Huidige tekst
Artikel I/8 Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersvaartuigen, 1995
Voorschrift I/8 Overgangsbepalingen 1 Een vaarbevoegdheidsbewijs of bewijs van diensttijd in een bepaalde hoedanigheid waarvoor dit Verdrag een bewijs eist, dat vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor een partij is afgegeven overeenkomstig de wetgeving van die partij of het Radioreglement, wordt als geldig erkend voor het dienst doen in die hoedanigheid na de inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij. 2 Na de inwerkingtreding van het Verdrag voor een partij kan zij gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar vaarbevoegdheidsbewijzen blijven afgeven overeenkomstig haar vroegere praktijk. Dergelijke bewijzen worden voor de toepassing van het Verdrag als geldig erkend. Gedurende deze overgangsperiode mogen dergelijke bewijzen uitsluitend worden afgegeven aan personen die hun dienst op zee hebben aangevangen vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij in de specifieke categorie vaartuigen waarop die bewijzen betrekking hebben. De partij moet waarborgen dat alle andere kandidaten die in aanmerking willen komen voor een bewijs, worden geëxamineerd en gediplomeerd overeenkomstig het Verdrag. 3 Een partij kan gedurende twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij een bewijs van diensttijd afgeven aan personeel van vissersvaartuigen die noch houder zijn van een passend bewijs volgens het Verdrag, noch van een vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven uit hoofde van haar wetgeving vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor de partij, maar die: .1 buitengaats dienst hebben gedaan in de hoedanigheid waarvoor zij een bewijs van diensttijd wensen te verkrijgen gedurende ten minste drie jaar, binnen de laatste zeven jaar die zijn voorafgegaan aan de inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij; .2 bewijzen hebben overgelegd dat zij die dienst naar behoren hebben vervuld; en .3 ten genoegen van de partij hebben aangetoond medisch geschikt te zijn, met inbegrip van hun gezichts- en hoorvermogen, rekening houdend met hun leeftijd ten tijde van het aanvragen van het bewijs. Voor de toepassing van het Verdrag wordt een krachtens deze paragraaf afgegeven bewijs van diensttijd beschouwd als gelijkwaardig aan een krachtens het Verdrag afgegeven bewijs.