Huidige tekst
Artikel 9 Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut
- 1
De President, de Algemeen Secretaris en, behoudens het bepaalde in artikel 13, de leden van het docentencorps en de personeelsleden van het Instituut genieten, a) ook nadat zij de dienst van het Instituut hebben verlaten, vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie en binnen de grenzen van hun bevoegdheden verricht; deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van door bovengenoemde personen begane verkeersovertredingen, noch in geval van schade, veroorzaakt door een motorvoertuig dat hun toebehoort of door hen bestuurd werd; b) evenals hun inwonende gezinsleden, dezelfde faciliteiten ten aanzien van vrijstelling van alle maatregelen die de immigratie beperken en de inschrijving van vreemdelingen regelen, als die welke in het algemeen worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties; c) dezelfde voorrechten met betrekking tot monetaire of deviezenregelingen als die welke in het algemeen worden toegekend aan de personeelsleden van internationale organisaties; d) het recht, wanneer zij zich voor de duur van ten minste een jaar voor de eerste maal in de betrokken Staat vestigen, hun meubelen, hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto en hun persoonlijke bezittingen vrij van rechten in te voeren, en, bij het neerleggen van hun functie in de betrokken Staat, het recht hun meubelen, hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto en hun persoonlijke bezittingen vrij van rechten uit te voeren, in beide gevallen behoudens de voorwaarden en beperkingen, neergelegd in de wetgeving van de Staat waar dit recht wordt uitgeoefend.
- 2
De Overeenkomstsluitende Staten nemen in nauwe samenwerking met het Instituut alle dienstige maatregelen om het binnenkomen, het verblijf en het vertrek van personen op wie dit artikel van toepassing is, te vergemakkelijken.