Aanhef
Zaaknummer; 3029894
Gelet op de Participatiewet artikel 8 jo. Artikel 36 en artikel 36b, Gemeentewet artikel 147 jo. 108 en Algemene wet bestuursrecht;
•Gelet op de verordening Individuele Inkomenstoeslag 2026;
•Gelezen het voorstel van Zorg & Samenleving Beleidsregels Inkomensregelingen 2026;
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn besluit:
1De beleidsregels Inkomensregelingen gemeente Hoorn 2026 vast te stellen en
2De beleidsregels Bijzondere Bijstand 2023 gelijktijdig te laten vervallen.
Hoofdstuk 1 Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hoorn
Artikel 1 Begripsbepaling
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
1Aanvrager: de persoon die de aanvraag doet en zijn of haar gezin;
2Algemeen gebruikelijke kosten: Dit zijn kosten die iedereen heeft en die vanuit het inkomen of het vermogen betaald moeten worden (door reserveren of betalen achteraf);
3Alleenstaande: een alleenstaande of alleenstaande met kinderen;
4Beslag: Van beslag is sprake wanneer een schuldeiser, ter aflossing van een schuld, op grond van een executoriale titel aanspraak maakt op de totale ruimte in het inkomen van de aanvrager. Hierbij moet de schuldeiser de beslagvrije voet toepassen;
5Bijstandsnorm: de norm die op een alleenstaande of gehuwde van toepassing is als bedoeld in artikel 20, artikel 21 of artikel 22 van de Participatiewet;
6College: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoorn;
7Draagkracht: het deel van het inkomen en/of vermogen dat de aanvrager zelf kan bijdragen aan de kosten;
8Echtpaar: gehuwden of daarmee gelijkgestelden, al of niet met kinderen;
9Gezin: Gehuwden, gehuwden met kinderen, of een alleenstaande ouder met kinderen.
10Individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet;
11Inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, lid 1, 3 en 4, in artikel 6 van de BBZ als het inkomen uit onderneming betreft, en in artikel 3.18 overzicht 1 en 2 van de WSF wanneer het studenten betreft.
12Inrichting: een instelling voor kort- of langdurige zorg zoals bedoeld in artikel 1 onder f van de Participatiewet;
13Inwoner: de persoon die op het moment van de aanvraag ingeschreven staat in de gemeente Hoorn in de Basisregistratie Personen (BRP) en voldoet aan artikel 11 van de Participatiewet;
14Kind: de minderjarige die op 1 januari van het betreffende kalenderjaar nog geen 18 jaar is en op het moment van aanvraag door de ouder op hetzelfde adres woont als de aanvrager en voor wie kinderbijslag wordt ontvangen zoals bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet;
15Laag inkomen: Een laag inkomen is een inkomen van een inwoner dat niet hoger is dan maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5 sub c Participatiewet (inclusief vakantiegeld), waarbij artikel 22a Participatiewet (kostendelersnorm) buiten beschouwing wordt gelaten;
16Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;
17Studietoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet;
18Vermogen: Het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Wanneer een aanvrager een toeslag alleenverdieners heeft ontvangen, of slachtoffer is van de toeslagenaffaire en hiervoor een schadevergoeding heeft ontvangen, wordt deze toeslag of schadevergoeding niet meegerekend bij het vermogen;
19Vermogensvrijlating: het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet;
20Voorliggende voorziening: een passende en toereikende voorziening waarop de aanvrager een beroep kan doen of aanspraak kan maken voor de bekostiging van specifieke uitgaven zoals bedoeld in artikel 5 sub e en 15 van de Participatiewet;
21Wet: Participatiewet;
22Wlz: de Wet langdurige zorg;
23Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
24Woonkosten: Het bedrag dat iemand betaalt voor huur en servicekosten in het geval van een huurwoning, en betaalt voor de hypotheek, eventuele erfpachtcanon en eigenaarslasten in het geval van een eigen woning, woonwagen of woonboot waarin hij of zij woont;
25Wsf: Wet studiefinanciering 2000;
26WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
27WTOS: Hoofdstuk 4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Artikel 2 Juridische grondslag
1Het college kent op grond van artikel 35 van de Participatiewet bijzondere bijstand toe aan een alleenstaande of het gezin, als zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze beleidsregels.
2Voor begrippen die in deze beleidsregels worden gehanteerd, geldt de wettelijke betekenis, tenzij in deze beleidsregels een andere formulering is gegeven.
3Wanneer bedragen en percentages in de wetten en regels waar in deze beleidsregels naar verwezen wordt, veranderen, dan veranderen de bedragen en percentages in deze beleidsregels gelijktijdig en op gelijke wijze.
Artikel 3 Uitgangspunten
Artikel 3.1. Algemene uitgangspunten
1Het college beoordeelt de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de uitgangspunten van de Participatiewet, artikel 35 van de Participatiewet en deze beleidsregels.
2Bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor kosten die in Nederland gemaakt zijn en aan Nederland verbonden zijn.
Artikel 3.2. Bijzondere omstandigheden
1Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt wanneer er bijzondere omstandigheden zijn die leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan.
2Noodzakelijke kosten van het bestaan komen normaliter niet voor bijzondere bijstand in aanmerking omdat wordt verwacht dat de aanvrager daarin kan voorzien door te sparen of een lening aan te gaan. Wanneer het college echter oordeelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor niet van de aanvrager verwacht kan worden dat hij of zij voor deze noodzakelijke kosten had gereserveerd of hiervoor een lening aangaat, dan wordt bijzondere bijstand verstrekt.
3De kosten voor alimentatie, de betaling van een boete, geleden of toegebrachte schade, premiebetaling en medische kosten zoals genoemd in artikel 14 van de Participatiewet komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, behalve wanneer het college oordeelt dat er sprake is van een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet.
Artikel 3.3. Voorliggende voorzieningen
1Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand wanneer er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, of als de betreffende kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd.
2Als voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet wordt in ieder geval aangemerkt:
a.de Wet langdurige zorg;
b.de Zorgverzekeringswet;
c.de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
d.de Wet op de rechtsbijstand;
e.de wet op de huurtoeslag;
f.de Re-integratieverordening Participatiewet en de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet, voor zover het gaat om kosten van een re-integratievoorziening of om andere kosten voor arbeidsinschakeling (WerkSaam).
Artikel 3.4. Hoogte van de bijzondere bijstand
Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de prijzengids van het Nibud en bij de tabel met maximumbedragen voor opknapkosten, stoffering en woninginrichting van artikel 7.2 lid 5.
Artikel 3.5. Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening
1Bijzondere bijstand wordt in principe verstrekt als gift.
2Bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening wanneer:
a.het een aanvraag is voor algemeen gebruikelijke kosten;
b.redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; of
c.er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager, waardoor deze niet in staat is om zelf de gevraagde kosten te betalen, terwijl dat redelijkerwijs wel van hem of haar kon worden verwacht;
3Wanneer in situaties, zoals genoemd in het tweede lid onder c, het verstrekken van een lening er toe zou leiden dat de aanvrager in zwaar problematische financiële omstandigheden dreigt te raken, verleent het college bijstand als gift.
Artikel 4 Indienen van een aanvraag
1De aanvraag voor bijzondere bijstand wordt schriftelijk of digitaal ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier.
2Wanneer een schriftelijke of digitale aanvraag vanwege individuele omstandigheden niet mogelijk is, kan het college het recht op bijzondere bijstand ambtshalve vaststellen.
3Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt, met uitzondering van rechtsbijstand, kosten van griffierecht, bewindvoering, curatele en mentorschap zoals benoemd in artikel 7.6 lid 3 en artikel 7.7 lid 1.
Artikel 5 Financiële draagkracht voor bijzondere bijstand
Artikel 5.1. Hoe is de draagkracht opgebouwd?
Wanneer de aanvrager een inkomen heeft boven de 120% van de bijstandsnorm en/of in het bezit is van vermogen, dan moet de gemeente vaststellen welk gedeelte van dat inkomen en/of vermogen de aanvrager zelf kan gebruiken om de kosten te betalen. Dit wordt de financiële draagkracht genoemd. Het deel dat de aanvrager niet zelf kan betalen, vergoedt de gemeente vanuit de bijzondere bijstand.
Artikel 5.1.1. Niet in aanmerking genomen toeslagen en bijdragen
1De individuele inkomenstoeslag (IIT), de studietoeslag en de toeslag Alleenverdieners worden bij de vaststelling van de draagkracht voor bijzondere bijstand niet in aanmerking genomen.
2De eigen bijdrage voor de kosten van kinderopvang wordt op de draagkracht in mindering gebracht.
Artikel 5.1.2. Beslag en schulden
1Aanvragers met een inkomen waarop executoriaal beslag ligt, worden geacht geen draagkracht te hebben. Aanvragers die aannemelijk kunnen maken dat op korte termijn executoriaal beslag wordt opgelegd, worden eveneens geacht geen draagkracht te hebben.
2Aanvragers die (a) in een wettelijke schuldsanering (WSNP) zitten, of waarmee (b) via een Bbz lening (als het een zelfstandige betreft) een minnelijke schuldsanering (MSNP) tot stand is gekomen, worden geacht vanaf aanvang van die sanering geen draagkracht te hebben.
3In het geval van een saneringskrediet kan er wel sprake zijn van draagkracht.
Artikel 5.1.3. Inkomen
1De middelen zoals genoemd in artikel 31, tweede lid van de Participatiewet, wordt niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht.
2Het college merkt het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven 120% van de toepasselijke bijstandsnorm aan als draagkracht, tenzij het gaat om woonkosten als bedoeld in artikel 8 van deze beleidsregels. In dat laatste geval merkt het college het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de bijstandsnorm volledig aan als draagkracht.
Artikel 5.1.4. Vermogen
1Het college merkt het vermogen boven de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de Participatiewet aan als draagkracht.
2Motorvoertuigen met een gezamenlijke waarde tot € 5.000,- worden niet tot het vermogen gerekend.
3Als de waarde meer bedraagt dan € 5.000,- dan wordt het meerdere aangemerkt als vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.
4Als een motorvoertuig meer dan 10 jaar oud is wordt deze geacht volledig afgeschreven te zijn en telt deze voor de waardebepaling niet mee, tenzij redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat het voertuig, gelet op het merk en type, een waarde boven de € 5.000 vertegenwoordigt.
5In afwijking van het gestelde in de voorgaande leden van dit artikel kan bij de vermogensvaststelling in incidentele gevallen de (meer)waarde van motorvoertuigen buiten beschouwing worden gelaten als het motorvoertuig/de motorvoertuigen onmisbaar is/zijn in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van het motorvoertuig in redelijkheid niet kan worden gevergd.
6Voor de waardevaststelling van auto’s en de motoren dient gebruik gemaakt te worden van de ANWB Koerslijst.
7Als sprake is van een motorvoertuig die in het maatschappelijk verkeer wordt gezien als klassieker, dan wordt in afwijking van lid 4 van dit artikel de waarde van het motorvoertuig vastgesteld op basis van een door een erkend taxateur opgesteld taxatierapport.
8Een caravan of boot die de cliënt gebruikt als hoofdverblijf wordt vrijgelaten tot maximaal het bedrag aan vrijlating voor een eigen woning als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel d van de wet.
9Wanneer de aanvrager beschikt of kan beschikken over vermogen waarvan de waarde de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, te boven gaat, dan wordt dit meervermogen in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht.
Artikel 5.1.5. Overige bepalingen
1Met het oog op het vaststellen van de financiële draagkracht gaat het college uit van het inkomen:
a.over de drie kalendermaanden voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een aanvrager met sterk wisselende inkomsten, waaronder een aanvrager die als zelfstandige werkt;
b.over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een zelfstandige en de hoogte van de inkomsten niet in redelijkheid is af te leiden uit de opgave over de drie maanden voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag;
c.over de kalendermaand voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag in het geval het een vast inkomen betreft.
2Bij de draagkrachtberekening wordt alleen het inkomen en het vermogen van de aanvrager of het gezin betrokken.
Artikel 5.2. Draagkracht uit inkomen en vermogen en draagkrachtperiode
1De draagkracht wordt berekend zoals is beschreven in artikel 5.1 en is dan geldig voor een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de kosten waarvoor de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, indien sprake is van variabele inkomsten, zoals inkomsten uit arbeid, alimentatie, AOW met pensioen of uitkeringen (waaronder WW of ZW).
2De draagkracht wordt berekend zoals is beschreven in artikel 5.1. en is dan geldig voor een periode van zesendertig maanden, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de kosten waarvoor de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, indien sprake is van vaste inkomsten zoals AOW zonder pensioen, IOAW, IOAZ en Wajong.
33. De draagkrachtberekening zoals genoemd in lid 1 wordt gemaakt met het inkomen en het vermogen zoals die op het moment van de aanvraag aanwezig zijn. Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. De draagkracht wordt opnieuw berekend en vastgesteld als er sprake is van een substantiële financiële wijziging. Een inkomens- en/of vermogensdaling of -stijging die leidt tot meer of minder recht op bijzondere bijstand, geldt als een substantiële financiële wijziging.
4De vastgestelde draagkracht wordt op de toegekende (en toe te kennen) bijstand in mindering gebracht.
5Het college houdt bij de bepaling van het inkomen rekening met een executoriaal beslag op het inkomen.
6Wanneer de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op periodieke kosten, dan ontvangt de aanvrager voor de betreffende periode iedere maand hetzelfde bedrag aan bijzondere bijstand.
Artikel 6 Drempelbedrag
Het college hanteert geen drempelbedrag voor de bijzondere bijstand.
Artikel 7 Veel voorkomende kostensoorten
Artikel 7.1. Duurzame gebruiksgoederen
1De aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en moeten vanuit het eigen inkomen en/of vermogen of door reservering worden betaald.
2Wanneer er sprake is van een bijzondere situatie en er geen reserveringen zijn die aangewend kunnen worden, of geen lening aangegaan kan worden, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt. De mate waarin dat moet gebeuren is afhankelijk van de problematiek en de individuele omstandigheden.
3Het college verstrekt bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen in de vorm van leenbijstand tenzij dit niet mogelijk is.
Artikel 7.2. Verhuizing en woninginrichting
1Wanneer de aanvrager een woning betrekt aansluitend op een periode van crisisopvang, verblijf in een inrichting of detentie, of vanwege een andere zwaarwegende sociale of medische reden, dan geldt dit als een bijzondere situatie en is bijzondere bijstand mogelijk.
2Aan aanvragers die vanuit een crisissituatie, een inrichting of detentie een huurwoning betrekken wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de eerste huur en de waarborgsom van deze woning.
3Het college verstrekt bijzondere bijstand voor verhuiskosten en voor woninginrichting als er sprake is van een medisch of sociale noodzaak tot verhuizing.
4Het college verstrekt bij een medisch of sociaal noodzakelijke verhuizing binnen de gemeente bijzondere bijstand voor het vervoer van huisraad, de woonlasten van de nieuwe woning als er sprake is van dubbele woonlasten, de kosten huurovereenkomst, de waarborgsom, opknapkosten, stoffering en woninginrichting. Het college verstrekt bij een medisch of sociaal noodzakelijke verhuizing naar een andere gemeente alleen bijzondere bijstand voor de kosten van het vervoer van de huisraad.
5Het college hanteert voor opknapkosten, stoffering en woninginrichting maximumbedragen die afhankelijk zijn van de gezinssituatie van de aanvrager. De volgende maximumbedragen zijn van kracht in 2026 en worden jaarlijks geïndexeerd:
Leefsituatie
Maximumbedrag voor opknapkosten
Maximumbedrag voor stoffering
Maximumbedrag voor woninginrichting
1persoon
€ 300
€ 1.250
€ 2.500
2personen
€ 350
€ 1.450
€ 3.000
> 2 personen
€ 350 + € 50 per persoon
€ 1.450 + € 200 per persoon
€ 3.000+ € 500 per persoon
Artikel 7.3. Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in een detentie
1Bij een vrijheidsbeneming van maximaal 3 maanden kan bijzondere bijstand verleend worden voor doorbetaling van de vaste lasten voor een duur van maximaal 3 maanden.
2Het gaat om de woonlasten voor de huur minus de huurtoeslag en kosten voor vastrecht van elektra, gas en water.
3Voor de overige vaste woonlasten (waaronder waterschapsbelasting, onroerendzaakbelasting en verzekeringen) kan bij een vrijheidsbeneming van maximaal 3 maanden, voor maximaal 3 maanden bijzondere bijstand worden verstrekt, tot een maximumbedrag van € 50,- per maand.
Artikel 7.4. Kosten voor medisch, psychisch of leeftijd gerelateerde beperkingen
1In afwijking van artikel 15 lid 1 van de Participatiewet verstrekt het college bijzondere bijstand aan personen met medisch, psychische of leeftijd gerelateerde beperkingen voor:
a.Pedicurekosten wanneer er geen recht op vergoeding door de zorgverzekeraar bestaat, tot maximaal € 300 per jaar.
b.De kosten voor een maaltijd boven de € 4. Er wordt maximaal € 5 per dag vergoed.
c.De servicekosten aan personen die in een verzorgingstehuis wonen.
Artikel 7.5. Uitvaartkosten
1Voor de kosten van een uitvaart in Nederland kunnen de nabestaanden bijzondere bijstand aanvragen, wanneer hun eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om deze kosten te dekken. De nabestaanden kunnen ieder voor zich in hun woonplaats bijzondere bijstand aanvragen voor hun aandeel in de kosten.
2Het college houdt bij bijstandsverlening rekening met een totaal maximum toe te kennen bedrag van € 4.200 per uitvaart.
3Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor kosten die worden verhaald op grond van de Wet op de lijkbezorging.
4Kosten van en in verband met uitvaarten in het buitenland komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
Artikel 7.6. Rechtsbijstand en griffierecht
1Voor de kosten van rechtsbijstand bij het voeren van een procedure die voor rekening komen van de inwoner (griffierecht, de eigen bijdrage rechtshulp, en andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak) wordt bijzondere bijstand verstrekt. Hierbij geldt als voorwaarde een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt.
2Kosten van contra-expertise komen niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking.
3In afwijking van artikel 4 lid 3 van deze beleidsregels is het in het geval van rechtsbijstand en griffiekosten toegestaan om de bijzondere bijstand niet vooraf aan te vragen, maar uiterlijk binnen drie maanden na datum van de factuur.
4In afwijking van artikel 4 lid 3 van deze beleidsregels verstrekt het college bijzondere bijstand met terugwerkende kracht tot maximaal 3 maanden nadat de kantonrechter een uitspraak overeenkomstig titel 16, titel 19 en/ of titel 20 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft gedaan of na de afgiftedatum van de kosten van griffierecht.
Artikel 7.7. Bewindvoering, curatele en mentorschap
1Voor de kosten van een curator, bewindvoerder en mentor kan bijzondere bijstand worden aangevraagd als de rechtbank het bewind heeft uitgesproken. Wanneer de aanvraag voor deze kosten is gedaan binnen drie maanden na de datum van de uitspraak door de rechter, wordt met de bijstandsverlening aangesloten bij de ingangsdatum van de bewindvoering, mentorschap of curatele. Voor deze aanvragen telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum als de bewindvoerder is benoemd tussen de 1e en de 15e van die maand, of de 16e dag van de maand als de bewindvoerder is benoemd tussen de 16e en het einde van de maand.
2Wanneer het een aanvraag tot verlenging betreft, kan er niet met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden verleend. De bewindvoerder dient tijdig voor afloop van de toekenningsperiode een aanvraag tot verlenging in te dienen, zodat de nieuwe toekenning kan aansluiten. Doet de bewindvoerder dit niet tijdig, dan is de aanvraagdatum van de nieuwe aanvraag de ingangsdatum van de nieuwe toekenning.
3Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke budgettering aan die- gene die geen betalingen kan verrichten als gevolg van psychische en/of sociale problemen en die wegens omstandigheden geen gebruik kan/wil maken van het voorliggende budgetbeheer van de schuldhulpverleningsorganisatie. Het maximumbedrag is € 80 per maand.
4Voor WSNP-bewindvoerdersloon wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.
5Wanneer een onder bewind, mentorschap of curatele gestelde burger een inkomen op op 120% van de bijstandsnorm heeft, wordt bijzondere bijstand verstrekt voor het loon van de bewindvoerder, mentor of curator en voor de eenmalige extra kosten. Deze eenmalige extra kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als deze zijn bekrachtigd door de rechter. Berekening van een hoger tarief vanwege problematische schulden is toegestaan wanneer de rechtbank dit in de beschikking heeft opgenomen.
6Voor de vergoeding van de tarieven sluit de gemeente aan bij de “Regeling indexering beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren” zoals deze jaarlijks wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 7.8. Reiskosten
1Het college verstrekt bijzondere bijstand voor noodzakelijke reiskosten buiten de gemeente Hoorn die verband houden met bijzondere familieomstandigheden. Dit zijn bijvoorbeeld reiskosten voor bezoek aan partner/ echtgenoot en familie (eerste en tweede graad) die wordt verpleegd, verzorgd, uit huis is geplaatst of is gedetineerd.
2Het college verstrekt bijzondere bijstand aan een statushouder die deelneemt aan een inburgeringstraject in het kader van de Wet inburgering en daarvoor noodzakelijke reiskosten maakt naar een opleidingsinstituut buiten de gemeente Hoorn. Dit geldt ook voor de reiskosten in verband met examens als die buiten de gemeente Hoorn moeten worden afgelegd.
3Het college stemt de hoogte van bijzondere bijstand voor noodzakelijke reiskosten af op het goedkoopste reisalternatief.
4Het college stemt de frequentie voor noodzakelijke reiskosten af op de individuele situatie tenzij het gaat om reiskosten in verband met detentiebezoek. In dat geval geldt als frequentie maximaal eens per 14 dagen.
Artikel 7.9 Bijzondere bijstand voor overbrugging
1Het college kan een overbrugging verstrekken als een onvoorzienbare gebeurtenis leidt tot het plotseling wegvallen van inkomsten en de aanvrager niet over reserves beschikt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien
2De hoogte van de overbrugging is maximaal de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag.
3De overbrugging wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de bijzondere bijstand om niet moet worden verstrekt.
Artikel 8. Woonkostentoeslag
Artikel 8.1 Uitgangspunten woonkostentoeslag
1Wanneer een aanvrager een huurwoning of eigen woning heeft met hoge woonkosten, kan het college op grond van individuele omstandigheden, in het bijzonder in het geval van een niet voorzienbare inkomensdaling, bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een woonkostentoeslag.
2Als een inwoner een woning huurt onder de huurtoeslaggrens, maar nog geen recht op huurtoeslag heeft, kan tijdelijk bijzondere bijstand worden verleend; De leeftijdsgrens gaat per 1 januari 2026 van 23 naar 21 jaar. Dit artikel geldt dus voor bijvoorbeeld een jongere van 20 jaar. We hebben hier geen limiet aan zitten omdat je vanaf 21 jaar wel recht gaat hebben op huurtoeslag.
3Als de huur boven de huurtoeslaggrens (€ 932,93 huurgrens 2026) ligt dan verstrekt het college woonkostentoeslag voor het deel dat niet wordt gecompenseerd door de belastingdienst.
4Het college verstrekt voor een periode van 12 maanden bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag als de aanvrager:
a.een huurwoning bewoont en buiten eigen toedoen geen recht heeft op (volledige) huurtoeslag of
b.een koopwoning bewoont en in bijstand behoevende omstandigheden verkeert.
5In geval van een noodzakelijke vervolgaanvraag wordt de periodieke bijzondere bijstand verleend in de vorm van leenbijstand wanneer er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Wanneer er geen sprake is van tekortschietend besef kan de woonkostentoeslag om niet worden verleend.
6Het college verstrekt de woonkostentoeslag met een krediethypotheek wanneer:
a.het te verstrekken of verstrekte bedrag aan bijzondere bijstand over een periode van twaalf maanden hoger is dan € 5.000 en
b.de overwaarde van de koopwoning de vermogensgrens uit artikel 34 lid 2 sub d van de wet overschrijdt.
Artikel 9. Collectieve zorgverzekering
1Inwoners van Hoorn met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm en een vermogen tot de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet kunnen gebruik maken van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering via de gemeente. Deze verzekering biedt de dekking van de basisverzekering en de vergoedingen vanuit een aanvullend pakket. De gemeente betaalt mee aan de premie.
2De deelname aan de collectieve zorgverzekering wordt per de 1e van de volgende maand beëindigd als tussentijds blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de inkomens- en vermogensvoorwaarden en/of de persoon niet meer woonachtig is in Hoorn.
Hoofdstuk 2 Beleidsregels Individuele Inkomenstoeslag
Artikel 10 Voorwaarden individuele inkomenstoeslag
1Om in aanmerking te komen voor de individuele inkomenstoeslag (IIT) dient aanvrager te voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 36 van de Participatiewet en in de Verordening individuele inkomenstoeslag Hoorn 2026. Aanvrager dient:
a.een langdurig laag inkomen te hebben zoals genoemd in artikel 3 van de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Hoorn 2026;
b.in de referteperiode voorafgaand aan de peildatum geen in aanmerking te nemen vermogen te hebben zoals genoemd in artikel 34 van de Participatiewet;
c.geen zicht op inkomensverbetering te hebben, gelet op de omstandigheden van aanvrager zoals genoemd in artikel 36 eerste lid van de Participatiewet;
d.tot de omstandigheden zoals genoemd in onderdeel c van dit artikel worden in ieder geval gerekend:
I. krachten en bekwaamheden van een persoon, en
II. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
2Onder een laag inkomen zoals genoemd in artikel 3 van de verordening individuele Inkomenstoeslag Hoorn 2026 wordt verstaan een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.
3Een mogelijke beslaglegging wordt buiten de berekening gehouden. Hiermee wordt bedoeld dat het bedrag aan beslag niet bij het inkomen wordt opgeteld.
4Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:
a.€ 400 voor een alleenstaande;
b.€ 500 voor een alleenstaande ouder;
c.€ 550 voor gehuwden.
Artikel 11 Recht op individuele inkomenstoeslag
1Recht op de individuele inkomenstoeslag heeft de aanvrager die op de peildatum geen zicht heeft op inkomensverbetering. Dit zijn inwoners die:
a.volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn als bedoeld in artikel 9 lid 5 van de Participatiewet;
b.die op grond van artikel 9a van de Participatiewet een ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling hebben; of
c.die op grond van artikel 6b van de Participatiewet medisch urenbeperkt zijn en waarop een vrijlating van inkomsten zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder z van toepassing is; of
d.die op grond van artikel 9 tweede lid van de Participatiewet een tijdelijke ontheffing hebben;
e.alle inwoners die niet onder a t/m d behoren worden beoordeeld op basis van artikel 11 lid 2 van deze beleidsregel.
2Voor de beoordeling van het zicht op inkomensverbetering voor anderen dan bovenstaande categorieën, wordt gekeken naar onderstaande criteria:
a.De mogelijkheden van de aanvrager en/of zijn partner op de arbeidsmarkt;
b.Zijn/haar of hun inspanningen om te komen tot inkomensverbetering;
c.Het volgen van een opleiding of studie als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
d.Opgelegde maatregelen die het zicht op inkomensverbetering kunnen belemmeren, zoals het niet voldoen aan de arbeids- of re-integratieverplichtingen of de verplichting om de Nederlandse taal te leren.
Artikel 12 Aanvraag
1Aanvragen worden schriftelijk ingediend als het een eerste aanvraag betreft.
2Aanvraagdatum is de peildatum. De peildatum bij een vervolgaanvraag is minimaal twaalf maanden na de eerste aanvraag.
3Bij een vervolgaanvraag kan de individuele inkomenstoeslag ambtshalve worden verstrekt.
Artikel 13. Referteperiode statushouders
In het kader van artikel 36 Participatiewet wordt voor statushouders de periode van verblijf in het buitenland betrokken bij de vaststelling van de referteperiode die geldt voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag.
Deze periode wordt slechts in aanmerking genomen indien de aanvrager aannemelijk maakt dat gedurende het verblijf in het buitenland geen sprake was van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet, noch van vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet, en dat evenmin sprake was van een reëel en concreet perspectief op inkomensverbetering.
Hoofdstuk 3 Studietoeslag
Artikel 14 Voorwaarden
1Er bestaat recht op studietoeslag op grond van artikel 36b van de Participatiewet als aanvrager:
a.als rechtstreeks gevolg van structurele medische beperking niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven;
b.studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het Levenlanglerenkrediet van de WSF valt niet hieronder;
c.geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong Medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek.
Artikel 15 Aanvraag
1Een aanvraag als bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet wordt digitaal of schriftelijk aangevraagd door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier.
2Aanvrager verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken:
a.een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of van een tegemoetkoming op grond van de WTOS;
b.bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt.
3Aanvrager kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring verstrekken waarin staat waarom aanvrager niet kan werken naast de studie
Artikel 16 Toekennen
1Als door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de aanvrager de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
2In afwijking van lid 1 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop de aanvrager de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als:
a.aanvrager daarom verzoekt; en
b.aanvrager over deze periode aannemelijk kan maken te voldoen aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag; en
c.aanvrager in deze periode woonplaats had in de gemeente Hoorn als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3In afwijking van lid 2 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen:
a.voor 1 april 2022;
b.5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de aanvrager de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
4Als het medisch advies hiertoe aanleiding geeft, wordt de studietoeslag voor een beperkte afgebakende periode verstrekt.
5De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.
6De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald.
Artikel 17 Hoogte studietoeslag
1De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het “Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021”. Deze worden jaarlijks geactualiseerd via de normenbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2Als de studietoeslag met terugwerkende kracht wordt toegekend, dan wordt de hoogte van de studietoeslag vastgesteld aan de hand van het in die maanden geldende beleid.
3Als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de studietoeslag geldt in de maand waarin een aanvrager jarig wordt, het bedrag dat hoort bij de leeftijd die aanvrager op de verjaardag heeft bereikt.
Artikel 18 Medisch advies
1Het college vraagt een medisch advies aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking.
2Het vragen van een medisch advies blijft achterweg als:
a.direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking;
b.op basis van de deskundigenverklaring, als bedoeld in artikel 19 het recht kan worden vastgesteld;
c.vaststaat dat aanvrager geen studiefinanciering op grond van de WSF of tegemoetkoming op grond van de WTOS ontvangt;
d.aanvrager recht heeft op een Wajong uitkering; of
e.aanvrager werkt naast de studie, niet zijnde een stage;
Artikel 19 Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
Wanneer het medisch advies of de persoonlijke situatie van aanvrager daartoe aanleiding geeft, zal binnen de daartoe in het advies opgenomen termijn, of bij het ontbreken daarvan een redelijke termijn, een nieuw medisch advies worden gevraagd om te beoordelen of aanvrager nog aan de voorwaarden voldoet als bedoeld in artikel 14.
Hoofdstuk 4 Beleidsregels Meedoenbudget
Artikel 20 Meedoen budget
1Een inwoner van 18 jaar of ouder met een laag inkomen en een bescheiden vermogen kan per kalenderjaar een Meedoen budget krijgen. Het Meedoen budget wordt op de HoornPas gestort.
2Het Meedoen budget is een stimulans om mee te kunnen doen aan de samenleving en kan besteed worden aan:
a.Sport-, culturele-, en educatieve activiteiten en/of;
b.Vergoeding van kosten die deze activiteiten mogelijk (kunnen) maken.
c.De hoogte van het Meedoen budget bedraagt € 100 per kalenderjaar.
Hoofdstuk 5 Beleidsregels Kindpakket
Artikel 21 Kindpakket
1Een inwoner tot 18 jaar van wie de ouders een laag inkomen en een bescheiden vermogen hebben kan per kalenderjaar een Kindpakket krijgen.
2Het Kindpakket is een stimulans om mee te kunnen doen aan de samenleving alsof de ouder(s)/ verzorger(s) van die inwoner geen laag inkomen heeft/ hebben en bestaat in ieder geval uit de voorzieningen:
a.Het meedoenbudget zoals is opgenomen in hoofdstuk 4;
b.Toegang tot faciliteiten die via samenwerkingen door inspanning van het college tot stand zijn gekomen;
c.de mogelijkheid tot het behalen van zwemdiploma A en B;
d.de mogelijkheid tot het verkrijgen van een computer;
e.gratis toegangskaartjes voor de Hoornse kermis en
f.overige door het college aan te vullen voorzieningen.
3Het Meedoen budget in het Kindpakket bedraagt € 250 per kalenderjaar en kan besteed worden aan:
a.Sport-, culturele-, en educatieve activiteiten en/of;
b.Vergoeding van kosten die deze activiteiten mogelijk (kunnen) maken.
4De onder lid 2 sub c bedoelde mogelijkheid tot het behalen van zwemdiploma A en B geldt voor kinderen van 5 tot 11 jaar.
5De onder lid 2 sub d bedoelde mogelijkheid tot het verkrijgen van een computer, kan ééns in de vijf jaar voor kinderen van 4 tot 18 jaar oud worden verstrekt, waarbij maximaal 3 computers binnen één gezin worden verstrekt zolang tot dat gezin meer dan drie kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar behoren.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Artikel 22 Hardheidsclausule
In bijzondere gevallen kan door het college worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels, als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn.
Artikel 23 Ingangsdatum
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en hebben terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De beleidsregels Bijzondere bijstand 2023 worden gelijktijdig ingetrokken.
Artikel 24 Citeertitel
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ''Beleidsregels Inkomensregelingen gemeente Hoorn 2026''.
Aldus vastgesteld, 31 maart 2026
College van burgemeester en wethouders
de secretaris, de burgemeester