Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen

Huidige tekst

Artikel 11 Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen

Geldt sinds 1 september 1990

De rechterlijke of administratieve autoriteiten van iedere Verdragsluitende Staat treffen onverwijld maatregelen ter bevordering van de terugkeer van het kind. Wanneer de desbetreffende rechterlijke of administratieve autoriteit niet binnen zes weken nadat het verzoek tot haar wordt gericht tot een uitspraak is gekomen, kan de verzoeker of de centrale autoriteit van de aangezochte Staat zelfstandig of op verzoek van de centrale autoriteit van de verzoekende Staat een verklaring vragen met betrekking tot de redenen van deze vertraging. Indien het antwoord wordt ontvangen door de centrale autoriteit van de aangezochte Staat, dient deze autoriteit dit antwoord door te geven aan de centrale autoriteit van de verzoekende Staat of aan de verzoeker, al naar gelang van het geval.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2019:11556Rechtbank Den Haag, 24 oktober 2019 (personen- en familierecht)

    Bevoegdheid Nederlandse rechter om kennis te nemen van de met de echtscheidingsprocedure samenhangende voorlopige voorzieningen. Hoewel de minderjarige feitelijk al enige tijd in Polen verblijft…

  • ECLI:NL:GHDHA:2018:2254Gerechtshof Den Haag, 22 augustus 2018 (personen- en familierecht)

    Internationale kinderontvoering. Ondragelijke situatie in de zin van artikel 13 lid 1 sub b HKOV. Bemoeienis gecertificeerde instelling. Adequate voorziening. Artikel 11 lid 4 en 11 lid 6 Brussel II…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.