Wet op belastingen van rechtsverkeer

WBRV

Huidige tekst

Artikel 4 WBRV

Geldt sinds 1 januari 2025

  1. 1

    Als zaken als bedoeld in artikel 2 worden mede aangemerkt (fictieve onroerende zaken): a.aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken; b.rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties, indien in die rechten is begrepen het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een in Nederland gelegen gebouw of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

  2. 2

    Voor de toepassing van het eerste lid worden onder onroerende zaken mede verstaan fictieve onroerende zaken, rechten waaraan onroerende zaken of fictieve onroerende zaken zijn onderworpen, alsmede de economische eigendom van deze zaken of rechten.

  3. 3

    Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt ter zake van de verkrijging van aandelen alleen belasting geheven wanneer de verkrijger met inbegrip van de reeds aan hem toebehorende aandelen en ingevolge dezelfde of een samenhangende overeenkomst nog te verkrijgen aandelen: a.als natuurlijk persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie of een verbonden lichaam, voor ten minste een derde gedeelte, en, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, voor meer dan zeven percent belang in de rechtspersoon heeft; b.als rechtspersoon, al dan niet tezamen met een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor ten minste een derde gedeelte belang in de rechtspersoon heeft.

  4. 4

    Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a: a.heeft, wanneer een rechtspersoon, al dan niet tezamen met een tot hetzelfde concern als gedefinieerd krachtens artikel 15, eerste lid, onderdeel h, behorend lichaam, of met een natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel belang heeft in de rechtspersoon, voor ten minste een derde gedeelte een belang bezit of heeft bezeten in een ander lichaam, bij het bepalen van zijn bezittingen naar evenredigheid toerekening plaats van de bezittingen en schulden van het andere lichaam; b.worden, na toepassing van de toerekening uit onderdeel a, vorderingen van de rechtspersoon op de verkrijger of op met de rechtspersoon of de verkrijger verbonden lichamen en verbonden natuurlijke personen als bedoeld in het derde, zesde, zevende of achtste lid van dit artikel, niet tot de bezittingen gerekend, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze vorderingen voortvloeien of voortvloeiden uit een bij de aard en omvang van de rechtspersoon en de verkrijger, of daarmee verbonden lichamen of natuurlijke personen, passende normale bedrijfsuitoefening; c.worden, na toepassing van de toerekening uit onderdeel a, bezittingen van de rechtspersoon, andere dan onroerende zaken en de vorderingen bedoeld in onderdeel b, bij aanwezigheid van schulden van de rechtspersoon aan de verkrijger of aan met de rechtspersoon of de verkrijger verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen als bedoeld in het derde, zesde, zevende of achtste lid van dit artikel, geacht te zijn gefinancierd door die schulden en worden die bezittingen in zoverre niet in aanmerking genomen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze bezittingen voortvloeien of voortvloeiden uit een bij de aard en omvang van de rechtspersoon en de verkrijger, of daarmee verbonden lichamen of natuurlijke personen, passende normale bedrijfsuitoefening.

  5. 5

    Voor de toepassing van het derde en vierde lid: a.wordt onder degene die een belang heeft mede verstaan degene die, anders dan als pandhouder, rechthebbende is op rechten waaraan het in dat lid bedoelde belang is onderworpen, alsmede degene die rechthebbende is op de economische eigendom van dat belang. Deze rechten en economische eigendom worden geacht een belang in de rechtspersoon te vertegenwoordigen dat overeenstemt met het belang dat kan worden toegekend aan de aandelen waarop ze betrekking hebben; b.worden de volgende verkrijgingen beschouwd als te hebben plaatsgehad ingevolge dezelfde of een samenhangende overeenkomst: 1°. verkrijgingen binnen een tijdsverloop van twee jaren door dezelfde verkrijger als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn echtgenoot, zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en door een lichaam waarin hij, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot en zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel belang heeft; 2°. verkrijgingen binnen een tijdsverloop van twee jaren door dezelfde verkrijger als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, en door een tot hetzelfde concern als gedefinieerd krachtens artikel 15, eerste lid, onderdeel h, behorend lichaam; c.wordt ter vaststelling van het belang van de verkrijger, bij: – samenloop van middellijk belang via een verbonden lichaam met het belang van het verbonden lichaam, uitsluitend het belang van het verbonden lichaam in aanmerking genomen; – samenloop van middellijk belang van een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon via de verkrijger met het belang van de verkrijger, uitsluitend het belang van de verkrijger in aanmerking genomen; en – samenloop van belang bij wege van economische eigendom met belang bij wege van juridische eigendom, dan wel van blote eigendom met vruchtgebruik, het belang slechts eenmaal in aanmerking genomen.

  6. 6

    Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt als een met de verkrijger verbonden lichaam aangemerkt een lichaam waarin de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie, al dan niet tezamen, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft.

  7. 7

    Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt als een met de verkrijger verbonden lichaam aangemerkt: a.een lichaam waarin de verkrijger voor ten minste een derde gedeelte belang heeft; b.een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de verkrijger; c.een lichaam waarin een derde, zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie, al dan niet tezamen, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde al dan niet tezamen met zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de verkrijger.

  8. 8

    Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt als een met de verkrijger verbonden natuurlijk persoon aangemerkt een natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot en zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de verkrijger of in een met de verkrijger verbonden lichaam, alsmede de echtgenoot van deze persoon en de bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie van deze persoon.

  9. 9

    De rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, zijn gehouden met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels bij aangifte de gegevens te verstrekken waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de heffing van de belasting. Met betrekking tot deze verplichtingen blijft artikel 53, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen buiten toepassing.

  10. 10

    Voor de toepassing van dit artikel is artikel 2, negende lid, van overeenkomstige toepassing.

  11. 11

    Onder aandelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het derde lid worden mede verstaan rechten uit bestaande aandelen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2026:1533Hoge Raad, 9 oktober 2026 (belastingrecht)

    Overdrachtsbelasting; art. 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer; art. 20, lid 2, AWR; opleggen naheffingsaanslag aan rechtspersoon na splitsing en fusie; bevestiging ECLI:NL:HR:2025:358

  • ECLI:NL:PHR:2025:1285Parket bij de Hoge Raad, 21 november 2025 (belastingrecht)

    Splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting (art. 15(1)(h) Wet BvR jo. Art. 5c UBBvR; tekst tot 1 juli 2025). Geldt die vrijstelling ook voor de aan de aandeelhouders van de verkrijgende BVs…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1253Parket bij de Hoge Raad, 14 november 2025 (belastingrecht)

    Overdracht fictieve onroerende zaak (OZR-aandelen) tussen twee contractuele vastgoedfondsen (dus zonder rechtspersoonlijkheid) met dezelfde beheerder, maar verschillende participanten; desondanks…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1146Parket bij de Hoge Raad, 24 oktober 2025 (belastingrecht)

    Overdrachtsbelasting. Wel of geen onroerende-zaakrechtspersoon (OZR) in de zin van art. 4(1)(a) Wet BvR? Consolidatie ex art. 4(4)(a) Wet BvR van werk-BVs met OG-BVs voor de vraag of die OG BV’s OZRs…

  • ECLI:NL:RBOBR:2026:6017Rechtbank Oost-Brabant, 26 augustus 2026 (civiel recht)

    Eiser en gedaagde sluiten in 2021 een overeenkomst waarbij eiser 50% van zijn aandelen verkoopt aan gedaagde. Er wordt ook een anti-speculatiebeding overeengekomen. Op grond van dat beding heeft…

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:1492Gerechtshof Amsterdam, 28 mei 2026 (belastingrecht)

    Overdrachtsbelasting; vrijstelling artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, WBR (bedrijfsopvolgingsvrijstelling)

  • ECLI:NL:GHSHE:2026:594Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 maart 2026 (belastingrecht)

    Overdrachtsbelasting, onroerendezaaksrechtspersoon. Er is ook voldaan aan de doeleis van artikel 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer als de vergoeding voor gebruik van de onroerende zaak…

  • ECLI:NL:GHSHE:2026:185Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 januari 2026 (belastingrecht)

    Artikel 4, lid 1, onderdeel a Wbr Belanghebbende heeft de aandelen in een besloten vennootschap (BV) verkregen. Tot de activa van de BV behoren drie parkeergarages, de activiteiten van de BV bestaan…

119 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.