Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Huidige tekst

Artikel 21 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Geldt sinds 12 april 1982

  1. 1

    Elke aangifte van een Verdragsluitende Partij welke tot strekking heeft het instellen van een strafvervolging voor de rechter van een andere Partij, wordt door het Ministerie van Justitie van de ene Partij tot het Ministerie van Justitie van de andere Partij gericht. De Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel gebruik maken van de bevoegdheid voorzien in het zesde lid van artikel 15.

  2. 2

    De aangezochte Partij deelt de verzoekende Partij mede welk gevolg aan deze aangifte is gegeven en doet een afschrift van de beslissing welke in de zaak is genomen aan de verzoekende Partij toekomen.

  3. 3

    Het bepaalde in artikel 16 is van toepassing op aangiften gedaan krachtens het eerste lid van dit artikel.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2001:ZD2426Hoge Raad, 13 maart 2001 (strafrecht)

    -

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:6711Rechtbank Amsterdam, 30 oktober 2024 (europees strafrecht)

    Polen, vervolgings-EAB, officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering nu de opgeëiste persoon bij overlevering het risico loopt op schending van zijn grondrechten vanwege de…

  • ECLI:NL:RBOBR:2023:6520Rechtbank Oost-Brabant, 20 september 2023 (strafrecht)

    Vervolging voor overtreding van primair artikel 6 Wegenverkeerswet en subsidiair artikel 5 Wegenverkeerswet in verband met een verkeersongeval in Kroatië. Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.