Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10217Zaaknummer 13.232813.25 (zaak A) en 13.247425.26 (zaak B)

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
13.232813.25 (zaak A) en 13.247425.26 (zaak B)
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van moord en heeft zich daarnaast op een ander moment schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie en aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Vormverzuimen. Beroep op vrijwillige terugtred verworpen. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Inbeslaggenomen goederen worden gedeeltelijk onttrokken aan het verkeer of verbeurd verklaard.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en het in zaak B onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A

voorbereiding van moord

Zaak B

ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 8 maanden.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 maanden, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich niet voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan de coaching door Nova Forte Zorg;

- meewerkt aan de behandeling door Levvel of andere individuele hulp en systeemhulp indien dat nodig wordt geacht door JBRA;

- naar school gaat volgens het rooster van School2Care en opvolgende onderwijsinstelling;

- gebruik maakt van zorgvervoer naar school indien dat nodig wordt geacht door JBRA;

- meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in zijn vrije tijd door werk, sport of een andere passende activiteit;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact (laat) opnemen met de (beoogde) slachtoffers:

 [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 1];

 [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2];

- meewerkt aan overige hulpverlening die JBRA nodig acht.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat verdachte

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving

van voormelde voorwaarden en de verdachte daarvan te begeleiden.

Onttrekt aan het verkeer:

  • 1 STK Slagwapen (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705964)
  • 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705961)
  • 1 STK Hamer (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705962)

Verklaart verbeurd:

  • 1 STK Pijp (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705963)
  • 1 STK Muts (Omschrijving: PL1300-202522203-BZAQ4017)
  • 1 STK Handschoen (Omschrijving: PL1300-202522203-BZAQ4032)

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.M. Devis en L.F. Bögemann, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.

[… 1]

[… 2]

[… 1]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Voorvragen
  4. 4 Waardering van het bewijs
  5. 5 Bewezenverklaring
  6. 6 Bewijs
  7. 7 Strafbaarheid van de feiten
  8. 8 Strafbaarheid van verdachte
  9. 9 Motivering van de straf
  10. 10 Beslag
  11. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften
  12. 12 Beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.232813.25 (zaak A) en 13.247425.26 (zaak B)

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats],

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[BRP-adres].

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 22 september 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [naam 3] als basispsycholoog namens School2Care, [naam 4] als coach namens Nova Forte en de moeder en de vader naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Zaak A

het voorbereiden van moord op 4 september 2025 te Diemen;

Zaak B

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie gelet op 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, namelijk een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool merk Glock op 28 augustus 2026 te Weesp;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [slachtoffer 1] en/of een of meer tot nu toe onbekend gebleven medeleerlingen van [school] op 28 augustus 2026 te Weesp, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten en/of te tonen;

De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Zaak A

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het feit wettig en overtuigend bewezen dient te worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat op het moment dat de verbalisanten ter plaatse komen op 4 september 2025 en zij verdachte aantreffen, al sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. De verbalisanten hadden daarom vóór zij vragen gingen stellen aan verdachte de cautie moeten geven, hem moeten vertellen dat hij recht had op consultatiebijstand en ook had hem moeten worden medegedeeld dat hij daarvan geen afstand kon doen. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat dit proces-verbaal en de verklaring van verdachte om die reden moeten worden uitgesloten van het bewijs. De raadsvrouw heeft daaraan toegevoegd dat zij begrijpt dat het uitsluiten van deze bewijsmiddelen mogelijk niet tot een vrijspraak van het tenlastegelegde feit leidt, maar zij vindt het wel belangrijk dat er aan het bevoegd gezag een signaal wordt afgegeven dat een dergelijk vormverzuim niet geoorloofd is.

Het oordeel van de rechtbank

Vormverzuim

De rechtbank stelt vast dat verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] naar aanleiding van een melding over een vermiste jongen naar de bushalte bij [station] zijn gegaan. Hier zagen zij een jongen, die voldeed aan het signalement uit de melding. Op dat moment was er volgens de rechtbank nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit. Verbalisant [verbalisant 3] vraagt verdachte vervolgens waarom hij van huis is gegaan en wat hij aan het doen was. Verdachte geeft antwoord op deze vraag en vertelt onder andere dat hij onderweg was naar een jongen die hij iets wilde aandoen en dat hij deze jongen met een grote hamer op zijn hoofd wilde slaan en hem wilde vermoorden. De rechtbank stelt vast dat verdachte naar aanleiding van dit antwoord kon worden aangemerkt als een verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en is van oordeel dat verdachte op dit moment gewezen had moeten worden op zijn rechten. Voordat dit gebeurt, stelt verbalisant [verbalisant 3] aan verdachte de vraag of hij scherpe voorwerpen bij zich droeg en of er in verdachtes tas gekeken mocht worden, waarop verdachte toestemming gaf. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte te laat de cautie is gegeven en hem te laat verteld is dat hij recht heeft op rechtsbijstand. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv.

De vraag is vervolgens of er rechtsgevolgen aan dat vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten: het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank behoort de schending niet te leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank neemt bij die overweging mee dat de verdachte al voor het moment dat hij als verdachte aangemerkt werd en hem dus de cautie verleend had moeten worden een verklaring heeft afgelegd, waarin hij verteld dat hij onderweg was om iemand te vermoorden. Deze verklaring heeft hij, nadat hij gewezen was op het recht om te zwijgen en rechtsbijstand had gekregen, veelvuldig herhaald, waaronder ter terechtzitting bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen nadeel heeft ondervonden van het vormverzuim. De rechtbank volstaat daarom met de enkele constatering van dit vormverzuim.

Bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Zaak B

ten aanzien van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat op het moment dat de verbalisanten ter plaatse komen op 28 augustus 2026 en zij verdachte aantreffen, al sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. De verbalisanten hadden de verdachte daarom voorafgaand aan het stellen van vragen op 28 augustus 2026 in de gelegenheid moeten stellen om een advocaat te consulteren, en hem had moeten worden verteld dat hij van dit recht geen afstand kon doen. Nu dit is nagelaten stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het proces-verbaal naar aanleiding van dit verhoor moet worden uitgesloten van het bewijs. De raadsvrouw heeft daaraan toegevoegd dat zij begrijpt dat het uitsluiten van dit bewijsmiddel mogelijk niet tot een vrijspraak van de tenlastegelegde feiten leidt, maar vindt het wel belangrijk dat er aan het bevoegd gezag een signaal wordt afgegeven dat een dergelijk vormverzuim niet geoorloofd is.

Het oordeel van de rechtbank

Vormverzuim

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat in de situatie waarin verbalisant [verbalisant 4] met verdachte in gesprek ging, al sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. De verdachte had door de verbalisanten om die reden direct duidelijk moeten worden gewezen op zijn rechten, waaronder het recht op consultatiebijstand, waarvan hij vanwege zijn rechten als een kwetsbare minderjarige, geen afstand kan doen. De rechtbank constateert dat hiermee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Gezien de ernst van het verzuim, in het bijzonder omdat het gaat om een jonge nog minderjarige verdachte, en het daardoor geleden nadeel, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van verdachte op 28 augustus 2026 van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Bewezenverklaring

Ondanks de uitsluiting voor het bewijs van het proces-verbaal van het verhoor van 28 augustus 2026 is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit ook na 28 augustus – onder andere ter terechtzitting - heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in het dossier vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

Zaak A

hij op 4 september 2025 te Diemen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in de

artikel 289 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

- een hamer en

- een keukenmes en

- een koperen pijp en

- een nunchaku en

- een paar handschoenen en

- een bivakmuts

voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf;

Zaak B

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

hij op 28 augustus 2026 te Weesp een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door

de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool merk Glock

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij op 28 augustus 2026 te Weesp, [slachtoffer 1] en medeleerlingen van [school] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op en te tonen aan die [slachtoffer 1] en medeleerlingen van [school];

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Vrijwillige terugtred

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft volgens de raadsvrouw uit eigen beweging afgezien van het voltooien van het voorgenomen misdrijf. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred omdat dit alleen zou volgen uit de op een later moment afgelegde verklaringen van verdachte op dit punt.

De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Wetboek van Strafrecht (Sr) sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te rechtvaardigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat uit de gedragingen van verdachte niet kan worden afgeleid dat hij vrijwillig is teruggetreden, in de zin dat hij gestopt is met het voorbereiden van de door hem voorgenomen moord. De verdachte heeft verklaard dat hij spullen bij zich had om iemand dood te maken en dacht dat hij te laat op de school van het beoogde slachtoffer zou aankomen om het misdrijf die ochtend uit te kunnen voeren. Hij heeft vervolgens zijn moeder gebeld om te vertellen dat hij toch niemand had doodgemaakt. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat als hij niet had gedacht dat hij te laat zou komen en hij het beoogde slachtoffer dus had gezien, hij zijn plan wel zou hebben uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de voorbereiding van het delict niet tot een daadwerkelijke uitvoering van zijn plan is gekomen omdat hij dacht dat hij te laat was en het slachtoffer al op school zou zijn. Uit de verklaring van verdachte dat hij “het gedaan zou hebben” als hij het slachtoffer toen toch zou hebben gezien maakt de rechtbank op dat het feit dat verdachte niet is gekomen tot een uitvoering van zijn plan afhankelijk is geweest van een externe factor. Zijn plan stond en is slechts door die externe factor niet verder uitgevoerd. Dat verdachte zijn plan in het geheel niet meer wilde uitvoeren is niet aannemelijk geworden. Op grond hiervan verwerpt de rechtbank het beroep op vrijwillige terugtred.

Nu evenmin andere gronden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, betekent dit dat de verdachte strafbaar is.

9 Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir geëist om aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke gedeelte moet volgens de officier van justitie, naast de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen, ook de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en JBRA worden verbonden. Daarnaast moet aan de verdachte opgelegd worden een werkstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de lange periode die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten, waardoor hij al direct de consequenties van zijn handelen heeft ervaren. Om die reden verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om aan de verdachte niet ook nog een werkstraf op te leggen, zoals wordt geadviseerd door de Raad en JBRA.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft een plan beraamd om een beoogd slachtoffer van het leven te beroven. Ter uitvoering van zijn plan heeft de verdachte verschillende voorwerpen voorhanden gehad, waaronder een hamer, (keuken)mes en een nunchaku. Ook stond op de telefoon van verdachte in zijn notitie een stappenplan met daarin hoe je moet handelen als je op een plaats delict bent. Uit het dossier blijkt dat de verdachte inmiddels al onderweg was naar het beoogde slachtoffer, maar het plan niet is uitgevoerd omdat verdachte dacht dat hij te laat was.. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij voorbereidingshandelingen heeft getroffen om het beoogde slachtoffer van het meest kostbare bezit te beroven, namelijk zijn leven. Verdachte wilde niet alleen het beoogde slachtoffer van het leven beroven, maar had op zijn telefoon een zogenoemde ‘deathlist’, met daarop in totaal 17 namen. Verdachte heeft met zijn handelen de rechtsorde geschokt en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een nabootsing van een pistool en heeft met dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp een leerling van zijn school en medeleerlingen van [school] bedreigd. Dergelijke feiten zorgen voor angst en onveiligheid, in de eerste plaats natuurlijk voor de slachtoffers, maar ook voor de samenleving als geheel.

Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat de verdachte tot dergelijke feiten over is gegaan omdat hij naar eigen zeggen gepest werd of al langdurig ruzie had met het beoogde slachtoffer. Voor zover verdachte deze strafbare feiten heeft gepleegd omdat hij een rechtvaardiging zag in het confronteren van de beoogde slachtoffers met hun gedrag, dient duidelijk te zijn dat hierin geen enkele rechtvaardiging voor zijn handelen ligt. Het spelen voor eigen rechter leidt tot willekeurig handelen, gewelddadige escalaties en daarmee tot veel onveiligheid. De rechtbank benadrukt dat het aan de politie en justitie is om op te treden tegen (strafbaar) handelen. Verdachte moet leren om in het vervolg, wanneer hij zich gepest of onveilig voelt, aan de bel te trekken bij een volwassene, in plaats van zelf een plan te bedenken om de confrontatie aan te gaan of een wapen mee te nemen om zich veilig te voelen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 september 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De verdachte zal worden aangemerkt als first offender. De rechtbank constateert dat de verdachte zich, hoewel hij in de schorsing van de voorlopige hechtenis in zaak A liep, wel opnieuw schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit zoals bewezen verklaard in zaak B.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:

  • een Pro Justitia rapportage van 16 januari 2026, opgemaakt door [naam 5], kinder- en jeugdpsychiater;
  • een Pro Justitia rapportage van 19 januari 2026, opgemaakt door [naam 6], psycholoog;
  • de rapportages van de Raad, waaronder de rapportages van 10 april 2026 en 18 september 2026 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling;
  • de rapportages van de JBRA, waaronder het rapport van 17 september 2026 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling.

Uit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van lichte zwakbegaafdheid, maar dat er verder geen sprake is van een andere psychische stoornis of verstandelijke beperking die de gedragskeuzes van verdachte beïnvloedde. Er kan volgens de psychiater om die reden geen uitspraak gedaan worden over een doorwerking op verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De psychiater geeft aan dat er in de ontwikkeling van verdachte wel aandachtspunten zijn die begeleiding wenselijk maken. Deze betreffen met name zijn zwakbegaafd functioneren, beperkte emotieregulatie en copingvaardigheden, achterblijvende sociaal-emotionele ontwikkeling en beïnvloedbaarheid door zijn sociale omgeving. De psychiater adviseert voortzetting van de ambulante begeleiding, gericht op structurering, versterking van emotieregulatie en coping, bevordering van sociaal functioneren en ondersteuning bij identiteits- en normontwikkeling, afgestemd op zijn cognitieve niveau. Daarnaast is ondersteuning van de moeder aangewezen, gericht op versterking van haar pedagogische draagkracht, toezicht en begrenzing. Het versterken van de beschermende factoren, zoals schoolparticipatie, dagstructuur en een pro-sociaal netwerk, is hierbij van belang.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis, waarbij sprake is van sociaal-emotionele onrijpheid, een zwak geïntegreerde gewetensfunctie en enigszins beperkte intellectuele capaciteiten. De psychische problematiek hebben volgens de psycholoog geleid tot gebrekkige coping en conflicthanteringsmogelijkheden en de psycholoog adviseert de rechtbank om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog acht behandeling en begeleiding vanuit forensisch oogpunt aangewezen, zoals de reeds ingezette begeleiding vanuit de ambulant coach van Nova Forte Zorg. Tevens is behandeling aangewezen met betrekking tot zijn beperkte coping. Specifiek zou aandacht kunnen uitgaan naar de intrapsychische dynamiek waarbij hij zijn gevoelens van minderwaardigheid overdekt met het tegendeel, namelijk een stoere en krachtige houding. De moeder zou verder in haar rol als opvoeder gesteund kunnen worden om met voornoemde psychische problemen bij de verdachte om te leren gaan. Een dergelijke poliklinische behandeling zou geboden kunnen worden door een instelling als Levvel, waar voldoende forensisch expertise aanwezig is.

De Raad heeft geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals volgt uit het rapport.

JBRA heeft naar voren gebracht dat er bij verdachte een groot gevoel van onveiligheid heerst. JBRA heeft geadviseerd om aan verdachte een werkstraf op te leggen. Ook adviseert de JBRA een toezichts- en begeleidingsmaatregel, zodat de ontwikkeling van verdachte gevolgd kan worden en verdachte blijft ervaren dat bepaalde keuzes en gedrag gevolgen hebben. Zolang de verdachte blijft worstelen met zijn gevoel van onveiligheid, is het risico op een terugval volgens JBRA aanwezig.

Straf

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 8 maanden passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank oordeelt dat 4 maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of zich niet houdt aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank legt namelijk ook de bijzondere voorwaarden op zoals die zijn geadviseerd.

De rechtbank volgt het advies van de psycholoog ten aanzien van de toerekenbaarheid, wat inhoudt dat de rechtbank het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte zal toerekenen. De rechtbank legt anders dan geëist en geadviseerd door de Raad en JBRA naast voornoemde straf geen werkstraf op. Verdachte heeft een jonge leeftijd en heeft na beide bewezenverklaarde feiten direct voor een langere tijd in voorlopige hechtenis gezeten, waardoor hij reeds en direct de consequenties van zijn handelen heeft ervaren. De rechtbank verwacht daarnaast dat er een kans is dat verdachte met het opleggen van een werkstraf overvraagd wordt gelet op de bijzondere voorwaarden waar verdachte zich de komende jaren aan zal moeten houden.

10 Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

  • 1 STK Slagwapen (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705964);
  • 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705961);
  • 1 STK Hamer (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705962);
  • 1 STK Pijp (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705963);
  • 1 STK Muts (Omschrijving: PL1300-202522203-BZAQ4017);
  • 1 STK Handschoen (Omschrijving: PL1300-202522203-BZAQ4032).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om het slagwapen, het mes en de hamer te onttrekken aan het verkeer en de pijp, de muts en de handschoen verbeurd te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, conform het standpunt van de officier van justitie, het slagwapen, het mes en de hamer onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezig hiervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, dan wel dat met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

De rechtbank zal de pijp, de muts en de handschoen verbeurd verklaren. Uit het dossier en onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit onder zaak A met behulp van deze voorwerpen, die aan verdachte op wijze als bedoeld in artikel 33a, eerste lid Sr, is begaan.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 46, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en het in zaak B onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A

voorbereiding van moord

Zaak B

ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 8 maanden.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 maanden, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich niet voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan de coaching door Nova Forte Zorg;

- meewerkt aan de behandeling door Levvel of andere individuele hulp en systeemhulp indien dat nodig wordt geacht door JBRA;

- naar school gaat volgens het rooster van School2Care en opvolgende onderwijsinstelling;

- gebruik maakt van zorgvervoer naar school indien dat nodig wordt geacht door JBRA;

- meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in zijn vrije tijd door werk, sport of een andere passende activiteit;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact (laat) opnemen met de (beoogde) slachtoffers:

 [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 1];

 [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2];

- meewerkt aan overige hulpverlening die JBRA nodig acht.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat verdachte

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving

van voormelde voorwaarden en de verdachte daarvan te begeleiden.

Onttrekt aan het verkeer:

  • 1 STK Slagwapen (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705964)
  • 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705961)
  • 1 STK Hamer (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705962)

Verklaart verbeurd:

  • 1 STK Pijp (Omschrijving: PL1300-2025222203-G6705963)
  • 1 STK Muts (Omschrijving: PL1300-202522203-BZAQ4017)
  • 1 STK Handschoen (Omschrijving: PL1300-202522203-BZAQ4032)

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.M. Devis en L.F. Bögemann, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.

[… 1]

[… 2]

[… 1]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.