Toeslagenwet

TW

Huidige tekst

Artikel 2 TW

Geldt sinds 1 juli 2026

  1. 1

    Recht op toeslag heeft een gehuwde, die: a.recht heeft op loondervingsuitkering, en b.per dag een inkomen heeft dat lager is dan € 107,45.

  2. 2

    Behoudens het derde lid hebben voorts recht op toeslag een ongehuwde die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, een ongehuwde die uitsluitend met een of meer personen als bedoeld in het negende lid in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en een ongehuwde, die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die: a.recht heeft op loondervingsuitkering, en b.per dag een inkomen heeft dat lager is dan: 1°. indien hij 21 jaar of ouder is: € 76,75; 2°. indien hij 20 jaar is: € 60,15; 3°. indien hij 19 jaar is: € 44,02; 4°. indien hij 18 jaar is: € 35,95.

  3. 3

    Geen recht op toeslag heeft de in het tweede lid bedoelde ongehuwde, die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt en behoort tot het huishouden van zijn ouders of pleegouders.

  4. 4

    Zolang een gehuwde of ongehuwde geen recht heeft op een loondervingsuitkering omdat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen of omdat hij zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, heeft hij geen recht op toeslag.

  5. 5

    Zolang een gehuwde of ongehuwde de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, heeft hij geen recht op toeslag.

  6. 6

    Geen recht op toeslag heeft de gehuwde of ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.

  7. 7

    Recht op toeslag heeft een ongehuwde die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die: a.recht heeft op loondervingsuitkering, en b.indien hij 21 jaar of ouder is en per dag een inkomen heeft dat lager is dan: € 49,94.

  8. 8

    Het zevende lid is niet van toepassing op ongehuwden die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

  9. 9

    Tot de personen, bedoeld in het zevende lid, worden niet gerekend: a.de persoon die de leeftijd 27 jaar nog niet heeft bereikt, b.de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de toeslaggerechtigde, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de toeslaggerechtigde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de toeslaggerechtigde zijn hoofdverblijf heeft, c.de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de toeslaggerechtigde zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de toeslaggerechtigde een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en d.de persoon: 1°. die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 kan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering; 2°. die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die tegemoetkoming; 3°. die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt; 4°. die een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld onder 1° tot en met 3° volgt buiten Nederland, waarbij voor onder 1° en 2° geldt dat hij op enig moment tijdens dat onderwijs jonger dan 30 jaar is of in de maand van aanvang de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.

  10. 10

    Op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt de toeslaggerechtigde de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het negende lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

  11. 11

    Zolang een gehuwde of ongehuwde geen recht heeft op een loondervingsuitkering omdat hij een uitreiziger is, heeft hij geen recht op toeslag.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2001:AA9768Parket bij de Hoge Raad, 2 februari 2001 (civiel recht)

    -

  • ECLI:NL:PHR:2001:AA9769Parket bij de Hoge Raad, 2 februari 2001 (civiel recht)

    -

  • ECLI:NL:CRVB:2026:85Centrale Raad van Beroep, 21 januari 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Intrekking en terugvordering toeslag voor een ongehuwde alleenstaande. Terecht geoordeeld dat appellant moet worden aangemerkt als woningdeler in de zin van artikel 2, zevende lid, van de TW en dat…

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1787Centrale Raad van Beroep, 5 december 2025 (socialezekerheidsrecht)

    Intrekking en terugvordering toeslag. Appellante heeft niet doorgegeven dat haar ex-partner een Wajong-uitkering ontving. Het gezamenlijke inkomen was in de periode van 1 februari 2018 tot en met 30…

  • ECLI:NL:RBMNE:2025:7503Rechtbank Midden-Nederland, 7 november 2025 (socialezekerheidsrecht)

    MK. Terugvordering van een toeslag op de WIA-uitkering van eiseres. De rechtbank oordeelt dat het Uwv terecht tot herziening en terugvordering van de toeslag is overgegaan omdat het recht op toeslag…

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1453Centrale Raad van Beroep, 1 oktober 2025 (socialezekerheidsrecht)

    Besluit I, intrekking en terugvordering WW-uitkering en toeslag op de grond dat appellante over de periode in geding alsnog recht had op een ZW-uitkering. Terecht geoordeeld dat geen sprake was van…

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1321Centrale Raad van Beroep, 27 augustus 2025 (socialezekerheidsrecht)

    Vaststelling dagloon ZW-uitkering en hoogte toeslag. Voor de berekening van het dagloon is terecht uitgegaan van het loon dat appellant heeft genoten in de periode van 18 februari 2022 tot en met 27…

  • ECLI:NL:CRVB:2025:568Centrale Raad van Beroep, 9 april 2025 (socialezekerheidsrecht)

    Beëindiging toeslag op de grond dat de inkomsten van appellante hoger zijn dan het sociaal minimum van € 803,01 bruto per maand. Terecht vastgesteld dat appellante vanaf 22 augustus 2022 moet worden…

89 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.