Huidige tekst
Artikel 26 Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden
Vorderingen uit hoofde van de levering van goederen (artikel 1 (1)) (1) De crediteur heeft het recht van de debiteur betaling naar het buitenland te verlangen, en wel: (a) van één derde van het verschuldigde bedrag vanaf het begin van het jaar 1953; (b) van de resterende twee derden van het verschuldigde bedrag, in tien gelijke jaarlijkse termijnen, vanaf 1 Januari 1954. (2) De crediteur kan tot 31 December 1953 verlangen, dat de debiteur, in plaats van de onder lid (1) ( b) bedoelde betaling naar het buitenland, binnen drie maanden na zijn desbetreffend verzoek het restant van zijn vordering (twee derden van het oorspronkelijk verschuldigde bedrag) in D. mark betaalt. Aan crediteuren en debiteuren wordt overgelaten in onderling overleg deze termijn met nog eens drie maanden te verlengen, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. (3) Na 31 December 1953 kan de crediteur betaling van het restant van zijn vordering in D. mark alleen met goedvinden van de debiteur verlangen.