Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:1003Zaaknummer 25/03867

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
25/03867
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep. Heeft hof terecht geoordeeld dat in eerste aanleg sprake was van elektronische betekening in persoon? AG gaat in op de wijze van digitale betekening 'in persoon' a.b.i. art. 36f lid 2 Sv en staat in dat verband stil bij het beoordelingskader voor de feitenrechter. Uitgangspunt is dat degene die inlogt in MijnOverheid de verdachte zelf is en dat daarmee sprake is van betekening in persoon a.b.i. 36f lid 2 Sv. De verdachte kan dit uitgangspunt trachten te weerleggen door voldoende onderbouwd aan te voeren dat hij zich geen toegang heeft verschaft tot MijnOverheid, hetgeen de rechter vervolgens dient te beoordelen op aannemelijkheid. In onderhavige zaak heeft hof uit de vastlegging van elektronische overdracht kunnen afleiden dat de dagvaarding in eerste aanleg de verdachte (via digitale weg) in persoon is betekend. Hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, maakt die vaststelling niet onbegrijpelijk. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Daarmee heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

Juridisch kader

2.7

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van belang:

- Art. 36b lid 1 en 2:

“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:

a. betekening;

b. toezending;

c. mondelinge mededeling.

2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.”

- Art. 36d lid 2:

“De elektronische overdracht van een gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt met behulp van een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening.”

- Art. 36f:

“1. Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd.

2. Betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.”

- Art. 36i lid 1:

“Van iedere elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt langs elektronische weg vastgelegd:

a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;

b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;

c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;

d. de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft.”

- Art. 408 lid 1:

”Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend

[…]”.

2.8

Daarnaast zijn de volgende bepalingen uit het Besluit digitale stukken Strafvordering van belang:

- Art. 2 lid 1, aanhef en onder d:

“Onze Minister wijst een elektronische voorziening aan ten behoeve van:

d. de betekening en kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, bedoeld in artikel 36b, tweede en derde lid, van de wet.” [_1746711c-8725-4bb6-a856-24063f01ec34]

- Art. 3:

“1. De elektronische voorziening voldoet aan de volgende eisen:

a. de gebruiker van de voorziening wordt geïdentificeerd;

b. na te gaan is wie de verzender is van het stuk;

c. na te gaan is of het stuk is gewijzigd na het moment van verzending;

d. na te gaan is op welk tijdstip het stuk is ontvangen respectievelijk ter beschikking is gesteld in de elektronische voorziening;

e. na te gaan is op welk moment zich in de voorziening een storing voordoet of zich heeft voorgedaan, en

f. het stuk in de voorziening is uitsluitend toegankelijk voor een gebruiker die daarvoor is geautoriseerd.

2. De inrichting van de elektronische voorziening voldoet aan de nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging en is in staat langs elektronische weg de gegevens, bedoeld in artikel 36i van de wet, vast te leggen. Bij ministeriële regeling kan nader worden bepaald aan welke standaarden de elektronische voorziening voldoet”.

2.9

De toelichting op het Besluit digitale stukken Strafvordering luidt:

“Met dit besluit wordt MijnOverheid, zoals bedoeld in het Besluit verwerking persoonsgegevens generieke digitale infrastructuur, aangewezen als elektronische voorziening in de zin van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit digitale stukken Strafvordering. MijnOverheid voldoet aan de eisen van artikel 3, eerste lid, van het Besluit digitale stukken Strafvordering en is ingericht conform nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging in de zin van artikel 3, tweede lid, van dat besluit. Bij een digitale betekening via MijnOverheid zal uiteraard moeten worden voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt in de artikelen 36a tot en met 36n van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zo zal van iedere elektronische overdracht een aantal gegevens moeten worden vastgelegd, waaronder de wijze en het moment waarop de aangeschrevene zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening (artikel 36i Sv).”

2.10

De memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen[_3c69dad9-5a5b-4ceb-bfbb-a4cc5e8330c2] vermeldt over de elektronische betekening onder meer het volgende:

“Artikel 36f (nieuw) – betekening door elektronische overdracht

[…] Betekening via elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als de geadresseerde zich voor de toegang tot de elektronische voorziening op de voorgeschreven wijze heeft geïdentificeerd (tweede lid). Het College van procureurs-generaal merkt in zijn advies op dat noch door het openbaar ministerie, noch door de rechter zou kunnen worden gecontroleerd of degene voor wie de mededeling bestemd is zich daadwerkelijk zelf de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening. Toegang tot de elektronische voorziening kan alleen worden verkregen door gebruik te maken van aan het burgerservicenummer van de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens. Aan die authenticatie, worden bij algemene maatregel van bestuur eisen gesteld. Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting en bij de toelichting bij artikel 36b Sv is toegelicht, gaat het om een meervoudige authenticatie met in elk geval wachtwoord en sms-verificatie. Binnen het huidige Europese kader voor beveiligingsstandaarden (STORK) komt dit overeen met niveau 3. Wij wijzen in dit verband ook op het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Na de elektronische identificatie («inloggen») treft de betrokkene de voor hem bestemde stukken aan in de elektronische voorziening. In het door het College geschetste geval dat een (al dan niet uitdrukkelijk) gemachtigde zich in de praktijk met de gegevens van een ander toegang verschaft tot de elektronische voorziening, blijft dat bovendien niet onopgemerkt voor de betrokkene. De betrokkene ontvangt immers op het door hem opgegeven elektronisch adres een bevestiging dat hij heeft ingelogd (zie nader artikel 36i Sv en de bij die bepaling gegeven toelichting). […] Als adres wordt het elektronisch adres gebruikt dat de verdachte op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 27a Sv heeft opgegeven. Hiermee achten wij de zekerheid dat de geadresseerde zich zelf toegang verschaft tot de elektronische voorziening voldoende gegarandeerd. Als door onachtzaam gebruik van de persoonlijke authenticatiegegevens een ander via de elektronische voorziening (eveneens) kennis neemt van een gerechtelijke mededeling, is dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene. Het derde lid maakt het mogelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften te geven over de in dit artikel geregelde betekening door elektronische overdracht. Deze nieuw te stellen nadere regels zullen overeenstemmen met de nadere voorschriften die zullen worden gesteld bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering.”

De procedure van een elektronisch betekening

2.11

Voorafgaand aan de bespreking van het middel beschrijf ik in het kort hoe de procedure van een elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen, praktisch gezien, verloopt. Deze stappen zijn stukje bij beetje te herleiden uit toelichtingen bij MijnOverheid, de Berichtenbox-app en DigiD[_05aae240-eae6-4968-b3f6-755b83b5b792] en uit informatie op de website van het openbaar ministerie. Bij deze beschrijving past wel de waarschuwing dat de huidige situatie bij het activeren of gebruik van MijnOverheid, de Berichtenbox-app en DigiD kan afwijken van het verleden.[_9a4ff693-47c4-4421-98e5-7d70ca39def8] Voor een meer uitvoerige beschrijving en nadere bronverwijzingen verwijs ik naar de onder randnummer 2.4 al genoemde conclusie van mijn ambtgenote Van Kampen.

2.12

De procedure van elektronische betekening verloopt thans als volgt:

i) het openbaar ministerie verstuurt slechts gerechtelijke mededelingen naar de (elektronische) Berichtenbox van MijnOverheid nadat degene voor wie die mededeling is bestemd er in MijnOverheid – al dan niet zeer bewust[_095d49ef-3a77-42ae-a281-2bac28472ab6] – voor heeft gekozen om berichten van het openbaar ministerie via MijnOverheid te ontvangen;

ii) als een nieuw bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst, ontvangt degene voor wie het bericht is bestemd een melding in zijn Berichtenbox-app of op het bij activatie van MijnOverheid door hem opgegeven (of later door hem gewijzigde) e-mailadres, tenzij hij de optie “meldingen” heeft uitgezet dan wel nooit heeft aangezet;

iii) het inloggen op MijnOverheid.nl of in de Berichtenbox-app voor het bekijken van berichten van het openbaar ministerie vergt een inlog met DigiD. Een inlog met DigiD kan a) met de DigiD-app op de telefoon of tablet van betrokkene met een toegangscode of b) met de DigiD-gebruikersnaam en het wachtwoord van betrokkene en een SMS-controle (inloggen vergt dus steeds een tweefactorauthenticatie);

iv) het openbaar ministerie ontvangt een melding dat na verzending van de gerechtelijke mededeling voor het eerst op basis van tweefactorauthenticatie is ingelogd op MijnOverheid of in de Berichtenbox-app;

v) het openbaar ministerie verzendt daarop een bevestigingsbericht naar de Berichtenbox van MijnOverheid van degene voor wie het bericht is bestemd, waarin betrokkene wordt geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling;

vi) van dit nieuwe bericht ontvangt degene voor wie het bericht is bestemd een melding in zijn Berichtenbox-app of op het bij activatie van MijnOverheid door hem opgegeven (of later door hem gewijzigde) e-mailadres, tenzij hij de optie “meldingen” heeft uitgezet;

vii) van de elektronische overdracht wordt door het openbaar ministerie geautomatiseerd een vastlegging van elektronische overdracht opgemaakt, die wordt gevoegd in het strafdossier. Daaruit blijkt onder meer de datum en het tijdstip van verzending van de gerechtelijke mededeling naar de MijnOverheid-Berichtenbox van de verdachte en de datum en het tijdstip van de eerste inlog met de onder iii. genoemde tweefactorauthenticatie in MijnOverheid;

viii) als degene voor wie het bericht is bestemd niet tijdig inlogt bij MijnOverheid, wordt geprobeerd de gerechtelijke mededeling (ook) in papieren vorm aan de verdachte te betekenen.

De betekening in persoon

2.13

Op grond van art. 36f lid 2 Sv geldt de betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon indien degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in art. 36d lid 2 Sv. Als elektronische voorziening ten behoeve van de betekening van gerechtelijke mededelingen is MijnOverheid aangewezen. De ‘inlog’ daarin wordt vastgelegd en de bevestiging daarvan wordt geplaatst in de Berichtenbox van de verdachte.

2.14

Art. 36f lid 2 Sv berust op de veronderstelling dat met de waarborgen waarmee de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen is omgeven, voldoende is gegarandeerd dat het met zekerheid de verdachte zelf is die zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid. Daarbij is van belang geacht dat toegang tot MijnOverheid alleen kan worden verkregen door gebruik van meervoudige aan de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens.

2.15

Het inloggen in MijnOverheid geschiedt door middel van tweefactorauthenticatie via DigiD. In beginsel zal dus slechts de verdachte zelf – al dan niet met technische hulp van een derde – kunnen inloggen in die omgeving. Die inlog geldt dan als een betekening in persoon van de gerechtelijke mededeling(en) die in de Berichtenbox voor de verdachte gereed staat of staan. Weliswaar bestaat er een mogelijkheid om een ander te machtigen om met zijn of haar eigen DigiD in te loggen in andermans Berichtenbox om berichten van bepaalde (semi)overheidsorganisaties in te zien,[_eaa404bc-87af-499f-aed0-b7e4424eaeb0] maar die mogelijkheid staat niet open voor berichten van het openbaar ministerie. Iemand die wel gemachtigd is voor berichten van andere organisaties dan het openbaar ministerie, kan niet zien dat er een bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox staat.[_0c570e9d-6392-4122-a4f0-1de1e8d7dd41] Met mijn ambtgenote Van Kampen ben ik dan ook van mening dat mag worden aangenomen, dat het inloggen door een gemachtigde in de Berichtenbox van de verdachte niet geregistreerd zal worden als ‘een inlog’ die maakt dat sprake is van een geslaagde betekening van een gerechtelijke mededeling aan de verdachte.[_0630e03c-0530-4017-b756-231554001204]

2.16

Hoewel dus uitgangspunt is dat het de verdachte zelf is die heeft ingelogd in MijnOverheid, heeft de wetgever in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen de mogelijkheid dat een ander met de inloggegevens van de verdachte ongemerkt inlogt in het systeem van MijnOverheid niet geheel uitgesloten geacht. In verband daarmee is erop gewezen dat dat dan niet onopgemerkt blijft voor de betrokkene omdat hij dan een bevestiging ontvangt op zijn elektronische adres. Het gaat mij er hier niet om of die inlog door een derde de betrokkene door die bevestiging inderdaad niet zal kunnen ontgaan, maar wel dat de mogelijkheid dat een derde zonder samenwerking met de verdachte inlogt, niet volledig uitgesloten is geacht.

2.17

Nu art. 36f lid 2 Sv voor het aanmerken van een digitale betekening als een betekening in persoon niet slechts vereist dat is ingelogd in de MijnOverheid-omgeving van de verdachte, maar uitdrukkelijk vereist dat degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot MijnOverheid, brengt dit naar mijn mening mee dat door of namens de verdachte ten overstaan van de rechter moet kunnen worden betwist dat de verdachte degene is geweest die heeft ingelogd bij MijnOverheid en zich aldus toegang heeft verschaft tot MijnOverheid als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv. Daaraan doet niet af dat een succesvolle betwisting uitzonderlijk zal zijn: er zal immers voldoende moeten worden aangevoerd waardoor het aannemelijk wordt dat het – ondanks alle technische waarborgen – in het betreffende geval niet de verdachte, maar een ander is geweest die zich – zonder dat sprake was van slechts technische bijstand aan de verdachte – door de inlog toegang heeft verschaft tot MijnOverheid. Op dit punt neem ik een ander standpunt in dan mijn ambtgenote Van Kampen, die voor deze mogelijkheid van betwisting geen ruimte ziet en voor de hier aan de orde zijnde uitzonderingssituatie een oplossing zoekt in de verontschuldigbare overschrijding van de 14-dagentermijn voor het instellen van hoger beroep.

2.18

Indien een dagvaarding op digitale wijze aan de verdachte is betekend doordat de dagvaarding in zijn Berichtenbox is geplaatst en er met het DigiD-account van de verdachte in de MijnOverheid-omgeving – waarvan de Berichtenbox deel uitmaakt – is ingelogd, mag de rechter er in beginsel van uitgaan dat het de verdachte is geweest die – zijnde degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is – zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid, zodat de dagvaarding ‘in persoon’ is betekend als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv. De verdachte kan tegen dat uitgangspunt inbrengen dat hij het niet is geweest die zich die toegang heeft verschaft. Dat dient dan evenwel in voldoende mate aannemelijk te worden. Het is in mijn ogen de rechter die hetgeen door of namens de verdachte in dit verband wordt aangevoerd, dient te beoordelen op zijn aannemelijkheid en aan de hand daarvan dient te beoordelen of tegen die achtergrond al dan niet sprake is van een betekening in persoon als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv.

2.19

In de onderhavige zaak heeft de voorzitter aan het begin van de terechtzitting in hoger beroep vastgesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg op 22 juni 2024 via elektronische weg in persoon aan de verdachte is betekend. Daarop heeft de gemachtigd raadsman de vraag opgeworpen of kan worden uitgegaan van een betekening in persoon voor de terechtzitting in eerste aanleg, nu de verdachte stelt:

- dat hij de mededeling in MijnOverheid nooit heeft gezien;

- dat hij niet degene is geweest die heeft ingelogd;

- dat hij de dagvaarding dan ook niet heeft gezien;

- dat zijn inbox in MijnOverheid destijds vol was;

- dat hij zelf niet kan inloggen;

- dat zijn vriendin zaken voor hem waarnam;

- dat zijn vriendin en de bewindvoerder de DigiD-inloggegevens hadden.

2.20

Uit de aantekening mondeling arrest blijkt dat de argumenten die de raadsman heeft aangedragen bij zijn vraag of kan worden uitgegaan van een betekening in persoon voor de zitting in eerste aanleg, het hof niet op andere gedachten heeft gebracht. Het hof heeft immers vervolgens opnieuw vastgesteld dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte via digitale weg in persoon heeft bereikt, zodat een beroepstermijn van 14 dagen na de uitspraak van het vonnis geldt.

2.21

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een geautomatiseerd aangemaakte vastlegging van elektronische overdracht, waaruit blijkt dat:

- de dagvaarding van de verdachte voor de zitting van 9 september 2024, tijdstip 09:30, op 18 juni 2024 16:09 in verdachtes MijnOverheid-Berichtenbox is geplaatst;

- op 22 juni 2024 08:47 is ingelogd in deze MijnOverheid-Berichtenbox;

- na het inloggen op basis van tweefactorauthenticatie een bevestiging aan de verdachte is verzonden, die is geplaatst in zijn Berichtenbox van MijnOverheid;

- in deze bevestiging de verdachte is geïnformeerd over de elektronische overdacht van de gerechtelijke mededeling.

2.22

De steller van het middel voert aan dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is) feitelijk degene is geweest die zich de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening, zoals art. 36f lid 2 Sv vereist voor een betekening in persoon.

2.23

Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte (via digitale weg) in persoon heeft bereikt. De vastlegging van elektronische overdracht biedt daaraan steun, nu daaruit blijkt dat deze dagvaarding voor de terechtzitting van 9 september 2024, op 18 juni 2024 in de Berichtenbox van de verdachte in MijnOverheid is geplaatst en dat op 22 juni 2024 om 08:47 uur via het account van de verdachte in MijnOverheid is ingelogd op basis van tweefactorauthenticatie. Hieruit heeft het hof in beginsel kunnen afleiden dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte (via digitale weg) in persoon heeft bereikt.

2.24

Gelet op hetgeen ik onder 2.17 en 2.18 heb overwogen en mede gelet op de waarborgen waarmee de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen is omgeven – met name de eis van tweefactorauthenticatie en de beperkingen die gelden bij het inloggen door een gemachtigde – maakt hetgeen door de verdediging namens de verdachte is aangevoerd, de vaststelling van het hof dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte in persoon heeft bereikt niet onbegrijpelijk. Immers, daartegenover zijn namens de verdachte slechts niet nader onderbouwde stellingen naar voren gebracht, die onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat het niet de verdachte, maar een ander is geweest die heeft ingelogd in MijnOverheid en dus niet maken dat moet worden afgeweken van het onder 2.18 benoemde uitgangspunt.

2.25

Uitgaande van de niet onbegrijpelijke vaststelling dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte in persoon heeft bereikt en gelet op art. 408 lid 1, aanhef en onder a Sv heeft het hof vervolgens niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep is overschreden. Daarbij heeft het hof vastgesteld dat van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken. Op basis van het voorgaande heeft het hof uiteindelijk kunnen oordelen dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

3 Slotsom

3.1

Het middel faalt.

3.2

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Inleiding
  2. 2 Het middel
  3. 3 Slotsom

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/03867

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 17 oktober 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden[_e198457b-a4a9-4da0-b859-ebb5e51a2d75] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

1.2

Namens de verdachte heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan, één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, althans dat het oordeel van het hof dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep is overschreden (daar sprake was van een (digitale) betekening van de dagvaarding in eerste aanleg in persoon) niet zonder meer begrijpelijk is.

2.2

Het middel draait in de kern om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat in eerste aanleg sprake was van een elektronische betekening ‘in persoon’ als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv.

2.3

De mogelijkheid om gerechtelijke mededelingen (zoals een dagvaarding) elektronisch te betekenen, bestaat nog niet zo lang. Die mogelijkheid is ingevoerd met de partiële inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020.[_3f474d3b-e464-472e-a213-2b42f328cea5] Inmiddels zijn bij de Hoge Raad diverse strafzaken aanhangig waarin wordt geklaagd over (de gevolgen van) een elektronische betekening in persoon. De conclusie in deze zaak betreft één van die zaken.

2.4

Voor een uitgebreide bespreking van de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van de betekening van gerechtelijke mededelingen door middel van ‘elektronische overdracht’, verwijs ik graag naar de conclusie die mijn ambtgenote Van Kampen vandaag neemt in de zaak [naam 1] (25/03504), ECLI:NL:PHR:2026:1005.

De processtukken in de onderhavige zaak

2.5

Bij vonnis van 9 september 2024 is de verdachte door de kantonrechter in de rechtbank Overijssel bij verstek veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van twee weken vanwege “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”. Tegen dat vonnis heeft de verdachte op 12 februari 2025 hoger beroep ingesteld.

2.6

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 oktober 2025 vermeldt het volgende:

“De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep op de juiste wijze is betekend.

Verdachte is bij vonnis van 9 september 2024 bij verstek veroordeeld. De dagvaarding voor de zitting van 9 september 2024 is op 22 juni 2024 via elektronische weg in persoon aan hem betekend. Op 12 februari 2025 is pas hoger beroep ingesteld. Dat is ruim meer dan 14 dagen nadat de hoger beroepstermijn was verstreken.

De raadsman van verdachte voert het woord:

Het klopt dat het hoger beroep op 12 februari 2025 is ingesteld. De vraag is of kan worden uitgegaan van een betekening in persoon voor de zitting in eerste aanleg. Cliënt stelt dat hij de mededeling in MijnOverheid nooit heeft gezien en dat hij niet degene is geweest die heeft ingelogd. Hij heeft de dagvaarding dan ook niet gezien. Ook geeft cliënt aan dat zijn inbox in MijnOverheid destijds vol was, dat hij zelf niet kan inloggen en dat zijn vriendin zaken voor hem waarnam. Zijn vriendin had de DigiD-inloggegevens en ook de bewindvoerder had deze inloggegevens. Cliënt heeft eind januari 2025/begin februari 2025 kennisgenomen van het vonnis en vervolgens direct contact opgenomen met mijn kantoor om hoger beroep in te stellen. Cliënt is er nu niet, omdat hij bezig is met de uitvoering van een taakstraf en dat wilde hij voorrang geven. Hij is ook bang om misschien nog te worden aangehouden voor deze straf. Daarom is hij er niet. Het hoger beroep richt zich tegen de gevangenisstraf. In juni 2025 heeft cliënt nog een zitting gehad en taakstraffen opgelegd gekregen. Ik weet niet of cliënt inmiddels zijn rijbewijs heeft.

[…]

De advocaat-generaal voert het woord:

Er is sprake van een juiste betekening, namelijk in persoon, voor de zitting in eerste aanleg. De verklaring van verdachte dat hij niet zelf zou hebben ingelogd, acht ik niet aannemelijk en ook ongeloofwaardig. Er is wel ingelogd en dat is gedaan door verdachte. Het hoger beroep is te laat ingesteld en verdachte moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

[…]

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld, terwijl van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken. Weliswaar is verdachte bij verstek veroordeeld, maar de dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg heeft hem (via digitale weg) in persoon bereikt. De hoofdregel van een hoger beroepstermijn van 14 dagen is dan ook van toepassing. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

Juridisch kader

2.7

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van belang:

- Art. 36b lid 1 en 2:

“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:

a. betekening;

b. toezending;

c. mondelinge mededeling.

2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.”

- Art. 36d lid 2:

“De elektronische overdracht van een gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt met behulp van een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening.”

- Art. 36f:

“1. Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd.

2. Betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.”

- Art. 36i lid 1:

“Van iedere elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt langs elektronische weg vastgelegd:

a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;

b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;

c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;

d. de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft.”

- Art. 408 lid 1:

”Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend

[…]”.

2.8

Daarnaast zijn de volgende bepalingen uit het Besluit digitale stukken Strafvordering van belang:

- Art. 2 lid 1, aanhef en onder d:

“Onze Minister wijst een elektronische voorziening aan ten behoeve van:

d. de betekening en kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, bedoeld in artikel 36b, tweede en derde lid, van de wet.” [_1746711c-8725-4bb6-a856-24063f01ec34]

- Art. 3:

“1. De elektronische voorziening voldoet aan de volgende eisen:

a. de gebruiker van de voorziening wordt geïdentificeerd;

b. na te gaan is wie de verzender is van het stuk;

c. na te gaan is of het stuk is gewijzigd na het moment van verzending;

d. na te gaan is op welk tijdstip het stuk is ontvangen respectievelijk ter beschikking is gesteld in de elektronische voorziening;

e. na te gaan is op welk moment zich in de voorziening een storing voordoet of zich heeft voorgedaan, en

f. het stuk in de voorziening is uitsluitend toegankelijk voor een gebruiker die daarvoor is geautoriseerd.

2. De inrichting van de elektronische voorziening voldoet aan de nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging en is in staat langs elektronische weg de gegevens, bedoeld in artikel 36i van de wet, vast te leggen. Bij ministeriële regeling kan nader worden bepaald aan welke standaarden de elektronische voorziening voldoet”.

2.9

De toelichting op het Besluit digitale stukken Strafvordering luidt:

“Met dit besluit wordt MijnOverheid, zoals bedoeld in het Besluit verwerking persoonsgegevens generieke digitale infrastructuur, aangewezen als elektronische voorziening in de zin van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit digitale stukken Strafvordering. MijnOverheid voldoet aan de eisen van artikel 3, eerste lid, van het Besluit digitale stukken Strafvordering en is ingericht conform nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging in de zin van artikel 3, tweede lid, van dat besluit. Bij een digitale betekening via MijnOverheid zal uiteraard moeten worden voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt in de artikelen 36a tot en met 36n van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zo zal van iedere elektronische overdracht een aantal gegevens moeten worden vastgelegd, waaronder de wijze en het moment waarop de aangeschrevene zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening (artikel 36i Sv).”

2.10

De memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen[_3c69dad9-5a5b-4ceb-bfbb-a4cc5e8330c2] vermeldt over de elektronische betekening onder meer het volgende:

“Artikel 36f (nieuw) – betekening door elektronische overdracht

[…] Betekening via elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als de geadresseerde zich voor de toegang tot de elektronische voorziening op de voorgeschreven wijze heeft geïdentificeerd (tweede lid). Het College van procureurs-generaal merkt in zijn advies op dat noch door het openbaar ministerie, noch door de rechter zou kunnen worden gecontroleerd of degene voor wie de mededeling bestemd is zich daadwerkelijk zelf de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening. Toegang tot de elektronische voorziening kan alleen worden verkregen door gebruik te maken van aan het burgerservicenummer van de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens. Aan die authenticatie, worden bij algemene maatregel van bestuur eisen gesteld. Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting en bij de toelichting bij artikel 36b Sv is toegelicht, gaat het om een meervoudige authenticatie met in elk geval wachtwoord en sms-verificatie. Binnen het huidige Europese kader voor beveiligingsstandaarden (STORK) komt dit overeen met niveau 3. Wij wijzen in dit verband ook op het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Na de elektronische identificatie («inloggen») treft de betrokkene de voor hem bestemde stukken aan in de elektronische voorziening. In het door het College geschetste geval dat een (al dan niet uitdrukkelijk) gemachtigde zich in de praktijk met de gegevens van een ander toegang verschaft tot de elektronische voorziening, blijft dat bovendien niet onopgemerkt voor de betrokkene. De betrokkene ontvangt immers op het door hem opgegeven elektronisch adres een bevestiging dat hij heeft ingelogd (zie nader artikel 36i Sv en de bij die bepaling gegeven toelichting). […] Als adres wordt het elektronisch adres gebruikt dat de verdachte op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 27a Sv heeft opgegeven. Hiermee achten wij de zekerheid dat de geadresseerde zich zelf toegang verschaft tot de elektronische voorziening voldoende gegarandeerd. Als door onachtzaam gebruik van de persoonlijke authenticatiegegevens een ander via de elektronische voorziening (eveneens) kennis neemt van een gerechtelijke mededeling, is dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene. Het derde lid maakt het mogelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften te geven over de in dit artikel geregelde betekening door elektronische overdracht. Deze nieuw te stellen nadere regels zullen overeenstemmen met de nadere voorschriften die zullen worden gesteld bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering.”

De procedure van een elektronisch betekening

2.11

Voorafgaand aan de bespreking van het middel beschrijf ik in het kort hoe de procedure van een elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen, praktisch gezien, verloopt. Deze stappen zijn stukje bij beetje te herleiden uit toelichtingen bij MijnOverheid, de Berichtenbox-app en DigiD[_05aae240-eae6-4968-b3f6-755b83b5b792] en uit informatie op de website van het openbaar ministerie. Bij deze beschrijving past wel de waarschuwing dat de huidige situatie bij het activeren of gebruik van MijnOverheid, de Berichtenbox-app en DigiD kan afwijken van het verleden.[_9a4ff693-47c4-4421-98e5-7d70ca39def8] Voor een meer uitvoerige beschrijving en nadere bronverwijzingen verwijs ik naar de onder randnummer 2.4 al genoemde conclusie van mijn ambtgenote Van Kampen.

2.12

De procedure van elektronische betekening verloopt thans als volgt:

i) het openbaar ministerie verstuurt slechts gerechtelijke mededelingen naar de (elektronische) Berichtenbox van MijnOverheid nadat degene voor wie die mededeling is bestemd er in MijnOverheid – al dan niet zeer bewust[_095d49ef-3a77-42ae-a281-2bac28472ab6] – voor heeft gekozen om berichten van het openbaar ministerie via MijnOverheid te ontvangen;

ii) als een nieuw bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst, ontvangt degene voor wie het bericht is bestemd een melding in zijn Berichtenbox-app of op het bij activatie van MijnOverheid door hem opgegeven (of later door hem gewijzigde) e-mailadres, tenzij hij de optie “meldingen” heeft uitgezet dan wel nooit heeft aangezet;

iii) het inloggen op MijnOverheid.nl of in de Berichtenbox-app voor het bekijken van berichten van het openbaar ministerie vergt een inlog met DigiD. Een inlog met DigiD kan a) met de DigiD-app op de telefoon of tablet van betrokkene met een toegangscode of b) met de DigiD-gebruikersnaam en het wachtwoord van betrokkene en een SMS-controle (inloggen vergt dus steeds een tweefactorauthenticatie);

iv) het openbaar ministerie ontvangt een melding dat na verzending van de gerechtelijke mededeling voor het eerst op basis van tweefactorauthenticatie is ingelogd op MijnOverheid of in de Berichtenbox-app;

v) het openbaar ministerie verzendt daarop een bevestigingsbericht naar de Berichtenbox van MijnOverheid van degene voor wie het bericht is bestemd, waarin betrokkene wordt geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling;

vi) van dit nieuwe bericht ontvangt degene voor wie het bericht is bestemd een melding in zijn Berichtenbox-app of op het bij activatie van MijnOverheid door hem opgegeven (of later door hem gewijzigde) e-mailadres, tenzij hij de optie “meldingen” heeft uitgezet;

vii) van de elektronische overdracht wordt door het openbaar ministerie geautomatiseerd een vastlegging van elektronische overdracht opgemaakt, die wordt gevoegd in het strafdossier. Daaruit blijkt onder meer de datum en het tijdstip van verzending van de gerechtelijke mededeling naar de MijnOverheid-Berichtenbox van de verdachte en de datum en het tijdstip van de eerste inlog met de onder iii. genoemde tweefactorauthenticatie in MijnOverheid;

viii) als degene voor wie het bericht is bestemd niet tijdig inlogt bij MijnOverheid, wordt geprobeerd de gerechtelijke mededeling (ook) in papieren vorm aan de verdachte te betekenen.

De betekening in persoon

2.13

Op grond van art. 36f lid 2 Sv geldt de betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon indien degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening bedoeld in art. 36d lid 2 Sv. Als elektronische voorziening ten behoeve van de betekening van gerechtelijke mededelingen is MijnOverheid aangewezen. De ‘inlog’ daarin wordt vastgelegd en de bevestiging daarvan wordt geplaatst in de Berichtenbox van de verdachte.

2.14

Art. 36f lid 2 Sv berust op de veronderstelling dat met de waarborgen waarmee de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen is omgeven, voldoende is gegarandeerd dat het met zekerheid de verdachte zelf is die zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid. Daarbij is van belang geacht dat toegang tot MijnOverheid alleen kan worden verkregen door gebruik van meervoudige aan de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens.

2.15

Het inloggen in MijnOverheid geschiedt door middel van tweefactorauthenticatie via DigiD. In beginsel zal dus slechts de verdachte zelf – al dan niet met technische hulp van een derde – kunnen inloggen in die omgeving. Die inlog geldt dan als een betekening in persoon van de gerechtelijke mededeling(en) die in de Berichtenbox voor de verdachte gereed staat of staan. Weliswaar bestaat er een mogelijkheid om een ander te machtigen om met zijn of haar eigen DigiD in te loggen in andermans Berichtenbox om berichten van bepaalde (semi)overheidsorganisaties in te zien,[_eaa404bc-87af-499f-aed0-b7e4424eaeb0] maar die mogelijkheid staat niet open voor berichten van het openbaar ministerie. Iemand die wel gemachtigd is voor berichten van andere organisaties dan het openbaar ministerie, kan niet zien dat er een bericht van het openbaar ministerie in de Berichtenbox staat.[_0c570e9d-6392-4122-a4f0-1de1e8d7dd41] Met mijn ambtgenote Van Kampen ben ik dan ook van mening dat mag worden aangenomen, dat het inloggen door een gemachtigde in de Berichtenbox van de verdachte niet geregistreerd zal worden als ‘een inlog’ die maakt dat sprake is van een geslaagde betekening van een gerechtelijke mededeling aan de verdachte.[_0630e03c-0530-4017-b756-231554001204]

2.16

Hoewel dus uitgangspunt is dat het de verdachte zelf is die heeft ingelogd in MijnOverheid, heeft de wetgever in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen de mogelijkheid dat een ander met de inloggegevens van de verdachte ongemerkt inlogt in het systeem van MijnOverheid niet geheel uitgesloten geacht. In verband daarmee is erop gewezen dat dat dan niet onopgemerkt blijft voor de betrokkene omdat hij dan een bevestiging ontvangt op zijn elektronische adres. Het gaat mij er hier niet om of die inlog door een derde de betrokkene door die bevestiging inderdaad niet zal kunnen ontgaan, maar wel dat de mogelijkheid dat een derde zonder samenwerking met de verdachte inlogt, niet volledig uitgesloten is geacht.

2.17

Nu art. 36f lid 2 Sv voor het aanmerken van een digitale betekening als een betekening in persoon niet slechts vereist dat is ingelogd in de MijnOverheid-omgeving van de verdachte, maar uitdrukkelijk vereist dat degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot MijnOverheid, brengt dit naar mijn mening mee dat door of namens de verdachte ten overstaan van de rechter moet kunnen worden betwist dat de verdachte degene is geweest die heeft ingelogd bij MijnOverheid en zich aldus toegang heeft verschaft tot MijnOverheid als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv. Daaraan doet niet af dat een succesvolle betwisting uitzonderlijk zal zijn: er zal immers voldoende moeten worden aangevoerd waardoor het aannemelijk wordt dat het – ondanks alle technische waarborgen – in het betreffende geval niet de verdachte, maar een ander is geweest die zich – zonder dat sprake was van slechts technische bijstand aan de verdachte – door de inlog toegang heeft verschaft tot MijnOverheid. Op dit punt neem ik een ander standpunt in dan mijn ambtgenote Van Kampen, die voor deze mogelijkheid van betwisting geen ruimte ziet en voor de hier aan de orde zijnde uitzonderingssituatie een oplossing zoekt in de verontschuldigbare overschrijding van de 14-dagentermijn voor het instellen van hoger beroep.

2.18

Indien een dagvaarding op digitale wijze aan de verdachte is betekend doordat de dagvaarding in zijn Berichtenbox is geplaatst en er met het DigiD-account van de verdachte in de MijnOverheid-omgeving – waarvan de Berichtenbox deel uitmaakt – is ingelogd, mag de rechter er in beginsel van uitgaan dat het de verdachte is geweest die – zijnde degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is – zich toegang heeft verschaft tot MijnOverheid, zodat de dagvaarding ‘in persoon’ is betekend als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv. De verdachte kan tegen dat uitgangspunt inbrengen dat hij het niet is geweest die zich die toegang heeft verschaft. Dat dient dan evenwel in voldoende mate aannemelijk te worden. Het is in mijn ogen de rechter die hetgeen door of namens de verdachte in dit verband wordt aangevoerd, dient te beoordelen op zijn aannemelijkheid en aan de hand daarvan dient te beoordelen of tegen die achtergrond al dan niet sprake is van een betekening in persoon als bedoeld in art. 36f lid 2 Sv.

2.19

In de onderhavige zaak heeft de voorzitter aan het begin van de terechtzitting in hoger beroep vastgesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg op 22 juni 2024 via elektronische weg in persoon aan de verdachte is betekend. Daarop heeft de gemachtigd raadsman de vraag opgeworpen of kan worden uitgegaan van een betekening in persoon voor de terechtzitting in eerste aanleg, nu de verdachte stelt:

- dat hij de mededeling in MijnOverheid nooit heeft gezien;

- dat hij niet degene is geweest die heeft ingelogd;

- dat hij de dagvaarding dan ook niet heeft gezien;

- dat zijn inbox in MijnOverheid destijds vol was;

- dat hij zelf niet kan inloggen;

- dat zijn vriendin zaken voor hem waarnam;

- dat zijn vriendin en de bewindvoerder de DigiD-inloggegevens hadden.

2.20

Uit de aantekening mondeling arrest blijkt dat de argumenten die de raadsman heeft aangedragen bij zijn vraag of kan worden uitgegaan van een betekening in persoon voor de zitting in eerste aanleg, het hof niet op andere gedachten heeft gebracht. Het hof heeft immers vervolgens opnieuw vastgesteld dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte via digitale weg in persoon heeft bereikt, zodat een beroepstermijn van 14 dagen na de uitspraak van het vonnis geldt.

2.21

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een geautomatiseerd aangemaakte vastlegging van elektronische overdracht, waaruit blijkt dat:

- de dagvaarding van de verdachte voor de zitting van 9 september 2024, tijdstip 09:30, op 18 juni 2024 16:09 in verdachtes MijnOverheid-Berichtenbox is geplaatst;

- op 22 juni 2024 08:47 is ingelogd in deze MijnOverheid-Berichtenbox;

- na het inloggen op basis van tweefactorauthenticatie een bevestiging aan de verdachte is verzonden, die is geplaatst in zijn Berichtenbox van MijnOverheid;

- in deze bevestiging de verdachte is geïnformeerd over de elektronische overdacht van de gerechtelijke mededeling.

2.22

De steller van het middel voert aan dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is) feitelijk degene is geweest die zich de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening, zoals art. 36f lid 2 Sv vereist voor een betekening in persoon.

2.23

Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte (via digitale weg) in persoon heeft bereikt. De vastlegging van elektronische overdracht biedt daaraan steun, nu daaruit blijkt dat deze dagvaarding voor de terechtzitting van 9 september 2024, op 18 juni 2024 in de Berichtenbox van de verdachte in MijnOverheid is geplaatst en dat op 22 juni 2024 om 08:47 uur via het account van de verdachte in MijnOverheid is ingelogd op basis van tweefactorauthenticatie. Hieruit heeft het hof in beginsel kunnen afleiden dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte (via digitale weg) in persoon heeft bereikt.

2.24

Gelet op hetgeen ik onder 2.17 en 2.18 heb overwogen en mede gelet op de waarborgen waarmee de elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen is omgeven – met name de eis van tweefactorauthenticatie en de beperkingen die gelden bij het inloggen door een gemachtigde – maakt hetgeen door de verdediging namens de verdachte is aangevoerd, de vaststelling van het hof dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte in persoon heeft bereikt niet onbegrijpelijk. Immers, daartegenover zijn namens de verdachte slechts niet nader onderbouwde stellingen naar voren gebracht, die onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat het niet de verdachte, maar een ander is geweest die heeft ingelogd in MijnOverheid en dus niet maken dat moet worden afgeweken van het onder 2.18 benoemde uitgangspunt.

2.25

Uitgaande van de niet onbegrijpelijke vaststelling dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte in persoon heeft bereikt en gelet op art. 408 lid 1, aanhef en onder a Sv heeft het hof vervolgens niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep is overschreden. Daarbij heeft het hof vastgesteld dat van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken. Op basis van het voorgaande heeft het hof uiteindelijk kunnen oordelen dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

3 Slotsom

3.1

Het middel faalt.

3.2

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

  1. Parketnummer: 21-000652-25.
  2. Zie Stb. 2019, 507.
  3. In art. 1 Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 12 mei 2020 tot aanwijzing van een elektronische voorziening in de zin van het Besluit digitale stukken is MijnOverheid aangewezen als elektronische voorziening als bedoeld in art. 2 lid 1 onder d van het Besluit digitale stukken Strafvordering.
  4. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 58-59.
  5. Het platform MijnOverheid is bereikbaar via een persoonlijk DigiD. De Berichtenbox is een onderdeel van het digitale platform MijnOverheid en kan ook als app op de smartphone of tablet worden geïnstalleerd.
  6. Zo blijkt pas sinds 30 januari 2023 voor het inloggen in MijnOverheid een DigiD-app of een SMS-controle te zijn vereist. Inloggen met alleen een gebruikersnaam en wachtwoord is sindsdien niet meer mogelijk. Verder heeft mijn ambtgenote Van Kampen achterhaald dat de ‘opt-out’-mogelijkheid voor notificaties pas sinds 1 juli 2023 de standaard is. Daarvoor werd een ‘opt-in’-mogelijkheid geboden. Zie daartoe de conclusie van mijn ambtgenote Van Kampen van 27 oktober 2026, ECLI:NL:PHR:2026:1005, onder 6.19.
  7. Het is in MijnOverheid mogelijk om met het aanvinken van een apart hokje in één keer aan te geven dat alle landelijke overheidsorganisaties die zijn aangesloten op de Berichtenbox digitale post mogen sturen.
  8. Vgl. https://mijn.overheid.nl/wat-is-de-berichtenbox/machtigen/. Zie ook: https://machtigen.digid.nl/. Beide geraadpleegd op 23 oktober 2026.
  9. https://www.om.nl/onderwerpen/b/berichtenbox (onder ‘Veel gestelde vragen’), geraadpleegd 23 oktober 2026.
  10. Conclusie van mijn ambtgenote Van Kampen van 27 oktober 2026, ECLI:NL:PHR:2026:1005, onder 7.12.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.