Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten

Huidige tekst

Artikel 10 Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten

Geldt sinds 11 maart 1979

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het volgende: 1. De grootst mogelijke bescherming en bijstand dient te worden verleend aan het gezin, dat de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij vormt, in het bijzonder bij de stichting daarvan en zolang het de verantwoording draagt voor de zorg voor en de opvoeding van kinderen die nog niet in eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Een huwelijk moet door de aanstaande echtgenoten uit vrije wil worden aangegaan. 2. Aan moeders dient bijzondere bescherming te worden verleend gedurende een redelijke periode voor en na de geboorte van hun kind. Gedurende deze periode dient aan werkende moeders verlof met behoud van loon of verlof gekoppeld aan passende uitkeringen krachtens de sociale zekerheidswetgeving te worden toegekend. 3. Bijzondere maatregelen ter bescherming van en ter verlening van bijstand aan kinderen en jeugdige personen dienen te worden genomen zonder enigerlei discriminatie ter zake van afstamming of anderszins. Kinderen en jeugdige personen dienen te worden beschermd tegen economische en sociale uitbuiting. Tewerkstelling van zulke personen voor het verrichten van arbeid die schadelijk is voor hun zedelijk of lichamelijk welzijn, levensgevaar oplevert, dan wel groot gevaar inhoudt dat hun normale ontwikkeling zal worden geremd, dient strafbaar te zijn bij de wet. De Staten dienen tevens leeftijdsgrenzen vast te stellen waarbeneden het verrichten van loonarbeid door kinderen verboden en strafbaar bij de wet dient te zijn.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2002:AD9213Parket bij de Hoge Raad, 16 april 2002 (strafrecht)

    -

  • ECLI:NL:HR:1999:AA2899Hoge Raad, 29 september 1999 (belastingrecht)

    -

  • ECLI:NL:RVS:2018:3468Raad van State, 24 oktober 2018 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 30 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] over 2016 herzien en vastgesteld op € 1.866,00.

  • ECLI:NL:RBDHA:2013:19760Rechtbank Den Haag, 31 mei 2013 (vreemdelingenrecht)

    Vreemdelingenrecht.

  • ECLI:NL:RBARN:2012:BV6443Rechtbank Arnhem, 31 januari 2012 (socialezekerheidsrecht)

    Afwijzing aanvraag kindgebonden budget 2010. Artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget is niet in strijd met het EVRM, IVESCR en Aanbeveling Rec (2006) 19 inzake “positive…

  • ECLI:NL:RVS:2011:BQ9680Raad van State, 29 juni 2011 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 12 april 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [appellante] een boete opgelegd van € 40.000,00 wegens overtreding van…

  • ECLI:NL:RBARN:2007:BA6562Rechtbank Arnhem, 25 mei 2007 (bestuursrecht)

    Beëindiging leefgeld ex-ama op grond van de Beleidsregels beeindiging verstrekking leefgelden ex-ama’s niet in strijd met EVRM. Geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb. Geen…

  • ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0211Rechtbank 's-Gravenhage, 30 november 2000 (vreemdelingenrecht)

    Witte-illegalenbeleid / ononderbroken verblijf. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom een verblijfsgat te rekenen vanaf 1 januari 1992 tot 16 februari…

9 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.