Aanhef
(AH 16/09)
Overwegende
dat het gewenst is beleidsregels vast te stellen inzake het opleggen van bestuurlijke boeten ten behoeve van de heffing van waterschapsbelastingen;
dat het wenselijk is om de bestaande beleidsregels aan te passen met het oog op de naamswijziging van “Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht” in “Waterschap Amstel, Gooi en Vecht”;
gelet op
hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 122d en 123 van de Waterschapswet en artikel 7.2 van de Waterwet;
besluit
vast te stellen het volgende Besluit fiscale bestuurlijke boeten Amstel, Gooi en Vecht 2017.
Tekst
Paragraaf1Reikwijdte
In dit besluit heb ik mijn beleid neergelegd voor het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing.
Paragraaf2Begrip belanghebbende
1Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd.
2Bestuurlijke boeten kunnen aan de medepleger, feitelijk leidinggever of opdrachtgever worden opgelegd,
Paragraaf3Ambtshalve vermindering
1Onjuist gebleken boetebeschikkingen kunnen op grond van artikel 65 van de AWR in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering. De Regeling ambtshalve beleid 2017 is van overeenkomstige toepassing op boetebeschikkingen.
2Van de ambtshalve vermindering moet de mogelijkheid van kwijtschelding onderscheiden worden. Die bevoegdheid komt op grond van artikel 66 van de AWR toe aan het dagelijks bestuur, dit besluit bevat daarom geen bepalingen over deze mogelijkheid.
Paragraaf4Pleitbaar standpunt of avas
1In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de ambtenaar belast met de heffing geen boete op. Als bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de ambtenaar belast met de heffing de boete. Bij avas wordt geacht dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
2Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen. Is er sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belanghebbende er geen verwijt van worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Een pleitbaar standpunt sluit het opleggen van zowel een verzuimboete als een vergrijpboete uit.
Paragraaf5Vrijwillige verbetering
1Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de ambtenaar belast met de heffing bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de ambtenaar belast met de heffing dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.
2Van uitdrukkelijk kenbaar maken is sprake als belanghebbende een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de ambtenaar belast met de heffing in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen.
3Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden geleverd door de ambtenaar belast met de heffing aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.
4Belanghebbende kan bijvoorbeeld niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld.
5Uitsluitend de vrijwillige verbetering voor vergrijpboeten bij aanslagbelastingen heeft een wettelijke basis (artikel 67n AWR: de inkeerregeling). De vrijwillige verbetering voor vergrijpboeten
bij de aanslagbelastingen is beleidsmatig in Paragraaf 17 geregeld.
Paragraaf6Straftoemeting
1Bij het opleggen van een boete gaat de ambtenaar belast met de heffing uit van de percentages of bedragen vermeld in dit besluit. Het opleggen van een boete is een vorm van straftoemeting. Daarom houdt de ambtenaar belast met de heffing rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van de percentages of bedragen van dit besluit kan worden opgelegd. Deze omstandigheden (zie Paragraaf 7 en Paragraaf 8) vormen het sluitstuk van de behoorlijke straftoemeting bij bestuurlijke boeten. Gelet hierop is de ambtenaar belast met de heffing bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de boete dus niet gebonden aan vaste bedragen of percentages. De op grond van Paragraaf 15 tot en met 19 bepaalde hoogte van de boete kan zowel met een bepaald bedrag als met een bepaald percentage verlaagd of verhoogd worden. De boete kan echter nooit meer bedragen dan het wettelijk maximum.
2Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden. Het resultaat van de afweging zal moeten leiden tot een boete die passend is te achten bij de geconstateerde beboetbare gedraging.
3Bij de meeste verzuimboeten zal, vanwege de wijze van oplegging, individueel getinte straftoemeting eerst in bezwaar aan de orde kunnen komen.
4Voor de mogelijke verminderingen van de boete als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de nadere regels die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 19 december 2008, nr. 42 763.
5De stelplicht en bewijslast van strafverzwarende factoren rust op de ambtenaar belast met de heffing; de stelplicht en bewijslast van strafverminderende factoren op belanghebbende. Als de ambtenaar belast met de heffing op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, zal hij bij het opleggen van de boete daarmee rekening houden. De ambtenaar belast met de heffing hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren sprake is.
6Gedragingen van belanghebbende na het begaan van het beboetbare feit, kunnen ook bij de straftoemeting worden betrokken.
Paragraaf7Strafverminderende omstandigheden
1Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren:
a.een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van dit besluit op te leggen of opgelegde boete;
b.verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit.
2Er is sprake van een strafverminderende omstandigheid wanneer een belastingplichtige tot inkeer komt en er twee jaren of meer zijn verstreken na het beboetbare feit (artikel 67n, tweede lid, van de AWR). De vergrijpboete kan in zo’n geval worden gematigd tot 30 procent van het wettelijk maximum.
3Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een sanctie die proportioneel is, dat wil zeggen in evenredigheid staat tot de ernst van het feit. Als de ambtenaar belast met de heffing zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief.
4Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen.
5Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te
matigen behoren ook de financiële omstandigheden van de belanghebbende.
6Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden. De ambtenaar belast met de heffing dient dus bij het hanteren van deze matigingsgrond kritisch te zijn.
7Slechte financiële omstandigheden ten tijde van het opleggen van de boete kunnen er toe leiden
dat de boete belanghebbende onevenredig treft.
8Slechte financiële omstandigheden ten tijde van de verweten gedraging kunnen de verwijtbaarheid daarvan verminderen.
9Geen vermindering wegens financiële omstandigheden zal worden verleend, als belanghebbende deze aan zichzelf te wijten had.
10Bij vermindering wegens financiële omstandigheden kan het (zakelijke) karakter van de belasting een rol spelen.
Paragraaf8Strafverzwarende omstandigheden
1In bijzondere gevallen kan de op grond van Paragraaf 17 tot en met 19 bepaalde vergrijpboete worden verhoogd. Het verhogen van een verzuimboete op grond van deze paragraaf is niet toegestaan.
2In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden gehouden met recidive. Van recidive is sprake als aan belanghebbende voor hetzelfde belastingmiddel reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd.
3Bij recidive kan de vergrijpboete bij grove schuld maximaal worden verdubbeld tot 50 procent.
4Bij recidive kan de vergrijpboete bij opzet maximaal worden verdubbeld tot 100 procent.
5Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats als in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de ambtenaar belast met de heffing op te leggen vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd of een transactie is voldaan.
6Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken van opzet dan wel grove schuld, dan wordt de toegepaste verhoging van de vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve gecorrigeerd.
7De ernst van de te beboeten gedraging kan aanleiding geven de op de voet van dit besluit, op te leggen vergrijpboete te verhogen tot het wettelijk maximum. Hiertoe is in elk geval aanleiding als sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Als het gevolg van het te beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald verhoudingsgewijs omvangrijk is, kan de ambtenaar belast met de heffing de vergrijpboete eveneens tot het wettelijk maximum verhogen.
8Buiten de voorgaande leden kan er aanleiding zijn een vergrijpboete te verhogen, dan wel een vermindering van een vergrijpboete te beperken of na te laten op grond van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende of de wijze waarop, dan wel de omstandigheden waaronder, het feit heeft plaatsgevonden
Paragraaf9Eenvoudige en uitvoerige procedure (artikel 67pa van de AWR)
1In afdeling 5.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn twee procedures neergelegd:
-de lichte procedure;
-de zware procedure.
2Bij het opleggen van een verzuimboete kan worden volstaan met het volgen van de lichte procedure, hetgeen een relatief eenvoudige procedure is voor lichte boeten.
3De zware procedure moet worden gevolgd wanneer het opleggen van een vergrijpboete wordt overwogen. Zie Paragraaf 11, eerste lid.
Paragraaf10Mededelingsplicht
1Bij het opleggen van een boete vermeldt de mededeling de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete, alsmede, als sprake is van een vergrijpboete, de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden die tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid.
2Als een kennisgeving in de zin van Paragraaf 11 is verzonden waarin de gronden van het voornemen een vergrijpboete op te leggen zijn opgenomen, waarop geen reactie van belanghebbende is ontvangen, kan de ambtenaar belast met de heffing in de mededeling volstaan met een verwijzing naar de kennisgeving.
Paragraaf11Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete
1Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met uitzondering van de kennisgeving en hoorplicht vooraf (zie artikel 67pa, eerste lid, van de AWR). Deze paragraaf is dus een extra waarborg bij vergrijpboeten.
2Een kennisgeving is een rapport in de zin van artikel 5:48 van de Awb.
3De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk. Het voorschrift om de kennisgeving schriftelijk te
doen, is opgenomen om iedere twijfel over de nakoming van deze verplichting uit te sluiten.
4De ambtenaar belast met de heffing geeft belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten. De duur van de termijn voor het betwisten van de inhoud van de kennisgeving is niet voor alle gevallen vooraf vast te stellen. De bedoeling van de verplichte kennisgeving is belanghebbende in staat te stellen gemotiveerde verweren tegen de voorgenomen vergrijpboete aan te voeren. Bij het bepalen van de termijn houdt de ambtenaar belast met de heffing hiermee rekening. De ambtenaar belast met de heffing stelt een redelijke termijn voor het betwisten van de gronden in de kennisgeving, rekening houdend met de termijn genoemd in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. In de gevallen waarin dadelijk en ineens invorderbare belastingaanslagen worden opgelegd, kan de termijn, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, zeer kort zijn.
5Als belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de ambtenaar belast met de heffing gehoord.
6Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven als het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. In een dergelijke situatie kan de ambtenaar belast met de heffing nog wel overgaan tot het opleggen van een verzuimboete. Het una-viabeginsel staat daaraan niet in de weg. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden als de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.
Paragraaf12Recht op inzage
1Op grond van artikel 5:49 van de Awb stelt de ambtenaar belast met de heffing belanghebbende desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.
2Als belanghebbende inzage verzoekt in andere dan de hiervoor bedoelde gegevens, verleent de ambtenaar belast met de heffing inzage en staat toe dat afschriften worden vervaardigd, als belanghebbende aannemelijk maakt dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de verdediging. Gegevens over derden worden zoveel mogelijk op zodanige wijze verstrekt dat zij niet tot die derden zijn te herleiden.
Paragraaf13Verhoor
1Belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden verplicht (artikel 5:10a van de Awb). Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie).
2De ambtenaar belast met de heffing maakt na afloop van het verhoor een verslag.
3Het verslag van het verhoor bevat de volgende gegevens:
-datum, tijdstip en plaats van verhoor;
-naam van de verhoorde;
-naam of namen van degene(n) die verhoort/verhoren;
-als bijstand aanwezig is, de namen en hoedanigheden van degenen die bijstand verlenen;
-als een tolk aanwezig is, de naam van de tolk en de gebruikte taal;
-de melding van het geven van de cautie;
-doel van het verhoor;
-verklaring(en) van de verhoorde afgelegd tijdens het verhoor;
-handtekening van degene(n) die verhoort/verhoren.
4Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag.
Paragraaf14Keuze tussen verzuimboete of vergrijpboete
1Onder hetzelfde feit wordt verstaan dezelfde gedraging in materiële zin.
2aIn een aantal gevallen kan op een beboetbaar gestelde gedraging (hetzelfde feit) ofwel een verzuimboete ofwel een vergrijpboete opgelegd worden. Dit wordt samenloop genoemd;
bijvoorbeeld bij aanslagbelastingen als geen aangifte is gedaan (keuze tussen de artikelen 67a
en 67d van de AWR).
2bAls het opleggen van een vergrijpboete tot een lager boetebedrag voor hetzelfde feit zou leiden dan het opleggen van een verzuimboete dan kiest de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de hogere verzuimboete.
3Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb). Als na het opleggen van een verzuimboete wordt geconstateerd dat sprake is van opzet of grove schuld, kan geen vergrijpboete ter zake van dezelfde gedraging worden opgelegd.
4Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb). Een opgelegde vergrijpboete kan niet worden omgezet in een verzuimboete. De ambtenaar belast met de heffing dient de mogelijkheid van deze uitkomst mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim- of vergrijpboete.
5De mogelijkheid blijft bestaan dat gelijktijdig met de belastingaanslag zowel een verzuim- als een vergrijpboete wordt opgelegd. Deze mogelijkheid doet zich voor als twee afzonderlijk omschreven beboetbaar gestelde gedragingen zijn geconstateerd. Er kan bijvoorbeeld bij het opleggen van de aanslag een verzuimboete worden opgelegd wegens het niet binnen de termijn doen van aangifte (artikel 67a van de AWR) en een vergrijpboete wegens de opzettelijke onjuistheid van diezelfde aangifte (artikel 67d van de AWR).
Paragraaf15Aangifteverzuimboete artikel 67a van de AWR
1Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte wordt aangemerkt als een verzuim.
2In het geval van het niet binnen de termijn doen van aangifte legt de ambtenaar belast met de heffing in geval van een eerste verzuim een boete op van 5 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 20,––. In geval van een tweede verzuim legt de ambtenaar belast met de heffing een boete op van 10 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is dan niet lager dan € 50,––. De ambtenaar belast met de heffing legt een boete van 15 procent op van het bedrag van de aanslag, als sprake is van een derde/volgend verzuim. De verzuimboete is dan niet lager dan € 150,--. De verzuimboete is niet hoger dan het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR.
3In het geval van het niet doen van aangifte legt de ambtenaar belast met de heffing een boete op van 15 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 150,––.De verzuimboete is niet hoger dan het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR.
4Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte is alleen sprake van een verzuim, als belanghebbende de aangifte niet binnen een door de ambtenaar belast met de heffing gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de ambtenaar belast met de heffing op grond van artikel 9, lid 3, van de AWR.
5Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.
6In afwijking van het tweede, derde, vierde en vijfde lid kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn als belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
6Wegens het niet binnen de termijn doen van aangifte kan op grond van de wet uitsluitend een verzuimboete worden opgelegd.
7Als het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangifte niet is gedaan, vormt dit een vergrijp in de zin van artikel 67d van de AWR (zie Paragraaf 17). De ambtenaar belast met de heffing moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete (zie Paragraaf 14).
Paragraaf16Verzuimboete artikel 67ca van de AWR
1Het niet voldoen aan de verplichting, welke wordt opgelegd bij of krachtens de in artikel 67ca,
eerste lid, van de AWR vermelde artikelen, wordt aangemerkt als een verzuim.
2Ter zake van het verzuim kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 50 procent van het
wettelijk maximum van artikel 67ca, eerste lid, van de AWR.
3In afwijking van het tweede lid kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk
maximum worden opgelegd.
4De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige.
5De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met
een eventuele (ambtshalve) belastingaanslag te worden genomen.
Paragraaf17Vergrijpboete algemeen
1Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd als er sprake is van grove schuld of opzet.
2Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. In geval van grove schuld legt de ambtenaar belast met de heffing een vergrijpboete op van 25 procent.
3Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet binnen de termijn betaald is. In geval van opzet legt de ambtenaar belast met de heffing een vergrijpboete op van 50 procent.
4De ambtenaar belast met de heffing dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. De ambtenaar belast met de heffing kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.
5De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de bewijslast geldt niet voor het vaststellen van opzet of grove schuld.
6Bij minder dan grove schuld wordt geen vergrijpboete opgelegd.
7Voor het bepalen van de grondslag van de vergrijpboete wordt, voor zover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook als de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.
8Als bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald, berekent de ambtenaar belast met de heffing de boete over dat - naar evenredigheid bepaalde - gedeelte.
9Het achtste lid vindt overeenkomstige toepassing als meer dan één boetepercentage moet worden toegepast.
10Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de ambtenaar belast met de heffing rekening met eventuele bijzondere omstandigheden (zie Paragraaf 6 tot en met 8).
11Als er sprake is van inkeer (zie Paragraaf 5) na twee jaar kan de ambtenaar belast met de heffing een vergrijpboete opleggen. Inkeer is een strafverminderende omstandigheid (zie artikel 67n van de AWR en Paragraaf 7).
Paragraaf18Vergrijpboete aanslag artikel 67d van de AWR
1Als een aangifte met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, legt de ambtenaar belast met de heffing gelijktijdig met de aanslag een vergrijpboete op.
2Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet binnen de termijn doen van aangifte is niet mogelijk.
3De vergrijpboete wordt berekend over het bedrag van de aanslag.
4Als een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie ’opzet’ kan worden verbonden.
5Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele (geschatte) aanslag.
6Onder het bedrag van de aanslag wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen en opgelegde voorlopige aanslagen.
7Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de ambtenaar belast met de heffing rekening met de voorschriften inzake de straftoemeting. Zie Paragraaf 6 tot en met Paragraaf 8.
Paragraaf19Vergrijpboete navordering artikel 67e van de AWR
1Als het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, legt de ambtenaar belast met de heffing gelijktijdig met de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op.
2Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de ambtenaar belast met de heffing binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de ambtenaar belast met de heffing de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.
3Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de ambtenaar belast met de heffing rekening met de voorschriften inzake de straftoemeting. Zie Paragraaf 6 tot en met Paragraaf 8.
Paragraaf20Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Besluit fiscale bestuurlijke boeten Amstel, Gooi en Vecht 2017.
2Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2017.
3.Bij het in werking treden van dit besluit wordt het Besluit fiscale bestuurlijke boeten Amstel, Gooi en Vecht 2011, vastgesteld op 14 december 2010, ingetrokken. Dit besluit blijft echter van kracht voor de beboetbare feiten die zich hebben voorgedaan vóór 1 januari 2017.
Amsterdam, 15 december 2016,
de ambtenaar belast met de heffing
I.M. de Boer – de Wolf.