Huidige tekst
Artikel 11 AETR
- 1
De werkgever geeft een voldoende aantal registratiebladen af aan de bestuurders van voertuigen die uitgerust zijn met het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1, daarbij rekening houdend met het feit dat deze bladen persoonsgebonden zijn, de duur van het gebruik alsmede met de mogelijkheid dat bladen beschadigd raken of worden ingenomen door een inspecteur en dat deze moeten worden vervangen. De werkgever geeft aan de bestuurders alleen bladen van een goedgekeurd model af die geschikt zijn voor gebruik in het in het voertuig geïnstalleerde controleapparaat. Indien het voertuig uitgerust is met een controleapparaat overeenkomstig aanhangsel 1B, zorgen de werkgever en de bestuurder ervoor dat, rekening houdend met de duur van het gebruik, het afdrukken op verzoek bedoeld in aanhangsel 1B correct kan geschieden bij een inspectie. 2 a. De onderneming bewaart de registratiebladen en afdrukken, wanneer afdrukken zijn gemaakt ter naleving van artikel 12, eerste lid, in chronologische volgorde en in leesbare vorm gedurende ten minste een jaar nadat zij zijn gebruikt en overhandigt afschriften ervan aan de betrokken bestuurders die daarom verzoeken. De onderneming overhandigt tevens afschriften van overgebrachte gegevens van de bestuurderskaarten aan de betrokken bestuurders die daarom verzoeken alsmede de afgedrukte papieren van deze afschriften. De registratiebladen, afdrukken en overgebrachte gegevens worden getoond of overgelegd op verzoek van een bevoegde functionaris die belast is met de controle. b. Een onderneming die gebruik maakt van voertuigen die zijn uitgerust met een controle apparaat dat voldoet aan Aanhangsel 1B van deze Bijlage en die binnen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen: i. waarborgt dat alle relevante gegevens zo vaak als door de Overeenkomstsluitende Partij is voorgeschreven, van de voertuigunit en de bestuurderskaart worden overgebracht en dat de relevante gegevens frequenter over worden gebracht om te waarborgen dat alle door of voor die onderneming verrichte activiteiten worden overgebracht; ii. waarborgt dat alle gegevens die van de voertuigunit en de bestuurderskaart worden overgebracht gedurende ten minste twaalf maanden na de vastlegging ervan worden bewaard en op verzoek van een met de controle belaste functionaris bij de vestigingen van de onderneming rechtstreeks of op afstand toegankelijk zijn. Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt „overgebracht” uitgelegd in overeenstemming met de definitie vervat in Aanhangsel 1B, Hoofdstuk I, onderdeel s. 3 De bestuurderskaart zoals omschreven in aanhangsel 1B wordt, op verzoek van de bestuurder, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar de bestuurder zijn normale woonplaats heeft. Een Overeenkomstsluitende Partij kan van elke bestuurder op wie de bepalingen van de Overeenkomst van toepassing zijn en die zijn normale woonplaats op haar grondgebied heeft verlangen dat hij een bestuurderskaart bezit. a. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „normale woonplaats” verstaan de plaats waar een persoon gewoonlijk woont, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, vanwege sociale en economische banden, of, in het geval van een persoon zonder economische banden, vanwege persoonlijke banden waaruit blijkt hoe nauw de banden tussen die persoon en de plaats waar hij woont zijn. De normale woonplaats van een persoon wiens economische banden een andere plaats betreffen dan zijn sociale banden en die bijgevolg op verschillende plaatsen woont die in twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen zijn gelegen, wordt aangemerkt als zijnde de plaats van zijn sociale banden, mits deze persoon er regelmatig terugkeert. Aan deze laatste voorwaarde behoeft niet te worden voldaan indien de persoon in een Overeenkomstsluitende Partij woont teneinde een opdracht met een vaste looptijd uit te voeren. b. De bestuurders tonen hun normale woonplaats aan met behulp van passende middelen, zoals hun identiteitskaart of een ander geldig document. c. Indien er bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij die de bestuurderskaart afgeven twijfel bestaat ten aanzien van de geldigheid van een verklaring omtrent de normale woonplaats afgelegd in overeenstemming met onderdeel b, of ten behoeve van bepaalde specifieke controles, kunnen zij verzoeken om aanvullende informatie of bewijzen. d. De bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij die een kaart afgeeft, gaat, voorzover dit mogelijk is, na of de aanvrager niet reeds beschikt over een geldige bestuurderskaart. 4 a. De bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij voorziet de bestuurderskaart in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 1B van de persoonsgegevens. De duur van de administratieve geldigheid van de bestuurderskaart mag niet langer zijn dan vijf jaar. De bestuurder mag slechts één geldige bestuurderskaart bezitten. De bestuurder is alleen bevoegd tot het gebruik van zijn eigen, van zijn persoonsgegevens voorziene bestuurderskaart. De bestuurder mag geen defecte of verlopen bestuurderskaart gebruiken. Indien een nieuwe bestuurderskaart wordt verstrekt ter vervanging van een oude, wordt de nieuwe kaart voorzien van hetzelfde bestuurderskaartnummer, maar het indexnummer wordt met één verhoogd. De autoriteit die de kaarten afgeeft, houdt een register bij van afgegeven, gestolen, verloren of defecte bestuurderskaarten voor een termijn die ten minste gelijk is aan hun termijn van geldigheid. Indien de bestuurderskaart beschadigd is, slecht functioneert of verloren of ontvreemd is, verstrekt de autoriteit binnen vijf werkdagen na de ontvangst van een gedetailleerd verzoek daartoe een vervangende kaart. Bij een verzoek om verlenging van een kaart waarvan de einddatum van de termijn van geldigheid nadert, verstrekt de autoriteit voor die datum een nieuwe kaart, mits zij het verzoek binnen de in artikel 12, eerste lid, vierde alinea neergelegde termijn heeft ontvangen. b. Bestuurderskaarten worden uitsluitend verstrekt aan aanvragers op wie de bepalingen van de Overeenkomst van toepassing zijn. c. De bestuurderskaart is persoonsgebonden. De kaart mag tijdens de officiële geldigheidstermijn niet, om welke reden dan ook, worden ingetrokken of opgeschort, tenzij de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij vaststelt dat de kaart vervalst is of de bestuurder gebruik maakt van een kaart waarvan hij niet de houder is, of dat de kaart verkregen is op basis van valse verklaringen en/of vervalste documenten. Indien deze maatregelen tot schorsing of intrekking worden genomen door een andere Overeenkomstsluitende Partij dan de Overeenkomstsluitende Partij die de kaart heeft afgegeven, zendt de eerstgenoemde Partij de kaart terug naar de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij die de kaart heeft afgegeven onder vermelding van de redenen voor terugzending. d. Bestuurderskaarten afgegeven door Overeenkomstsluitende Partijen worden wederzijds erkend. Indien de houder van een geldige bestuurderskaart die is afgegeven door een Overeenkomstsluitende Partij zijn normale woonplaats heeft gevestigd in een andere Overeenkomstsluitende Partij, kan hij verzoeken dat zijn kaart wordt omgewisseld voor een vergelijkbare bestuurderskaart; de Overeenkomstsluitende Partij die de kaarten omwisselt, verifieert zo nodig of de overgelegde kaart feitelijk nog geldig is. Overeenkomstsluitende Partijen die een kaart omwisselen zenden de oude kaart terug aan de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij die de kaart hebben afgegeven onder vermelding van de redenen daarvoor. e. Indien een Overeenkomstsluitende Partij een bestuurderskaart vervangt of omwisselt, wordt de vervanging of omwisseling en de eventueel daarop volgende vervanging of verlenging in die Overeenkomstsluitende Partij geregistreerd. f. De Overeenkomstsluitende Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat bestuurderskaarten worden vervalst. 5 De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen dat de gegevens die nodig zijn om de naleving van deze Overeenkomst te volgen en die vastgelegd en opgeslagen kunnen worden door het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B bij deze bijlage gedurende 365 dagen na de datum van vastlegging kunnen worden opgeslagen en toegankelijk gemaakt kunnen worden onder voorwaarden die de veiligheid en juistheid van de gegevens waarborgen. De Overeenkomstsluitende Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het doorverkopen of uitschakelen van een controleapparaat niet ten koste kan gaan van de correcte toepassing van dit lid.