Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Uitv reg IB 2001

Huidige tekst

Artikel 4a Uitv reg IB 2001

Geldt sinds 1 januari 2010

Toerekening afgezonderd particulier vermogen 1 Degene die als begunstigde een juridisch afdwingbaar recht heeft ten laste van een afgezonderd particulier vermogen, wordt in zoverre in de belastingheffing betrokken. 2 Indien aan twee of meer personen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend, wordt bij deze toerekening aangesloten bij de waarde van hetgeen ten tijde van de afzondering door ieder van de bedoelde personen of hun rechtsvoorgangers is afgezonderd in de zin van artikel 2.14a, derde lid, van de wet. Met uitkeringen uit het vermogen van het afgezonderd particulier vermogen wordt op overeenkomstige wijze rekening gehouden. 3 Ingeval bij een afzondering van vermogen in een afgezonderd particulier vermogen niet bekend is welk vermogen door iemand is afgezonderd, vindt toerekening van dit vermogen plaats naar rato van het aantal personen dat vermogen daarin heeft afgezonderd. 4 Onder het onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect, afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen, bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de wet, wordt mede verstaan: a.het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen tegen een prijs die afwijkt van de waarde in het economische verkeer; b.het bedingen van voorwaarden bij het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen die niet overeenkomen met voorwaarden die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn; c.het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van de wet. 5 Bezittingen en schulden van een afgezonderd particulier vermogen worden in aanmerking genomen naar de waarde in het economisch verkeer die zou gelden als deze bezittingen en schulden deel zouden uitmaken van het vermogen van degene aan wie de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend. 6 De erfgenaam die gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling, bedoeld in artikel 2.14a, zesde lid, van de wet, dient ten minste de volgende gegevens aan de inspecteur over te leggen: a.een beschrijving van het soort afgezonderd particulier vermogen en land van vestiging; b.de oprichtingsakte van het afgezonderd particulier vermogen inclusief bijlagen (zoals instructies, reglementen, letter of wishes, statuten); c.de meest actuele jaarstukken van het afgezonderd particulier vermogen over minimaal drie jaren; d.naam- en adresgegevens van de inbrenger van het vermogen en van de overige erfgenamen; e.alle overige stukken waaruit blijkt dat de bedoelde erfgenaam geen begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen en dit in de toekomst ook nooit kan worden.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2022:1233Parket bij de Hoge Raad, 21 december 2022 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of het door de grootouders van belanghebbende in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, moet worden aangemerkt als discretionair…

  • ECLI:NL:PHR:2022:1234Parket bij de Hoge Raad, 21 december 2022 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of het door de ouders van belanghebbende in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, moet worden aangemerkt als discretionair vermogen…

  • ECLI:NL:PHR:2014:1860Parket bij de Hoge Raad, 30 september 2014 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/04999 naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 12 september 2013…

  • ECLI:NL:GHDHA:2021:2071Gerechtshof Den Haag, 20 oktober 2021 (belastingrecht)

    Art. 16 Successiewet 1956, art. 2.14a Wet IB 2001. Erfbelasting. Afgezonderd particulier vermogen in stichting met geen ander feitelijk doel dan verhuur van vier panden. Stichting is geen SBBI.…

  • ECLI:NL:RBGEL:2020:5410Rechtbank Gelderland, 12 oktober 2020 (belastingrecht)

    Schenkbelasting. APV. In geschil is of sprake is van afgezonderd particulier vermogen in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001. Zo ja, dan is in geschil wie inbrenger is. De rechtbank overweegt dat…

  • ECLI:NL:RBGEL:2020:5411Rechtbank Gelderland, 12 oktober 2020 (belastingrecht)

    Erfbelasting. APV. In geschil is of sprake is van afgezonderd particulier vermogen in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001. Zo ja, dan is in geschil wie inbrenger is. De rechtbank overweegt dat slechts…

  • ECLI:NL:RBDHA:2015:14771Rechtbank Den Haag, 25 november 2015 (belastingrecht)

    Vader heeft naar Liechtensteins recht een Stiftung opgericht en daarin zijn vermogen ingebracht. Eiser en zus waren als begunstigden aangemerkt. Na het overlijden van vader is zus verwijderd uit het…

  • ECLI:NL:GHAMS:2013:2884Gerechtshof Amsterdam, 12 september 2013 (belastingrecht)

    Het Hof oordeelt evenals de rechtbank dat belanghebbende geen recht heeft op vermindering van het van haar geheven schenkingsrecht omdat aan de voorwaarden van het overgangsrecht niet is voldaan.…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.