Huisvestingswet 2014

Huidige tekst

Artikel 51 Huisvestingswet 2014

Geldt sinds 1 juli 2026

  1. 1

    Indien de gemeenteraad toepassing heeft gegeven aan artikel 23a, geldt voor aanbieders die hun woonruimte al voor de inwerkingtreding van het verbod aanboden voor toeristische verhuur het verbod, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en voor digitale platforms het verbod, bedoeld in het derde lid van dat artikel niet eerder dan zes maanden na de inwerkingtreding ervan.

  2. 2

    Indien in de huisvestingsverordening voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 in verband met de aanpak van ongewenste neveneffecten van toeristische verhuur van woonruimte (Wet toeristische verhuur van woonruimte) regels zijn opgenomen over toeristische verhuur van woonruimte met toepassing van artikel 21: a.vervallen deze regels één jaar na het tijdstip, bedoeld in de aanhef; b.kan de gemeenteraad bepalen dat een vergunning voor toeristische verhuur verleend met toepassing van artikel 21, voor het tijdstip van inwerkingtreding van de huisvestingsverordening waarin toeristische verhuur van woonruimte wordt geregeld op basis van hoofdstuk 4, paragraaf 1a, wordt gelijkgesteld met een vergunning die is verleend met toepassing van artikel 23c.

  3. 3

    Een vergunning als bedoeld in de artikelen 25 en 26, eerste en tweede lid, van de Huisvestingswet, die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een huisvestingsverordening, wordt gelijkgesteld met een huisvestingsvergunning.

  4. 4

    Een vergunning als bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, en 33, van de Huisvestingswet, die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een huisvestingsverordening, wordt gelijkgesteld met een vergunning die is verleend met toepassing van artikel 21 onderscheidenlijk 22.

  5. 5

    Onze Minister zendt uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 7 en vervolgens iedere vijf jaar een verslag over de noodzaak en de relevantie in de economische situatie van dat moment in de praktijk van de maatregelen in hoofdstuk 7 aan beide Kamers der Staten-Generaal.

  6. 6

    Indien uit het verslag, bedoeld in het vijfde lid, blijkt dat de noodzaak of de relevantie in de economische situatie van dat moment van de maatregelen onvoldoende kan worden aangetoond, vervalt hoofdstuk 7 op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  7. 7

    De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan twee maanden nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

  8. 8

    Indien toepassing wordt gegeven aan het zesde lid, vervalt de regeling in een huisvestingsverordening op basis van hoofdstuk 7, twee jaar na het tijdstip bedoeld in het zesde lid.

  9. 9

    Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komen gedeputeerde staten de verplichting na, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van deze wet.

  10. 10

    Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt de gemeenteraad de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van deze wet na of zorgt ervoor dat de regeling, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van deze wet in overeenstemming is met artikel 12, derde lid, van deze wet.

  11. 11

    Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 6, zevende lid, van deze wet.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RVS:2017:3475Raad van State, 20 december 2017 (bestuursrecht)

    Bij afzonderlijke besluiten van 6 november 2015 heeft het college aan [appellanten] een bestuurlijke boete van € 24.000,00 opgelegd.

  • ECLI:NL:RVS:2017:3313Raad van State, 6 december 2017 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 13 juli 2015 heeft het college aan [wederpartij] een bestuurlijke boete van € 12.000,00 opgelegd wegens een overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de…

  • ECLI:NL:RVS:2017:435Raad van State, 15 februari 2017 (omgevingsrecht)

    Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft het algemeen bestuur geweigerd aan OMVH een onttrekkingsvergunning te verlenen voor het voormalig verpleeghuis De Wittenberg, gelegen aan de Nieuwe Keizersgracht…

  • ECLI:NL:RBAMS:2016:8447Rechtbank Amsterdam, 20 december 2016 (bestuursrecht)

    (Voor zover deze tekst afwijkt van de tekst in de uitspraak is de uitspraak bepalend). Op 1 januari 2015 is de Huisvestingswet ingetrokken en is de gewijzigde Huisvestingswet 2014 in werking…

  • ECLI:NL:RBAMS:2016:4639Rechtbank Amsterdam, 22 juli 2016 (bestuursrecht)

    Weigering aanvraag huisvestingsvergunning voor het realiseren van short-stay appartementen in De Wittenberg in Amsterdam. Overgangsrecht Huisvestingswet 2014. Begrip (zelfstandige) woonruimte.…

  • ECLI:NL:RBAMS:2016:568Rechtbank Amsterdam, 28 januari 2016 (bestuursrecht)

    Mogelijk geen wettelijke grondslag boetebesluit Verzoekers hebben een bestuurlijke boete opgelegd gekregen wegens het zonder vergunning daartoe onttrekken van de woningen aan de woonruimtevoorraad…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.