Burgerlijk Wetboek Boek 7A

BW

Huidige tekst

Artikel 7A:1665 BW

Geldt sinds 1 januari 2002

Wanneer een der vennooten, voor zijne eigene rekening, eene opeischbare som te vorderen heeft van iemand die mede eene insgelijks opeischbare som verschuldigd is aan de maatschap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld der maatschap en op die van hemzelven, naar evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijne eigene inschuld mogt gebragt hebben; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft dat de geheele betaling zoude strekken voor de inschuld der maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2008:BG0973Parket bij de Hoge Raad, 28 november 2008 (civiel recht)

    Afwikkeling nalatenschap; beschikkingsbevoegdheid deelgenoot over aandeel gemeenschapsgoed bij ontbrekende toestemming, verbod art. 3:190 lid 1 BW strekt niet verder dan zijn ratio verlangt.

  • ECLI:NL:RBNHO:2022:7958Rechtbank Noord-Holland, 31 augustus 2022 (verbintenissenrecht)

    Tussenvonnis. Zaak naar de rol voor akte aan de zijde van beide partijen.

  • ECLI:NL:OGEAA:2021:606Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 17 november 2021 (civiel recht)

    Civiel. rekening en verantwoording, rectificatie, verenigingsactiviteiten.

  • ECLI:NL:GHARL:2013:7907Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2013 (civiel recht)

    Geschil tussen broer en zus over afrekening na opzegging maatschap en voortzetting agrarisch bedrijf door een van hen. Kernvraag is welke waarderingsgrondslag bij vaststelling van de overnamesom moet…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.