Toelichting op de beleidsregels Beleidsregels (bijzondere) bijstand, werk gemeente Woudenberg
(als er geen toelichting is, staat er niets vermeld)
1Bijstand
1.1 Aanvraag
1Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag
2Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag
3Afhandeling ingetrokken aanvragen
4Categorieën aanvragen bij UWV i.p.v. college
Geen beleid (geen meerwaarde).
5Locatie(s) indienen aanvragen
6Overdrachtstermijn
De gemeente Woudenberg maakt geen gebruik van de dienstverlening van het UWV voor zover het betreft het in ontvangst nemen van aanvragen algemene bijstand, bijzondere bijstand en minimaregelingen. Een overdrachtstermijn is derhalve niet aan de orde.
7Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand
Formeel bestaat er geen verkorte aanvraagprocedure na een korte onderbreking van de bijstandsverlening. Wat overigens onder een korte onderbreking moet worden verstaan is evenmin vastgelegd. Het is niet onredelijk om die termijn te stellen op drie maanden nadat het voorgaande recht op bijstand is ingetrokken.
Niet opvragen:
Bewijsstukken die al in het bezit zijn van de gemeente in verband met de voorgaande periode van bijstandsverlening.
8Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar
Nadat een belanghebbende jonger dan 27 jaar zich via werk.nl heeft gemeld voor een bijstandsuitkering dient de jongere contact op te nemen met het Jongerenloket in Amersfoort voor een gesprek. Na afloop ontvangt de jongere een brief met de inhoud van het gesprek. Daarin is ook aangegeven wanneer de jongere weer contact kan opnemen voor een afspraak voor een uitkeringsaanvraag, als het niet lukt om binnen de zoektermijn niet lukt om onderwijs te gaan volgen of betaald werk te vinden en de jongere kan aantonen dat hij zijn best heeft gedaan.
Kan de jongere dat niet aantonen? Dan kan dat aanleiding zijn om bij toekenning van de uitkering direct een maatregel op te leggen.
Alleen bij statushouders kan worden afgeweken van de zoektermijn.
1.2 Recht op bijstand of bijzondere bijstand
9Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie
Kosten eerste verblijfsvergunning; verlenging of wijziging verblijfsvergunning; naturalisatie komen niet in aanmerking.
10Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde
Deze kosten komen niet in aanmerking.
11Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de goedkoopste vorm van reizen per openbaar vervoer voor het betreffende traject. Om die reden worden kinderen jonger dan 12 jaar in voorkomende gevallen geacht mee te reizen met de ouder.
Naast de algemene verplichtingen wordt op grond van artikel 55 Participatiewet een bestedingsverplichting opgelegd. Ook moeten vervoers– of bezoekbewijzen worden overgelegd binnen 5 werkdagen na de aangevraagde bezoekdatum, ter controle van de bestedingsverplichting.
12Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen
Wel rechthebbend
Bij personen die een alternatieve straf vervullen is geen sprake van het ontnemen van vrijheid in de zin van artikel 13 lid 1 onder a PW. Bijstandsverlening blijft dus mogelijk.
Voldoen aan arbeidsverplichtingen
De vraag doet zich echter voor in hoeverre belanghebbende zijn arbeidsverplichtingen kan nakomen bij de vervulling van de taakstraf. Dit is mede afhankelijk van het vonnis van de rechter. Daarin staat welke taakstraf de belanghebbende heeft gekregen, hoe lang die taakstraf duurt en binnen welke tijd de straf uitgevoerd moet worden.
Dit kan leiden tot de volgende drie situaties:
1De alternatieve straf kan op basis van het vonnis en praktisch gezien in de weekenden, avonduren en/of vakantie worden vervuld. Dan kan belanghebbende nog steeds tijdens de reguliere werkuren aan de arbeidsverplichtingen voldoen.
2Belanghebbende moet de alternatieve straf door de week overdag vervullen omdat hij niet in staat wordt gesteld tot vervulling ervan op andere tijdstippen of vanwege het aantal uren van de alternatieve straf in combinatie met de periode waarbinnen die moet zijn vervuld. Dan is hij niet in staat om aan de arbeidsverplichtingen te voldoen maar dat is belanghebbende niet verwijtbaar. In dit geval dient met de Reclassering overlegt te worden om te bezien of toch zoveel mogelijk uren van de taakstraf in de avond en/of het weekend kunnen worden vervuld waardoor belanghebbende nog wel deels aan zijn arbeidsverplichtingen kan voldoen.
3Wordt de alternatieve straf door de week overdag vervuld, terwijl de mogelijkheid bestaat of de mogelijkheid is geboden om dit op andere tijdstippen te doen? Dan kan onder omstandigheden wel sprake zijn van een verwijtbare schending van de arbeidsverplichtingen wat mogelijk kan leiden tot het opleggen van een maatregel.
13Meldingsplicht studie
14Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland
Belanghebbende verstrekt vooraf informatie over de geplande vakantieperiode. Bij het vaststellen van de vakantieperiode wordt de dag van vertrek niet meegerekend en de dag van aankomst wel.
15Het kunnen volgen van onderwijs
Uitgangspunt is dat jongeren tot 27 jaar werken (en daarmee in de noodzakelijke kosten van het bestaan voorzien) of een opleiding volgen.
Als een jongere:
•niet werkt
•of onvoldoende werkt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien
•maar wel uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen waarmee aanspraak bestaat op studiefinanciering
dan kan er aanleiding zijn om geen bijstand toe te kennen onder toepassing van artikel 13 lid 2 onder c PW.
De wetgever heeft echter niet toegelicht wat precies wordt bedoeld met het “kunnen" volgen van door het Rijk bekostigd onderwijs. Dat "kunnen" heeft enerzijds een technisch aspect: het daadwerkelijk volgens van onderwijs moet feitelijk mogelijk zijn. Anderzijds heeft het een "redelijkheidsaspect": kan het volgen van het onderwijs in redelijkheid van de belanghebbende worden gevergd en biedt het meerwaarde?
Om te beoordelen of een jongere geacht wordt uit s ‘Rijks kas bekostigd onderwijs te "kunnen" volgen en daarmee is uitgesloten van het recht op bijstand, biedt onderstaande vragenlijst een (niet uitputtend) kader.
•Welke opleiding heeft betrokkene gevolgd?
•Wat is het resultaat (één of meer certificaten en/of een diploma behaald)?
•Is daarmee sprake van een zogenaamde startkwalificatie (= een diploma op HAVO-, VWO- of MBO2-niveau)?
•Is het behaalde resultaat voldoende om aan het werk te komen?
•Is sprake van een niet afgeronde opleiding naar aanleiding van een negatief bindend studieadvies?
•Is sprake van een verklaring van de functionaris van de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten?
•Welke relevante mogelijkheden zijn er op het gebied van vervolgopleidingen?
•In hoeverre draagt een eventuele vervolgopleiding bij aan betere kansen op de arbeidsmarkt?
•Per wanneer kan aan een relevante / noodzakelijke vervolgopleiding worden deelgenomen?
•Is sprake van in de persoon gelegen beperkingen van medische, psychische of sociale aard die belemmerend zijn voor het volgen van onderwijs?
•is sprake van financiële belemmeringen om onderwijs te gaan volgen (denk aan WSNP-bewindvoering: aangaan van nieuwe schulden, zoals ook die van studieleningen, kan dan niet zijn toegestaan)?
Op basis van de aldus verkregen gegevens is het aan de klantmanager om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van het "kunnen" volgen van uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs in de zin van artikel 13 lid 2 onder c PW. Als dat het geval is dan is de jongere uitgesloten van het recht op bijstand.
1.3 Middelentoets
16Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers
De middelen ontvangen vanwege huur, onderhuur of het hebben van kostgangers gelden op grond van artikel 33 lid 4 Participatiewet als inkomen. Per maand wordt een bedrag vrijgelaten omdat in de huur een bepaalde vergoeding is begrepen voor energie- en internetgebruik. Een commercieel huurder zal moeten kunnen aangeven welk deel van de huuropbrengst de kale huur is en welk deel van de huuropbrengst betrekking heeft op een kostenvergoeding. Een bedrag van circa € 60 kan daarbij als redelijk worden gezien. De kale huur moet dan in mindering worden gebracht op de bijstand.
17Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling
Er is geen sprake van een vaste vrijlating in verband met lopende betalingsverplichtingen. Alleen als daartoe aanleiding is (per situatie te beoordelen) kunnen op dat positieve saldo direct opeisbare en aantoonbare betalingsverplichtingen in mindering worden gebracht. Die moeten dan wel betrekking hebben op een periode tot maximaal één maand na de datum van ingang van de uitkering (denk hierbij bijvoorbeeld aan huurbetaling of energielasten).
Een negatief saldo op de betaalrekening(en) wordt altijd als schuld aangemerkt en telt dus in negatieve zin mee bij de vaststelling van het vermogen.
Let op: de saldi op de spaarrekening(en) tellen altijd volledig mee bij de vaststelling van het vermogen.
18Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating
Bij de aanvraag wordt het vermogen vastgesteld. Vaststelling op een later tijdstip is slechts mogelijk als de aanvrager ten tijde van de aanvraag is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure of als er sprake is van verlating. In afwachting daarvan kan de bijstand op twee manieren worden toegekend:
•in de vorm van een geldlening als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verdeling van de boedel en het feitelijk beschikbaar komen van de middelen op korte termijn een feit zal zijn (artikel 48 lid 2 onder a PW);
•'om niet': in de toekenningsbeschikking dan wel opnemen dat het vermogen na verdeling van de boedel definitief wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de verstrekte bijstand geheel of gedeeltelijk zal worden teruggevorderd nu belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt en daarmee geacht wordt te hebben kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan waardoor geen recht op bijstand bestond (artikelen 11 lid 1 PW en 58 lid 2 onder f sub 1 PW).
Let op: de situatie ten tijde van de aanvraag kan ook zijn dat:
•'op papier' de boedel al is verdeeld waardoor het vermogen wel al definitief kan worden vastgesteld;
•het vermogen meer dan de toepasselijke vermogensgrens bedraagt;
•de aanvrager daarover echter feitelijk nog niet kan beschikken.
In die gevallen moet, afhankelijk van de termijn waarop het vermogen alsnog feitelijk beschikbaar komt, gekozen worden uit de twee eerdergenoemde opties van bijstandsverlening (geldlening of 'om niet'). Het is niet onredelijk om die termijn op maximaal zes maanden te stellen en de bijstand niet langer dan zes maanden te verstrekken in de vorm van een geldlening (na zes maanden kan zo nodig worden overgegaan tot verstrekking 'om niet'). Langdurige verstrekking van de bijstand in de vorm van een geldlening kan, zeker bij een eventuele latere omzetting in 'om niet' als de vermogensgrens niet is overschreden, tot ingrijpende fiscale gevolgen leiden voor belanghebbende en de gemeente.
19Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente
Bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente dienen het vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw te worden vastgesteld. De reden hiervoor is dat iedere gemeente een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de bijstandsverlening en dat het eigen beleid inzake de vaststelling van het vermogen per gemeente kan verschillen. Verder kan er op grond van de domiciliebepalingen van artikel 40 WWB gesteld worden dat er feitelijk sprake is van een nieuwe aanvraag.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van beroep d.d. 20-02-2018, (ECLI:NL:CRVB:2018:792) is bij de vermogensvaststelling wel van belang of sprake is van een onderbreking van de bijstandsverlening en de duur daarvan.
Is sprake van een onderbreking van de bijstandsverlening van langer dan 30 dagen dan wordt het vermogen opnieuw vastgesteld (dit volgt uit artikel 40 lid 3 onder a PW) zonder rekening te houden met onderstaande.
Het is aan belanghebbende om, indien hij stelt dat het college één of meer van zijn vermogensbestanddelen op grond van bovenstaande buiten beschouwing dient te laten, aan het college zodanige inlichtingen te verstrekken dat het college de herkomst van bedoelde vermogensbestanddelen kan beoordelen.
20Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm
De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat bij een voor de toepassing van de oude ABW relevante wijziging in de omstandigheden het vrij te laten vermogen opnieuw moet worden vastgesteld (CRvB 25-09-1998, JABW 1998, 160). Nu de vermogensbepalingen op dit punt niet fundamenteel gewijzigd zijn, is het aannemelijk dat deze jurisprudentie ook geldt voor de Participatiewet.
De wetgever heeft echter geen nadere regels gesteld inzake de wijze van vaststelling van het vermogen en de vermogensgrens bij wijziging van de leefvorm.
Het is derhalve aan het college om tot billijke oplossingen te komen.
Voorbeeld toepassing werkwijze:
Mevrouw Peters vraagt op 1 juni 2016 bijstand aan. Op die dag is haar inwonende zoon Olaf 16 jaar. Mevrouw Peters heeft geen andere vermogensbestanddelen dan een spaarrekening met een saldo van € 3.500,00. Het saldo van de spaarrekening die op naam van zoon Olaf staat bedraagt € 3.800,00. Het vermogen van mevrouw Peters wordt vastgesteld op € 7.300,00 (de som van de saldi op de beide spaarrekeningen). Omdat dit lager is dan de voor haar geldende vermogensgrens voor een alleenstaande ouder heeft zij recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Op 1 september 2019 wordt Olaf 18 jaar, mevrouw Peters wordt vanaf die datum aangemerkt als alleenstaande. Op grond van bovenstaande regels geldt dat de toepasselijke vermogensgrens wijzigt in de (lagere) vermogensgrens voor een alleenstaande van (€ 6.120,00 per 01-07-2019). De banksaldi bedragen bij elkaar nog steeds € 7.300 waardoor in beginsel sprake is van teveel vermogen en daardoor geen recht op algemene bijstand voor mevrouw Peters.
In deze situatie is het echter redelijk om het saldo van de spaarrekening van zoon Olaf niet meer mee te tellen. Dit bedrag komt immers toe aan zoon Olaf, want het stond bij aanvang van de bijstandsverlening op zijn spaarrekening. Het nieuw vastgestelde vermogen van mevr. Peters bedraagt daarom € 3.500,00 en blijft daarmee onder de (nieuwe) van toepassing zijnde vermogensgrens waardoor zij recht op algemene bijstand heeft.
Let op: Dit is slechts anders als zou blijken dat vóór aanvang of ten tijde van de bijstandsverlening (een deel van) het vermogen van mevrouw Peters bewust naar de rekening van zoon Olaf is overgeheveld om daarmee te voorkomen dat zij na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar van Olaf een te hoog vermogen zou hebben om voor algemene bijstand in aanmerking te komen.
21Beleid inzake korten voorlopige teruggave
22Vrijlaten giften
23Spaarloon (vervallen)
24Woonkosten worden door een ander voldaan
Als de woonkosten van een belanghebbende door een ander worden voldaan dan heeft belanghebbende lagere bestaanskosten. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat in dat geval het college kan kiezen tussen:
•het toepassen van een verlaging op grond van artikel 27 PW of
•het in aanmerking nemen van het verschafte woongenot als inkomen in natura op grond van artikel 33 lid 1 PW.
Het college van de gemeente Woudenberg heeft ervoor gekozen om in deze situatie de norm te verlagen op grond van artikel 27 PW. De verlaging bedraagt 20% van de gehuwdennorm. Door die verlaging is er geen ruimte meer om het aldus verschafte woongenot op grond van artikel 33 lid 1 PW als inkomen in natura aan te merken.
Let op: het verlagen van de norm wegens de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27 Participatiewet is niet mogelijk als op belanghebbende de kostendelersnorm van toepassing is (zie ook Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten).
Naast de mogelijkheid dat iemand anders de woonlasten voor belanghebbende voldoet kunnen woonlasten ook om andere redenen ontbreken (bijvoorbeeld in het geval van krakers of in het geval waarin de belanghebbende geen huurder of eigenaar van de woning is). Ook in die gevallen kan de norm op dezelfde wijze worden verlaagd. Vergelijk in dit kader de richtlijn Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten.
25Waarde auto bij vermogensvaststelling
Bij de vaststelling van de waarde kan voor de zekerheid een veiligheidsmarge worden ingebouwd op basis van de genoemde sites vastgestelde waarde met een vermindering met 10%.
Dikwijls kan de waarde van auto’s worden opgevraagd bij de sociale recherche. Daar kan ook worden nagegaan of een belanghebbende een kenteken (lees: auto) op zijn naam heeft staan.
Over de waardebepaling van auto's ontstaan nogal eens geschillen. Oorzaak hiervan kan zijn dat de belanghebbende zelf bij een garage de waarde van zijn auto heeft laten vaststellen. Garages hanteren namelijk twee soorten prijzen: inkoop en verkoop. Het spreekt voor zich dat de inkoopprijs een stuk lager ligt dan de verkoopprijs. Geen van beide prijzen is echter reëel voor de vermogensvaststelling in het kader van de Participatiewet. Het is daarom raadzaam om bij geschillen de auto te waarderen op een bedrag dat ligt midden tussen de in- en verkoopprijs van een garagehouder. Een dergelijke prijs zal in de praktijk vrijwel overeenkomen met de prijs zoals die wordt vermeld in de hierboven bedoelde uitgaven.
Als er voor de aanschaf van een auto een lening is afgesloten wordt het verschil tussen waarde auto en hoogte schuld in aanmerking genomen als positief/negatief vermogensbestanddeel.
Voorbeeld
1.
2.
Banksaldi
€ 1.500,00
€ 1.500,00
Waarde auto
€ 2.000,00
€ 4.000,00
Lening auto
€ 2.500,00
€ 1.000,00
In voorbeeld 1 wordt het verschil (2000 minus 2500) als negatief vermogensbestanddeel in aanmerking genomen terwijl in voorbeeld 2 een bedrag van € 731,- als positief vermogensbestanddeel (4000 minus vrijlating ad 2269 minus 1000).
Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat het (positieve) verschil tussen de waarde van de auto en de schuld pas als vermogensbestanddeel in aanmerking wordt genomen als een bedrag van € 2.269,00 wordt overschreden.
Ten aanzien van overige (luxe) bezittingen, zoals boten, caravans, kunst, antiek, sieraden e.d. worden deze, voor zover deze een waarde van € 2.269,00 niet te boven gaan, buiten beschouwing gelaten. Het meerdere wordt in principe bij de vermogensvaststelling betrokken. Als er sprake is van emotionele waarde wordt eenmalig een maximum van € 6.807,00 vrijgelaten; het meerdere wordt in aanmerking genomen.
Voor alle vervoermiddelen in een gezin (met een kenteken) gezamenlijk geldt de vrijlating van € 2269,-
In de praktijk komt het geregeld voor dat een belanghebbende niet meldt dat hij een auto op naam heeft. Meestal gaat dit om een auto waarvan de waarde lager dan de grens van € 2269,- ligt, wat dan dus ook de reden is dat belanghebbende het bezit niet gemeld had. Er zijn dus geen gevolgen voor het vaststellen van het vrij te laten vermogen. Formeel is het echter wel een schending van de inlichtingenplicht. Als bij controle blijkt dat het om een auto gaat die de grens van € 2269,- niet te boven gaat, wordt uit praktische overwegingen geen beoordelingsproces schending inlichtingenplicht gestart.
26Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling
27Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating
28Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening (vervallen)
1.4 Verplichtingen en sancties
29Inschrijving bij uitzendbureaus
30Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht
Geen beleid geformuleerd. Dit is maatwerk met uitzondering van alleenstaande ouders. Voor deze groep zijn in de Participatiewet de voorwaarden opgenomen (art.9a).
31Betekenis "onverwijld uit eigen beweging" in artikel 17 lid 1 Participatiewet
Het college verstaat onder 'onverwijld uit eigen beweging', dat belanghebbende de bedoelde inlichtingen binnen zeven dagen vermeldt op het mutatieformulier, gerekend vanaf het moment waarop het te melden feit:
•zich heeft voorgedaan, dan wel;
•kenbaar werd voor belanghebbende.
32Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken
Het uitgangspunt is dat een belanghebbende over alle te vorderen bewijsstukken geacht wordt te beschikken dan wel hierover (alsnog) kan beschikken door deze, op eigen initiatief en voor eigen rekening, op te vragen.
Is dat niet het geval dan moet de verwijtbaarheid ten aanzien van het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de gevorderde bewijsstukken altijd individueel worden beoordeeld.
Belangrijke beoordelingsaspecten zijn:
1kan belanghebbende redelijkerwijs wel beschikken over de gevraagde bewijsstukken?
2zijn de gevraagde bewijsstukken relevant en noodzakelijk voor beoordeling van de aanvraag om bijstand / vaststelling van de rechtmatigheid van de lopende uitkering ofwel: dient het opvragen ervan een reëel doel?
3kan op een andere wijze de informatie worden verkregen dan door middel van de gevraagde bewijsstukken?
4hoe lang is er verstreken sinds het ontstaan van het bewijsstuk?
5wat zijn de kosten die gepaard gaan met het (alsnog) verkrijgen van de bewijsstukken?
6heeft belanghebbende zich aantoonbaar ingespannen om de gevraagde bewijsstukken (alsnog) te verkrijgen?
Wordt geconcludeerd dat belanghebbende verwijtbaar de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig inlevert, dan kan dat leiden tot:
•bij een aanvraag: het buiten behandeling stellen van die aanvraag met in achtneming van artikel 4:5 Awb (er moet dan wel eerst een termijn zijn geboden om het verzuim te herstellen);
•bij een lopende uitkering: het opschorten van het recht op bijstand op grond van artikel 54 lid 1 PW (inclusief een geboden termijn om het verzuim te herstellen) en in het uiterste geval tot het intrekken van het toekenningsbesluit op grond van artikel 54 lid 4 PW.
33Periode over te leggen bankafschriften
34Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring
Geen beleid geformuleerd (het gaat hier om werkprocesafspraken).
35Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF/ inkomstenverklaring
Inkomsten maandelijks opgeven
Wanneer uitkeringsgerechtigden (wisselende) inkomsten hebben uit arbeid, WW- of ZW uitkering, moeten zij die inkomsten maandelijks opgeven via het mutatieformulier. Ook als aannemelijk is dat een belanghebbende op korte termijn zal uitstromen naar werk, moet maandelijks een mutatieformulier worden ingeleverd.
Vrijstelling verplichting maandelijks inleveren
1Geen inkomsten
In de overige gevallen (dus als er in het geheel geen sprake is van inkomsten) hoeven uitkeringsgerechtigden alleen nog maar een mutatieformulier in te vullen en op te sturen wanneer zich wijzigingen hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering.
2Periodieke bijzondere bijstand
Belanghebbenden die periodieke bijzondere bijstand ontvangen voor kosten van medische en maatschappelijke voorzieningen zijn vrijgesteld van het maandelijks inleveren van het mutatieformulier. Let op: Deze vrijstelling geldt niet bij periodieke bijzondere bijstand voor de woonkostentoeslag en bij een toeslag voor jongeren op grond van artikel 12 PW.
3Detentie
Als een belanghebbende gedetineerd wordt en er recht op uitkering bestaat tot aan datum detentie dan kan de uitkering in beginsel ook zonder mutatieformulier worden uitbetaald tot aan de datum van aanvang van detentie. Let op: is sprake van gehuwden dan dient de niet gedetineerde partner toch zorg te dragen voor het tijdig melden van de detentie van de partner respectievelijk het tijdig insturen van het mutatieformulier.
36Meldingsplicht vrijwilligerswerk
37Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Awb
De aanvultermijn (ook wel genoemd hersteltermijn) om ontbrekende gegevens bij een aanvraag aan te vullen bedraagt in beginsel 14 dagen.
Dit is geen 'vaste' noch wettelijk bepaalde termijn (in de Participatiewet en de Awb is hierover niets vastgelegd). Afhankelijk van de omstandigheden en van wat er aangevuld moet worden, kan van deze termijn worden afgeweken.
De geboden aanvultermijn om de gegevens aan te vullen schort de beslistermijn op.
Relatie tussen "termijn van orde" en "aanvultermijn"
Een belanghebbende moet eerst in de gelegenheid zijn gesteld om de verlangde gegevens te verstrekken of medewerking te verlenen door middel van een 'termijn van orde'. Bij een aanvraag zien we het aanvraagformulier als termijn van orde. Wordt daar niet op gereageerd, dan kan pas een aanvul/hersteltermijn aan de orde zijn. Een termijn van orde duurt maximaal 7 dagen.
38Duur hersteltermijn tijdens bijstand
De hersteltermijn om ontbrekende gegevens tijdens de bijstandsverlening aan te vullen bedraagt in beginsel 14 dagen.
Dit is geen 'vaste' noch wettelijk bepaalde termijn (in de Participatiewet en de Awb is hierover niets vastgelegd). De concrete duur van de termijn kan dan ook per situatie verschillen, al naar gelang de omstandigheden en afhankelijk van wat er aangevuld moet worden. Indien belanghebbende redelijkerwijs meer tijd nodig heeft om het verzuim te herstellen kan een langere termijn worden geboden.
In het geval belanghebbende verwijtbaar de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderdere bewijsstukken binnen de geboden hersteltermijn niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, schort het college het recht op uitkering op conform de procedure van artikel 54 PW.
Relatie tussen "termijn van orde" en "hersteltermijn"
Een belanghebbende moet eerst in de gelegenheid zijn gesteld om de verlangde gegevens te verstrekken of medewerking te verlenen door middel van een 'termijn van orde'. Denk aan bijvoorbeeld een eerste brief met de vraag om bepaalde gegevens aan te leveren of aan een eerste uitnodiging om op gesprek te verschijnen. Wordt daar niet op gereageerd, dan kan pas een hersteltermijn aan de orde zijn.
39Beleidsregels huisbezoek
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
40Personen zonder identiteitsbewijs
41Personen zonder geldig identiteitsbewijs
42Uitleg budgetteringsplicht artikel 57 Participatiewet
43Afzien van verlaging en waarschuwing i.p.v. verlaging
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
44Ingangsdatum verlaging
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
44.Termijn heroverweging besluit tot verlaging
Uit praktische overwegingen vindt een heroverweging alleen plaats:
•als de maatregel nog niet is toegepast respectievelijk nog niet volledig is toegepast en
•sprake blijkt van een zodanige gedragsverandering waaruit opgemaakt kan worden dat belanghebbende zich weer aan de verplichting(en) houdt waardoor er aanleiding is om de maatregel niet of niet langer meer toe te passen.
45ROF of Mutatieformulier
46Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand, inkomens- of studietoeslag
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
47Afspraken met OM bij fraudebedrag onder €50.000,00
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
48Tegenprestatie naar vermogen
Geen beleid geformuleerd. Dit is al geregeld in de Participatiewet en de Integrale verordening sociaal domein
49Waarschuwing i.p.v. bestuurlijke boete
Algemeen
Het college volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing als:
a.de schending van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag;
b.de schending van de inlichtingenplicht wèl heeft geleid tot een benadelingsbedrag maar dit lager is dan € 150,00;
c.belanghebbende onjuiste, onvolledige of geen inlichtingen heeft verstrekt maar hij binnen een termijn van 60 dagen alsnog uit eigen beweging die inlichtingen verstrekt voor zover
•het college niet reeds zelf de overtreding heeft geconstateerd of
•belanghebbende inlichtingen verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht.
Recidive binnen twee jaar
Is sprake van een schending van de inlichtingenplicht binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een waarschuwing is gegeven of een boete is opgelegd? Zou daarvoor in beginsel weer een waarschuwing gegeven kunnen worden? Dan legt het college een boete op van € 150,00.
Geen boete of waarschuwing bij aanvraag
Er vindt geen boeteonderzoek plaats en er wordt derhalve ook geen schriftelijke waarschuwing gegeven als sprake is van een aanvraag krachtens de PW, IOAW en IOAZ als die:
•wordt ingetrokken;
•buiten behandeling wordt gesteld;
•wordt afgewezen omdat niet voldaan is aan de inlichtingenplicht.
50Verwijtbaarheid en draagkracht bij boete
Er is geen apart beleid met betrekking tot de draagkracht om de hoogte van de boete te bepalen. Er moet dus gehandeld worden zoals beschreven staat in het Handboek Grip op Participatiewet.
51Nadere regels bewijsopdracht
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
52Overgangsrecht en matigen boete
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
53Hoogte verlaging bij schending geüniformeerde verplichtingen
Geen beleid geformuleerd. Dit is al geregeld in de Participatiewet en de Integrale verordening sociaal domein.
54Hoogte verlaging bij schending niet-geüniformeerde verplichtingen
Geen beleid geformuleerd. Dit is al geregeld in de Participatiewet en de Integrale verordening sociaal domein.
55De taaltoets
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde)
56Kwijtschelding bestuurlijke boete
1.5 Algemene bijstand
57Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten
Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij bewoning van een woning waaraan voor belanghebbende geen woonlasten zijn verbonden. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij krakers of in het geval waarin belanghebbende anderszins geen huurder of eigenaar van de woning is.
Als sprake is van lagere bestaanskosten doordat er slechts minimale woonkosten verschuldigd zijn, kan de hoogte van de uitkering eveneens lager worden vastgesteld. Denk bijvoorbeeld aan een bedrag van € 150,00 voor zowel huur, gas, water en licht. De uitkering wordt dan verlaagd met het verschil tussen de basishuur (bedrag belastingdienst) en het gemiddeld verbruik volgens de Nibud richtlijnen enerzijds en de werkelijke kosten anderzijds.
58Verlaging algemene bijstand schoolverlaters
Van de bevoegdheid om de bijstandsuitkering van schoolverlaters in de eerste zes maanden na het beëindigen van de opleiding te verlagen wordt geen gebruik gemaakt.
59Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand
Geen beleid geformuleerd (is niet van toepassing).
60Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting
Uit praktische overwegingen wordt bij een lopende algemene bijstandsuitkering de norm pas drie maanden na aanvang van het tijdelijke verblijf in de inrichting gewijzigd in de lagere norm op grond van artikel 23 lid 1 PW.
Voorbeeld: Belanghebbende wordt op 12 januari opgenomen in een inrichting in de zin van de PW voor de duur van naar verwachting zes maanden. De lage uitkering gaat dan in per 13 april.
Zie ook de beleidsregel 61: Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting.
61Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting
Wat wordt onder de bedoelde vaste lasten verstaan?
•de maandelijkse huurprijs of de maandelijkse hypotheeklasten onder aftrek van de belastingteruggave
•gemeentelijke en provinciale heffingen naar rato per maand (voor zover geen kwijtschelding wordt verkregen)
•maandelijks energievoorschot
•abonnementstarief kabelaansluiting/internet- en telefoonabonnement naar rato per maand
•bij woningeigenaren: premie opstalverzekering naar rato per maand
•bij appartementsbewoning: maandelijkse VVE-bijdrage
62Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
63Bijstand voor gemis aan ALO-kop
64Vaststelling vermogen bij co-ouderschap
NB: Het gehanteerde gemiddelde aantal verzorgingsdagen per week is hetzelfde als bij de vaststelling van de norm in geval van co-ouderschap.
65Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar
De verlagingen gelden niet voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar omdat daar aparte jongerennormen voor gelden.
66Overdracht aan SVB (vervallen)
67Commerciële relatie kostendelersnorm
Het uitgangspunt bij het onderzoek naar of er sprake is van een commerciële huurprijs, is dat er geen vaststaande bedragen mogen worden gehanteerd. Per situatie moet een afweging worden gemaakt van wat in die specifieke situatie als commercieel moet worden gezien. Daarbij zijn de onderstaande zaken van belang:
•of de huurprijs voor wat geboden wordt gebruikelijk is in het commercieel verkeer;
•de verhouding tussen de betaalde huur en de geleverde prestaties;
•de feitelijke woonsituatie;
•de regionale verschillen in huurprijs.
Wel kan als uitgangspunt het bedrag van de basishuur zoals bij de Huurtoeslag wordt gerekend worden gebruikt, om vervolgens af te wegen of dat in de specifieke situatie als commercieel bedrag kan worden gezien.
1.6 Bijzondere bijstand
68Moment aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht)
Het komt geregeld voor dat een belanghebbende rekeningen van bijzondere kosten opspaart. Wordt er voor de opgespaarde rekeningen bijzondere bijstand verleend dan is dat (deels) bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. Bij de vaststelling van de draagkrachtperiode dient hier rekening mee te worden gehouden door het draagkrachtjaar te laten ingaan op de eerste dag van de maand waar de oudste rekening betrekking op heeft.
Met het woord ‘gemaakt’ in deze beleidsregel wordt bedoeld ‘opgekomen’. Bepalend is dus het moment dat de kosten zich voordoen.
69Draagkrachtpercentages
70Draagkrachtperiode bijzondere bijstand
71Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode
Algemeen
In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als uitgangspunt dat de draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode in beginsel voor die periode definitief is. Met andere woorden: een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel niet meer aangepast.
Uitzonderingen
Bij een inkomenswijzing van meer dan 50% dient de draagkracht voor de resterende draagkrachtperiode opnieuw te worden vast gesteld.
Wijzigingen in het inkomen die zich voordoen gedurende de draagkrachtperiode en die ten tijde van het vaststellen van de draagkracht niet voorzienbaar waren, worden in beginsel niet meegenomen. Met andere woorden: een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt vastgesteld voor een jaar en in beginsel niet meer aangepast.
Bij periodieke bijzondere bijstand worden wijzigingen in het inkomen wel meegenomen. De draagkracht bij periodieke bijzondere bijstand wordt dan ook per maand achteraf vastgesteld.
72Drempelbedrag
Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd voor de kosten voor bijzondere bijstand.
73Stappenplan berekening bijzondere bijstand
Geen beleid geformuleerd (betreft een werkproces).
74Adresgegevens zorgverzekeraars
Geen beleid geformuleerd (geen collectieve zorgverzekering).
75Waar en wanneer medisch advies vragen
76Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering
1Zorgverzekering op Maat (ZOM)
Poliswijzer.nl heeft een kosteloze vergelijker van zorgverzekeraars ontwikkeld speciaal gericht op Woudenberg en omgeving. Met deze vergelijkingstool worden zorgverzekeringen met elkaar vergeleken. Aan de hand van een aantal vragen volgt een advies voor de zorgverzekering die het best aansluit bij de persoonlijke zorgbehoefte. Poliswijzer neemt alle verzekeraars mee in de vergelijking en krijgt van alle verzekeraars informatie met welke ziekenhuizen contracten zijn. Er wordt gekeken zowel naar polissen in natura als restitutie.
2Bijdrage aanvullende premie zorgverzekering
a.De bijdrage voor een aanvullende premie zorgverzekering bedraagt € 100,00 per meerderjarige verzekerde die aantoonbaar een aanvullende zorgverzekering heeft.
b.Om voor de bijdrage in aanmerking te komen geldt een inkomensgrens van 110% van de geldende bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. Ook gelden de vermogensgrenzen op grond van artikel 34 van de Participatiewet.
c.De bijdrage wordt op aanvraag toegekend en uitbetaald per kalenderjaar.
d.De regeling gaat in op 1 januari 2020.
77Premie particuliere ziektekostenverzekering (vervallen)
78Brillen en contactlenzen
79Overig beleid inzake medische kosten
Reiskosten naar het ziekenhuis voor medische behandelingen
Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor reiskosten van en naar het ziekenhuis in Ede, Utrecht en Amersfoort vanaf het 5e ziekenhuisbezoek. Wanneer belanghebbende een ander ziekenhuis bezoekt dient te worden aangetoond - (o.a.) door verwijzing van de behandelend arts - wat hier de reden van is (keuze voor een ander dan dichtstbijzijnd ziekenhuis wordt niet vergoed!).
De bijzondere bijstand kan worden vergoed op basis van openbaar vervoer of € 0,19 per kilometer. Noodzakelijke parkeerkosten komen eveneens voor bijzondere bijstand in aanmerking. Aan de hoeveelheid bezoeken wordt geen restrictie gesteld, wel dienen de bezoeken en parkeerkosten aangetoond te worden. De eventuele vergoeding van de zorgverzekeraar wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.
80Uitvaartkosten
Voor de kosten van een uitvaart kan maximaal € 5.000 bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit is slechts mogelijk als er geen voorliggende voorziening is en de middelen van de overledene ontoereikend zijn.
In eerste instantie is de eventuele (huwelijks)partner voor de kosten aansprakelijk, en vervolgens familieleden in de 1e graad, dan wel enig andere erfgenaam. De uitvaartkosten zijn voor rekening van de opdrachtgever, welke daarvoor zo nodig de nabestaanden kan aanspreken. De nabestaanden, voor zover zij erfgenaam of bloedverwant zijn en op grond van artikelen 392 – 396 BW:1 tot onderhoud van de overledene verplicht zijn, kunnen ieder afzonderlijk naar rato van hun aandeel in de kosten, bijstand aanvragen in de gemeente waarin zij woonachtig zijn.
81Kosten bewindvoering
1Recht op bijzondere bijstand
De vergoeding voor mentorschap en curatele en bewind komt voor bijzondere bijstand in aanmerking.
2Hoogte bijzondere bijstand
Vanaf 2015 wordt de vergoeding voor mentorschap en curatele en bewind vastgelegd in een ministeriële regeling. Het betreft de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2014 nr. 32149, gedateerd 10 november 2014). De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de door de rechter in de beschikking vastgestelde kosten van bewindvoering of de door de bewindvoerder in rekening gebrachte voorschotten.
3Bewindvoerder niet aangesloten bij branchevereniging
Wanneer middels een vonnis door de rechtbank een bewindvoerder is aangesteld die niet is aangesloten bij de branchevereniging moet er ook een beschikking van de rechtbank over de vaststelling van de vergoeding worden ingeleverd. Pas dan kan er bijzondere bijstand worden verstrekt.
4Echtpaar
Wanneer bewind wordt uitgesproken over de goederen van een echtpaar of gezamenlijke huishouding wordt niet 2 x het tarief gerekend, maar het tarief voor 1 persoon met een opslag van 20% (conform WSNP). Voor extra werkzaamheden, die niet binnen het tarief vallen, dient de bewindvoerder vooraf machtiging te vragen aan de kantonrechter.
5Geen bijzondere bijstand salariskosten WSNP bewindvoerder
Voor de kosten van bewindvoering in het kader van de WSNP bestaat in principe geen recht op bijzondere bijstand. Op grond van de uitspraak van de CRvB d.d. 26-8-2010 mag de bewindvoerder zijn salaris niet bij de betrokkene in rekening brengen als hij dat salaris niet uit de boedel kan verkrijgen. Er bestaat daarom geen aanleiding om bijzondere bijstand voor het salaris van de bewindvoerder WSNP te verstrekken.
6Samenloop bewindvoering en mentorschap
Indien een persoon zowel tot bewindvoerder als tot mentor van een persoon wordt benoemd, stelt de kantonrechter diens beloning vast overeenkomstig de beloning van een curator als bedoeld in artikel 1 (familie) of artikel 2 (professioneel) (artikel 5 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren).
In de praktijk komt het veelvuldig voor dat men binnen de familie de taken van bewindvoering en mentorschap verdeelt. De beloning wordt dan eveneens vastgesteld overeenkomstig de beloning voor een curator als bedoeld in artikel 1 of 2 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders of mentoren (artikel 5 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren).
Als het gaat om een aparte professionele bewindvoerder en een aparte professionele mentor dan volgt normaal gesproken ook een aparte beloning. De beschikking van de rechtbank is daarbij leidend. In voorkomende gevallen kunnen bewindvoerder en mentor contact opnemen met de rechtbank als de beschikking niet mocht kloppen.
7Aan de bijstand verbonden verplichtingen
Indien op basis van de in rekening gebrachte voorschotten bijstand wordt verleend, verbind dan aan het besluit de verplichting dat voor een bepaalde datum de beschikking van de rechtbank over de vaststelling van de vergoeding nog moet worden ingeleverd. Indien er door de rechtbank al een goedkeuring voor het hanteren van de tarieven, zoals genoemde in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren is gegeven, dan is dat ook voldoende.
83Kosten curatele
1Recht op bijzondere bijstand
De kosten van een door de Kantonrechter uitgesproken curatele komen voor bijzondere bijstand in aanmerking voor zover deze kosten afwijkend zijn vastgesteld van de hoofdregel van 5% van de netto opbrengst van de onder bewind staande goederen.
2Hoogte bijzondere bijstand
Vanaf 2015 wordt de vergoeding voor mentorschap en curatele en bewind vastgelegd in een ministeriële regeling. Het betreft de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2014 nr. 32149, gedateerd 10 november 2014).
Het bedrag waarop de Kantonrechter de beloning voor de curator afwijkend heeft vastgesteld komt voor bijstandsverlening in aanmerking. Voor bijstandsgerechtigden kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van de curator zoals deze zijn vermeld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Let daarbij goed op welke situatie van toepassing is (curator is familielid (heeft de voorkeur van de kantonrechter), professionele curator, al of niet aangesloten bij de brancheorganisatie, enz.).
84Kosten rechtsbijstand
Toelichting op diagnosedocument:
Sinds 1 juli 2011 vindt een differentiatie plaats al naar gelang aan rechtzoekenden door het Juridisch Loket rechtshulp is verleend. Van belang is of het contact met het Juridisch Loket heeft geleid tot een zogenaamd diagnosedocument. In dit document wordt geadviseerd door welke instanties het probleem het beste kan worden opgelost. Dit kan bijvoorbeeld een advocaat zijn. Heeft de rechtzoekende een diagnosedocument, dan is hij een lagere eigen bijdrage verschuldigd voor de verkrijging van een toevoeging van een advocaat. Hiermee worden rechtzoekenden gestimuleerd om vóórdat zij een verzoek om een toevoeging doen, eerst advies in te winnen bij het Juridisch Loket. Op deze wijze wordt er zoveel mogelijk voor gezorgd dat alleen indien dat noodzakelijk is een zaak wordt verwezen naar een advocaat. Het Juridisch Loket vervult hiermee nog sterker dan in het verleden de functie van filter. Dit zal leiden tot het afgeven van minder toevoegingen voor het verlenen van rechtsbijstand door een advocaat. Immers het Juridisch Loket kan in een vroegtijdig stadium het geschil juridisch beoordelen en mogelijk andere oplossingen zoeken.
Rechtshulp die door het Juridisch Loket wordt geboden geldt is gratis. Het Juridisch Loket biedt daarmee een zeer laagdrempelige vorm van kosteloze rechtsbijstand. Om rechtzoekenden te stimuleren eerst hun probleem voor te leggen aan dit loket voordat ze naar een advocaat gaan, wordt met ingang van 1 juli 2011 de eigen bijdrage voor de rechtzoekende voor de verlening van rechtsbijstand door een advocaat verlaagd met € 53,-, indien hij eerst rechtshulp vraagt aan het Juridisch Loket. Als de rechtzoekende rechtstreeks naar een advocaat gaat, die vervolgens mede namens hem een toevoeging aanvraagt, betaalt de rechtzoekende een hogere eigen bijdrage. De belanghebbende die bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage aanvraagt, zal ook in dat geval in principe de lage eigen bijdrage (dus de hoogte van de eigen bijdrage minus € 53,-) vergoed krijgen, tenzij hij kan aantonen dat rechtstreekse inschakeling van een advocaat onvermijdelijk was.
85Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting
Vakantietoeslag
LET OP: de vakantietoeslag wordt alleen berekend over de norm voor de algemene bijstand en niet over de aanvulling via de bijzondere bijstand.
86Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in inrichting
LET OP: Bij plaatsing in een residentiële voorziening ingevolge de Jeugdwet wordt mogelijk zak- en kleedgeld ingevolge die wet verstrekt. Voor de doelgroep van deze richtlijn speelt dat slechts in geval van verlengde jeugdhulp (aan 18+-ers). Op basis van de zorgplicht (art. 2.3 Jeugdwet) dienen gemeenten er op toe te zien dat gecontracteerde instellingen over middelen beschikken om zak- en kleedgeld te verstrekken in het geval de ouders om welke reden dan ook daarin niet of onvoldoende bijdragen. Zak- en kleedgeld ingevolge de Jeugdwet is een aan de bijstand voorliggende voorziening. Slechts in de situatie waarin dat niet toereikend is, kan aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt. De vraag of zak- en kleedgeld ingevolge de Jeugdwet wordt ontvangen moet, evenals de eventuele ouderlijke bijdrage, in het onderzoek naar het recht op bijstand worden betrokken. In de Jeugdwet of onderliggende regelgeving is geen normering voor het zak- en kleedgeld opgenomen
87Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren
88Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen
Deze regeling is opgenomen in het kindpakket. Zie voor de uitleg over het kindpakket: Kosten van sociaal culturele en educatieve activiteiten
89Ouderbijdrage jeugdhulp (vervallen per 28 februari 2017)
90Baby-uitzet
91Maaltijdvoorziening
De meerkosten van noodzakelijk gebruik van een maaltijdvoorziening door ouderen en/of gehandicapten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. Voor personen van 75 jaar en ouder geldt in deze een automatische indicatie. Voor personen tot 75 jaar dient de noodzaak aan de hand van een onderzoek te worden vastgesteld.
Aan de hand van de Nibud normen kunnen de reguliere kosten van een maaltijd worden bepaald. Deze worden in mindering gebracht op de kosten van de maaltijdvoorziening. De bijzondere bijstand wordt dan voor de meerkosten verstrekt. Gemiddeld kost een maaltijdvoorziening voor een warme maaltijd € 4,50 tot € 5,00. Deze bedragen gelden als redelijke bovengrens voor een maaltijdvoorziening.
92Verzorging en hulp
De eigen bijdrage op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die door het Centraal Administratiekantoor (CAK) wordt geïnd, komt voor bijzondere bijstand in aanmerking.
93Communicatie en signalering
Telefoonkosten
Telefoonkosten (gesprekskosten, abonnementskosten, aanschaf- en aansluitkosten) behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die kunnen worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau. Voor deze kosten is geen bijzondere bijstand mogelijk.
Personenalarmering
Voor de kosten van personenalarmering geldt de zorgverzekering als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Voor deze kosten is daarom geen bijzondere bijstand mogelijk.
94Stookkosten
Stookkosten behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Daarom is er in beginsel geen bijstand mogelijk voor stookkosten.
Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien:
•er een medische noodzaak is voor het maken van deze kosten. De medische noodzaak van de meerkosten wordt door de medisch adviseur vastgesteld. In de adviesaanvraag wordt aangegeven dat het extra stook- of verwarmingskosten betreft en de naam van de behandelend specialist.
Hoogte bijzondere bijstand
De hoogte van de voor bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijke kosten onder aftrek van bijvoorbeeld:
•het gemiddelde verbruik zoals opgegeven door het energiebedrijf dan wel
•de van toepassing zijnde stookkosten zoals opgenomen in de NIBUD-Prijzengids.
95Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten)
Geen beleid geformuleerd. Zie Beleidsregels re-integratie gemeente Woudenberg.
96Reiskosten bezoek zieke familieleden
97Reiskosten bezoek Werkplein
Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de kosten van vervoer voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Hieronder wordt ook begrepen het doen van aanvragen, het komen voor gesprekken e.d. bij het UWV en/of de gemeente. Aangezien de algemene bijstand, dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.
98Suppletie GKB-lening
In de genoemde situaties is de (normale) kredietverlenende instantie geen voorliggende voorziening meer omdat belanghebbende er niet daadwerkelijk gebruik van kan maken.
Bovendien is dit voor belanghebbende en de gemeente goedkoper omdat geen rente hoeft te worden betaald.
99Kosten schuldhulpverlening
Geen beleid geformuleerd. Zie Beleidsregels schuldhulpverlening gemeente Woudenberg.
100Kosten van sociaal culturele en educatieve activiteiten
De regeling is gesplitst in regelingen voor (gezinnen met) kinderen en een regeling voor volwassenen.
Regeling Kindpakket
In de regeling Kindpakket zijn de voormalige regeling voor Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen en de regeling voor sport- en culturele activiteiten opgenomen. Om maatwerk te kunnen bieden aan alle inwoners is er sprake van keuzevrijheid bij de besteding van de middelen uit het Kindpakket.
101Bewassing en kledingslijtage
Algemeen
Kosten van aanschaf, vervanging, reiniging en onderhoud van kleding en beddengoed behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Er zijn echter situaties denkbaar die deze kosten voor de betrokkene bijzonder maken. Te denken valt aan extra kosten voor kleding als gevolg van een handicap aan het bewegingsapparaat en/of extra kosten omdat kleding vaker gewassen moet worden.
Indicatie
Voor het vaststellen van de noodzaak en de hoogte van de extra kosten moet een medisch advies worden gevraagd. De hoogte van de bijstand wordt bepaald door de noodzaak en bijzondere omstandigheden. De draagkrachtberekening (incl. vermogen) moet worden toegepast. Er is slechts bijstand mogelijk voor de meerkosten. Zie voor berekening van de meerkosten de Nibud prijzengids. Verder moet bij de hoogte van de toe te kennen bijzondere bijstand rekening worden gehouden met het feit of betrokkene een teruggave van de Belastingdienst krijgt vanwege het af kunnen trekken van deze kosten.
De noodzaak van reinigingskosten wordt aangenomen indien betrokkene wordt behandeld met cignoline, alphosyl, salicyl of teerzalf.
102Bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouders
Beleid per 1 januari 2016 vervallen (zie ook de richtlijn Bijstand voor gemis aan ALO-kop.
103Kosten van scholing en opleiding
Geen beleid geformuleerd. Zie de Integrale verordening sociaal domein en de beleidsregels Re-integratie gemeente Woudenberg.
104Verwervingskosten (algemeen)
Geen beleid geformuleerd. Zie de beleidsregels Re-integratie gemeente Woudenberg.
105Kosten kinderopvang (verwervingskosten)
Geen beleid geformuleerd. Zie de beleidsregels Re-integratie gemeente Woudenberg.
106Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten
De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. Indien de betreffende kosten voorzienbaar waren, versterkt dit het argument dat belanghebbende wordt geacht hiervoor te reserveren.
De volgende omstandigheden kunnen volgens de CRvB niet als bijzonder worden aangemerkt:
•Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte, in verband met aanwezige schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen aan de GSD. Het gaat immers niet aan om schulden, dan wel het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte als gevolg daarvan, op de Abw af te wentelen. Zie CRvB 16-03-1999, nr. 97/11553 ABW en CRvB 2-11-1999, nr. 98/973 NABW.
•Het feit dat eerder bijzondere bijstand is toegekend voor de kosten van een kinderbedje. Zie CRvB 16-03-1999, nr. 97/11553 ABW.
107Verhuiskosten
Omschrijving kosten
Kosten in verband met verhuizing, bijvoorbeeld het transport van de inboedel.
Recht op bijzondere bijstand
De kosten in verband verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken (CRvB 20-04-1999, nr. 97/6694 ABW). Indien de betreffende kosten voorzienbaar waren, versterkt dit het argument dat belanghebbende wordt geacht hiervoor te reserveren. CRvB 01-09-1998 PS Actua 1998 nr. 39 p.7
De volgende omstandigheid kan volgens de CRvB niet als bijzonder worden aangemerkt:
•Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte, in verband met aanwezige schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen aan de GSD. Het gaat immers niet aan om schulden, dan wel het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte als gevolg daarvan, op de Abw af te wentelen. Zie CRvB 16-03-1999, nr. 97/11553 ABW en CRvB 2-11-1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AJ9592.
De volgende omstandigheden kunnen mogelijk wel als bijzonder worden aangemerkt:
•Er bestaat een medische noodzaak voor het maken van de kosten.
•Verhuizing in verband met een verhuisverplichting vanwege het bewonen van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de maximale subsidiabele huur naar een woning met lagere lasten;
•Een vrijwillige verhuizing vanwege het bewonen van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de toepasselijke aftoppingsgrens naar een woning waarvoor de woonkosten niet meer bedragen dan de kortingsgrens van de Huurtoeslag.
Voor de noodzakelijke dubbele huur ten gevolge van een verhuizing als hiervoor bedoeld wordt bijstand om niet verstrekt.
Hoogte bijzondere bijstand
Bepaal de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand aan de hand van de richtprijzen, bijvoorbeeld de Prijzengids van het NIBUD. Indien de belanghebbende bepaalde kosten niet kan voldoen uit bijstand ter hoogte van de richtprijzen is het nodig om hiervan af te wijken. Een en ander zal uit een nader onderzoek moeten blijken en is gebaseerd op rechtbankjurisprudentie inzake het gebruik van richtprijzen.
Vorm en betaling bijzondere bijstand
De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een geldlening of borgtocht verstrekt. Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken. Zie over bijstand in de vorm van een geldlening en borgtocht ook paragraaf 3.3.
Betaal de toegekende bijzondere bijstand zo mogelijk geheel of gedeeltelijk direct aan de leverancier van de goederen. Dit om te voorkomen dat de bijstand aan andere zaken wordt besteed of dat het een negatief banksaldo aanvult zonder dat de belanghebbende de bijstand ter bestrijding van de bijzondere kosten kan aanwenden.
108Eerste maand huur en administratiekosten
Kosten van eerste maandhuur en administratiekosten behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan welke uit eigen middelen dienen te worden voldaan. Er is in beginsel dan ook géén recht op bijzondere bijstand.
108Overbrugging scherpe terugval in inkomen
Het college verstrekt geen bijzondere bijstand ter (gedeeltelijke) compensatie van een (scherpe) inkomensachteruitgang. De bijstandsnorm zoals vermeld in de Participatiewet wordt toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.
109Overige bijzondere kosten
De WTOS is sinds schooljaar 2015/2016 vervallen. Sinds die tijd kunnen ouders in aanmerking komen voor een hoger kindgebonden budget. Daardoor is er in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk voor deze kosten.
110In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht
111Berekening woonkostentoeslag huurders
112Berekening woonkostentoeslag eigenaren
Stap 1: woonkosten
De woonkosten van eigenaren die in aanmerking komen voor woonkostentoeslag zijn:
•De rente die verband houdt met de woning.
o Het gaat hier meestal om hypotheekrente. Het is niet van belang of de eigenaar de hypotheekrente ook daadwerkelijk betaalt. Verder geldt dat jaarlijks te ontvangen rijkssubsidie die betrekking heeft op de verschuldigde hypotheekrente hierop in mindering moet worden gebracht.
o Hypotheekrente voor leningen anders dan voor de woning, bijvoorbeeld voor een auto of caravan, mogen niet worden meegeteld.
o De aflossing van de hypotheek telt niet mee, dit geldt dus ook voor de premies van zogenaamde spaarhypotheken.
•Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, zoals:
o rioolrechten;
o eigenaarsdeel waterschapslasten;
o erfpachtcanon;
o premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen);
o eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (dus niet het gebruikersdeel).
•Een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud
o Alleen kosten van groot onderhoud komen in aanmerking voor woonkostentoeslag. Bedoeld zijn de onderhoudskosten die in geval van bewoning van een huurhuis voor rekening van de verhuurder komen (bijvoorbeeld buitenschilderwerk).
o Kosten van klein onderhoud moeten worden voldaan uit de bijstandsnorm of het daarmee vergelijkbare inkomen. Voor kosten van ingrijpende reparaties moet afzonderlijk bijstand worden verleend.
Ad. Stap 1: woonkosten
Als richtlijn voor de kosten van groot onderhoud gelden de bedragen die zijn opgenomen in het actuele overzicht van normen en bedragen. Deze bedragen zijn door het ministerie van VROM vastgesteld. Afwijking van deze bedragen kan alleen in bijzondere omstandigheden. Niet als een bijzondere omstandigheid kan gelden dat de betrokkene een zeer grote woning bewoont en derhalve hogere onderhoudskosten heeft. De bovengemiddelde kosten zijn niet-noodzakelijk en komen daarom niet in aanmerking voor bijstandsverlening.
113Extra kosten chronisch zieken, gehandicapten en ouderen
Vervallen en herzien in beleidsregel 1.6.9: Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering.
114Dieetkosten
Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat onderstaande diëten en voedingssupplementen medisch niet noodzakelijk worden geacht:
1een Myalgisch Encephalomyelitis (M.E.) dieet
2Candida dieet, voorgeschreven door een orthomoleculair therapeut
3voedingssupplementen voorgeschreven door bv. een osteopaat.
Daarnaast kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat aan een diabetesdieet geen meerkosten zijn verbonden.
115Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening
116Tandheelkundige hulp
117Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor de kosten van psychotherapie, omdat de Zorgverzekeringswet als een passende en toereikende voorliggende voorziening wordt beschouwd.
118Fysiotherapie en oefentherapie
In principe is er geen bijzondere bijstand mogelijk voor de kosten van fysio- en oefentherapie, omdat de Zorgverzekeringswet als een passende en toereikende voorliggende voorziening wordt beschouwd. Zie ook de beleidsregel: Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering (1.6.9).
119Eigen risico
Verplicht eigen risico
Het verplicht eigen risico van de zorgverzekering komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. De reden hiervoor is dat dit verplicht eigen risico een algemene maatregel betreft die voor alle Nederlanders geldt. Daardoor is er geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke bestaanskosten.
Vrijwillig hoger eigen risico
Op vrijwillige basis kan een hoger eigen risico bij de zorgverzekering worden afgesproken. Voor de kosten die hieruit voortkomen kan geen bijzondere bijstand worden verleend, omdat het geen noodzakelijke kosten betreft.
120Kosten mentorschap
1.7 Inkomens- en studietoeslag
121.Beoordeling arbeidsinspanning voor langdurigheidstoeslag (vervallen)
122Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake langdurigheidstoeslag (vervallen)
123Beoordeling geringe inkomsten (vervallen)
124Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake individuele inkomenstoeslag
Geen beleid geformuleerd. Zie Integrale verordening sociaal domein.
125Gemeentelijke regels inzake individuele studietoeslag
Geen beleid geformuleerd. Zie Integrale verordening sociaal domein.
2Werk
2.1 Doelstellingen, voorzieningen en samenwerking
1Afspraken met UWV inzake aanbieden voorzieningen aan personen met uitkering via UWV
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
2Procedure aanvraag en toekenning re-integratievoorzieningen
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
3Afspraken met cliënt over de gevolgen van het niet nakomen/ voortijdig afbreken van een re-integratie
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
4Overzicht aangeboden re-integratievoorzieningen (vervallen)
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
5Overzicht gemeentelijke re-integratiepartners
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
6Overzicht diagnostische instrumenten
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
7Plan van aanpak / Trajectplan
8Hulpverleningsinstellingen
Geen beleid geformuleerd (geen meerwaarde).
9Sociale activering
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
10Scholing
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
11Loonkostensubsidie (overige doelgroep)
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
12Persoonlijke ondersteuning
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
13Beschut werk
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
14No-riskpolis (vervallen)
15Loonkostensubsidie artikel 10d Participatiewet
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
16Ondersteuning leer-werktrajecten
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
17Overige voorzieningen
Zie de Integrale verordening sociaal domein.
3Overige onderwerpen Participatiewet
1Mandaat
2Wijze waarop cliëntenparticipatie concreet vorm is gegeven
3Gegevensuitwisseling en privacy
4Rechtsbescherming
1Adres rechtbank, sector bestuursrecht
Regel is vervallen.
2Rechtstreeks beroep bij rechtbank