2 De hulpvraag
2.1.1 Melden hulpvraag
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Wvggz, Llv]
1Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij sociaal team De Post van de gemeente Winterswijk. Voor jeugdhulp kan de inwoner ook terecht bij het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek. Als het nodig is helpen de medewerkers van deze teams inwoners bij het vinden van de juiste medewerker, voor een gesprek over de hulpvraag.
2Inwoners die Wmo wonen of maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich melden bij de gemeente Doetinchem (zie ook art. 5.2.3 en art. 5.2.4) of bij sociaal team De Post van de gemeente Winterswijk.
3De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen. Iemand anders kan ook een melding namens de inwoner doen.
4Voor sommige vormen van hulp kan de inwoner direct een aanvraag doen (zie art. 2.3.1). De gemeente maakt duidelijk voor welke vormen van hulp dat geldt en hoe de aanvraag kan worden gedaan.
5Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen is het Advies- en meldpunt verward gedrag in het leven geroepen. Het advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen.
6De gemeente biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Het advies- en meldpunt is te bereiken via telefoonnummer 0800-2000 (gratis) of via www.veiligthuis.nl.
7Een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet kan ook gemeld worden bij de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, zie hoofdstuk 4.
2.1.2 Doel en procedure melding
1Het doel van de melding is om de hulpvraag te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente nodigt de inwoner uit voor een vervolggesprek met een medewerker van de gemeente. De gemeente geeft aan waarover dat gesprek gaat, waar en wanneer het gesprek zal zijn en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil of als het van belang is voor de hulpvraag.
2De gemeente informeert de inwoner over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven.
3De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dat noemen wij een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheden.
4De gemeente kan na de melding afzien van een gesprek met de inwoner, als de gemeente al voldoende informatie heeft. De gemeente doet dit alleen in overleg met de inwoner zelf.
2.1.3 Gegevens
De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens op te sturen of mee te nemen naar het gesprek met de medewerker van de gemeente.
Stap 2: Gesprek na de melding
2.2.1 Doel en procedure van het gesprek
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv]
1Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats.
2De inwoner kan iemand meenemen naar het gesprek om hem te ondersteunen. De inwoner kan ook gebruik maken van een cliëntondersteuner.
3De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld.
4Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek.
2.2.2 Gesprek en onderzoek
1De medewerker bespreekt met de inwoner de hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken. De medewerker onderzoekt:
a.de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?
b.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?
c.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
d.Huisgenoten: of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is. Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan de gemeente de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onderzoek.
e.de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?
f.de rol van de gemeente: welke hulp kan de gemeente bieden?
g.de rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner?
2Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de hulpvraag.
3Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.
4Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de voorwaarden om een persoonsgebonden budget (pgb) te kunnen krijgen. Als de inwoner een pgb wil ontvangen, dan onderzoekt de gemeente of de inwoner in staat is om het pgb te beheren.
5Gaat het om Wmo-hulp-op-maat, dan informeert de medewerker de inwoner over een bijdrage in de kosten.
2.2.3 Ondersteuningsplan
[Jeugdwet, Wmo]
1Na het gesprek rondt de medewerker het onderzoek af. De medewerker verwerkt de uitkomsten van het onderzoek in het ondersteuningsplan.
2De medewerker stuurt het ondersteuningsplan naar de inwoner. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden als bijlage aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Als de inwoner Wmo- of jeugdhulp van de gemeente wil ontvangen, dan moet de inwoner het onderdeel ‘Aanvraag’ van het ondersteuningsplan invullen en ondertekend terugsturen.
3De medewerker kan er ook voor kiezen om tijdens het gesprek, samen met de inwoner, het ondersteuningsplan in te vullen. Dat kan de medewerker doen, als in het gesprek voldoende duidelijk wordt wat de inwoner nodig heeft van de gemeente. Ook dan moet de inwoner het onderdeel ‘Aanvraag’ van het ondersteuningsplan invullen en ondertekenen. De uitkomsten van het onderzoek door de medewerker worden dan opgenomen in het besluit, dat de inwoner later ontvangt.
Stap 3: Aanvraag
2.3.1 Aanvraag
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]
1De inwoner kan een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de hulpvraag is afgerond, maar in ieder geval na zes weken nadat de inwoner de melding heeft gedaan. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft.
2De inwoner kan in ieder geval direct een aanvraag doen voor de volgende vormen van hulp:
a.een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, voor inwoners van 27 jaar of ouder;
b.een IOAW- of IOAZ-uitkering;
c.leerlingenvervoer;
d.persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen (zie hoofdstuk 3.5);
e.jeugdhulp
Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend, tenzij een gesprek niet nodig is omdat de situatie duidelijk genoeg is.
3Als het gaat om een bijstandsuitkering voor levensonderhoud kan de inwoner die jonger is dan 27 jaar pas een aanvraag indienen als er na de melding vier weken voorbij zijn gegaan waarin de inwoner op zoek is gegaan naar werk of opleidingsmogelijkheden. Behalve als de melding is gedaan door:
a.gehuwden en één van de echtgenoten 27 jaar of ouder is.
b.inwoners die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de aanvraag ingeschreven hebben gestaan bij het praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso). Deze uitzondering duurt een jaar;
c.inwoners met een medische uren beperking;
d.inwoners die loonkostensubsidie ontvangen of die mogelijk tot de doelgroep van loonkostensubsidie behoren.
Zij kunnen de melding en aanvraag op hetzelfde moment doen.
4De werkgever kan ook een aanvraag doen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen. De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier.
5De inwoner gebruikt een aanvraagformulier van de gemeente, om een aanvraag te doen. Voor Integrale Wmo ondersteuning, Wmo wonen en jeugdhulp geldt een ondertekend ondersteuningsplan ook als aanvraagformulier.
6Een aanvraag wordt gedaan bij de gemeente, behalve als het gaat om een digitale aanvraag voor een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, IOAW of voor een IOAZ -uitkering. Aanvragen voor een bijstandsuitkering levensonderhoud en IOAW worden gedaan via de website van UWV (www.werk.nl). In bijzondere situaties kan een uitkering voor levensonderhoud ook schriftelijk worden aangevraagd. Als het gaat om een aanvraag voor een IOAZ-uitkering, dan kan de inwoner voor meer informatie en het indienen van een aanvraag contact opnemen met ROZ via de website www.rozgroep.nl.
2.3.2 Voorwaarden voor hulp-op-maat
[Jeugdwet, Wmo, Wgs]
1Vraagt de inwoner hulp die speciaal is afgestemd op de inwoner (hulp-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a.De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;
b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg, met hulp vanuit het sociale netwerk, door gebruik te maken van algemene voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen, organisaties of diensten;
c.De hulp is geschikt om het gewenste effect te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner.
2De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die geschikt is om het gewenste effect te bereiken.
3Als er sprake is van een levenslange beperking of aandoening en er geen zicht op verbetering is, wordt de afweging gemaakt of hulp-op-maat (Wmo; zowel pgb als zorg in natura) voor onbepaalde tijd passend is. De gemeente onderzoekt periodiek of de hulp-op-maat nog passend is. Tussentijdse wijzigingen in omstandigheden en/of beleid kunnen van invloed zijn op de indicatie voor hulp-op-maat.
4De gemeente kan hulp-op-maat in ieder geval weigeren als:
a.de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner en hij deze hulpvraag had kunnen voorkomen;
b.de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend of achteraf de noodzaak nog vastgesteld kan worden;
c.de gemeente de noodzaak van de hulp niet kan vaststellen.
2.3.3 Advisering
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]
1De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.
2De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek voor wat betreft de Wmo, aantoonbaar beschikken over:
a) Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;
b) Ergonomische kennis;
c) Bouwkundige/technische kennis;
d) Gedragswetenschappelijke kennis.
3Voor wat betreft de Jeugdwet geldt in aanvulling op lid 1 dat de gemeente voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid inzet en ervoor zorgt dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager. Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van SKJ-, KJP- of BIG-geregistreerde professionals. Als dat noodzakelijk is, wordt extern (medisch) advies gevraagd.
2.3.4 Beoordelen aanvraag
[Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]
1Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen:
-Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is en hoe die is ontstaan.
-Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden, problemen of beperkingen er precies zijn die van belang zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
-Stap 3: De gemeente brengt in kaart welk effect/resultaat de inwoner wil bereiken.
-Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), bijvoorbeeld met hulp van huisgenoten, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of met hulp van andere organisaties.
-Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
2Bij de beoordeling als bedoeld in stap 4 onder lid 1 wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:
a.de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;
b.de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten;
c.de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;
d.de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
e.de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
f.overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
3De beoordeling van een aanvraag voor jeugdhulp is beschreven in hoofdstuk 4.
2.3.5 Beslistermijn
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]
1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen twee weken nadat de aanvraag voor Wmo-hulp is ontvangen.
2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de gegevens te verstrekken.
3Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.
Stap 4. Beslissing
2.5 Uitzonderingen
2.5.1 Spoedeisende gevallen
[Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs]
In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is.
2.5.2 Inburgeringsplichtigen
[Wib]
Met de komst van de Wet inburgering 2021 is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van passende inburgeringstrajecten aan nieuwe inburgeringsplichtigen. Asielmigranten worden vanuit een asielzoekerscentrum gekoppeld aan de gemeente Winterswijk. Waar mogelijk begint de brede intake al op het asielzoekerscentrum. Gezinsmigranten krijgen van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een bericht over de brede intake. Daarnaast krijgen de inburgeringsplichtigen een andere brede intake dan de intake zoals in het stappenplan dat bij 2.1 tot en met 2.4 beschreven staat.
2.5.2.1Brede intake
1De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtigen een brede intake af. Dankzij deze brede intake krijgt de gemeente een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inwoner. De gemeente geeft in overleg met de inwoner en op basis van de uitkomsten van de brede intake invulling aan het inburgeringstraject.
2De brede intake wordt zo vroeg mogelijk afgenomen. Als het kan wordt de brede intake gepland zodra de inwoner bekend is bij de gemeente. Voor asielmigranten is dit het moment van koppeling aan de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten is dit het moment van inschrijving in de gemeente.
3De brede intake bestaat in ieder geval uit:
a.een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inwoner;
b.een onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de fysieke en mentale gezondheid;
c.voor zover van toepassing: een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inwoner deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; en
d.een leerbaarheidstoets. De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart:
-het taalniveau van de inwoner;
-de mogelijkheden tot (arbeids)participatie;
-de mate van zelfredzaamheid; en
-de wensen van de inwoner over inburgering en arbeidsparticipatie.
4De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast in het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (hierna: PIP).
2.5.2.2 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie
1De gemeente stelt na afronding van de brede intake en op basis van de hieruit ontvangen informatie het PIP op. Dit gebeurt zoveel mogelijk in samenspraak met de inburgeringsplichtige. In ieder geval worden in het gesprek over het PIP de volgende onderwerpen besproken:
a.de uitkomsten van de brede intake;
b.de persoonlijke einddoelen van de inwoner in het inburgeringstraject;
c.welke leerroute als passend wordt gezien en waarom;
d.de rechten en plichten van de inwoner tijdens het inburgeringstraject;
e.de verwachtingen van de inwoner over het traject;
f.de rol van de gemeente bij dit traject; en
g.voor gezinsmigranten en overige migranten: het aanbod aan passend en kwalitatief goed inburgeringsonderwijs waarmee de migrant de leerroute kan volgen en voltooien.
2In het PIP staat wat de inwoner moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inwoner gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inwoner.
3De gemeente stelt het PIP vast uiterlijk binnen tien weken na inschrijving van de inwoner in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente waar hij of zij is gehuisvest of wordt gehuisvest na verblijf in het azc.
4Wanneer de inwoner voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Winterswijk stelt de gemeente het PIP opnieuw vast binnen tien weken na de inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP). De leerroute die daarbij wordt vastgesteld, is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld.
3 Werken en meedoen in de samenleving
3.4 Voorzieningen – werk
3.4.1 Proefplaatsing
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een uitkeringsgerechtigde inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Deze inwoner houdt wel een uitkering tijdens die periode.
2Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.
3Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk.
4Als de inwoner geschikt is voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing.
5Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
6De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden.
7De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband. Normaal duurt de proefplaatsing twee maanden. Met goede reden is er de mogelijkheid tot het verlengen van de proefplaatsing met maximaal vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens zes maanden. Bij een proefplaatsing tussen de twee en zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden.
8De gemeente weigert de toestemming bedoeld in het eerste lid als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met plaatsingssubsidie.
3.4.2 Werkervaringsplaats
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn uitkering.
2Bij het aanbieden van een werkervaringsplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.
3Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen:
a.De inwoner doet werkervaring op;
b.De inwoner leert om in een dienstverband te functioneren;
c.De inwoner doet werkritme op.
4De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner kansen om te oefenen en te leren in het werk.
5De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt.
6De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
7De werkervaringsplaats duurt maximaal zes maanden en kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden.
3.4.3 Participatieplaats
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op loonvormend werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen.
2Bij het aanbieden van een participatieplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.
3Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt zijn uitkering. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd.
4Een participatieplaats duurt maximaal twee jaar. Dit kan met twee keer één jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden.
5Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
6De inwoner kan telkens na zes maanden een premie ontvangen. De gemeenteraad stelt deze premie vast op nihil.
3.4.4 Sociale activering
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. Dat kan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk zijn.
2Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
3.4.5 Beschut werk
[PW]
1De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook.
2Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden.
3De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt.
4Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels wachtlijst Nieuw Beschut Werk Fijnder’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.
5De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
a.wettelijke loonkostensubsidie;
b.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
c.werk opsplitsen in kleinere taken;
d.aanpassing van werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.
6De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan ter overbrugging de volgende voorzieningen inzetten:
a.sociale activering;
b.participatieplaats; of
c.een vergelijkbare voorziening.
7De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende voorzieningen voor:
a.sociale activering;
b.scholing;
c.participatieplaats;
d.werkervaringsplaats; of
e.een vergelijkbare voorziening.
3.4.6 Hulp bij een leer- werktraject
[PW]
1De gemeente kan een jongere hulp aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om jongeren:
a.van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of
b.van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2.
2De gemeente biedt hulp bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van school of werkgever onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen.
3.4.7 Plaatsingssubsidie
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt voor een korte periode plaatsingssubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8), en ook niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed.
3De plaatsingssubsidie is maximaal 50% van het Wettelijk minimumloon, tot maximaal € 500 per maand. De plaatsingssubsidie duurt maximaal zes maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden.
4Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
3.4.8 Wettelijke loonkostensubsidie
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De werkgever en inwoner moeten wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de Participatiewet voldoen.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden.
3De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan ook vastgesteld worden na het begin van het dienstverband of proefplaatsing door inzet van de Praktijkroute.
Informatie hierover kan worden opgevraagd bij het Werkgeversservicepunt Achterhoek.
4De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.
5Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de werkgever maximaal zes maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.
6De gemeente stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever plaatsingssubsidie van toepassing is.
3.4.9 Scholing
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden.
2De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.
3.4.10 Hulp bij het leren van de Nederlandse taal
[PW, IOAW, IOAZ]
Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren. Soms is het volgen van scholing verplicht. De gemeente heeft ‘Beleidsregels taaleis Participatiewet Fijnder’ vastgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.
Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid. Deze ondersteuning kan plaatsvinden bij een onderwijsinstelling of binnen de gemeente via het Taalhuis.
3.4.11 Kinderopvang
[PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang]
1De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is, als:
a.de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en
b.opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.
2De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan van de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die voor zijn rekening blijven. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
a.De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering; en
b.De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening);
Of:
c.De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs; en
d.De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau.
3.4.12 Andere voorzieningen en vergoedingen
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.
2De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de uitkering. De regels staan in artikel 31 van de Participatiewet, artikel 8 van de IOAW en in artikel 8 van de IOAZ.
3Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden.
4De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit kan de gemeente alleen doen als de inwoner die kosten niet op een ander manier vergoed kan krijgen.
3.4.13 Innovatie
[PW, IOAZ, IOAW]
1De gemeente kan – binnen de kaders van de uitgangspunten van dit hoofdstuk – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten
2Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners, nieuwe voorzieningen en werkwijzen te onderzoeken.
3Een experiment duurt niet langer dan drie jaar.
4Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is.
3.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen
3.5.1. Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan op eigen initiatief of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een inwoner met een arbeidsbeperking.
2Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is er sprake van individueel maatwerk. Verder gelden, naast artikel 2.3.2., de volgende voorwaarden:
a.de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso) heeft gevolgd;
b.de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken;
c.de voorziening komt niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de UWV-werkvoorzieningen (www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen);
d.het gaat niet om een algemeen beschermingsmiddel waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
e.het gaat niet om een mee te nemen voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
f.de kosten van de voorziening moeten in verhouding zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten uit het werk of de opbrengsten van uitstroom naar werk.
3De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Behalve als bij de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn.
4De gemeente kan een deskundig advies inwinnen, als dit nodig is om een aanvraag te beoordelen.
5De gemeente spreekt met de werkgever en werknemer af op welke manier de ondersteuning wordt geboden en tot wanneer. De gemeente legt dit vast in een beschikking.
3.5.2. Persoonlijke ondersteuning bij werk
[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]
1De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden in de vorm van:
a.jobcoaching door een jobcoach van Fijnder of een coach waarmee Fijnder een contract heeft.
b.een subsidie aan de werkgever voor het inzetten van een jobcoach;
c.subsidie aan de werkgever voor interne werkbegeleiding
3.5.3. Hulp op de werkplek van een jobcoach
[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]
1De gemeente kan een inwoner een jobcoach vanuit Fijnder aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.
2Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. De jobcoach kan de inwoner begeleiden bij zijn ontwikkeling op de werkplek.
3De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet. Deze afspraken komen in een overeenkomst met de werkgever te staan.
4De jobcoaching wordt ingezet voor een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden, na deze periode kan jobcoaching eenmalig verlengd worden met zes maanden.
5Een externe jobcoach moet werken bij een erkende Jobcoachorganisatie, op basis van het erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV. Deze is te vinden op www.uwv.nl.
6Als de gemeente zelf één of meer jobcoaches in dienst of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze bij voorrang aan.
7Voor jobcoaching door een erkende jobcoach worden de begeleidingsniveaus ‘licht’, ‘midden’ en ‘intensief’ gebruikt. Voor welk niveau van jobcoaching in een situatie wordt gekozen hangt af van de ondersteuningsbehoefte van een werknemer in deze situatie. Voor iedere werknemer die jobcoaching gaat krijgen, wordt vastgesteld voor welk maximumbedrag die werknemer jobcoaching kan krijgen.
8De maximumbedragen zijn gebaseerd op de normbedragen voorzieningen van het UWV zoals die zijn gepubliceerd in het geldende Besluit normbedragen voorzieningen UWV.
Bij wijziging van de normbedragen door het UWV worden de vergoedingen aangepast met ingang van het nieuwe kalenderjaar.
3.5.4. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching
[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]
1De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. De werkgever kan daar een aanvraag voor doen.
2Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan op basis van artikel 3.5.3 worden verleend. Daarnaast als:
a.er een coachingsplan is vastgesteld waarin beschreven staat welke activiteiten een jobcoach uitvoert, de voortgang van de jobcoaching en hoe de beoordeling plaatsvindt;
b.de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching aansluit bij de werknemer;
c.de werknemer voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk laat weten het eens te zijn met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3.5.5. Subsidie voor interne werkbegeleiding
[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]
1De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor meer begeleiding aan medewerkers op de werkvloer dan normaal gebruikelijk. Die subsidie is bedoeld voor de aangetoonde meerkosten die gemaakt zijn voor het organiseren van de interne werkbegeleiding van een medewerker.
2De gemeente kan voor werkgevers een training verzorgen in het bieden van interne werkbegeleiding aan medewerkers.
3.5.6. Ondersteuning bij een visuele of motorische beperking
[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]
De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen. Dit is hulp of ondersteuning voor taken die een inwoner bij het werken niet goed zelf kan doen. Dat dit niet lukt komt door problemen met zien of met bewegen.
3.5.7. Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening
[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]
1De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor iemand om te kunnen werken.
2Er is geen lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een mee te nemen voorziening worden beschouwd, als de noodzaak en meerwaarde op het werk aan te tonen is.
3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen gegeven. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten dat de inwoner de voorziening krijgt. De inwoner wordt dan dus eigenaar van de voorziening.
3.5.8. Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening
[PW, IOAW, IOAZ, Wsw
1De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan de inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld.
2Als er een vervoersvoorziening van de werkgever mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van.
3De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer;
en
b.kan niet carpoolen; en
c.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.
4De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt. Bij reizen met eigen vervoer vergoedt de gemeente de reiskosten tot een bedrag van de maximale onbelaste kilometervergoeding (vastgesteld door de Belastingdienst).
5Bij reizen met het openbaar vervoer baseert de gemeente de vergoeding op de goedkoopste en meest passende manier van reizen.
3.6 Tegenprestatie
3.6.1 Doel van de tegenprestatie
1De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving.
2De gemeente kan als tegenprestatie vragen om onbetaald werk te gaan doen dat de gemeente nuttig vindt voor de samenleving.
3Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving.
3.6.2 Voorwaarden tegenprestatie
1Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk.
2De inwoner hoeft geen tegenprestatie te leveren als dit niet te combineren is met mantelzorg of vrijwilligerswerk.
3.6.3 Duur en omvang tegenprestatie
1De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden per jaar en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen:
a.De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten.
b.De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie.
2Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd.
3.7 Meedoen in de samenleving
3.7.1 Wmo Herstelgerichte ondersteuning
1Om te voorkomen dat mensen minder zelfstandig worden, richt de gemeente zich ook met andere manieren op ondersteunen van inwoners. Er is aandacht voor de verbetering van zelfstandigheid van ouderen in hun eigen leefomgeving. De ondersteuning is gericht op verbetering van de situatie van de inwoner in plaats van een voorziening of ondersteuning waarbij zaken worden overgenomen. Een gericht bewegingsprogramma onder begeleiding van daarvoor opgeleide fysiotherapeuten wordt aangeboden aan inwoners die zich (voor het eerst) melden bij de Wmo en waarvoor herstelgerichte ondersteuning een passende oplossing kan zijn voor hun hulpvraag.
2Een inwoner kan in aanmerking komen voor herstelgerichte ondersteuning, als uit deskundig advies blijkt dat herstelgerichte ondersteuning een passende voorziening is.
3Herstelgerichte ondersteuning kan op zichzelf staand worden geïndiceerd, maar kan ook gecombineerd worden met andere hulp-op-maat, als uit het deskundig advies hiervoor de noodzaak blijkt.
4Andere hulp-op-maat wordt niet ingezet wanneer uit het advies van de deskundige blijkt dat die voorziening(en) anti-revaliderend werken voor de inwoner. Dat wil zeggen dat het herstel ermee wordt tegengewerkt.
5Als de herstelgerichte ondersteuning eerder wordt beëindigd, ontvangt de gemeente een afrondende rapportage van de deskundige.
6Als herstelgerichte ondersteuning is ingezet als goedkoopst passende voorziening (artikel 2.3.2 lid 3 van de verordening) en een inwoner maakt hier zonder gegronde reden geen gebruik van, dan kan de inwoner geen andere hulp-op-maat krijgen voor de ondersteuningsbehoefte waarvoor die voorziening is ingezet. De voorziening wordt daarmee beschouwd als voorliggende voorziening ten opzichte van andere hulp-op-maat. Gegronde reden wil zeggen dat uit het advies van de deskundige blijkt dat er redenen zijn waardoor deelname niet mogelijk is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het niet veilig kunnen deelnemen in de trainingsgroep, de instructies niet kunnen opvolgen of een acute klacht hebben waardoor bewegen niet kan of mag (bijvoorbeeld een gebroken been).
3.7.2 Ondersteuning Wmo
Wmo ondersteuning helpt inwoners vanaf 18 jaar die een verstandelijke of lichamelijke beperking hebben, of die (langdurige) psychische problemen, psychosociale problemen of verslavingsproblemen hebben. De hulp wordt zoveel mogelijk gegeven in de eigen omgeving van de inwoner. De hulp wordt alleen toegekend als andere voorliggende voorzieningen en hulp in de buurt zijn voor deze inwoner niet voldoende geschikt zijn.
1Begeleiding individueel
De begeleiding richt zich op het vergroten of behouden van vaardigheden en/of het voorkomen van achteruitgang. Begeleiding heeft ook een signalerende functie; voorkomen van overvraging en signaleren van achteruitgang. Doel van de begeleiding is het vergroten of behouden van de eigen kracht en eigen regie met positief effect op een of enkele leefgebieden. De begeleiding wordt geboden op de beste plek. Dit kan thuis bij de inwoner zijn, maar ook elders. In aanvulling daarop kan begeleiding op afstand door middel van (beeld) bellen worden geboden, wanneer dit aansluit bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner.
2Begeleiding individueel extra
De begeleiding helpt inwoners om stabiel te worden, te herstellen en zich te ontwikkelen. Bij de begeleiding wordt een plan gevolgd. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven. De begeleiding wordt gegeven op de beste plek. Dit kan thuis zijn, maar ook ergens anders. Daarnaast kan begeleiding op afstand via (video) bellen worden gegeven, als dit past bij de hulpvraag en mogelijkheden van de inwoner.
3Begeleiding individueel beschermd thuis
De begeleiding helpt inwoners om te herstellen, zich te ontwikkelen en vast te houden wat ze hebben bereikt. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven en het weer zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding kan veranderen naar een situatie waarin de persoon samen met zijn omgeving om kan gaan met de beperkingen zonder extra hulp of met planbare hulp. De begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Als het nodig is, kan de begeleider binnen 45 minuten bij de inwoner (thuis) zijn.
4Begeleiding groep belevingsgericht
De inwoner heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur geven en de dag zinvol maken, om sociaal isolement te voorkomen. De begeleiding helpt bij het behouden van vaardigheden en ontlast de mantelzorger of thuissituatie. Ontwikkelingsgerichte dag invulling is voor deze groep niet passend of niet meer mogelijk. De activiteiten zijn vooral recreatief en gericht op sociale contacten, het versterken van het sociale netwerk en ontmoeting. Voorbeelden van activiteiten zijn wandelen, knutselen, klussen, gymnastiek/sporten, zingen, samen koken en andere mensen ontmoeten.
5Begeleiding groep ontwikkelgericht
De begeleiding helpt inwoners om zich op lange(re) termijn te ontwikkelen. Het doel is dat inwoners uit de hulp op maat/maatwerkvoorziening1 gaan naar een volgende plek: (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan, vrijwilligerswerk of onderwijs. De begeleiding helpt bij het aanleren van (werk)vaardigheden om zelfredzaam te worden en mee te doen in de samenleving: inzet op maximale persoonlijke ontwikkeling in een werkomgeving of een hogere trede op de participatieladder. Waar nodig ondersteunt de begeleiding bij behandeling en herstel.
6Logeren
Logeren via de Wmo is bedoeld voor mensen die tijdelijk niet thuis kunnen blijven. Bijvoorbeeld omdat hun mantelzorger even rust nodig heeft. Tijdens het logeren krijgt de cliënt hulp bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (hierna ADL) zoals eten, wassen en aankleden. Ook zijn er activiteiten om tot rust te komen en weer energie op te doen. De begeleider let goed op signalen zoals overbelasting van de mantelzorger of onrust bij de cliënt.
De zorg vindt plaats in een accommodatie van de aanbieder. Deze locatie is huiselijk ingericht en biedt comfort en veiligheid. De cliënt heeft hier een eigen slaapkamer en er is altijd toezicht, ook in de avond en nacht. De aanbieder zorgt voor ADL-ondersteuning. De begeleiding is persoonlijk en gebeurt op de locatie zelf. Beeldbellen wordt meestal niet ingezet, omdat het belangrijk is dat er iemand fysiek aanwezig is bij de cliënt.
3.7.3 Persoonlijke verzorging
Persoonlijke verzorging helpt mensen om zichzelf beter te verzorgen in het dagelijks leven. Het doel is dat de cliënt zo zelfstandig mogelijk is en blijft bij activiteiten als wassen, aankleden, eten en uiterlijke verzorging. Het gaat om een cliënt die tijdelijk niet zelfredzaam is, maar waarbij er geen sprake is van een geneeskundige context of een verhoogd risico op geneeskundige zorg. De begeleider kijkt goed of er signalen bestaan die laten zien dat het moeilijker wordt voor de cliënt of dat de situatie onveilig is.
De begeleiding gebeurt thuis bij de cliënt. Beeldbellen kan worden gebruikt, bijvoorbeeld om aan te sturen of uitleg te geven. Dit gebeurt alleen als het past bij wat de cliënt nodig heeft. Beeldbellen is een aanvulling en vervangt het persoonlijke contact niet.
3.7.4 Vervoer in de eigen omgeving
1De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis.
2Het moet gaan om:
a.het zich verplaatsen rondom de woning; of
b.het zich verplaatsen over ten hoogste 20 kilometer van de woning.
3De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Zo ja, dan kan de inwoner gebruik maken van collectief taxivervoer voor een lager tarief, via ZOOV. De inwoner betaalt hiervoor een eigen bijdrage van € 60 per jaar.
4De inwoner die geen gebruik kan maken van ZOOV, kan in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van een eigen auto, een taxi of een rolstoeltaxi. De bijdrage is:
a.maximaal € 954 per kalenderjaar voor het gebruik van een eigen auto;
b.maximaal € 2.961 per kalenderjaar voor het gebruik van een taxi;
c.maximaal € 3.363 per kalenderjaar voor het gebruik van een rolstoeltaxi.
3.7.5 Rolstoel
De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel, als deze noodzakelijk is voor dagelijks zittend gebruik.
3.7.6 Sportvoorziening/sporthulpmiddel
1De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder een aangepaste sportvoorziening of hulpmiddel, kan eens in de drie jaar in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als bijdrage in de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening/sporthulpmiddel. Bijvoorbeeld een sportrolstoel of een handbike.
2Deze bijdrage wordt één keer per drie jaar verstrekt en bedraagt maximaal € 2.281.
3Via de uitleen van Uniek Sporten (https://www.unieksporten.nl/uitleen) kan een inwoner eerst voor vier maanden gratis een sporthulpmiddel uitproberen. Op deze manier kan een inwoner eerst uitproberen welke sport past, zonder daarvoor een hulpmiddel hoeft aan te schaffen. Via Uniek Sporten kan ook een (aanvullende) subsidie worden aangevraagd voor de aanschaf van het sporthulpmiddel.
3.7.7 Aanpassing of vervanging voorziening
Als een vervoermiddel of rolstoel aangepast of vervangen moet worden, dan doet de gemeente dit alleen, als:
a.die voorziening onbruikbaar is geworden buiten de schuld van de inwoner om; of
b.die voorziening geen oplossing meer is voor de hulpvraag van de inwoner; of
c.de inwoner de kosten van vervanging geheel of gedeeltelijk zelf betaalt.
3.8 Inburgeren
3.8.1 Kernpunten van het inburgeringstraject
De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtigen. Hierbij gelden de volgende kernpunten:
a.de gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige tijdig kan starten met het inburgeringstraject (tijdige start).
b.de inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject binnen de termijn van drie jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid).
c.de gemeente zorgt voor iedere inburgeringsplichtige dat hij een passend traject kan volgen (maatwerk).
d.de inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij (dualiteit).
e.de gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit gewaarborgd is (kwaliteit).
4 Gezond en veilig opgroeien
4.3 Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen
4.3.1 Beoordelen aanvraag
1Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, stelt de gemeente een onderzoek in:
-Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de jeugdige en zijn ouders is en hoe die is ontstaan.
-Stap 2: De gemeente onderzoekt de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie.
-Stap 3: De gemeente onderzoekt of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt de gemeente achtereenvolgens:
a.welke problemen of stoornissen dat zijn;
b.welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
-Stap 4: De gemeente onderzoekt in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Hiervoor onderzoekt de gemeente de punten zoals aangegeven in artikel 4.2 lid 7.
-Stap 5: De gemeente onderzoekt, voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening of met hulp-op-maat te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp.
2De gemeente betrekt de voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke hulp wordt ingezet. De gemeente houdt daarbij zo goed mogelijk rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s).
3De gemeente onderzoekt, indien van toepassing, hoe de hulp-op-maat zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
4Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan hebben gemaakt, betrekt de gemeente dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
5Pas als de gemeente het stappenplan heeft doorlopen en duidelijk is dat hulp-op-maat nodig is, komt de vraag aan de orde of de jeugdhulp in natura of in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. Daarvoor meldt de gemeente aan de jeugdige of zijn ouders welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb en wat de gevolgen van hun keuze zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 8.
4.4 Vormen van jeugdhulp
4.4.1 Vrij toegankelijke jeugdhulp
1De gemeente zet zich ervoor in dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met:
a.opvoed- en opgroeiondersteuning;
b.de inclusieve buitenschoolse opvang;
c.informatie, advies en trainingen over opgroeien, opvoeding en ouderschap;
d.jeugdgezondheidszorg;
e.het jongerenwerk;
f.ondersteuning bij opleidings- en loopbaankeuzes;
g.een vertrouwenspersoon via het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ);
h.cliëntondersteuning;
i.mantelzorgondersteuning;
j.het Ondersteuningsteam van de gemeente;
k.een praktijkondersteuner jeugd (POH) op een aantal huisartsenpraktijken binnen de gemeente.
Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen besluit van de gemeente nodig, en ook geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts.
2De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedproblemen zo vroeg mogelijk kunnen worden opgevangen, en dat dan ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden.
4.4.2 Niet-vrij toegankelijke jeugdhulp
1Als vrij toegankelijke hulp niet voldoende is, kan de gemeente hulp-op-maat aanbieden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig of een verwijzing door een jeugdarts, huisarts, een medisch specialist, of een gecertificeerde instelling. Art. 2.3.2. is van toepassing op een besluit van de gemeente.
De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is:
a.Ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien;
1Ondersteuning individueel
2Ondersteuning groep
b.Een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is
c.Specialistische jeugdhulp:
1Behandeling individueel
2Behandeling groep
3Behandeling groep orthopedisch dagcentrum
4Behandeling basis GGZ
5Behandeling specialistisch GGZ
6Behandeling hoog complex GGZ
7Behandeling diagnostiek
8Medicatiecontrole
9Ambulante spoedhulp
10Dyslexiezorg
d.Hulp bij persoonlijke verzorging
e.Logeeropvang
f.Crisishulp
g.Hulp bij ernstige enkelvoudige dyslexie
h.Jeugdbescherming
i.Jeugdreclassering
j.Integrale, hoog-specialistische hulp met verblijf
2De volgende vormen van hulp-op-maat hebben in beginsel de volgende maximale duur en frequentie:
a.Ondersteuning groep: Ondersteuning groep wordt geïndiceerd in dagdelen. Een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet.
b.Behandeling individueel: Behandeling jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente.
c.Behandeling groep: Behandeling groep jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente. Behandeling groep wordt geïndiceerd in dagdelen. Een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. De maximale inzet is 8 dagdelen per week.
d.Behandeling basis GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf 12 maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met de gemeente en na een onderbouwing van de aanvraag.
e.Behandeling specialistisch GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf 12 maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van de gemeente. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met gemeente en na een onderbouwing van de aanvraag.
f.Ambulante spoedhulp: Ambulante spoedhulp wordt ingezet voor de duur van maximaal 28 dagen.
3Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de toegang van de gecontracteerde aanbieders op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
5.2.1 Geschikte woning
1De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, als:
a.het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en
b.verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de woonvoorziening.
De woonvoorziening houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt.
2Als verhuizing voorgaat, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een geldbedrag voor de verhuizing en inrichting van een geschikte woning. Deze bijdrage in de verhuiskosten is maximaal € 2.528.
3De inwoner kan tijdelijk een andere woning nodig hebben om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt. In dat geval kan de inwoner in aanmerking komen voor een bijdrage in de extra kosten van tijdelijke huisvesting, indien dubbele woonlasten onvermijdelijk zijn. De bijdrage is maximaal vier maal de huurgrens voor huurtoeslag van het lopende jaar en € 1.260 voor tijdelijke onzelfstandige woonruimte (zoals een kamer).
4De inwoner kan alleen een woonvoorziening krijgen als dat passend en nodig is. De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties:
a.De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.
b.De woonvoorziening is bedoeld voor een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen.
c.De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex.
d.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen had kunnen worden.
e.De inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning en er geen belangrijke reden voor de verhuizing was.
f.De inwoner verhuisd is naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven.
g.De belemmeringen die de inwoner ervaart, het gevolg zijn van de bouwkundige of woon technische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning;
h.De gevraagde voorziening alleen maar gericht is op renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd.
i.De gevraagde voorziening is niet grotendeels op de inwoner gericht.
j.De inwoner heeft zijn hoofdverblijf niet of zal zijn hoofdverblijf niet hebben in de woning waarvoor de woonvoorziening wordt gevraagd.
k.De kosten van de woonvoorziening zijn hoger dan € 50.000. Dat is anders als er volgens de gemeente zwaarwegende redenen zijn om de woning wel aan te passen.
5De eigenaar-bewoner die een woningaanpassing heeft ontvangen en de woning verkoopt, moet de verkoop zo snel mogelijk melden aan de gemeente. Dat moet alleen bij verkoop van de woning binnen zeven jaar na gereed melding van de woningaanpassing. Is er bij verkoop een meerwaarde naar aanleiding van de woningaanpassing, dan moeten de kosten van de woningaanpassing worden terugbetaald. De gemeente heeft daarvoor een afschrijvingsschema vastgesteld.
5.2.2 Een schone en leefbare woning
1De inwoner met een beperking die zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden.
2Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de hulp die kinderen normaal gesproken moeten bieden (gebruikelijke hulp). Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
3De ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Naast schoonmaakhulp kan ondersteuning nodig zijn voor het aanbrengen van structuur in het huishouden en het aanleren van huishoudelijke vaardigheden.
5.2.3 Wmo wonen
1De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen (Wmo wonen), als de inwoner deze woonvorm nodig heeft als gevolg van complexe psychische of psychosociale problemen. Kan de inwoner gebruik maken van beschermd wonen op grond van de Wet langdurige zorg, dan gaat dat voor. Wmo wonen is niet bedoeld voor een (acute) crisissituatie waarin de gemeente nog geen noodzaak voor Wmo wonen kan vaststellen. Daarvoor is de voorziening maatschappelijke opvang beschikbaar (zie artikel 5.2.4).
2Voor inwoners die reeds een indicatie voor Wmo wonen hebben die nog is afgegeven door de gemeente Doetinchem, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem en daarop gebaseerde regelingen.
3De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als andere vormen van hulp-op-maat onvoldoende passend zijn.
5.2.3.1 Verschillende vormen van Wmo wonen
1Beschermd wonen
Vanwege problemen is het nodig dat de inwoner in een instelling met toezicht en begeleiding gaat wonen. Het verblijf is tijdelijk en in veilige omgeving, en helpt de inwoner om zelfredzaam te worden, mee te doen in de samenleving, beter te functioneren, een stabieler psychiatrisch ziektebeeld te krijgen, verwaarlozing of overlast te voorkomen, en gevaar voor zichzelf of anderen af te wenden. De ondersteuning richt zich op door- en uitstroom. De begeleiding is altijd dichtbij en de inwoner kan op elk moment om hulp vragen. De begeleiding moet flexibel zijn om snel te kunnen reageren. Samenwerken met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere belangrijke partners is nodig en onderdeel van de begeleiding. De begeleiding merkt ook dingen op.
Dagbesteding of individuele begeleiding is geen onderdeel van beschermd wonen en kan apart geregeld worden. Dagbesteding kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan de woonaanbieder.
2Beschut wonen
De inwoner kan tijdelijk niet zelfstandig wonen en heeft baat bij een veilige en gezamenlijke woonomgeving met zorg en 24-uurs nabijheid door bereikbaarheid. De begeleiding helpt de inwoner om meer zelf te kunnen beslissen, nieuwe vaardigheden te leren of verloren vaardigheden terug te krijgen. Het doel van de begeleiding is ook om de inwoner zelfredzamer te maken en stabiliteit te waarborgen. Soms is het nodig om de sturing van de inwoner over te nemen, maar het doel is altijd om naar eigen regie te streven.
3Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+
De inwoner heeft hulp nodig om meer grip te krijgen op zijn of haar leven en zelfstandiger te worden. Dit kan gaan om een jongere of volwassene die is opgegroeid in een situatie die niet goed past bij wat hij of zij nodig heeft. De mensen om de inwoner heen kunnen hierbij niet genoeg helpen. De inwoner is klaar om een volgende stap te zetten richting volwassenheid, maar kan nog niet helemaal zelfstandig wonen. De inwoner werkt eraan om zo zelfstandig mogelijk mee te doen in de samenleving en leert de vaardigheden die daarvoor nodig zijn.
5.2.4 Maatschappelijke opvang
1De inwoner kan in aanmerking komen voor tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als
a.de inwoner dakloos is en de opvang nodig heeft, omdat hij zich niet op eigen kracht kan redden in de samenleving door verslavingsproblematiek of door psychische of psychosociale problemen; of
b.bij huiselijk geweld.
2De opvang is erop gericht, dat de inwoner zich weer kan redden in de samenleving. De opvang wordt pas aangeboden, als andere voorzieningen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken.
3Voor inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem en daarop gebaseerde regels.
5.2.5 Safehouse
Een Safehouse biedt herstelgerichte ondersteuning aan volwassen cliënten met verslavingsproblematiek en psychosociale en/of psychiatrische problemen. Deze voorziening biedt een veilige en gezonde, afgeschermde omgeving, waarin vaardigheden en gedrag die noodzakelijk zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en wordt geoefend in een huiselijke omgeving met groepsgenoten.
De ondersteuning in een Safehouse is met name voor mensen die net een behandeling tegen verslaving hebben afgerond, kampen met multi-problematiek, een terugval hebben gehad of gebaat zijn bij een een ‘’oefenplek’’ zonder de verleiding van hun oude (verslavings-)netwerk. Het doel is om te leren hoe je zonder verslaving kunt leven. De cliënt leert bijvoorbeeld hoe je een dagritme opbouwt, zelfstandig kunt wonen en omgaan met problemen. Ook is er aandacht voor psychische en sociale problemen.
De begeleiders letten goed op hoe het met de cliënt gaat. Ze kijken of er signalen zijn van terugval of andere problemen. Als het nodig is, grijpen ze op tijd in. De cliënt leert ook om problemen te herkennen en ermee om te gaan. De begeleiders werken samen met behandelaars, familie of andere belangrijke mensen in het leven van de cliënt. De begeleiding gebeurt op een vaste locatie van de organisatie, in Nederland. De plek is veilig en geschikt voor de doelgroep. Het verblijf duurt maximaal een jaar. Er is overdag begeleiding aanwezig en er is altijd iemand bereikbaar. Bij spoed kan er binnen 45 minuten iemand op locatie zijn. Er is ook een gezamenlijke ruimte voor groepsactiviteiten.
De cliënt woont samen met anderen die ook werken aan hun herstel. Ze kunnen elkaar helpen door ervaringen te delen. Begeleiding op afstand, zoals beeldbellen, gebeurt in principe niet. Wel kunnen begeleiders de cliënt telefonisch ondersteunen. Als er iets misgaat, kunnen zij snel in actie komen. De begeleiding gebeurt vooral op de plek waar de cliënt woont. Dat is belangrijk voor het gevoel van veiligheid en het herstelproces.
5.3 Mantelzorg
5.3.1 Ondersteuning mantelzorger
1De gemeente zorgt voor de noodzakelijke ondersteuning van mantelzorgers door het geven van informatie en voorlichting, advies en begeleiding en emotionele steun.
2De inwoner die mantelzorg ontvangt kan in aanmerking komen voor respijtzorg als dit niet vanuit een voorliggende voorziening of andere wetgeving wordt verstrekt. Respijtzorg is het logeren in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin. Respijtzorg heeft als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger of zijn omgeving, of om ontsporing van de situatie te voorkomen.
3De gemeente zorgt ervoor dat mantelzorgers van inwoners hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. Voorwaarde is, dat de mantelzorg niet overgenomen kan worden door anderen, zoals vrijwilligers.
4De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg voor een korte periode wordt overgenomen door een professionele hulpverlener.
5.3.2 Mantelzorgwaardering
1De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan. Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering te geven aan mantelzorgers.
2De mantelzorgwaardering bestaat uit een attentie voor alle mantelzorgers.
5.3.3 Mantelzorgwoning
De gemeente kan inwoners die een mantelzorgwoning willen realiseren, ondersteunen. Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het erf van een inwoner en is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de mantelzorger of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. Regels over het plaatsen van een mantelzorgwoning zijn vastgelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor).
De ondersteuning van Wmo consulent houdt in dat beoordeeld wordt of er sprake is van een mantelzorgsituatie waardoor een inwoner in aanmerking komt voor het vergunningsvrij plaatsen van een mantelzorgwoning. Zij verstrekken hierover een advies aan het team Ruimtelijke Ontwikkeling. Voor vragen over de regels voor de bouw van een mantelzorgwoning of woonunit kan een inwoner terecht bij het team Ruimtelijke Ontwikkeling. Tevens is meer informatie te vinden op https://www.winterswijk.nl/toelichting-op-mantelzorgwoning-bouwen
6 Vervoer naar school (leerlingenvervoer)
6.3 Voorwaarden
6.3.1 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer
1De gemeente verstrekt ouders van een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, een vervoersvoorziening voor:
a.het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie.
b.het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.
2De regels uit dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4 lid 4, onderdeel a.
7 Inkomen en schulden
7.1 Armoedebestrijding
7.1.1 Wat wil de gemeente?
1De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen. De inwoner heeft een financiële buffer, als zijn vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens uit de Participatiewet. Is het vermogen hoger dan die grens, dan kan de inwoner geen financiële ondersteuning van de gemeente krijgen. Voor bijzondere bijstand kan de gemeente andere vermogensgrenzen vaststellen.
2De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.
3De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan.
4De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden.
5De gemeente zorgt ervoor, dat voorzieningen op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden, als ze voor een bepaalde periode zijn verstrekt.
7.2 Bijzondere bijstand
7.2.1 Vangnet
1De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet. Bijzondere bijstand is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer, die extra noodzakelijke uitgaven niet kunnen betalen. Dat zijn onverwachte uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald door bijzondere omstandigheden.
2Als de gemeente een aanvraag voor bijzondere bijstand beoordeelt, dan betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid daarbij.
3De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand en hoe hoog de bijstand dan is.
7.4 Individuele inkomenstoeslag
7.4.1 Doelgroep
1De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die:
a.in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm;
b.geen financiële buffer heeft; en
c.geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
2Voor de toepassing van artikel 7.4.1, eerste lid onder a, wordt onder een ononderbroken periode van 36 maanden met een laag inkomen verstaan:
a.een periode waarin het inkomen van de aanvrager onafgebroken lager is geweest dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.
b.een onderbreking in deze periode wordt niet aangenomen indien sprake is van maximaal één aaneengesloten periode van ten hoogste 31 dagen waarin het inkomen hoger was dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.
7.4.2 Hoogte van de toeslag
1De hoogte van de toeslag is te vinden op www.fijnder.nl, wanneer u zoekt op inkomenstoeslag.
De inkomenstoeslag wordt per jaar in één bedrag uitbetaald.
2Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als één van de partners geen recht heeft op individuele inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet.
3De bedragen uit dit artikel worden jaarlijks aangepast. Ze volgen de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
7.5 Meedoenregeling
7.5.1 Doelgroep meedoen voor kinderen
1Een betrokken persoon moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
a.Staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente Winterswijk;
b.Beschikte in de twee maanden voorafgaand aan de aanvraag en op het moment van aanvraag over een inkomen dat niet hoger was dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm en niet over vermogen boven de vermogensgrens.
2Als het inkomen van de betrokken persoon hoger is dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm wordt de eigen draagkracht berekend. Het college heeft hiervoor beleidsregels opgesteld.
3De faciliteiten en regelingen worden telkens voor één kalenderjaar toegekend. Als de situatie niet verandert wordt dit vanzelf verlengd. Jaarlijks wordt onderzocht of de situatie van de betrokken persoon niet veranderd is.
7.5.2 Inhoud meedoen voor kinderen
Vanuit de meedoenregeling voor kinderen kunnen de volgende zaken worden vergoed:
7.5.2.1 Vergoeding zwemlessen
1De gemeente vergoedt zwemles voor de kinderen van betrokken persoon die het zwemdiploma A nog niet hebben. Deze vergoeding ontvangt de ouder in de vorm van een voucher in de meedoenapplicatie.
2De vergoeding stopt zodra:
a.Het zwemdiploma A is behaald; of
b.De zwemles wordt beëindigd vóór het behalen van het zwemdiploma A.
3De vergoeding wordt rechtstreeks aan het zwembad betaald, nadat de inwoner de voucher bij het zwembad heeft ingeleverd.
7.5.2.2 Participatieregeling voor kinderen van 0-18 jaar
1De gemeente geeft een vergoeding van € 200,- per kalenderjaar, voor het betalen van sociale-culturele, educatieve, sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit, voor ieder kind binnen het gezin van betrokken persoon in de leeftijd van 0 tot 4 jaar.
2De gemeente geeft een vergoeding van € 425,- per kalenderjaar, voor het betalen van sociale-culturele, educatieve, sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit, voor ieder kind binnen het gezin van betrokken persoon in de leeftijd van 4 tot 12 jaar.
3De gemeente geeft een vergoeding van € 500,- per kalenderjaar, voor het betalen van sociale-culturele, educatieve, sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit, voor ieder kind binnen het gezin van betrokken persoon in de leeftijd van 12 tot 18 jaar.
4Deze activiteiten of producten kunnen worden uitgezocht in de meedoenapplicatie van Fijnder. Nadat een activiteit of product is uitgezocht krijgt de inwoner een voucher die kan worden gescand bij betaling van de activiteit. Fijnder betaalt de vergoeding hiermee rechtstreeks aan de organisatie of persoon die de activiteit aanbiedt.
7.5.2.3 Verstrekking van computer
1De gemeente verstrekt één computerconfiguratie aan een kind zodra het naar de middelbare school gaat, tot een maximum bedrag van € 500,- aan betrokken persoon. Deze computerconfiguratie is bedoeld voor de gehele middelbare schoolperiode van het kind.
2De computerconfiguratie kan worden aangeschaft bij een verkoper aangesloten bij de meedoenapplicatie van Fijnder.
7.5.3 Doelgroep meedoen voor volwassenen
Een betrokken persoon moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
a.Staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente Winterswijk;
b.De betrokken persoon kan op het moment van aanvraag niet beschikken over een inkomen dat hoger is dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm;
c.De betrokken persoon heeft op het moment van aanvraag geen in aanmerking te nemen vermogen volgens de voor hem geldende vermogensgrens.
7.5.4 Inhoud meedoen voor volwassenen
1Fijnder geeft een vergoeding aan een betrokken persoon van 18 jaar of ouder inzake het betalen van sociale-culturele, educatieve en sportieve activiteiten of producten die noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen aan de activiteit.
2De vergoeding bedraagt maximaal €150,-.
3Deze activiteiten of producten kunnen worden uitgezocht in de meedoenapplicatie van Fijnder. Nadat een activiteit of product is uitgezocht krijgt de inwoner een voucher die kan worden gescand bij betaling van de activiteit. Fijnder betaalt de vergoeding hiermee rechtstreeks aan de organisatie of persoon die de activiteit aanbiedt.
7.7 Schuldhulpverlening
7.7.1 Samenwerking en toegang
1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners hoge schulden krijgen.
2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen.
3De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt dat die hulp echt beschikbaar is.
4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op deze regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.
5De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden van deze inwoners melden bij de gemeente.
7.7.2 Schuldhulpverlening
De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van zijn schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt. De gemeente zet hierbij in op duurzame resultaten en zal bij de ingezette trajecten nazorg leveren om herhaling te voorkomen.
7.7.3 Besluit
De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven.
8. De vorm van de hulp
8.3 Persoonsgebonden budget (pgb)
8.3.1 Voorwaarden – algemeen
1De inwoner kan kiezen voor een pgb, als hij in aanmerking komt voor hulp-op-maat op grond van de Wmo of Jeugdwet. De gemeente moet er wel van overtuigd zijn, dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.De inwoner kan voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt. Zie ook lid 2.
b.De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom hij een pgb wil ontvangen. Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom hulp-op-maat door een aanbieder van de gemeente, niet passend is.
c.De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doelmatig zijn en op de inwoner gericht. Dit moet duidelijk worden uit het pgb-plan van de inwoner.
2Wanneer een budgethouder de taken rondom een pgb niet (volledig) zelf kan uitvoeren, kan een gewaarborgde hulp die taken en verantwoordelijkheden op zich nemen. De gewaarborgde hulp regelt de administratie, koopt de zorg in, controleert en declareert de zorgkosten bij de SVB, beoordeeld de kwaliteit van de geleverde zorg en is aanspreekpunt voor de gemeente of de SVB. Een gewaarborgde hulp moet:
a.Een natuurlijk persoon zijn, door de budgethouder zelf aangewezen.
b.Niet onder bewind of curatele staan, geen schulden hebben en niet failliet zijn verklaard.
c.Geen zorgverlener zijn van de budgethouder (tenzij de gemeente hier een uitzondering op maakt).
d.Duurzaam beschikbaar zijn en op redelijke afstand wonen of aantonen dat hij/zij de taken goed kan uitvoeren ondanks afstand.
e.In staat zijn om objectief de kwaliteit van de geleverde ondersteuning te beoordelen.
De gewaarborgde hulp, en dus het pgb beheer, kan worden ingevuld door meerdere personen.
3De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:
a.Het gaat om een pgb en de inwoner kan het pgb niet zelf beheren en wil het pgb laten beheren door de hulpverlener. Uitzondering: ouders die jeugdhulp geven aan een eigen kind kunnen wel een pgb beheren voor die jeugdhulp.
b.De gemeente heeft eerder hulp-op-maat of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken.
c.De inwoner vraagt een pgb voor kosten die zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan, en de gemeente kan niet meer nagaan of het nodig was om die kosten te maken.
d.De kosten van een pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor hulp-op-maat in natura. Het pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn. De meerkosten betaalt de inwoner dan zelf.
e.Er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de hulp-op-maat, bijvoorbeeld als de voorgenomen uitvoerder in vier voorafgaande jaren aan de aanvraag:
1fraude heeft gepleegd, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen;
2betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
3veroordeeld is tot een gevangenisstraf wegens het plegen van strafbare feiten;
4op basis van een Bibob-toets door de gemeente is geweigerd als zorgaanbieder.
4Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
b.het voeren van een pgb-administratie;
c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;
d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).
e.kosten die gemaakt worden voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door de gemeente;
f.kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent Gedrag.
5Op het besteden, het beheer en de uitvoering van het pgb zijn kwaliteitseisen van toepassing.
6Professionele hulp die ingekocht wordt via pgb moet voldoen aan het Kwaliteitskader Sociaal Domein Achterhoek Kwaliteitseisen en toetsing, vastgesteld op 23 maart 2021
7De gemeente staat het niet toe dat een pgb als “maandloon-optie” wordt ingezet.
8Het college kan nadere regels stellen in het Besluit met betrekking tot de aanvraag- en verantwoordingsformulieren rond het persoonsgebonden budget.
8.3.2 Professionele of niet-professionele hulp
1Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.
2Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de inwoner:
a.iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor Jeugdhulp en Wmo (Wonen, Wonen Gericht op zelfstandigheid en begeleiding) zijn deze te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl; of
b.iemand die als Zelfstandige zonder personeel de beschikking heeft over een Beschikking geen loonheffingen (BGL) en ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wmo. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wmo en de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor Jeugdhulp en Wmo (Wonen, Wonen Gericht op zelfstandigheid en begeleiding) zijn deze te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl.
3De inwoner mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:
a.moet de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven;
b.moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’; specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden, voorafgaand aan de datum van de aanvraag.
c.moet als hij jeugdhulp biedt, aantonen dat hij de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling gebruikt en dat hij SKJ of BIG geregistreerd is.
4Van niet-professionele hulp is sprake als:
a.de hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;
b.de hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad zijn van de inwoner.
5De inwoner mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:
a.heeft aannemelijk gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden, en
b.moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden voor de datum van de aanvraag.
8.3.3 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk
1De inwoner mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk van de inwoner, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:
a.heeft gemotiveerd aangegeven dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden, en
b.vraagt op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen’ (VOG), specifiek screeningsprofiel 45, ’Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' aan en overlegt dit aan de gemeente. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden, voorafgaand aan de datum van de aanvraag.
2Hulp door een familielid in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.
8.3.4 Hoogte en tarief pgb
1De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De inwoner geeft in het pgb-plan ook aan hoe hoog de kosten zijn (kostprijs), tenzij de kosten bij de gemeente bekend zijn. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vaststellen. De gemeente keurt het plan goed, als de inwoner voldaan heeft aan de voorwaarden uit de artikelen 8.3.1 en 8.3.2.
2De hoogte van het pgb voor een product is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het laagste bedrag dat de gemeente zelf zou betalen voor de hulp die nodig is (kostprijs hulp in natura). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. De gemeente kan meerdere offertes vragen. Dan wordt het pgb gebaseerd op de offerte met de laagste kostprijs. Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doelmatige en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor dat product. Daarbij houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekeringen. Met uitzondering van een woonvoorziening, de inwoner is hierbij zelf verantwoordelijk voor de verzekering van het product.
3De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp wordt vastgesteld op basis van 100% van het wettelijke minimumloon.
4De gemeente stelt de hoogte van het pgb voor professionele hulp voor ondersteuning (individueel, groep en logeren), persoonlijke verzorging, behandeling (individueel en groep), wonen en gezins- en woonvormen en hulp bij het (zelfstandig) wonen vast op basis het geldende hulp in natura tarief, gebaseerd op het kostprijsmodel van Sociaal Domein Achterhoek (www.sociaaldomeinachterhoek.nl), verminderd met een percentage aan overheadskosten. Het percentage kan wisselen per product. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van de dienst bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk.
5Voor huishoudelijke ondersteuning geldt dat als de ondersteuning wordt gegeven door een professionele hulpverlener die geen contract met de gemeente heeft gesloten over het geven van hulp-op-maat, het pgb berekend wordt op basis van het geldende tariefmodel Sociaal Domein Achterhoek, waarbij de overheadkosten naar beneden zijn bijgesteld naar 15%.
6Het pgb is toereikend om hulp in te kunnen kopen die voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in de wet en deze verordening en is in redelijkheid geschikt voor het doel waarvoor het pgb wordt toegekend.
7Indien de budgethouder wettelijk verplicht wordt om werkgeverslasten af te dragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
8Het college stelt in het besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Winterswijk de tarieven van het pgb vast op basis van de in dit artikel vermelde regels.
9Aanpassing van de lopende pgb budgetten vindt, indien nodig, plaats door middel van een overgangsregeling. Het college stelt hiervoor nadere regels vast.
8.3.5 Verantwoording pgb
1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken.
2Als een inwoner hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.
3De gemeente kent niet een verantwoordingsvrij bedrag (een klein bedrag waarover geen verantwoording hoeft te worden afgelegd). De inwoner moet het pgb volledig kunnen verantwoorden.
8.3.6 Opschorten/intrekken pgb
De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als de gemeente een sterk vermoeden heeft dat:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het ontvangen van het pgb;
c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt; of als
d.de inwoner verblijft in een instelling zoals bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
e.de inwoner een modulair pakket thuis of volledig pakket thuis ontvangt vanuit de Wet langdurige zorg.
9. Afspraken tussen inwoner en gemeente
9.1 Hoe gaan we met elkaar om?
9.1.1 De rol van de gemeente
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb, Wib]
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een gemeente. Dat gesprek kan op het gemeentekantoor, thuis bij de inwoner of op een andere plaats zijn.
c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen.
e.De gemeente streeft naar eenvoudige aanvraagformulieren. Daarmee kan de inwoner een uitkering of voorziening aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.
f.De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
g.De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
h.De gemeente wijst de inwoner op de mogelijkheid van cliëntondersteuning.
2De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
•rechten en plichten;
•wat er van de inwoner wordt verwacht;
•welk gedrag niet deugt;
•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en
•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.
c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
•de ernst van het gedrag;
•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
•de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier de inwoner het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
9.1.2 De rol van de inwoner
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen.
b.Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken.
c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
2De inwoner denkt mee en heeft inspraak in de manier waarop zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
b.De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren.
c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente.
9.2 Het verlagen van een uitkering
9.2.1 Wanneer wordt de uitkering verlaagd?
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
2Als de gemeente besluit om de uitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met:
a.de ernst van het gedrag dat tot het verlagen van de uitkering heeft geleid;
b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en
c.de persoonlijke situatie van de inwoner.
3Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat doen met een brief of in een persoonlijk gesprek.
9.2.2. Geen verlaging
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering niet als:
a.het gedrag de inwoner niet te verwijten is;
b.er meer dan één jaar ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld;
c.de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.
9.2.3. Het besluit om de uitkering te verlagen
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente stuurt de inwoner een brief als de uitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval:
a.waarom de uitkering wordt verlaagd;
b.hoe groot de verlaging is;
c.wanneer de verlaging ingaat;
d.hoe lang de verlaging duurt; en
waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is.
9.2.4. Ingangsdatum en periode verlaging
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De verlaging gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt één maand of langer. Als de uitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als de inwoner binnen twaalf maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
9.2.5. Berekening verlaging
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De uitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de uitkering die de inwoner in zijn situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt.
2De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast.
9.2.6. Niet nakomen wettelijke (uniforme) arbeidsverplichtingen
[PW, Awb]
De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering met een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel a, b, c, d, e, f, g of h van de Participatiewet niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met werk. De verlaging kan over twee maanden worden uitgesmeerd. Dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. De bijstandsuitkering wordt dan twee maanden achter elkaar met 50% van de uitkeringsnorm verlaagd.
9.2.7. Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:
a.jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van
•een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet, of
•een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd;
b.niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet;
c.niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert;
d.alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet ingetrokken; of
e.niet of niet voldoende de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting nakomt. Het gaat hierbij om meewerken aan het betalen van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering, gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat. De gemeente verricht die betalingen uit de toegekende bijstand in naam van de inwoner.
2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden.
3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm als de inwoner:
a.niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening. Dit gedrag heeft er niet toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd;
b.niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
c.niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd;
d.door houding of gedrag moeilijker aan het werk komt;
e.niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of
f.alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken.
4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:
a.niet voldoende probeert werk te vinden;
b.aangeboden werk niet accepteert;
c.door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of
d.niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening, en dit gedrag er toe geleid heeft dat de voorziening niet doorging of te vroeg is beëindigd.
5De gemeente kan besluiten de uitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt.
9.2.8. Te weinig besef van verantwoordelijkheid
[PW, Awb]
1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner meer of langer uitkering nodig, dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag).
2De verlaging duurt een maand en is:
a.10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000;
b.20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000;
c.40% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000;
d.100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000;
e.20% van de uitkeringsnorm, als het benaderingsbedrag niet kan worden vastgesteld.
9.2.9. Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen)
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt een maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm.
9.2.10. Niet nakomen van andere verplichtingen
[PW, Awb]
1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand, als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging is:
a.20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;
b.20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;
c.50% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand;
d.100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand.
2De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen als het de eerste keer is dat de inwoner de verplichting uit het eerste lid, onder a, niet nakomt.
9.2.11. Samenloop van gedragingen
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen als bedoeld in deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De uitkering wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van één van de verplichtingen geldt.
2Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen.
9.2.12. Herhaling (recidive)
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner zich binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit opnieuw zo gedraagt dat de uitkering wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente eerder alleen een waarschuwing heeft gegeven. Het moet dan gaan om een gedraging die kan leiden tot eenzelfde of grotere verlaging dan bij de eerdere gedraging.
2Een herhaalde verlaging op grond van artikel 9.2.6 kan maximaal drie maanden duren.
3Het bedrag van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering van de inwoner is verlaagd vanwege ontoelaatbaar gedrag en de inwoner binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw ontoelaatbaar gedraagt.
9.3 Handhaving in de Wet Inburgering 2021
9.3.1 Verplichtingen
1De inburgeringsplichtige is verplicht om:
a.na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; en
b.de afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT.
2De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute.
9.3.2 Handhaving verplichtingen bij de brede intake
1Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als hij of zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om te verschijnen binnen twee weken.
2Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021;
3Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen twee weken per brief, digitaal of in een gesprek kenbaar te maken.
4De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.
5De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021, als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is.
6De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de boete rust op betrokkene. Als de gemeente op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden.
7In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen twee weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021.
9.3.3 Handhaving tijdens het inburgeringstraject
1De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt.
2De gemeente legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute.
3Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen twee weken per brief of digitaal kenbaar te maken.
4Mede op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit inburgering 2021.
5De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.
9.3.4 Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet
1Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 op.
2Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de Wet inburgering 2021 op. De gemeente verlaagt in dat geval voor dezelfde gedraging de bijstandsuitkering niet.
3Bij de keuze tussen i) handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaving op grond van de Wet inburgering 2021 via een boete weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject.
4Wanneer een gedraging leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de Wet inburgering 2021.
5In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet.
9.3.5 Verrekening boete met bijstandsuitkering
1De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de Wet inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van vijf procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag.
9.5 Beëindigen en terugvorderen voorziening
9.5.1 Beëindiging voorziening
1De gemeente kan een voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De voorziening kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat:
a.de voorziening niet langer passend of nodig is;
b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
c.de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor de voorziening, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
d.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; of
f.het gemeentelijk beleid wordt gewijzigd, en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor een voorziening. De gemeente houdt wel rekening met een redelijke overgangsperiode.
2De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in.
3De gemeente kan een besluit om een pgb toe te kennen intrekken, als de inwoner het pgb niet binnen zes maanden na toekenning heeft gebruikt om de voorziening te betalen waarvoor het pgb is bestemd, tenzij:
a.de gemeente een langere termijn heeft bepaald, of
b.de inwoner niet te verwijten is dat hij het pgb niet binnen die termijn heeft gebruikt.
9.5.2 Terugvordering en verrekening voorziening
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]
1De gemeente kan de voorziening, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan één van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.4.1.
2Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.
3De gemeente kan een vordering op de inwoner verrekenen met een vordering die de inwoner op de gemeente krijgt.
9.6 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
9.6.1 Controle
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner die een uitkering of voorziening van de gemeente ontvangt, recht heeft op een uitkering of voorziening. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:
a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Het huisbezoek vindt alleen plaats met toestemming van, en samen met de inwoner;
b.waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek;
c.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
d.signalen en tips van organisaties of particulieren;
e.andere onderzoeksmethoden.
2Het controleren van voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
3Het college en het Dagelijks Bestuur van Fijnder houden zich aan de regels die horen bij het onderzoek naar rechtmatig gebruik van voorzieningen en uitkeringen.
4Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, informeert de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
9.6.2. Voorkomen van fraude
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente spant zich in om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. Bij het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht kan de gemeente een waarschuwing geven of een boete opleggen. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ Fijnder’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.
9.6.3. Privacy bij controle op fraude
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente werkt met een protocol voor het afleggen van een huisbezoek bij een inwoner die een uitkering ontvangt. Dit protocol moet ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De inwoner kan dit protocol inzien bij de gemeente.
2Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. De gemeente kiest de onderzoeksvorm die voor de inwoner het minst belastend is.
9.6.4. Toezichthouders
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.
10. Inwonerparticipatie
10.3 Cliëntenraad Participatiewet
10.3.1. Samenstelling en werkwijze
1De cliëntenraad bestaat uit minimaal vijf en maximaal 11 personen.
2De cliëntenraad komt minimaal vier keer per jaar bij elkaar.
3De leden worden benoemd door het dagelijks bestuur, voor een periode van vier jaar. Leden kunnen maximaal twee keer worden herbenoemd. Er is een onafhankelijk voorzitter.
4Inwoners kunnen een vergadering van de cliëntenraad bijwonen, behalve als er een zwaarwegend belang is om dit niet te doen. Inwoners kunnen bij de cliëntenraad onderwerpen voor de agenda aanmelden. De cliëntenraad informeert de inwoners waar en wanneer de vergaderingen zijn en hoe zij onderwerpen kunnen aanmelden.
5De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de cliëntenraad, bijvoorbeeld door
a.de inzet van een medewerker van Fijnder als secretaris. De secretaris zorgt voor de administratieve en organisatorische ondersteuning van de cliëntenraad;
b.geschikte vergaderruimte;
c.voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid;
d.voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid bij de cliëntenraad ligt, uiterlijk zes weken voordat het dagelijks bestuur van Fijnder een besluit wil nemen of een advies daarover wil geven aan de gemeenteraad of het algemeen bestuur van Fijnder;
e.medewerkers van de gemeenten of Fijnder een toelichting te laten geven over plannen voor nieuw beleid.
10.3.2. Taken en bevoegdheden
1De cliëntenraad geeft, gevraagd en ongevraagd, advies over plannen voor nieuw beleid van B&W of van de gemeenteraad. De cliëntenraad kan ook advies geven over het geldende beleid.
2Het advies over plannen voor nieuw beleid wordt uitgebracht, uiterlijk tien dagen voordat het dagelijks bestuur van Fijnder het beleid wil vaststellen of een advies daarover wil doorsturen naar de gemeenteraad.
3De cliëntenraad houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde inwoner.
10.3.3. Budget, verslag, vergoeding en voorzieningen
1Het dagelijks bestuur van Fijnder stelt elk jaar een budget vast voor de kosten van de cliëntenraad, op basis van een onderbouwde begroting van de cliëntenraad. De cliëntenraad moet de begroting aanleveren uiterlijk in januari van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar.
2De cliëntenraad brengt jaarlijks voor 1 april aan het dagelijks bestuur verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar en van de besteding van het budget over dat jaar.
3De leden van de cliëntenraad ontvangen een onkostenvergoeding per bijgewoonde openbare vergadering van de cliëntenraad, een werkgroep of van een commissie uit de cliëntenraad.
4De leden van de cliëntenraad ontvangen voor reizen die worden gemaakt om deel te kunnen nemen aan deze vergaderingen, een vergoeding voor de reiskosten.
10.4 Adviesraad Sociaal Domein
10.4.1 Taken van de Adviesraad Sociaal Domein
1De adviesraad brengt gevraagd en ongevraagd advies uit over het gevoerde beleid van de gemeente.
2De gemeente vraagt over beleidsvoornemens advies aan de adviesraad. Dit gebeurt op een moment dat dit advies van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3De adviesraad werkt samen met de Winterswijkse leden van de cliëntenraad Participatiewet als hij dit belangrijk vindt voor het uitvoeren van zijn taken.
4De adviesraad kan zelf regels vaststellen over de manier waarop de raad zijn werk doet.
BIJLAGE 1 Afwegingskader gebruikelijke hulp/zorg bij een normaal ontwikkelingsprofiel
Om gebruikelijke en niet gebruikelijke zorg en/of hulp vast te kunnen stellen, wordt een omschrijving gevraagd van de zorgtaken en het aantal minuten die nodig zijn voor het uitvoeren van de zorgtaken. Deze informatie wordt vergeleken met de omschrijving van gebruikelijke zorg en/of hulp in onderstaande tabel. Ook kan de expertise van de Gedragswetenschapper Jeugd worden ingeschakeld.
Onderstaande tabel gaat uit van jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen, die opgroeien in een veilige opvoedingssituatie.
Kinderen van 0 tot 3 jaar
•Hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;
•Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
•Zijn in toenemende mate in staat tot zelf bewegen en verplaatsen
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden
Kinderen van 3 tot 5 jaar
•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer)
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling
•Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen.
•Ontvangen zindelijkheidstraining van ouder(s)/verzorgers
•Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen
•Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding
•Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te bewegen
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt aangeboden
Jeugdigen van 5 tot 12 jaar
•Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week
•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is)
•Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling
•Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouder(s)/verzorgers.
•Hebben begeleiding van een volwassenen nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden
Jeugdigen van 12 tot 18 jaar
•Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen
•Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden
•Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden
•Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig
•Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (b.v. huiswerk of het zelfstandig wonen)
•Hebben, in ieder geval tot 17 jaar, een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden
Volwassenen van 18 tot 23 jaar
Taken van huisgenoten van 18 tot 23 jaar. Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.
•De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
•Schoonhouden van sanitaire ruimte;
•Schoonhouden van keuken, kamer en slaapkamer;
•De was doen;
•Boodschappen doen;
•Maaltijd verzorgen;
•Afwassen en opruimen.
Gebruikelijke begeleiding
In de hierboven beschreven groepen valt gebruikelijke begeleiding onder gebruikelijke zorg e/o hulp. Onder gebruikelijke begeleiding valt:
•Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie;
•Het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek en huisarts;
•Het bieden van hulp of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;
•Het leren omgaan van derden (familie en vrienden) met de inwoner;
•Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is tenminste tot een leeftijd van 17 jaar zowel in kortdurende als langdurige situaties gebruikelijk.