner.

2De gemeente kan een Pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:

a.Het gaat om een Pgb voor ondersteuning en de inwoner kan het Pgb niet zelf beheren en wil het Pgb laten beheren door de hulpverlener. Uitzondering: ouders die jeugdhulp geven aan een eigen kind kunnen wel een Pgb beheren voor die jeugdhulp;

b.De inwoner of zijn vertegenwoordiger heeft verslavingsproblematiek;

c.De inwoner of zijn vertegenwoordiger heeft schuldenproblematiek;

d.De inwoner of zijn vertegenwoordiger heeft eerder misbruik gemaakt van het Pgb;

e.De gemeente heeft eerder ondersteuning -op-maat of een Pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken;

f.De inwoner vraagt (met terugwerkende kracht) een Pgb voor kosten die al zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan;

g.De gemeente kan niet meer nagaan of het nodig was om die kosten te maken;

h.De kosten van een Pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor Zorg in Natura. Het Pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn.

3Het Pgb is bedoeld voor ondersteuning, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het Pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag en kan niet besteed worden aan:

a.Kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b.Het voeren van een Pgb-administratie;

c.Ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een Pgb-administratie;

d.Kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s);

e.Vakantiegeld;

f.Reis- en verblijfskosten;

g.Eenmalige uitkeringen.

8.3.2 Professionele of niet-professionele hulp

1Bij het vaststellen van de hoogte van het Pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp

2Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed-of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de inwoner:

a.Iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor Jeugdhulp en Wmo (Wonen, Wonen Gericht op zelfstandigheid en begeleiding) zijn deze te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl; of

b.Iemand die als Zelfstandige zonder personeel de beschikking heeft over een Beschikking geen loonheffingen (BGL) en ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wmo. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wmo en de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor Jeugdhulp en Wmo (Wonen, Wonen Gericht op zelfstandigheid en begeleiding) zijn deze te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl.

3De inwoner mag het Pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:

a.moet de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven;

b.moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’; specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden, voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

c.moet als hij jeugdhulp biedt, aantonen dat hij de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling gebruikt en dat hij SKJ of BIG geregistreerd is.

4Van niet-professionele hulp is sprake als:

a.de hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;

b.de hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van de inwoner.

5De inwoner mag het Pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:

a.heeft aannemelijk gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden, en

b.moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag.

8.3.3 Hoogte en tarief Pgb

1De gemeente stelt de hoogte van het Pgb voor een product vast aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de inwoner goedkoopst compenserende hulp in natura en het Pgb is toereikend voor de aanschaf van het product bij minimaal 1 aanbieder.

2De gemeente houdt bij het vaststellen van de hoogte van het Pgb voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Met uitzondering van een woonvoorziening, de inwoner is hierbij zelf verantwoordelijk voor de verzekering van het product.

3De gemeente kan de hoogte van het Pgb voor een product vaststellen op basis van een offerte van de aanbieder uit het goedgekeurde Pgb-plan en/of een door de gemeente opgevraagde offerte. De gemeente stelt de hoogte van het Pgb vast op het bedrag van de laagste offerte.

4Voor professionele hulp wordt de hoogte van het pgb als volgt vastgesteld: voor formele hulp vanuit de Jeugdwet en Wmo hanteert de gemeente het geldende hulp in natura tarief, gebaseerd op het kostprijsmodel van Sociaal Domein Achterhoek (www.sociaaldomeinachterhoek.nl), verminderd met een percentage aan overheadskosten. Het percentage kan wisselen per product. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product of dienst bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk.

5De hoogte van het Pgb voor niet-professionele hulp voor ondersteuning in het kader van de Jeugdwet met uitzondering van logeren, en voor Wmo Integrale Ondersteuning, met uitzondering van logeren, is gelijk aan het wettelijk minimum (uur)loon. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek per 1 januari van het jaar waarin het Pgb wordt verstrekt, inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.

6De hoogte van het Pgb voor niet-professionele hulp voor huishoudelijke ondersteuning (Wmo) is gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.

7Voor logeren uitgevoerd door niet-professionele hulp (hulp uit sociaal netwerk) bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 150,- per kalendermaand, tenzij op basis van het Pgb-plan van de inwoner kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming. De inwoner dient een “Verklaring hulp uit het sociaal netwerk” in te vullen en in te dienen bij de gemeente die deze doorstuurt naar de Sociale Verzekeringsbank.

8.3.4 Verantwoording Pgb

1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het Pgb is besteed en welke resultaten de ondersteuning voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken.

2Als de inwoner ondersteuning -op-maat in de vorm van een Pgb krijgt, wordt alleen de ondersteuning uitbetaald die feitelijk geleverd is.

8.3.5 Opschorten Pgb

De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het Pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het Pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als de gemeente een sterk vermoeden heeft dat:

a.De inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;

b.De inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het ontvangen van het Pgb;

c.De inwoner het Pgb niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt; of als

d.De inwoner verblijft in een instelling zoals bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

9. Afspraken tussen inwoner en gemeente

9.1 Hoe gaan we met elkaar om?

9.1.1 De rol van de gemeente

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb)

1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of digitaal/telefonisch zijn.

c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van ondersteuning bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

d.De website van de gemeente is voldoende toegankelijk en voldoet aan erkende kwaliteitseisen.

e.De gemeente hanteert eenvoudige aanvraagformulieren. Daarmee kan de inwoner een uitkering of voorziening aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

f.De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

g.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de ondersteuning

h.De gemeente wijst de inwoner op onafhankelijke cliëntondersteuning.

2De gemeente reageert op een professionele manier bij ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

•Zijn rechten en plichten;

•Wat er van hem wordt verwacht;

•Welke gedrag ontoelaatbaar is;

•Wat de reactie van de gemeente is op ontoelaatbaar gedrag en

•Waarom de gemeente tegen het ontoelaatbare gedrag optreedt.

b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.

c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

•De ernst van het gedrag’;

•De mate waarin dat de inwoner het toegerekend kan worden; en

•De persoonlijke situatie van de inwoner.

d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

9.1.2 De rol van de inwoner

1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:

a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen.

b.Als de gemeente ondersteuning verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. De inwoner doet wat nodig is om de ondersteuning van de gemeente tot een minimum te beperken.

c.De inwoner zorgt ervoor dat de ondersteuning van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.

2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de vraag om ondersteuning en over de persoonlijke situatie van de inwoner. Dit geldt ook als de ondersteuning al is toegekend.

b.De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner heeft om alle informatie aan te leveren.

c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van veranderingen in zijn situatie.

9.2 Het verlagen van een uitkering

9.2.1 Wanneer wordt de uitkering verlaagd?

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1De gemeente verlaagt de uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.

2Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat schriftelijk of mondeling doen.

3Wanneer de gemeente besluit om de uitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met:

a.De ernst van het gedrag;

b.De mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en

c.De persoonlijke situatie van de inwoner.

9.2.2 Geen verlaging

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente verlaagt de uitkering niet als:

a.Het gedrag van de inwoner niet toe te rekenen is;

b.Er meer dan 24 maanden ligt, tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld;

c.De gemeente daarvoor dringende redenen ziet.

9.2.3 Het besluit om de uitkering te verlagen

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente stuurt de inwoner een brief als de uitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval:

a.Waarom de uitkering wordt verlaagd;

b.Hoe groot de verlaging is;

c.Wanneer de verlaging ingaat;

d.Hoelang de verlaging duurt; en

e.Waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is.

9.2.4 Ingangsdatum en periode verlaging

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De verlaging gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt één of meer maanden. Als de uitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als de inwoner binnen 24 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.

9.2.5 Berekening verlaging

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1De uitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm.

2De uitkeringsnorm is de uitkering die de inwoner in zijn situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ- uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt.

3De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast.

9.2.6 Niet nakomen wettelijke (geüniformeerde) arbeidsverplichtingen

(Pw, Awb)

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel b, f, of g, van de Participatiewet, niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met werk. De verlaging kan over 2 maanden worden uitgesmeerd. Dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. De bijstandsuitkering wordt dan 2 maanden achter elkaar met 50% van de uitkeringsnorm verlaagd.

2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, of h, van de Participatiewet, niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met werk.

3Voor artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel c, d, e, of h, van de Participatiewet kan de verlaging over 3 maanden worden uitgesmeerd. Dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. De bijstandsuitkering wordt dan 3 maanden achter elkaar met 33,3% van de uitkeringsnorm verlaagd.

4Gaat het om een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, dan wordt de verlaging niet uitgesmeerd over meerdere maanden.

9.2.7 Niet nakomen van verplichtingen in verband met werk en maatschappelijke participatie

(PW,IOAW, IOAZ, Awb)

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 25% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:

a.Niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet, of;

b.Niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet;

c.Niet of niet voldoende een opgedragen maatschappelijke participatie uitvoert: of

d.Alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet ingetrokken.

2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering en maand met 40% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden.

3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 25% van de uitkeringsnorm als de inwoner:

a.Niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening. Dit gedrag heeft er toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd;

b.Niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;

c.Niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak waarin de stappen richting werk worden vastgelegd;

d.Door zijn houding of gedrag moeilijker aan het werk komt;

e.Niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen maatschappelijke participatie uitvoert; of

f.Alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken.

4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:

a.Niet voldoende probeert werk te vinden;

b.Aangeboden werk niet accepteert;

c.Door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neem; of

d.Niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening.

5De gemeente kan besluiten de uitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt.

9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid

(PW.Awb)

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die zich te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner meer of langer een uitkering nodig, dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag).

1De verlaging duurt een maand en is:

a.10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -;

b.20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.000, -;

c.40% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000.- tot € 4.000,-;

d.100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, -.

9.2.9 Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen)

(PW, IOAW,IOAZ, Awb)

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt een maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.

9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen

(PW,Awb)

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand, als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging is:

a.25% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;

b.25% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;

c.40% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand;

d.100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand.

2De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen als het de eerste keer is dat de inwoner de verplichting uit het eerste lid, onder a, niet nakomt, wanneer;

a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;

b.het college oordeelt dat er sprake is van dringende redenen om af te zien van een verlaging.

9.2.11 Samenloop van gedragingen

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen als bedoeld in deze paragraaf niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De uitkering wordt dan verlaagd met het meest gunstige percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt.

2Als er sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen.

9.2.12 Herhaling (Recidive)

(PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner zich binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit opnieuw zo gedraagt dat de uitkering wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente eerder alleen een waarschuwing heeft gegeven. Het moet dan gaan om een gedraging die kan leiden tot eenzelfde of grotere verlaging dan bij de eerdere gedraging.

2Een herhaalde verlaging op grond van artikel 9.2.6 kan maximaal 3 maanden duren.

3Het bedrag van de verlaging wordt verdubbeld, als de uitkering van de inwoner is verlaagd vanwege ontoelaatbaar gedrag en de inwoner binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw ontoelaatbaar gedraagt.

9.4 Beëindigen en terugvorderen ondersteuning

9.4.1 Beëindiging ondersteuning

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet)

1De gemeente kan de geboden ondersteuning geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. Deze kan in ieder geval worden beëindigd vanaf het moment dat:

a.De ondersteuning niet langer passend of nodig is;

b.De inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de ondersteuning zijn verbonden;

c.De gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor de ondersteuning, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de ondersteuning;

d.De ondersteuning is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;

e.De ondersteuning voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld: of

f.Het gemeentelijk beleid wordt gewijzigd, en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor ondersteuning. De gemeente houdt wel rekening met een redelijke overgangsperiode.

2De ondersteuning kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in.

3De gemeente kan een besluit om een Pgb toe te kennen intrekken als de inwoner het Pgb niet binnen zes maanden na toekenning heeft gebruikt om de voorziening te betalen waarvoor het Pgb is bestemd, tenzij:

a.De gemeente een langere termijn heeft bepaald, of

b.De inwoner niet te verwijten is dat hij het Pgb niet binnen die termijn heeft gebruikt.

9.4.2 Terugvordering en verrekening ondersteuning en/of voorziening

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv Gemeentewet)

1De gemeente kan de ondersteuning, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan één van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.4.1.

2Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.

3De gemeente kan een vordering op de inwoner verrekenen met een vordering die de inwoner op de gemeente krijgt.

9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

9.5.1 Controle

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ)

1De gemeente controleert minimaal één keer per jaar of de inwoner die een uitkering of ondersteuning van de gemeente ontvangt, recht heeft op een uitkering of ondersteuning. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:

a.Huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Het huisbezoek vindt alleen plaats met toestemming van, en samen met de inwoner;

b.Waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek;

c.Bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij het UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;

d.Signalen en tips van organisaties of particulieren;

e.Andere onderzoeksmethoden.

2Het controleren van voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de ondersteuning op de juiste manier wordt gebruikt.

3De gemeente leeft de regels na die horen bij het onderzoek naar rechtmatig gebruik van voorzieningen en uitkeringen.

4Bij beëindiging van de uitkering of ondersteuning op verzoek van de inwoner, informeert de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

9.5.2 Voorkomen van fraude

(Jeugdwet, Wmo, IOAW, IOAZ)

De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen. Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

9.5.3 Privacy bij controle op fraude

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ)

1De gemeente werkt met een protocol voor het afleggen van een huisbezoek bij een inwoner die en uitkering ontvangt. Dit protocol moet ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De inwoner kan dit protocol inzien bij de gemeente.

2Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. De gemeente kiest de onderzoeksvorm die voor de inwoner het minst belastend is.

9.5.4 Toezichthouders

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.

10. Inwonerparticipatie

10.3 Participatieraad

10.3.1 Samenstelling en werkwijze

1De participatieraad bestaat uit minimaal 7 en maximaal 13 personen.

2De participatieraad komt minimaal 10 keer per jaar bij elkaar.

3De leden worden door de participatieraad voorgedragen en worden benoemd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst voor een periode van 4 jaar. Leden kunnen maximaal 1 keer worden herbenoemd voor een tweede periode van 4 jaar.

4De participatieraad benoemd uit zijn midden een voorzitter en secretaris.

5De leden van de participatieraad hebben kennis en ervaring met het werkterrein van het sociaal domein.

6Jaarlijks wordt door de verantwoordelijk portefeuillehouder en de participatieraad geëvalueerd over de werkzaamheden en werkwijze van de participatieraad.

7De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de participatieraad, bijvoorbeeld door:

a.De inzet van een medewerker van de gemeente voor de administratieve en organisatorische ondersteuning van de participatieraad;

b.Geschikte vergaderruimte;

c.Voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid;

d.Voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid bij de participatieraad ligt, uiterlijk 10 dagen voordat het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst een besluit wil nemen of een advies daarover wil geven aan de gemeenteraad;

e.Medewerkers van de gemeente een toelichting te laten geven over plannen voor nieuw beleid.

10.3.2 Taken en bevoegdheden participatieraad

1De participatieraad vormt een afspiegeling van de verschillende groepen inwoners voor wie het sociaal domein ondersteuning regelt.

2De participatieraad heeft tot doel de gemeente gevraagd en ongevraagd te adviseren over het voorgenomen beleid van de gemeente bij de uitvoering van het sociaal domein.

3De vergaderingen van de Participatieraad zijn in principe openbaar.

4De Participatieraad adviseert niet over individuele zaken of de uitvoering van het beleid.

5Het is aan de participatieraad hoe inwoners worden betrokken bij hun taken.

10.3.3 Budget en vergoeding

1De gemeente stelt elk jaar een budget vast voor de kosten van de participatieraad, waaronder de vergoeding aan de voorzitter en secretaris van de participatieraad.

2Van dit budget kunnen kosten die verband houden met deskundigheidsbevordering, het inwinnen van advies, achterbanraadpleging en organisatiekosten betaald worden. Deze kosten worden ter beoordeling voorgelegd aan het college.

3De leden van de participatieraad ontvangen een onkostenvergoeding ter hoogte van de vergoeding voor commissieleden.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.