Verdrag en Statuut nopens het Internationale Spoorwegregime

Huidige tekst

Artikel 20 Verdrag en Statuut nopens het Internationale Spoorwegregime

Geldt sinds 22 mei 1928

De Verdragstaten, de noodzakelijkheid erkennende om in het algemeen aan de tarieven de noodige soepelheid te laten, waardoor zij zoo nauwkeurig mogelijk zich kunnen aanpassen aan de veelzijdige behoeften van den handel en de handelsconcurrentie, behouden volle vrijheid om hun tarieven te bepalen volgens de beginselen nedergelegd in hun eigen wetgeving, met dien verstande echter, dat zij er voor waken, dat deze vrijheid niet uitgeoefend wordt ten nadeele van het internationale verkeer. Zij verbinden zich op het internationale verkeer redelijke tarieven toe te passen, zoowel wat betreft de hoogte van de tarieven als de voorwaarden van toepassing, en komen overeen zich te onthouden van iedere onderscheiding, die een onwelwillend karakter zou dragen ten aanzien van andere Verdragstaten, hun onderdanen of hun schepen. Deze bepalingen zijn niet onvereenigbaar met het instellen van gemeenschappelijke spoorweg- en scheepvaarttarieven, mits de beginselen nedergelegd in het voorafgaande lid worden geëerbiedigd.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.