Huidige tekst
Artikel 1 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen
A Voor de toepassing van dit artikel omvat de term „effecten”: obligaties, aandelen en in het algemeen alle soortgelijke waarden, welke in het land van uitgifte met het woord „effecten” worden aangeduid. B Indien een effect, dat aan een vijandelijke Duitser in eigendom toebehoort, is uitgegeven door een der Verdragsluitende Regeringen of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam of door een natuurlijke persoon binnen haar grondgebied, terwijl het stuk zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering bevindt, dient dit — onverschillig of dit aan toonder of op naam luidt — aan de eerstgenoemde Regering te worden afgegeven. C Indien een vijandelijke Duitser eigenaar is van een certificaat, dat is uitgegeven door een administratiekantoor, een stemgerechtigde trustee of een lichaam of persoon met soortgelijke bevoegdheid en dat dient als bewijs van deelgerechtigdheid in een of meer met name genoemde effecten, dan zal deze vijandelijke Duitser worden beschouwd als eigenaar van de hoeveelheid bepaaldelijk genoemde effecten en zal paragraaf B van dit artikel op deze effecten van toepassing zijn. D Indien een der Verdragsluitende Regeringen op grond van dit artikel verplicht is een stuk af te geven, zal zij niet worden verplicht tot afgifte van de vruchten (in contanten of anderszins), welke vóór 1 Juli 1947 binnen haar grondgebied zijn ontvangen door de afgevende Regering of door een op haar gezag handelende persoon. De vruchten, door een zodanige Regering of persoon op of na 1 Juli 1947 ontvangen, zullen worden afgegeven aan de Regering, die gerechtigd is het stuk te ontvangen. E Indien een der Verdragsluitende Regeringen op grond van dit artikel verplicht is een stuk af te geven, zal zij niet gehouden zijn tot afgifte van de opbrengst van liquidatie door verkoop, aflossing of anderszins, welke op 31 December 1946 aanwezig was in de vorm van contanten of van effecten, uitgegeven door die Regering of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam of door een natuurlijke persoon binnen haar grondgebied, ook indien na deze datum deze contanten werden herbelegd of deze effecten werden verkocht of verhandeld. Indien de opbrengst op 31 December 1946 was belichaamd in effecten, uitgegeven door de andere Regering of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam of een natuurlijke persoon binnen haar grondgebied gevestigd, dienen deze effecten (of de opbrengst van hun liquidatie na genoemde datum) aan de laatstgenoemde Regering te worden afgegeven.