Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten

Huidige tekst

Artikel 13 Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten

Geldt sinds 11 maart 1979

  1. 1

    De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op onderwijs. Zij zijn van oordeel dat het onderwijs gericht dient te zijn op de volledige ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid en van het besef van haar waardigheid en dat het dient bij te dragen tot de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij zijn voorts van oordeel dat het onderwijs een ieder in staat dient te stellen een nuttige rol te vervullen in een vrije samenleving en het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle volken en alle rasgemeenschappen, etnische en godsdienstige groeperingen, alsmede de activiteiten van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede dient te bevorderen.

  2. 2

    De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen dat, ten einde tot een volledige verwezenlijking van dit recht te komen: (a) Het primaire onderwijs voor allen verplicht en kosteloos beschikbaar dient te zijn; (b) Het secundair onderwijs in zijn verschillende vormen, waarbij inbegrepen het secundaire technische onderwijs en het beroepsonderwijs, door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs algemeen beschikbaar en voor allen toegankelijk dient te worden gemaakt; (c) Het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt; (d) Het fundamenteel onderricht zoveel mogelijk dient te worden gestimuleerd of geïntensiveerd ten behoeve van personen die geen lager onderwijs hebben genoten of dit niet hebben voltooid; (e) De ontwikkeling van een stelsel van scholen van alle niveaus met kracht dient te worden nagestreefd, een passend stelsel van studiebeurzen in het leven dient te worden geroepen en materiële omstandigheden van het onderwijzend personeel voortdurend dienen te worden verbeterd.

  3. 3

    De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden om voor hun kinderen of pupillen andere dan door de overheid opgerichte scholen te kiezen, die beantwoorden aan de door de Staat vast te stellen of goed te keuren minimumonderwijsnormen en hun godsdienstige en zedelijke opvoeding te verzekeren overeenkomstig hun eigen overtuiging.

  4. 4

    Geen onderdeel van dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat het de vrijheid aantast van individuele personen of rechtspersonen inrichtingen voor onderwijs op te richten en daaraan leiding te geven, met inachtneming evenwel van de in het eerste lid van dit artikel neergelegde beginselen en van de voorwaarde dat het aan deze inrichtingen gegeven onderwijs beantwoordt aan door de Staat vastgestelde minimumnormen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:1163Parket bij de Hoge Raad, 4 november 2025 (strafrecht)

    Conclusie AG. Overtreding art. 2.1 Leerplichtwet 1969 door als ouder zonder vrijstelling leerplichtig kind niet in te schrijven op basisschool. Beroep op vrijstelling art. 5 aanhef en onder b Lpw…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1164Parket bij de Hoge Raad, 4 november 2025 (strafrecht)

    Conclusie AG. Overtreding art. 2.1 Leerplichtwet 1969 door als ouder zonder vrijstelling leerplichtig kind niet in te schrijven op basisschool. Beroep op vrijstelling art. 5 aanhef en onder b Lpw…

  • ECLI:NL:PHR:2010:BL6719Parket bij de Hoge Raad, 6 juli 2010 (strafrecht)

    Vrijstelling van de leerplicht. Art. 2 jo. art. 5.b (oud) Leerplichtwet 1969. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1980, 190, HR LJN ZD1985 en HR LJN AF0453 m.b.t. de vrijstellingsgrond…

  • ECLI:NL:PHR:1989:AD5725Parket bij de Hoge Raad, 14 april 1989 (civiel recht)

    Harmonisatiewet. Toetsingsverbod van art. 120 Grondwet. Geen toetsing van formele wet aan fundamentele rechtsbeginselen van de Nederlandse rechtsorde die nog geen uitdrukking hebben gevonden in…

  • ECLI:NL:CRVB:2022:2288Centrale Raad van Beroep, 19 oktober 2022 (socialezekerheidsrecht)

    Afwijzing aanvraag lening voor het betalen van een herexamen in de vorm van een levenlanglerenkrediet. Uit de memorie van toelichting komt naar voren dat het levenlanglerenkrediet is bedoeld voor…

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1804Centrale Raad van Beroep, 29 mei 2019 (socialezekerheidsrecht)

    AAW-uitkering terecht geweigerd. Niet voldaan aan voorwaarden voor toekenning van een AAW-uitkering. Appellant was onmiddellijk voorafgaand aan zijn 17e verjaardag geen ingezetene van Nederland. Het…

  • ECLI:NL:GHDHA:2017:3374Gerechtshof Den Haag, 21 november 2017 (belastingrecht)

    In geschil is of het in de aangifte IB/PVV 2013 opgevoerde bedrag van € 5.592 aan kosten van de Editie Cremers (losbladig) en Ars Aequi aftrekbaar is als uitgaven in de zin van artikel 6.27 van de…

  • ECLI:NL:RBDHA:2017:3829Rechtbank Den Haag, 12 april 2017 (belastingrecht)

    Verweerder heeft terecht de door eiser in aftrek gebrachte studiekosten omschreven als Editie Cremers losbladig en Ars Aequi, niet geaccepteerd. Van strijd met artikel 1 van het EP bij het EVRM is…

17 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.