Gemeentelijke regelgeving

Verordening sociaal domein gemeente Oost Gelre

Gemeente Oost Gelre · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De raad van de gemeente Oost Gelre,

gezien het voorstel van het college van de gemeente Oost Gelre van 11 november 2025,

overwegende dat:

-de Verordening sociaal domein Oost Gelre één integrale verordening is;

-de verordening aansluit bij het werken vanuit de bedoeling;

-de verordening een integrale aanpak en werkwijze stimuleert;

-de verordening aansluit op het project ‘Samen aan het Stuur’ en een instrument is voor een goede uitvoering daarvan;

-de verordening aansluit bij de regionale visie op zorg en gezondheid ‘Samen werken aan langer gezond en gelukkig in de Achterhoek’;

-de verordening het gemeentelijk beleid binnen het sociaal domein toegankelijker maakt voor inwoners;

-de verordening bijdraagt aan een betere dienstverlening aan inwoners.

BESLUIT:

De Verordening sociaal domein gemeente Oost Gelre vast te stellen en per 1 januari 2026 in werking te laten treden.

2. De hulpvraag

2.1.1 Melden hulpvraag

1Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente.

2Als het nodig is helpen de medewerkers van de gemeente inwoners bij het vinden van de juiste medewerker, voor een gesprek over de hulpvraag.

3De gemeente informeert inwoners over de mogelijkheden om een melding te doen. Iemand anders kan ook een melding namens de inwoner doen.

4Voor sommige vormen van hulp kan de inwoner direct een aanvraag doen (zie art. 2.3.1). De gemeente maakt duidelijk voor welke vormen van hulp dat geldt en hoe de aanvraag kan worden gedaan.

5Inwoners die voor het eerst beschermd wonen of maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich melden bij de gemeente Oost Gelre.

6Inwoners die een verlenging voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich melden bij de gemeente Doetinchem.

7Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen bestaat het Advies- en meldpunt verward gedrag. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst voor de gemeente en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen.

2.1.2 Doel en procedure melding

1Het doel van de melding is om de hulpvraag te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding aan de inwoner en nodigt de inwoner uit voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. De gemeente geeft aan waarover het gesprek gaat. Na overleg met de inwoner bepaalt de gemeente waar en wanneer het gesprek is en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als dit belangrijk is voor het behandelen van de hulpvraag.

2De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dat noemen wij een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid.

3Het kan zijn dat het niet nodig is om in gesprek te gaan. De gemeente overlegt hierover met de inwoner die de hulpvraag heeft gesteld.

2.1.3 Gegevens

De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens op te sturen of mee te nemen naar het gesprek.

Stap 2: Gesprek na de melding

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs,]

2.2.1 Doel en procedure van het gesprek

1Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats.

2De inwoner kan iemand meenemen naar het gesprek om hem te ondersteunen, en kan gebruik maken van een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid.

3De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek.

2.2.2 Gesprek en onderzoek

1De medewerker bespreekt met de inwoner de hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken. De medewerker onderzoekt:

a.de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?

b.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?

c.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?

d.de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen andere organisaties bieden?

e.de rol van de gemeente: welke hulp kan de gemeente bieden?

f.de rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner?

Informatie die de medewerker na het gesprek ontvangt, betrekt de medewerker bij zijn onderzoek.

2Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de hulpvraag.

3Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.

4Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden om te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb).

5Gaat het om Wmo-hulp, dan informeert de medewerker de inwoner over een bijdrage in de kosten.

2.2.3 Eigen kracht

[Jeugdwet,Wmo]

1Inwoners komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

•gebruikelijke hulp van echtgenoot, inwonende kinderen, andere huisgenoten en ouders en/of andere verzorgers of opvoeders van jeugdigen

•niet gebruikelijke hulp voor zover echtgenoot, inwonende kinderen, andere huisgenoten en ouders en/of andere verzorgers of opvoeders van jeugdigen beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de niet gebruikelijke hulp geen financiële problemen (in het gezin) ontstaan

•de ondersteuning vanuit het sociale netwerk

•het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten

2Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden, volledige baan of persoonlijke opvattingen.

3Ouders en/of andere verzorgers of opvoeders zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

4Als inwoners met een hulpvraag een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen hulp-op-maat.

5Als inwoners een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen hulp-op-maat of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

6Hulp-op-maat wordt niet ingezet in situaties, waarbij een oplossing gevonden kan worden in het benutten van mogelijkheden in het kader van het Arbeidsrecht of andere regelingen, zoals bijzonder of buitengewoon verlof.

2.2.4 Verslag

1Na het gesprek rondt de medewerker het onderzoek af. De medewerker maakt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

2Gaat het om een hulpvraag voor Wmo- of jeugdhulp, dan stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden als bijlage aan het verslag toegevoegd. Bij het verslag wordt ook een aanvraagformulier gedaan. De inwoner kan het aanvraagformulier invullen en terugsturen.

Stap 3: Aanvraag

2.3.1 Aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

1De inwoner kan een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de hulpvraag is afgerond. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft.

2De inwoner hoeft niet altijd eerst een melding te doen. Hij kan in ieder geval voor de volgende vormen van hulp direct een aanvraag doen:

a.een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, voor inwoners van 27 jaar of ouder;

b.een IOAW- en IOAZ-uitkering;

c.leerlingenvervoer;

d.persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen.

3Als het gaat om een bijstandsuitkering voor levensonderhoud kan de inwoner die jonger is dan 27 jaar pas een aanvraag indienen als er na de melding vier weken voorbij zijn gegaan waarin de inwoner op zoek is gegaan naar werk of opleidingsmogelijkheden. Behalve als de melding is gedaan door:

a.gehuwden en één van de echtgenoten 27 jaar of ouder is;

b.inwoners die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de aanvraag ingeschreven hebben gestaan bij het praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso). Deze uitzondering duurt een jaar;

c.inwoners met een medische uren beperking;

d.inwoners die loonkostensubsidie ontvangen of die mogelijk tot de doelgroep van loonkostensubsidie behoren.

Zij kunnen de melding en aanvraag op hetzelfde moment doen.

4Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend, tenzij een gesprek niet nodig is omdat de situatie duidelijk genoeg is.

5De inwoner gebruikt een aanvraagformulier van de gemeente om een aanvraag te doen.

6De werkgever kan ook een aanvraag doen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen. De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier.

7Een aanvraag wordt gedaan bij de gemeente, behalve als het gaat om een digitale aanvraag voor een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, IOAW of voor een IOAZ-uitkering. Aanvragen voor een bijstandsuitkering levensonderhoud en IOAW worden gedaan via de website van het UWV (www.werk.nl). In bijzondere situaties kan een uitkering voor levensonderhoud ook schriftelijk worden aangevraagd. Als het gaat om een aanvraag voor een IOAZ-uitkering, dan kan de inwoner voor meer informatie en het indienen van een aanvraag contact opnemen met ROZ via de website www.rozgroep.nl.

2.3.2 Voorwaarden voor hulp-op-maat

[Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs]

1Vraagt de inwoner hulp die speciaal is afgestemd op de inwoner (hulp-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

De hulp is noodzakelijk om (1 van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;

a.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg, met hulp vanuit het sociale netwerk, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en

b.De hulp is geschikt om het gewenste effect te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner.

2Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.

3De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die geschikt is om het gewenste effect te bereiken.

4De gemeente kan hulp-op-maat in ieder geval weigeren als:

a.de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner, en hij deze hulpvraag had kunnen voorkomen; of als

b.de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend; of als

c.de gemeente de noodzaak van de hulp niet kan vaststellen.

2.3.3 Advisering

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.

2.3.4 Beoordelen aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:

a.de behoeften van de inwoner;

b.de (on)mogelijkheden van de inwoner;

c.de persoonlijke situatie van de inwoner;

d.de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente.

2Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen

•Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is en welk effect de inwoner daarmee wil bereiken.

•Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen of (on)mogelijkheden, er precies zijn die van belang zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

•Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke hulp nodig is.

•Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), bijvoorbeeld met gebruikelijke hulp, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen.

•Stap 5: De gemeente bepaalt welke (aanvullende) hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

2.3.5 Beslistermijn

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag voor Wmo-hulp is ontvangen. Een Wmo-aanvraag kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, maar in ieder geval na 6 weken nadat de inwoner de melding heeft gedaan.

2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken.

3Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.

Stap 4. Beslissing

2.4.1 Inhoud besluit

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

1De gemeente legt in een brief uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de inwoner een vertegenwoordiger heeft, dan wordt de brief naar die persoon gestuurd. In het besluit staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven.

2Geeft de gemeente de hulp ‘in natura’ (dat is een dienst of product), dan staat in het besluit in ieder geval:

a.wat de hulp inhoudt en wat het doel van de hulp is;

b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;

c.hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en

d.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.

3Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval:

a.voor welke hulp het pgb bedoeld is;

b.wat het doel is van die hulp;

c.hoe hoog het pgb is en hoe dat berekend is;

d.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;

e.hoe de inwoner duidelijk maakt hoe hij het pgb heeft besteed; en

f.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.

4Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval:

a.hoeveel het is;

b.voor welk doel het geld wordt gegeven;

c.wanneer het geld wordt betaald;

d.hoe vaak het geld wordt betaald; en

e.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van geld.

5De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.

2.5 Uitzonderingen

2.5.1 Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners

[Jeugdwet, Awb]

1De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder, of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt.

2De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen, de gecertificeerde instellingen en de zorgverzekeraars over doorverwijzingen.

2.5.2 Spoedeisende gevallen

[Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs]

In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek door de gemeente:

a.het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;

b.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;

c.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning;

d.schuldhulpverlening;

e.vervoer naar school, of

f.het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.

2.5.3 Inburgeringsplichtigen

[Wib]

Met de komst van de Wet inburgering 2021 is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van passende inburgeringstrajecten aan nieuwe inburgeringsplichtigen. Asielmigranten worden vanuit een asielzoekerscentrum gekoppeld aan de gemeente Oost Gelre. Waar mogelijk begint de brede intake al op het asielzoekerscentrum. Gezinsmigranten krijgen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een bericht over de brede intake. Inburgeringsplichtigen krijgen een andere brede intake dan de intake zoals in het stappenplan dat bij 2.1 tot en met 2.4 beschreven staat.

2.5.3.1 Brede intake

1De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtige een brede intake af. Dankzij deze brede intake krijgt de gemeente een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inwoner. De gemeente geeft in overleg met de inwoner en op basis van de uitkomsten van de brede intake invulling aan het inburgeringstraject.

2De brede intake wordt zo vroeg mogelijk afgenomen. Als het kan wordt de brede intake gepland zodra de inwoner bekend is bij de gemeente. Voor asielmigranten is dit het moment van koppeling aan de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten is dit het moment van inschrijving in de gemeente.

3De brede intake bestaat in ieder geval uit:

a.een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inwoner;

b.een onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de fysieke en mentale gezondheid;

c.voor zover van toepassing: een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inwoner deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; en

d.een leerbaarheidstoets.

4De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart:

a.het taalniveau van de inwoner;

b.de mogelijkheden tot (arbeids)participatie;

c.de mate van zelfredzaamheid; en

d.de wensen van de inwoner over inburgering en arbeidsparticipatie.

5De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast in de PIP, zoals beschreven in artikel 2.5.3.2

2.5.3.2 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie

1De gemeente stelt na afronding van de brede intake en op basis van de hieruit ontvangen informatie het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) op. Dit gebeurt zoveel mogelijk in samenspraak met de inburgeringsplichtige. In ieder geval worden in een gesprek de volgende onderwerpen besproken:

a.de uitkomsten van de brede intake;

b.de persoonlijke einddoelen van de inwoner in het inburgeringstraject;

c.welke leerroute als passend wordt gezien en waarom;

d.de rechten en plichten van de inwoner tijdens het inburgeringstraject;

e.de verwachtingen van de inwoner over het traject;

f.de rol van de gemeente bij dit traject; en

g.voor gezinsmigranten en overige migranten: het aanbod aan passend en kwalitatief goed inburgeringsonderwijs waarmee de migrant de leerroute kan volgen en voltooien.

2In het PIP staat wat de inwoner moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inwoner gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inwoner.

3De gemeente stelt het PIP vast uiterlijk binnen tien weken na inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente waar hij of zij is gehuisvest of wordt gehuisvest na verblijf in het azc.

4Wanneer de inwoner voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Oost Gelre stelt de gemeente het PIP opnieuw vast binnen tien weken na de inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP). De leerroute die daarbij wordt vastgesteld, is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld.

3. Werk en meedoen in de samenleving

3.4 Voorzieningen – werk

3.4.1 Proefplaatsing

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een uitkeringsgerechtigde inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Deze inwoner houdt zijn uitkering tijdens die periode.

2Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.

3Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk.

4Als de inwoner geschikt is voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing.

5Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

6De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden.

7De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband. Normaal duurt de proefplaatsing twee maanden. Met een goede reden is er de mogelijkheid tot het verlengen van de proefplaatsing met maximaal vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens van zes maanden. Bij een proefplaatsing tussen de twee tot zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden.

8De gemeente weigert de toestemming bedoeld in het eerste lid, als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met plaatsingssubsidie.

3.4.2 Werkervaringsplaats

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn uitkering.

2Bij het aanbieden van een werkervaringsplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.

3Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen:

a.De inwoner doet werkervaring op;

b.De inwoner leert hoe het is om in een dienstverband te functioneren;

c.De inwoner doet werkritme op.

4De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner kansen om te oefenen en te leren in het werk.

5De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt.

6De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

7De werkervaringsplaats duurt maximaal 6 maanden en kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.

3.4.3 Participatieplaats

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op loonvormend werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen.

2Bij het aanbieden van een participatieplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner.

3Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt zijn uitkering. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd.

4Een participatieplaats duurt maximaal 2 jaar. Dit kan met 2 keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden.

5Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

6De inwoner kan telkens na 6 maanden een premie ontvangen. De gemeenteraad stelt deze premie vast op nihil.

3.4.4 Sociale activering

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering.

2Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

3.4.5 Beschut werk

[PW]

1De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook.

2Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden.

3De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt.

4Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels wachtlijst Nieuw Beschut Werk Fijnder’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.

5De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:

a.wettelijke loonkostensubsidie;

b.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;

c.werk opsplitsen in kleinere taken;

d.aanpassing van werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.

6De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan ter overbrugging de volgende voorzieningen inzetten:

a.sociale activering;

b.participatieplaats; of

c.een vergelijkbare voorziening.

7De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende voorzieningen voor:

a.sociale activering;

b.scholing;

c.participatieplaats;

d.werkervaringsplaats; of

e.een vergelijkbare voorziening.

3.4.6 Hulp bij een leer- werktraject

[PW]

1De gemeente kan een jongere hulp aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om jongeren:

a.van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of

b.van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2.

2De gemeente biedt hulp bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van school of werkgever onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen.

3.4.7 Plaatsingssubsidie

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt, voor een korte periode plaatsingssubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8), en ook niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner.

2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed.

3De plaatsingssubsidie is maximaal 50% van het wettelijk minimumloon, tot maximaal € 500 per maand. De plaatsingssubsidie duurt maximaal zes maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden.

4Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.

3.4.8 Wettelijke loonkostensubsidie

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De werkgever en inwoner moeten wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de Participatiewet voldoen.

2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden.

3De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan ook vastgesteld worden na het begin van het dienstverband of proefplaatsing door inzet van de Praktijkroute. Informatie hierover kan worden opgevraagd bij het Werkgeversservicepunt Achterhoek.

4De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.

5Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de werkgever maximaal zes maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.

6De gemeente stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever plaatsingssubsidie van toepassing is.

3.4.9 Vervallen

3.4.10 Scholing

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden.

2De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.

3.4.11 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal

[PW, IOAW, IOAZ]

Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren. Soms is het volgen van scholing verplicht. De gemeente heeft ‘Beleidsregels taaleis Participatiewet Fijnder’ vastgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.

Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid. Deze ondersteuning kan plaatsvinden bij een onderwijsinstelling of binnen de gemeente via het Taalhuis.

3.4.12 Kinderopvang

[PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang]

1De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is, als:

a.de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en

b.opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.

2De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan van de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die de inwoner zelf moet betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a.De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering; en

b.De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening);

Of:

c.De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs, en

d.De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of bij een gastouderbureau.

3.4.13 Werk aanvaardingspremie

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan de inwoner een premie verstrekken, om de inwoner te stimuleren om aan het werk te gaan. De inwoner moet 21 jaar of ouder zijn.

2Burgemeester en wethouders regelen de voorwaarden en de hoogte van de premie. De gemeente heeft hiervoor ´Beleidsregels werkaanvaardingspremie gemeente Oost Gelre’ opgesteld.

3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.

2De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de uitkering. De regels staan in artikel 31 van de Participatiewet, artikel 8 van de IOAW en in artikel 8 van de IOAZ.

3Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden.

4De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit doet de gemeente alleen als de inwoner die kosten niet op een ander manier vergoed kan krijgen.

3.4.15 Innovatie

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan – binnen de kaders van de uitgangspunten van dit hoofdstuk – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.

2Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners, nieuwe voorzieningen en werkwijzen te onderzoeken.

3Een experiment duurt niet langer dan drie jaar.

4Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is.

3.4a Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen

3.4a.1 Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan op eigen initiatief of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een inwoner met een arbeidsbeperking.

2Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is er sprake van individueel maatwerk. Verder gelden, naast artikel 2.3.2., de volgende voorwaarden:

a.de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso) heeft gevolgd;

b.de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken;

c.de voorziening komt niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de UWV-werkvoorzieningen

(www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen);

d.het gaat niet om een algemeen beschermingsmiddel waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

e.het gaat niet om een mee te nemen voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

f.de kosten van de voorziening moeten proportioneel zijn, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten uit het werk dan wel de opbrengsten van uitstroom naar werk.

3De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Behalve als bij de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn.

4De gemeente kan een deskundig advies inwinnen als dit nodig is om een aanvraag te beoordelen.

5De gemeente spreekt met de werkgever en werknemer af op welke manier de ondersteuning wordt geboden en tot wanneer. De gemeente legt dit vast in een beschikking.

3.4a.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden in de vorm van:

a.jobcoaching door een jobcoach van Fijnder of een coach waarmee Fijnder een contract heeft.

b.een subsidie aan de werkgever voor het inzetten van een jobcoach;

c.subsidie aan de werkgever voor interne werkbegeleiding.

3.4a.3 Hulp op de werkplek van een jobcoach

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een inwoner een jobcoach vanuit Fijnder aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.

2Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. De jobcoach kan de inwoner begeleiden bij zijn ontwikkeling op de werkplek.

3De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet. Deze afspraken komen in een overeenkomst met de werkgever te staan.

4De jobcoaching wordt ingezet voor een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden, na deze periode kan jobcoaching eenmalig verlengd worden met zes maanden.

5Een externe jobcoach moet werken bij een erkende Jobcoachorganisatie, op basis van het erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV. Deze is te vinden op www.uwv.nl.

6Als de gemeente zelf één of meer jobcoaches in dienst of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze bij voorrang aan.

7Voor jobcoaching door een erkende jobcoach worden de begeleidingsniveaus ‘licht’, ‘midden’ en ‘intensief’ gebruikt. Voor welk niveau van jobcoaching in een situatie wordt gekozen hangt af van de ondersteuningsbehoefte van een werknemer in deze situatie. Voor iedere werknemer die jobcoaching gaat krijgen, wordt vastgesteld voor welk maximumbedrag die werknemer jobcoaching kan krijgen.

8De maximumbedragen zijn gebaseerd op de normbedragen voorzieningen van het UWV zoals die zijn gepubliceerd in het geldende Besluit normbedragen voorzieningen UWV. Bij wijziging van de normbedragen door het UWV worden de vergoedingen aangepast met ingang van het nieuwe kalenderjaar.

3.4a.4 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. De werkgever kan daar een aanvraag voor doen.

2Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan op basis van artikel 3.5.3 worden verleend. Daarnaast als:

a.er een coachingsplan is vastgesteld waarin beschreven staat welke activiteiten een jobcoach uitvoert, de voortgang van de jobcoaching en hoe de beoordeling plaatsvindt;

b.de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching aansluit bij de werknemer;

c.de werknemer voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk laat weten het eens te zijn met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.

3.4a.5 Subsidie voor interne werkbegeleiding

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor meer begeleiding aan medewerkers op de werkvloer dan normaal gebruikelijk. De subsidie is bedoeld voor de aangetoonde meerkosten die gemaakt zijn voor het organiseren van de interne werkbegeleiding van een medewerker.

2De gemeente kan voor werkgevers een training verzorgen in het bieden van interne werkbegeleiding aan medewerkers.

3.4a.6 Ondersteuning bij een visuele of motorische beperking

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen. Dit is hulp of ondersteuning voor taken die een inwoner bij het werken niet goed zelf kan doen. Dat dit niet lukt komt door problemen met zien of met bewegen.

3.4a.7 Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.

2Er is geen lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een mee te nemen voorziening worden beschouwd, als de noodzaak en meerwaarde op het werk aan te tonen is.

3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen gegeven. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten dat de inwoner de voorziening krijgt. De inwoner wordt dan dus eigenaar van de voorziening.

3.4a.8 Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan de inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld.

2Als er een vervoersvoorziening van de werkgever mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van.

3De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a.de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en

b.kan niet carpoolen; en

c.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

4De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt. Bij reizen met eigen vervoer vergoedt de gemeente de reiskosten tot een bedrag van de maximale onbelaste kilometervergoeding (vastgesteld door de Belastingdienst). Bij reizen met het openbaar vervoer baseert de gemeente de vergoeding op de goedkoopste en meest passende manier van reizen.

3.5 Tegenprestatie

3.5.1 Doel van de tegenprestatie

1De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving.

2De gemeente kan als tegenprestatie vragen om onbetaald werk te gaan doen dat de gemeente nuttig vindt voor de samenleving.

3Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving.

3.5.2 Voorwaarden tegenprestatie

1Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk.

2De inwoner hoeft geen tegenprestatie te leveren als dit niet te combineren is met mantelzorg of vrijwilligerswerk.

3.5.3 Duur en omvang tegenprestatie

1De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden per jaar en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen:

a.De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten.

b.De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie.

2Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd.

3.6 Meedoen in de samenleving

3.6.1 Begeleiding groep (dagbesteding) / ondersteuning

De inwoner die de dag niet goed kan invullen, kan in aanmerking komen voor ‘begeleiding groep’. De inwoner kan dan meedoen aan sociale, arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Groepsbegeleiding is bedoeld voor de inwoner die niet kan werken en geen andere voorzieningen kan benutten. Het gaat om activiteiten onder begeleiding, voor een of meer dagdelen per week. Als de inwoner daarbij vervoer nodig heeft, kan de gemeente ook helpen.

3.6.2 Begeleiding individueel / ondersteuning

De inwoner die de normale dagelijkse activiteiten niet zelf kan doen, kan in aanmerking komen voor ‘begeleiding individueel’. De begeleider helpt dan bij de dagelijkse gang van zaken en bij terugkerende activiteiten, zoals het maken van een dagindeling en het doen van de administratie. Ook kan de begeleider de inwoner helpen om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar ondersteunt de inwoner hierbij.

3.6.3 Vervoer in eigen omgeving

1De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met collectief vervoer of het gebruikmaken van een vervoermiddel zoals een scootmobiel.

2Het moet gaan om:

a.het zich verplaatsen rondom de woning;

b.het zich verplaatsen over een afstand van maximaal 20 kilometer van de woning.

3De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer.

De inwoner kan dan reizen met collectief taxivervoer voor een lager tarief, via ZOOV.

3.6.4 Rolstoel

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat krijgen. Hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel krijgt die geschikt is voor dagelijks zittend gebruikt.

3.6.5 Aanpassing of vervanging voorziening

Als een vervoermiddel of rolstoel aangepast of vervangen moet worden doet de gemeente dit alleen, als:

a.de normale afschrijvingstermijn is verstreken; of

b.die voorziening onbruikbaar is geworden buiten de schuld van de inwoner om; of

c.die voorziening geen oplossing meer is voor de hulpvraag van de inwoner; of

d.de inwoner de kosten van vervanging geheel of gedeeltelijk zelf betaalt.

3.7 Inburgeren

3.7.1 Kernpunten van het inburgeringstraject

De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtige. Hierbij gelden de volgende kernpunten:

a.de gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige tijdig kan starten met het inburgeringstraject (tijdige start).

b.de inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject binnen de termijn van drie jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid).

c.de gemeente zorgt voor iedere inburgeringsplichtige dat hij een passend traject kan volgen (maatwerk).

d.de inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij (dualiteit).

e.De gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit gewaarborgd is (kwaliteit).

5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.2 Zelfstandig en veilig wonen

5.2.1 Geschikte woning

1De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening (woningaanpassing), als:

a.het normale gebruik van de woning niet mogelijk is, door die beperking van de inwoner; en

b.verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan woningaanpassing.

2Als verhuizing voorgaat, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een geldbedrag voor de verhuizing en inrichting van een geschikte woning.

3De inwoner kan alleen een woonvoorziening krijgen als dat passend en nodig is. De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties:

a.De belemmeringen die de inwoner in de woning ondervindt, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.

b.De woonvoorziening is bedoeld voor een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen.

c.De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex.

d.De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning en er was geen belangrijke reden voor de verhuizing.

e.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven.

4De eigenaar-bewoner die een woningaanpassing heeft ontvangen moet dit bij verkoop van de woning zo snel mogelijk melden aan de gemeente. Dat moet alleen bij verkoop van de woning binnen 10 jaar na gereed melding van de woningaanpassing. Is er bij verkoop een meerwaarde naar aanleiding van de woningaanpassing, dan moet deze worden terugbetaald, volgens een afschrijvingsschema dat de gemeente heeft vastgesteld.

5.2.2 Herstelgerichte ondersteuning

De inwoner kan in aanmerking komen voor herstelgerichte ondersteuning. Herstelgerichte ondersteuning is een beweegprogramma onder begeleiding van daarvoor opgeleide fysiotherapeuten. Het is bedoeld voor het bevorderen en verbeteren van het fysiek functioneren ten behoeve van de zelfredzaamheid van de inwoner in hun eigen leefomgeving.

5.2.3 Een schone en leefbare woning

1De inwoner met een beperking die zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden.

2Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

3Vervallen.

5.2.4 Beschermd wonen

1De inwoner kan in aanmerking komen voor beschermd wonen, als de inwoner deze woonvorm nodig heeft als gevolg van complexe psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen is niet bedoeld voor een (acute) crisissituatie waarin de gemeente nog geen noodzaak voor die woonvorm kan vaststellen.

2Voor inwoners die beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem.

5.2.5 Maatschappelijke opvang

1De inwoner kan in aanmerking komen voor tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als

a.de inwoner dakloos is en de opvang nodig heeft, omdat hij zich niet op eigen kracht kan redden in de samenleving. Dat komt door psychische of psychosociale problemen; of

b.bij huiselijk geweld.

2De opvang is erop gericht, dat de inwoner zich weer kan redden in de samenleving. De opvang wordt pas aangeboden, als andere voorzieningen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken.

3Voor inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de gemeente Doetinchem.

5.3 Mantelzorg

5.3.1 Ondersteuning mantelzorger

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners met mantelzorgers hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. Voorwaarde is, dat de mantelzorg niet overgenomen kan worden door anderen, zoals vrijwilligers.

2De hulp-op-maat kan inhouden dat de mantelzorg voor een korte periode wordt overgenomen door een professionele hulpverlener.

5.3.2 Mantelzorgwaardering

1De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan.

2De mantelzorgwaardering bestaat uit een individuele attentie en algemene mantelzorgondersteuning.

6. Vervoer naar school (bekostiging leerlingenvervoer)

6.2 Onderzoek

6.2.1 Aanwijzen opstapplaatsen

1Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit het kind gebruik maakt van het aangepast vervoer.

2De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke afstand van de woning van het kind en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.

3De ouders dragen er zorg voor dat het kind naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.

4Het college wijst geen opstapplaats aan als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van het kind door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

6.3 Voorwaarden

6.3.1 Vervoersvoorziening naar school

1De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening aan ouders voor hun kind dat in de gemeente Oost Gelre verblijft, en:

a.minimaal 4 jaar oud is, of minimaal 3 jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; en

b.naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs volgt; en

c.vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft.

2De gemeente verstrekt ook een vervoersvoorziening aan ouders, voor hun kind dat in de gemeente Oost Gelre verblijft, en:

a.minimaal 4 jaar oud is; en

b.naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs volgt (niet voortgezet onderwijs); en

c.de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school, meer dan 6 kilometer van de woning van het kind afligt.

3Gaat het kind niet naar de dichtstbijzijnde school van dezelfde onderwijssoort, dan komen ouders alleen voor een vervoersvoorziening naar de verder weg gelegen school in aanmerking, als zij in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs of de richting van de dichter bij gelegen bijzondere school.

4De gemeente kan ook een vervoersvoorziening aan ouders verstrekken voor hun kind dat in de gemeente Oost Gelre verblijft, en:

a.voortgezet speciaal onderwijs volgt; en

b.zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; en

c.de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan 2 kilometer van de woning van het kind afligt.

Deze bepaling is vooral bedoeld om het kind te stimuleren zelfstandig te gaan reizen en kan als afbouwregeling gebruikt worden.

5Met toegankelijke school wordt in dit hoofdstuk bedoeld:

a.een school die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke situatie, en

b.van de gewenste levensbeschouwelijke of godsdienstige richting is, of het openbaar onderwijs, en

c.waar plaats is voor het kind.

6Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind.

7De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. De ouders moeten wel overtuigend hebben aangetoond, dat het kind niet zonder begeleiding met het openbaar vervoer of de fiets kan reizen. Het kind heeft in ieder geval begeleiding nodig als het op de peildatum jonger is dan 9 jaar. De peildatum is 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft.

6.3.2 Vervoersvoorziening naar stage

1Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

2De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

b.de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; en

c.de stage vindt plaats op één stageadres;

d.het stageadres is gelegen op de route van de woning naar de school.

3Een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend over de afstand tussen de woning van het kind en het dichtstbijzijnde, toegankelijke stageadres.

4Het stagecontract kan voor de beoordeling van de aanvraag worden opgevraagd.

6.3.3 Vervoer tussen buitenschoolse opvang en de school

1Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening van de woning naar een school en terug kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van een buitenschoolse opvang naar de school of terug.

2De vervoersvoorziening van de buitenschoolse opvang naar de school of terug wordt alleen verstrekt als de kosten voor de gemeente vergelijkbaar zijn met de kosten voor het vervoer van de woning naar de school en terug.

6.3.4 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer

1De gemeente verstrekt ouders van een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, een vervoersvoorziening voor:

a.het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie.

b.het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.

2De regels uit dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4 lid 4, onderdeel a.

6.3.5 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

Als het kind tijdelijk buiten de gemeente Oost Gelre verblijft vanwege een crisissituatie kan de vervoersvoorziening naar school voor een periode van maximaal zes weken worden behouden als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.het kind blijft zijn eigen school bezoeken;

b.In de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze Verordening; en

c.de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.

6.4 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening

6.4.1 Bijzondere regeling vervoer naar basisonderwijs

1Is het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar hoger dan € 31.500,- per jaar, dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste 6 kilometer per rit met het openbaar vervoer af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OV-betaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen openbaar vervoer beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage). Deze regeling geldt voor kinderen die naar de basisschool gaan.

2Is de reisafstand naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer dan 20 kilometer, dan betalen ouders de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per gezin per schooljaar berekend en hangt af van het inkomen van de ouders in het peiljaar:

Inkomen in euro’s (schooljaar 2025-2026)

Eigen bijdrage in euro’s (schooljaar 2025-2026)

€ 0- € 42.000

Nihil

€ 42.000- € 50.000

€ 185

€ 50.000- € 58.000

€ 820

€ 58.000- € 65.000

€ 1.520

€ 65.000- € 74.500

€ 2.230

€ 74.500- € 81.500

€ 2.990

€ 81.500 en verder

Voor elke extra € 5.000: € 715 erbij

3De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente.

4De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede lid, en van de eigen bijdragen in het tweede lid, jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de VNG aan de gemeente doorgeeft.

5Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen gelden de regelingen in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.

7. Inkomen en schulden

7.1 Armoedebeleid

7.1.1 Wat wil de gemeente?

1De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen. De inwoner heeft een financiële buffer, als zijn vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens uit de Participatiewet. Is het vermogen hoger dan die grens, dan kan de inwoner geen financiële ondersteuning van de gemeente krijgen. Voor bijzondere bijstand kan de gemeente andere vermogensgrenzen vaststellen.

2De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.

3De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en vrijwilligersorganisaties om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan.

4De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden.

5De gemeente zorgt ervoor, dat voorzieningen op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden, als ze voor een bepaalde periode zijn verstrekt.

7.2. Bijzondere bijstand

7.2.1 Vangnet

1De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet. Bijzondere bijstand is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer, die extra noodzakelijke uitgaven niet kunnen betalen. Dat zijn onverwachte uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, door bijzondere omstandigheden.

2Als de gemeente een aanvraag voor bijzondere bijstand beoordeelt, dan betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid daarbij.

3De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand en hoe hoog de bijstand dan is.

7.3 Studietoeslag

7.3.1 Doelgroep

Vervallen

7.3.2 Vaststellen beperking

Vervallen

7.3.3 Hoogte en duur van toeslag

Vervallen

7.4 Individuele inkomenstoeslag

7.4.1 Doelgroep

De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die:

a.in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 115% van de bijstandsnorm;

b.geen financiële buffer heeft; en

c.geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

7.4.2. Hoogte van de toeslag

1De hoogte van de toeslag is te vinden op www.fijnder.nl, wanneer u zoekt op inkomenstoeslag.

De individuele inkomenstoeslag wordt per jaar in één bedrag uitbetaald.

2Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als één van de partners geen recht heeft op individuele inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet.

3De bedragen uit dit artikel worden jaarlijks aangepast. Ze volgen de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

7.5 Meedoenregeling

7.5.1 Doelgroep meedoenregeling voor kinderen

1Een aanvrager moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a.Staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente Oost Gelre;

b.Beschikte in de twee maanden voorafgaand aan de aanvraag en op het moment van aanvraag over een inkomen dat niet hoger was dan 120% van de voor hem geldende bijstandsnorm en niet over vermogen boven de vermogensgrens.

2Als het inkomen van de aanvrager hoger is dan 120% van de voor hem geldende bijstandsnorm wordt de eigen draagkracht berekend.

3De faciliteiten en regelingen worden telkens voor één kalenderjaar toegekend. Als de situatie niet verandert wordt dit vanzelf verlengd.

7.5.2 Inhoud meedoenregeling voor kinderen

Vanuit de meedoenregeling voor kinderen kunnen de volgende zaken worden vergoed:

7.5.2.1 Vergoeding zwemlessen

1De gemeente vergoedt zwemles voor kinderen van aanvrager die het zwemdiploma A nog niet hebben. Deze vergoeding ontvangt de ouder in de vorm van een voucher in de meedoenapplicatie.

2De vergoeding stopt zodra:

a.Het zwemdiploma A is behaald; of

b.De zwemles wordt beëindigd vóór het behalen van het zwemdiploma A.

3De vergoeding wordt rechtstreeks aan het zwembad betaald, nadat de inwoner de voucher bij het zwembad heeft ingeleverd.

7.5.2.2 Participatieregeling voor kinderen van 0-18 jaar

1De gemeente geeft een vergoeding van € 350,- per kalenderjaar, voor het betalen van activiteiten die bedoeld zijn voor educatie, sport, cultuur of participatie voor ieder kind binnen het gezin van aanvrager in de leeftijd van 0 tot 18 jaar.

2Deze activiteiten of producten kunnen worden uitgezocht in de meedoenapplicatie van Fijnder. Nadat een activiteit of product is uitgezocht krijgt de inwoner een voucher die kan worden gescand bij betaling van de activiteit. Fijnder betaalt de vergoeding hiermee rechtstreeks aan de organisatie of persoon die de activiteit aanbiedt.

7.5.2.2 Verstrekking van computer

1De gemeente verstrekt één computerconfiguratie aan een gezin tot een maximum bedrag van € 500,- aan aanvrager voor zijn kind(eren) tot 18 jaar in het voortgezet- of beroepsonderwijs.

2Eén keer per 5 jaar kan een computerconfiguratie worden aangeschaft bij een verkoper aangesloten bij de meedoenapplicatie van Fijnder.

7.7 Schuldhulpverlening

7.7.1 Samenwerking en toegang

1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners hoge schulden krijgen en legt dit vast in een beleidsplan.

2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen.

3De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt dat die hulp echt beschikbaar is.

4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op deze regel is de inwoner die niet rechtmatig in Nederland verblijft.

5De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden van deze inwoners melden bij de gemeente.

7.7.2 Schuldhulpverlening

De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt.

7.7.3 Besluit

De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven.

8. De vorm van de hulp

8.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

8.3.1 Voorwaarden – algemeen

1Een inwoner kan kiezen voor een pgb, als de inwoner in aanmerking komt voor hulp-op-maat op grond van de Wmo of Jeugdwet. De gemeente moet er wel van overtuigd zijn, dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.De inwoner kan het pgb beheren. Dit houdt in dat hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt. Ook kan hij voldoende voor zijn eigen belangen opkomen.

b.De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom hij een pgb wil ontvangen. Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom hulp-op-maat door een aanbieder van de gemeente, niet passend is.

c.De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en op de inwoner gericht. Dit moet duidelijk worden in het pgb-plan van de inwoner.

d.De hulpverlener kan een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijk personen’ (VOG), specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ en indien van toepassing profiel 84, ‘Belast zijn met zorg voor minderjarigen’ overleggen. De verklaring mag bij aanvang niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag en niet ouder zijn dan drie jaren. Een VOG hoeft niet overlegd te worden voor hulp door familie (sociaal netwerk) aan een minderjarig kind.

2De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:

a.De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en wil het pgb laten beheren door de hulpverlener.

b.De gemeente heeft eerder hulp-op-maat of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken.

c.De inwoner vraagt een pgb voor kosten die zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan.

d.De kosten van een pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor hulp-op-maat in natura. Het pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn.

3Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b.het voeren van een pgb-administratie;

c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en

d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).

8.3.2 Professionele en niet-professionele hulp

1Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb wordt verschil gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.

2Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door:

a.iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Deze persoon moet bovendien de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven; of

b.iemand die als zelfstandige zonder personeel beroepsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Deze persoon moet bovendien de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven.

3Van niet-professionele hulp is sprake als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. Deze persoon:

a.is iemand, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoet aan de voorwaarden van lid 2;

b.heeft gemotiveerd aangegeven dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden; en

4Hulp door een familielid in de eerste of tweede graad wordt altijd als niet-professionele hulp gezien.

8.3.3 Hoogte en tarief pgb

1De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De inwoner geeft in het pgb-plan ook aan, hoe hoog de kosten zijn (kostprijs), tenzij dit niet nodig is. De gemeente moet het plan goedkeuren en stelt daarna het pgb vast. De gemeente keurt het plan goed, als de inwoner voldaan heeft aan de voorwaarden uit artikel 8.3.1 en 8.3.2.

2De gemeente baseert de hoogte van het pgb op de offerte van de aanbieder uit het goedgekeurde pgb-plan of op de tarieven die de gemeente heeft vastgesteld. De gemeente kan meerdere offertes vragen. Dan wordt het pgb gebaseerd op de offerte met de laagste kostprijs. Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of dat product.

3De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het laagste bedrag dat de gemeente zelf zou betalen voor de hulp die nodig is (kostprijs hulp in natura). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet.

4Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekeringen.

5De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp vanuit de Wmo en de Jeugdwet is gelijk aan het wettelijk minimum (uur)loon voor een persoon van 21 jaar of ouder. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten.

6De hoogte van het pgb voor professionele hulp voor begeleiding, persoonlijke verzorging of logeren vanuit de Wmo en de Jeugdwet is een tarief dat maximaal 100% bedraagt van het laagst toepasselijke tarief per uur/eenheid dat een gecontracteerde leverancier hanteert.

7De hoogte van het pgb voor professionele hulp voor hulp bij het huishouden wordt berekend op basis van het geldende ZIN tarief voor hulp bij het huishouden minus 15% overheadkosten, tenzij hiervoor geen passende ondersteuning kan worden ingekocht.

8.3.4 Verantwoording pgb

De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen.

8.3.5 Opschorten pgb

1De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de betaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als zij een sterk vermoeden heeft dat:

a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;

b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij het ontvangen van het pgb; of als

c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.

9. Afspraken tussen inwoners en gemeente

9.1 Hoe gaan we met elkaar om?

9.1.1 De rol van de gemeente

1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of op een andere plaats zijn.

c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

d.De kwaliteit van de website(s) van de gemeente is geborgd.

e.De gemeente zorgt voor aanvraagformulieren die goed leesbaar en begrijpelijk zijn. De gemeente vraagt niet meer gegevens dan nodig is voor het beoordelen van de hulpvraag. Het is voor de inwoner duidelijk waar aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

f.De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

g.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

h.De gemeente wijst de inwoner op onafhankelijke cliëntondersteuning.

2De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

•rechten en plichten;

•wat er van de inwoner wordt verwacht;

•welk gedrag niet deugt;

•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten.

b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.

c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

•de ernst van het gedrag;

•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en bij

•de persoonlijke situatie van de inwoner.

d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier de inwoner het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

9.1.2 De rol van de inwoner

1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:

a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen.

b.Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken.

c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.

2De inwoner denkt mee en heeft inspraak in de manier waarop zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.

b.De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren.

c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente.

9.2 Het verlagen van een uitkering

9.2.1 Wanneer wordt de uitkering verlaagd?

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.

2Als de gemeente besluit om de uitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met:

a.de ernst van het gedrag dat tot het verlagen van de uitkering heeft geleid;

b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en

c.de persoonlijke situatie van de inwoner.

3Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat doen met een brief of in een persoonlijk gesprek.

9.2.2 Geen verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De gemeente verlaagt de uitkering niet als:

a.het gedrag de inwoner niet te verwijten is;

b.er meer dan 1 jaar ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld;

c.de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.

9.2.3 Het besluit om de uitkering te verlagen

De gemeente stuurt de inwoner een brief, als de uitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval:

a.waarom de uitkering wordt verlaagd;

b.hoe groot de verlaging is;

c.wanneer de verlaging ingaat;

d.hoe lang de verlaging duurt; en

e.waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is.

9.2.4 Ingangsdatum en periode verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De verlaging gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt één maand of langer. Als de uitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op, als de inwoner binnen twaalf maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.

9.2.5 Berekening verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De uitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de uitkering die de inwoner in zijn situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt.

2De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast.

9.2.6 Niet nakomen wettelijke (geüniformeerde) arbeidsverplichtingen

[PW, Awb]

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering met een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel a, b, c, d, e, f, g of h van de Participatiewet, niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met werk. De verlaging kan over 2 maanden worden uitgesmeerd. Dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. De bijstandsuitkering wordt dan 2 maanden achter elkaar met 50% van de uitkeringsnorm verlaagd.

2Vervallen

3Vervallen

9.2.7 Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:

a.jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van

•een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet, of.

•een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd;

b.niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet;

c.niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert; of

d.alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken;

e.niet of niet voldoende de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting nakomt. Het gaat hierbij om meewerken aan het betalen van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering, gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat. De gemeente verricht die betalingen uit de toegekende bijstand in naam van de inwoner.

2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden.

3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm als de inwoner:

a.niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening. Dit gedrag heeft er niet toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd;

b.niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;

c.niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd;

d.door houding of gedrag moeilijker aan het werk komt;

e.niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of

f.alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken.

4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:

a.niet voldoende probeert werk te vinden;

b.aangeboden werk niet accepteert;

c.door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of

d.niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening, en dit gedrag er toe geleid heeft dat de voorziening niet doorging of te vroeg is beëindigd.

5De gemeente kan besluiten de uitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt.

9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid

[PW, Awb]

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner meer of langer uitkering nodig dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag).

2De verlaging duurt één maand en is:

a.10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000;

b.20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000;

c.40% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000;

d.100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000;

e.20% van de uitkeringsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.

9.2.9 Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen)

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt een maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm.

9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen

[PW, Awb]

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand, als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het moet gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging is:

a.20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;

b.20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;

c.50% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand;

d.100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand.

2De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner de verplichting uit het eerste lid, onder a, niet nakomt.

9.2.11 Samenloop van gedragingen

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen als bedoeld in deze paragraaf niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De uitkering wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt.

2Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen.

3Vervallen.

9.2.12 Herhaling (recidive)

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner zich binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit opnieuw zo gedraagt dat de uitkering wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente eerder alleen een waarschuwing heeft gegeven. Het moet dan gaan om een gedraging die kan leiden tot eenzelfde of grotere verlaging dan bij de eerdere gedraging.

2Een herhaalde verlaging op grond van artikel 9.2.6 kan maximaal 3 maanden duren.

3Het bedrag van de verlaging wordt verdubbeld, als de uitkering van de inwoner is verlaagd vanwege ontoelaatbaar gedrag en de inwoner binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw ontoelaatbaar gedraagt.

9.3 Handhaving in de Wet Inburgering 2021

9.3.1 Verplichtingen

1De inburgeringsplichtige is verplicht om:

a.na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; en

b.de afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT.

2De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute.

9.3.2 Handhaving verplichtingen bij de brede intake

1Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als hij of zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om te verschijnen binnen twee weken.

2Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021.

3Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen twee weken per brief, digitaal of in een gesprek kenbaar te maken.

4De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

5De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021, als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is.

6De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de boete rust op betrokkene. Als de gemeente op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden.

7In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen twee weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021.

9.3.3 Handhaving tijdens het inburgeringstraject

1De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt.

2De gemeente legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute.

3Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen twee weken per brief of digitaal kenbaar te maken.

4Mede op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit inburgering 2021.

5De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

9.3.4 Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet

1Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 op.

2Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de Wet inburgering 2021 op. De gemeente verlaagt in dat geval voor dezelfde gedraging de bijstandsuitkering niet.

3Bij de keuze tussen i) handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaving op grond van de Wet inburgering 2021 via een boete weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject.

4Wanneer een gedraging leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de Wet inburgering 2021.

5In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet.

9.3.5 Verrekening boete met bijstandsuitkering

De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de Wet inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag.

9.5 Beëindigen en terugvorderen voorziening

9.5.1 Beëindiging voorziening

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]

1De gemeente kan een voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De voorziening kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat:

a.de voorziening niet langer passend of nodig is;

b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;

c.de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor de voorziening, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;

d.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;

e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; of

f.de gemeentelijke beleidsregels of nadere regels worden gewijzigd en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor een voorziening. De gemeente houdt wel rekening met een redelijke overgangsperiode.

2De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in.

3De gemeente kan een besluit om een pgb toe te kennen intrekken, als de inwoner het pgb niet binnen 6 maanden na toekenning heeft gebruikt om de voorziening te betalen waarvoor het pgb is bestemd, tenzij:

a.de gemeente een langere termijn heeft bepaald; of

b.de inwoner niet te verwijten is dat hij het pgb niet binnen die termijn heeft gebruikt.

9.5.2 Terugvordering en verrekening voorziening

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]

1De gemeente kan de voorziening, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan 1 van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.5.1.

2De gemeente kan een vordering op de inwoner op grond van dit artikel, verrekenen met een vordering die de inwoner op de gemeente krijgt op grond van 1 van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

9.6 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

9.6.1 Controle

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner die een uitkering of voorziening van de gemeente ontvangt recht heeft op een uitkering of voorziening. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:

a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Het huisbezoek vindt alleen plaats met toestemming van, en samen met de inwoner;

b.waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek;

c.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;

d.signalen en tips van organisaties of particulieren;

e.andere onderzoeksmethoden.

2Het controleren van voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.

3Het college en het Dagelijks Bestuur van Fijnder houden zich aan aan de regels die horen bij het onderzoek naar rechtmatig gebruik van voorzieningen en uitkeringen.

4Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner informeert de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

9.6.2 Voorkomen van fraude

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. Bij het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht kan de gemeente een waarschuwing geven of een boete opleggen. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ Fijnder’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl.

9.6.3 Privacy bij controle op fraude

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente werkt met een protocol voor het afleggen van een huisbezoek bij een inwoner die een uitkering ontvangt. Dit protocol moet ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privé -leven van inwoners plaatsvindt. De inwoner kan dit protocol inzien bij de gemeente.

2Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privé – leven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. De gemeente kiest de onderzoeksvorm die voor de inwoner het minst belastend is.

9.6.4 Toezichthouders

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.

10. Inwonerparticipatie

10.3 Cliëntenraad Participatiewet

10.3.1 Samenstelling en werkwijze

1De cliëntenraad bestaat uit minimaal 5 en maximaal 11 personen.

2De cliëntenraad komt minimaal 4 keer per jaar bij elkaar.

3De leden worden benoemd door het dagelijks bestuur voor 4 jaar. Leden kunnen maximaal 2 keer worden herbenoemd. Er is een onafhankelijk voorzitter.

4Inwoners kunnen een vergadering van de cliëntenraad bijwonen, behalve als er een zwaarwegend belang is om dit niet te doen. Inwoners kunnen bij de cliëntenraad onderwerpen voor de agenda aanmelden. De cliëntenraad informeert inwoners waar en wanneer de vergaderingen zijn en hoe onderwerpen aangemeld kunnen worden.

5De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de cliëntenraad, bijvoorbeeld door

a.de inzet van een medewerker van Fijnder als secretaris. De secretaris zorgt voor de administratieve en organisatorische ondersteuning van de cliëntenraad;

b.geschikte vergaderruimte;

c.voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid;

d.voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid bij de cliëntenraad ligt, uiterlijk 6 weken voordat het dagelijks bestuur van Fijnder een besluit wil nemen of een advies daarover wil geven aan de gemeenteraad of het algemeen Bestuur van Fijnder;

e.medewerkers van de gemeenten of Fijnder een toelichting te laten geven over plannen voor nieuw beleid.

10.3.2 Taken en bevoegdheden

1De cliëntenraad geeft, gevraagd en ongevraagd, advies over plannen voor nieuw beleid van burgemeester en wethouders of van de gemeenteraad. De cliëntenraad kan ook advies geven over het geldende beleid.

2Het advies over plannen voor nieuw beleid wordt uitgebracht, uiterlijk tien dagen voordat het dagelijks bestuur van de Fijnder het beleid wil vaststellen of een advies daarover wil doorsturen naar de gemeenteraad.

3De cliëntenraad houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde inwoner.

10.3.3 Budget, verslag, vergoeding en voorzieningen

1Het dagelijks bestuur van Fijnder stelt elk jaar een budget vast voor de kosten van de cliëntenraad, op basis van een onderbouwde begroting van de cliëntenraad. De cliëntenraad moet de begroting uiterlijk in januari van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar aanleveren.

2De cliëntenraad brengt jaarlijks voor 1 april aan het dagelijks bestuur verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar, en van de besteding van het budget over dat jaar.

3De leden van de cliëntenraad ontvangen een onkostenvergoeding per bijgewoonde openbare vergadering van de cliëntenraad, een werkgroep of een commissie uit de cliëntenraad.

4De leden van de cliëntenraad ontvangen voor reizen die worden gemaakt om deel te kunnen nemen aan deze vergaderingen, een vergoeding voor de reiskosten.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.