Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Noord-Holland, 19 augustus 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:10996Zaaknummer HAA 24/3070, HAA 24/3071, HAA 24/3072, HAA 24/3073, HAA 24/3074 en HAA 24/3075

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Publicatiedatum
8 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 24/3070, HAA 24/3071, HAA 24/3072, HAA 24/3073, HAA 24/3074 en HAA 24/3075
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

(Navorderings)aanslagen IB/PVV (m.b.t. inkomen in box 1, 2 en 3) en vergrijpboetes opgelegd n.a.v. buitenlandse bankrenseignementen. Verlengde navorderingstermijn van toepassing (Unierechtelijke voortvarendheidseis n.v.t.). Vereiste aangiften niet gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Schattingen van verweerder zijn redelijk. Belanghebbende heeft niet voldaan aan de verzwaarde bewijslast. Verzuimboetes wel gematigd wegens overschrijding redelijke termijn.

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 24/3073 tot en met HAA 24/3075 ongegrond;

- verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 24/3070 tot en met HAA 24/3072 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de belastingjaren 2015, 2016 en 2017 wat betreft de beslissing omtrent de vergrijpboetes en handhaaft deze voor het overige;

- stelt de vergrijpboetes vast op € 4.682 voor het jaar 2015, op € 10.346 voor het jaar 2016 en op € 52.084 voor het jaar 2017;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1.868, en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. C. Huisman en

mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
  2. Procesverloop
  3. Dhr. [belanghebbende] (tweede brief)
  4. Beslissing
  5. Rechtsmiddel

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 24/3070, HAA 24/3071, HAA 24/3072, HAA 24/3073, HAA 24/3074 en HAA 24/3075

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D. Harreman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende over de jaren 2015 tot en met 2019 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV opgelegd (hierna ook: de navorderingsaanslagen respectievelijk de aanslag, en tezamen: de belastingaanslagen). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is voor alle jaren belastingrente in rekening gebracht en zijn voor de jaren 2015, 2016 en 2017 vergrijpboetes opgelegd.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraak op bezwaar de aanslag, de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen gehandhaafd. De vergrijpboetes voor de jaren 2015, 2016 en 2017 zijn verminderd.

Belanghebbende heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft een verzoek als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedaan voor de onleesbaar gemaakte delen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 15 juni 2024 bepaald dat de door verweerder gevraagde beperking van kennisneming gerechtvaardigd is. Ter zitting is namens belanghebbende verklaard dat hij erin toestemt dat de rechtbank uitspraak doet mede op grondslag van de ongeschoonde versie van de in deze uitspraak genoemde stukken.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2].

Overwegingen

Feiten

1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in de onderhavige jaren in Nederland.

2. Van 19 juni 2015 tot 12 januari 2016 is belanghebbende directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] Limited (hierna: [bedrijf 1] Ltd.), een vennootschap opgericht naar het recht van de Seychellen. De activiteiten van [bedrijf 1] Ltd. bestaan uit de verkoop van data ten behoeve van e-mail en sms-marketing.

3. Vanaf 12 januari 2016 worden alle aandelen van [bedrijf 1] Ltd. gehouden door [bedrijf 2] LLC, gevestigd te [vestigingsplaats 1] (Verenigde Staten van Amerika). Belanghebbende is enig aandeelhouder van de aandelen in laatstgenoemde entiteit.

4. [bedrijf 1] Ltd. heeft op 31 juli 2015 een bankrekening geopend bij de [bank 1], gevestigd op [vestigingsplaats 2]. In de periode dat de bankrekening actief was, is in totaal een bedrag van € 443.268,88 bijgeschreven. Hetzelfde bedrag is in zijn geheel afgeschreven van de rekening. Een deel van de afschrijvingen heeft de omschrijving ‘card funding’. In de onderhavige jaren zijn de volgende bedragen van de rekening bij de [bank 1] afgeboekt met de omschrijving ‘card funding’:

Jaarcard funding
2015€ 44.076,80
2016€ 97.377,40
2017€ 208,19
Totaal€ 141.662,39

5. Belanghebbende is vanaf 23 september 2015 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V. Vanaf 29 september 2015 is [bedrijf 3] B.V. aandeelhouder (voor 35%) van [bedrijf 4] B.V.

6. Belanghebbende is vanaf oktober 2016 tevens aandeelhouder en uiteindelijk gerechtigde van de naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten opgerichte en aldaar gevestigde vennootschap [bedrijf 5] Limited (hierna: [bedrijf 5] Ltd). De activiteiten van [bedrijf 5] Ltd. bestaan uit ‘Online Marketing and Network Management’.

7. [bedrijf 5] Ltd. heeft op 7 november 2016 een bankrekening bij de [bank 2] in [stad 1] (Verenigde Arabische Emiraten) geopend. Belanghebbende is de enige natuurlijke persoon die toegang heeft tot deze rekening. Op de rekening bij de [bank 2] komen overboekingen binnen van onder andere [bedrijf 1] Ltd.

8. Op 15 april 2017 is van de [bank 2] bankrekening van [bedrijf 5] Ltd. in totaal een bedrag van € 490.000 overgeboekt naar een bankrekening (bij [bank 3]) van [bedrijf 6] Limited, gevestigd te [vestigingsplaats 3], met als omschrijving “purpose payments for gold and jewellery”.

9. Op 7 november 2017 is de bankrekening van [bedrijf 5] Ltd. bij [bank 2] gesloten.

Aanslagen IB/PVV 2015 t/m 2019

10. Belanghebbende is door verweerder voor alle onderhavige jaren uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en heeft daar binnen de door verweerder gestelde termijn gehoor aan gegeven.

11. Belanghebbende heeft voor alle onderhavige jaren aangifte IB/PVV gedaan als binnenlands belastingplichtige in Nederland en heeft in de aangiften enkel inkomen uit werk en woning (box 1) opgenomen.

12. Verweerder heeft de aanslagen IB/PVV 2015 tot en met 2019 conform de ingediende aangiften vastgesteld.

Het onderzoek

13. Het Central Liaison Office (hierna: CLO) van de Nederlandse Belastingdienst heeft op 13 januari 2020 van de autoriteiten van [vestigingsplaats 2] een renseignement ontvangen dat betrekking heeft op belanghebbende.

14. In het renseignement is onder meer opgenomen dat belanghebbende directeur is van en alle aandelen houdt in [bedrijf 1] Ltd,, wanneer de vennootschap is opgericht en wat de activiteiten van de vennootschap zijn. Verder is daarin opgenomen dat [bedrijf 1] Ltd. een bankrekening aanhoudt bij [bank 1] en is er een overzicht verstrekt van de af- en bijschrijvingen van die bankrekening in de periode dat de bankrekening actief was.

15. Verweerder heeft naar aanleiding van de ontvangen informatie een onderzoek naar belanghebbende ingesteld en heeft van dit onderzoek een logboek bijgehouden dat tot de gedingstukken behoort. In dit logboek is opgenomen dat verweerder voor het eerst op 4 mei 2020 telefonisch contact heeft opgenomen met belanghebbende, waarbij vragen zijn gesteld aan belanghebbende over zijn betrokkenheid bij [bedrijf 1] Ltd en waarbij is afgesproken dat belanghebbende per e-mail contact opneemt met verweerder.

16. In de periode tussen 4 mei 2020 en het opleggen van de belastingaanslagen zijn verscheidene schriftelijke en telefonische contactmomenten geweest tussen partijen.

17. Op 28 oktober 2020 heeft verweerder een vragenbrief aan belanghebbende gestuurd met het verzoek informatie te verstrekken over zijn betrokkenheid bij de buitenlandse vennootschap [bedrijf 1] Ltd.

18. De voormalige gemachtigde van belanghebbende heeft per brief met dagtekening 31 mei 2021 op de twee vragenbrieven van verweerder gereageerd. In de reactie is onder meer het volgende opgenomen:

“[…] [bedrijf 1] Ltd. (eerste brief)

1. Aankoop data

1.1.

Onderliggende facturen van de aankoop van data zijn helaas niet aanwezig.

1.2.

Ter zake van de levering van data is het, naar wij begrijpen, niet gebruikelijk dat tussen partijen schriftelijke contracten worden gesloten. Deze ontbreken dan ook.

1.3.

De data werd opgeslagen op de pc's die indertijd aan partijen ter beschikking stonden, dan wel op eenvoudig te koppelen hardware ('drives' via USB).

2. Facturen

Ten aanzien van de vraag inzake de ontbrekende facturen is aan de voormalige corporate administrator van de vennootschap gevraagd om afschriften. Het is echter niet waarschijnlijk dat deze er thans hebben bestaan, gezien het feit dat facturen niet zelden niet in de correcte nummering werden opgemaakt.

3. [bedrijf 5] Ltd.

Het was initieel de bedoeling dat de vennootschap [bedrijf 5] Ltd. feitelijk de activiteiten van [bedrijf 1] zou overnemen; vooral omdat het verrichten van transacties middels een "corresponding bank" als de [bank 1] niet werkte. In die zin waren de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 5] gelijk aan de activiteiten van [bedrijf 1] Ltd. Hierover is, gezien het feit dat [bedrijf 5] zeer kortstondig actief is geweest geen verdere informatie voorhanden.

Dhr. [belanghebbende] (tweede brief)

1. Card Funding [bank 1]

1.1.

Voor wat betreft het gebruik van de creditcard is deze vooral gebruikt voor privé-uitgaven in de meest ruime zin van het woord. Hiervan zijn, gezien het tijdsverloop geen betaalbewijzen meer aanwezig.

1.2.

[bedrijf 1] Ltd. heeft 100.000 aandelen uitgegeven a USD 1,00 per aandeel. Ik heb enkel aangegeven dat de aandelen waren uitgegeven; een volstorting heeft niet plaatsgevonden.

2. [bedrijf 5] Ltd./ [bedrijf 2] LLC

2.1.

De mededeling inzake par. 3 (eerste brief) hierboven heeft ook betrekking op de beantwoording van deze vraag. [bedrijf 5] Ltd. zou initieel de activiteiten van [bedrijf 1] Ltd. overnemen omdat de samenwerking met de [bank 1] stroef verliep.

2.2.

Zie bijlage, waar we het "Memorandum of Association" en het "lncorporation Certificate" hebben gevoegd.

2.3.

Zie par. 2.2.

2.4.

Door [bedrijf 5] Ltd. zijn indertijd 100 aandelen a AED 10,00 uitgegeven (met de huidige AED/EUR koers betreft dit EUR 223140). Dit bedrag is niet volgestort.

2.5.

De heer [belanghebbende] was enig aandeelhouder vanaf het moment van oprichting

2.6.

Zoals reeds is aangegeven heeft [bedrijf 5] Ltd. de werkzaamheden van [bedrijf 1] indertijd overgenomen.

2.7.

Er is helaas geen vastlegging geweest van de aandeelhouder ten aanzien van beide vennootschappen.

2.8.

Aan een overzicht van bezittingen en schulden wordt thans gewerkt. Deze zullen wij u zo spoedig mogelijk toesturen.

2.9.

Beide vennootschappen zijn niet belastingplichtig voor de winstbelasting/vennootschapsbelasting geweest in [vestigingsplaats 1] /Verenigde Arabische Emiraten.

2.10.

De heer [belanghebbende] heeft geen feitelijke werkzaamheden verricht voor [bedrijf 2] LLC; deze vennootschap betrof een houdstermaatschappij.

2.11.

De heer [belanghebbende] heeft geen betalingen verricht aan [bedrijf 5] Ltd.

2.12.

De heer [belanghebbende] heeft geen beschikking over buitenlandse bankrekeningen,

betaalaccounts, creditcards op naam van een van deze vennootschappen.

2.13.

Er is geen vastlegging geweest van de aandeelhouder ten aanzien van activiteiten die de beide vennootschappen betreffen.

2.14.

[bedrijf 5] had indertijd een bankrekening bij de [bank 2]. Hierbij was het

enkel mogelijk om overboekingen te verrichten en zat er geen betaalpas of bijvoorbeeld creditcard aan gekoppeld. Daarbij is er nimmer een betaling gedaan aan de heer [belanghebbende] op wat voor manier dan ook. […]”

19. Op 23 november 2022 heeft verweerder, via het CLO, stukken ontvangen

van de Verenigde Arabische Emiraten om te voldoen aan een door het CLO ingediend informatieverzoek.

20. In de gerenseigneerde stukken is onder meer opgenomen dat belanghebbende directeur is van en alle aandelen houdt in [bedrijf 5] Ltd., wanneer die vennootschap is opgericht en wat de activiteiten van de vennootschap zijn. Verder is daarin opgenomen dat [bedrijf 5] Ltd. een bankrekening aanhoudt bij [bank 2] en is er een overzicht verstrekt van de af- en bijschrijvingen van die bankrekening in de periode dat deze actief was.

Navorderingsaanslagen 2015 t/m 2019 en de aanslag 2020

21. Bij brief van 14 juli 2023 heeft verweerder onder meer het opleggen van de navorderingsaanslagen, de aanslag en de vergrijpboetes met betrekking tot de jaren 2015 tot en met 2017 aangekondigd.

22. In de periode gelegen tussen 31 augustus 2023 en 25 november 2023 hebben partijen over en weer schriftelijk gecorrespondeerd.

23. Verweerder heeft vervolgens de belastingaanslagen opgelegd, berekend naar de volgende belastbare inkomens, alsmede bij gelijktijdig met de belastingaanslagen gegeven beschikkingen de volgende vergrijpboetes opgelegd en de volgende bedragen aan heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht:

JaarDagtekeningBelastbaar inkomen uit werk en woningBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belangBelastbaar inkomen uit sparen en beleggenVergrijp-boete (50% van de nagevorderde belasting)Belasting-rente
20152 december 2023€ 103.142€ 44.076€ 0€ 17.445€ 10.482
20162 december 2023€ 154.205€ 97.377€ 0€ 35.761€ 18.627
20172 december 2023€ 106.432€ 490.208€ 0€ 73.647€ 32.469
201825 november 2023€ 59.527€ 0€ 16.963€ 0€ 911
201925 november 2023€ 26.344€ 0€ 17.273€ 0€ 721
20201 december 2023€ 32.775€ 0€ 18.765€ 0€ 633

24. Bij uitspraken op bezwaar van 3 mei 2024 heeft verweerder de belastingaanslagen gehandhaafd en de vergrijpboetes voor de jaren 2015, 2016 en 2017 als volgt verminderd:

JaarDagtekeningVergrijpboete (50% van de nagevorderde box 2-belasting)
20153 mei 2024€ 5.509
20163 mei 2024€ 12.172
20173 mei 2024€ 61.276

Geschil

25. In geschil is of de navorderingsaanslagen, de aanslag en de daarbij horende boetebeschikkingen en rentebeschikkingen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd dan wel berekend. Meer specifiek is in geschil:

  • of het voortvarendheidsvereiste van toepassing is op de situatie van belanghebbende en, zo ja, of bij het opleggen van de navorderingsaanslagen aan het voortvarendheidsvereiste is voldaan;
  • of verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen 2015 tot en met 2017 terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen;
  • of verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen 2018 tot en met 2020 terecht inkomsten uit sparen en beleggen in aanmerking heeft genomen.
  • of de opgelegde boetes passend en geboden zijn.

26. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat bij het opleggen van alle navorderingsaanslagen niet aan het voortvarendheidsvereiste is voldaan en dat ten onrechte door verweerder correcties in aanmerking zijn genomen op het inkomen uit aanmerkelijk belang en het inkomen uit sparen en beleggen.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslagen en boetebeschikkingen, dan wel (subsidiair) tot vermindering van het inkomen uit aanmerkelijk belang en het inkomen uit sparen en beleggen en dienovereenkomstige vermindering van de belastingaanslagen en de boetebeschikkingen.

27. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het voortvarendheidsvereiste niet van toepassing is op de situatie van belanghebbende en subsidiair dat bij het opleggen van alle navorderingsaanslagen aan het voortvarendheidsvereiste is voldaan. Verweerder is verder van mening dat terecht inkomen uit aanmerkelijk belang en inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen. Volgens verweerder (primair) zijn de aan belanghebbende opgelegde vergrijpboetes van 50% passend en geboden. Subsidiair acht verweerder vergrijpboetes van 25% passend en geboden.

Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van de beroepen en subsidiair tot vermindering van de vergrijpboetes.

28. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Voortvarendheidsvereiste

29. In artikel 16, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR vervalt, in afwijking in zoverre van voornoemd derde lid, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen.

30. Het aanhouden van een (effecten)rekening door een ingezetene van een lidstaat bij een bankinstelling buiten de Europese Unie valt onder de reikwijdte van het begrip „kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten” in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VwEU) (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 15 februari 2017, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119). In artikel 63, eerste lid, van het VwEU is bepaald dat alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden zijn. Belastingheffing is in beginsel een beperking als in hiervoor bedoelde zin.

31. Uit jurisprudentie van het HvJ (van de Europese Gemeenschappen) van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot), ECLI:EU:C:2008:308, volgt dat artikel 16, vierde lid, van de AWR een gerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer van kapitaal inhoudt, mits die niet in strijd komt met het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel.

32. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, regels geformuleerd die ervoor zorgen dat het door het HvJ genoemde evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd wordt. Een van die regels is – kort gezegd – dat een navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid wordt voorbereid en vastgesteld door de inspecteur (de voortvarendheidseis).

33. Dat verweerder over een nieuw feit beschikte en tot navorderen mocht overgaan is tussen partijen niet in geschil. Belanghebbende betoogt dat verweerder bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen niet de vereiste voortvarendheid heeft betracht, omdat sprake is van onverklaarbare vertragingen aan de zijde van verweerder van meer dan zes maanden. Volgens belanghebbende heeft dit tot gevolg dat de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd.

34. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voortvarendheidseis niet van toepassing is omdat sprake is van kapitaalverkeer met zogenaamde ‘derde landen’. In dat geval is de verlengde navorderingstermijn onverkort van toepassing. Subsidiair voert verweerder aan dat aan het vereiste van voortvarendheid is voldaan.

35. De rechtbank stelt het volgende voorop. In artikel 64, eerste lid, van het VwEU (de zogenoemde standstill-bepaling) is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“Het bepaalde in artikel 63 doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van het nationale recht of het recht van de Unie inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen – met inbegrip van investeringen in onroerende goederen –, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.”

36. Tussen partijen is – naar het oordeel van de rechtbank terecht – niet in geschil dat in het geval van belanghebbende sprake is van financiële dienstverlening c.q. financiële transacties met derde landen die niet behoren tot de Europese Unie (EU), Europese Economische Ruimte (EER) of Landen en Gebieden Overzee (LGO). Gelet daarop en gelet op het feit dat artikel 16, vierde lid, van de AWR reeds vóór 31 december 1993 was ingevoerd, concludeert de rechtbank dat de regeling van de verlengde navorderingstermijn valt onder de standstill-bepaling. Dit volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843, en het arrest van het HvJ van 15 februari 2017, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119. Dit betekent dat de (Unierechtelijke) voortvarendheidseis niet van toepassing is en de verlengde navorderingstermijn, zoals verweerder terecht heeft gesteld, onverkort van toepassing is.

36. Belanghebbende heeft aangevoerd dat desalniettemin een proportionaliteits- en evenredigheidstoets dient te worden aangelegd en dat die toets uitwijst dat ook in dit geval de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid hadden moeten worden opgelegd. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet en overweegt dat de enkele omstandigheid dat de inspecteur een navorderingsaanslag niet voortvarend heeft opgelegd, niet meebrengt dat de wettelijke navorderingsbevoegdheid vervalt. Die omstandigheid leidt er evenmin toe dat uitoefening van die bevoegdheid door de inspecteur in strijd komt met het (in artikel 3:4 van de Awb gecodificeerde) evenredigheidsbeginsel (zie HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843, r.o. 3.2.1 en HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD4446, r.o. 4.2 en 4.3).

38. Bij deze stand van zaken behoeft het subsidiaire standpunt van verweerder, dat aan het voortvarendheidsvereiste is voldaan, geen behandeling meer door de rechtbank.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

39. Verweerder stelt dat belanghebbende in alle onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan nu in de jaren 2015, 2016 en 2017 sprake is van niet aangegeven gebruikelijk loon en verkapte winstuitdelingen door [bedrijf 1] Ltd. en [bedrijf 5] Ltd. aan haar aandeelhouder (belanghebbende) en in de jaren 2018, 2019 en 2020 van niet aangegeven vermogensbestanddelen, waardoor de volgens de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.

Belastingjaren 2015, 2016 en 2017

40. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen met betrekking tot de jaren 2015 tot en met 2017 terecht een bedrag aan gebruikelijk loon als inkomen uit werk en woning (box 1) in de heffing heeft betrokken. Het gaat om een correctie van respectievelijk € 44.000 (2015), € 88.000 (2016) en € 45.000 (2017).

41. Vaststaat dat belanghebbende bovengenoemde bedragen niet in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2015, 2016 en 2017 heeft opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat absoluut en relatief bezien een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Immers, de ingevolge de ingediende aangiften te betalen IB/PVV bedroeg € 21.570 (2015), € 24.709 (2016) respectievelijk € 22.608 (2017) terwijl dit met inachtneming van de inkomstenbelasting over het gebruikelijk loon € 45.432 (2015), € 71.888 (2016) respectievelijk € 47.351 (2017) moest zijn. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, die niet betwist heeft dat dit gebruikelijk loon aangegeven had dienen te worden in de aangiften, dit ten tijde van het doen van de aangifte wist of dat hij zich ervan bewust moest zijn, zodat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en voor deze jaren toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast in de zin van artikel 27e, eerste lid, van de AWR aan de orde is.

42. De rechtbank zal vervolgens moeten beoordelen of belanghebbende het vereiste tegenbewijs heeft geleverd ten aanzien van het geschatte inkomen en of deze schatting redelijk is (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047). De beoordeling of een schatting van verweerder redelijk (niet willekeurig) is, behelst een minder strenge toets dan de beoordeling of en in hoeverre aannemelijk is dat de belastingplichtige een bedrag aan winst of omzet niet in zijn aangifte heeft verantwoord (zie HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086). Op verweerder rust de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401).

43. De rechtbank is van oordeel – zoals ook partijen hebben betoogd – dat de correctie op het gebruikelijk loon in de jaren 2015, 2016 en 2017 terecht was, zodat niet kan worden gezegd dat de schatting in zoverre onredelijk is.

44. Verweerder heeft in de navorderingsaanslagen over de jaren 2015, 2016 en 2017 naast de correctie op het gebruikelijk loon (box 1) een bedrag van € 44.076 (2015) respectievelijk € 97.377 (2016) en € 208 (2017) in aanmerking genomen als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) met betrekking tot [bedrijf 1] Ltd. Daarnaast is in de navorderingsaanslag over het jaar 2017 een bedrag van € 490.000 in aanmerking genomen als inkomen uit aanmerkelijk belang met betrekking tot [bedrijf 5] Ltd. Volgens verweerder is voor de bovengenoemde bedragen sprake van een winstuitdeling in de zin van artikel 4.12 van de Wet IB 2001.

45. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een (verkapte) winstuitdeling wanneer een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder plaatsvindt als gevolg waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldbedrag of andere waarde, gedekt door de daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken. Van een winstuitdeling is alleen sprake indien de vennootschap haar aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen en de aandeelhouder zich daarvan bewust is geweest of redelijkerwijs bewust had moeten zijn (de dubbele bewustheidseis).

46. De rechtbank is van oordeel dat bij de toegepaste correcties geen sprake is van willekeur en overweegt dat aannemelijk is geworden dat, en dat verweerder derhalve ook in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat, zowel de afschrijvingen van de bankrekening van [bedrijf 1] Ltd met de omschrijving ‘card funding’ als de overboeking van in totaal € 490.000 door [bedrijf 5] Ltd. aan [bedrijf 6] Limited kwalificeren als belaste winstuitdelingen. Bij haar oordeel acht de rechtbank van belang dat verweerder de schatting van het inkomen heeft gebaseerd op de gerenseigneerde bankafschriften van de vennootschappen.

47. Uit de bankoverzichten volgt dat [bedrijf 1] Ltd. met de omschrijving ‘card funding’ bedragen aan belanghebbende heeft verstrekt (zie onder 4). Uit de stukken volgt niet dat deze bedragen door belanghebbende aan de vennootschap zijn terugbetaald of dat sprake was van een terugbetalingsverplichting ten aanzien van deze bedragen, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat de bedragen de vennootschap definitief hebben verlaten. Uit de stukken volgt ook niet, zoals belanghebbende ter zitting heeft gesteld, dat deze bedragen zijn aangewend voor zakelijke uitgaven, te weten de aanschaf van datasets. Daar komt nog bij dat de voormalige gemachtigde van belanghebbende bij de beantwoording van de informatieverzoeken van verweerder namens belanghebbende heeft verklaard dat de uitgaven die zijn gelabeld als ‘card funding’ vooral zijn gedaan voor ‘privé-uitgaven in de meest ruime zin van het woord’ (zie onder 18).

48. Uit de bankoverzichten volgt tevens dat [bedrijf 5] Ltd. het bovengenoemde bedrag van € 490.000 aan [bedrijf 6] Limited heeft overgemaakt (zie onder 8) met de omschrijving ‘purpose payments for gold and jewellery’. Belanghebbende heeft zijn stelling, dat de betaling is gedaan ten behoeve van de aanschaf van diamanten en dat dit een zakelijke transactie betreft die door [bedrijf 5] Ltd. ter investering is gedaan, op geen enkele wijze onderbouwd. Voor de juistheid van dat standpunt vindt de rechtbank ook geen enkel aanknopingspunt in de gedingstukken. Zoals verweerder terecht heeft gesteld is de aanschaf van de diamanten een bedrijfsvreemde activiteit die geen relatie houdt met de ondernemingsactiviteiten van [bedrijf 5] Ltd. Er zijn geen stukken in het dossier aanwezig waaruit kan worden afgeleid dat [bedrijf 5] Ltd. – alvorens zij overging tot de aanschaf – zich ervan verzekerd heeft dat het gekochte een bepaalde waarde vertegenwoordigde. Integendeel, uit de gedingstukken volgt dat een half jaar na de betaling van in totaal € 490.000 aan [bedrijf 6] Limited de bankrekening van [bedrijf 5] Ltd. bij [bank 2] is opgeheven en dat de activiteiten van de vennootschap zijn gestaakt. Er is dus sprake van een uitgave die de vennootschap op geen enkele manier heeft gebaat of kon baten. De (blote) stelling van belanghebbende dat [bedrijf 5] Ltd. is opgelicht, omdat de diamanten, die volgens hem als belegging fungeerden, waardeloos bleken te zijn en zijn afgewaardeerd naar nihil, acht de rechtbank zonder nadere onderbouwing, ongeloofwaardig.

49. Gezien de feiten en omstandigheden tezamen bezien is het geen onredelijke aanname van verweerder dat sprake was van onttrekkingen aan de vennootschap ten behoeve van de aandeelhouder in privé, en dat dit uit bij de betreffende vennootschappen aanwezige winstreserves afkomstig was. Belanghebbende heeft immers verklaard dat het vermogen van deze vennootschappen ontstaan is uit omzetten uit de verkoop van datasets. Dit leidt tot opbrengsten, die bij gebreke aan de aannemelijkheid van kosten, als winst van die vennootschappen dient te worden aangemerkt. Omdat belanghebbende de enige bestuurder en (indirect) aandeelhouder is van de vennootschappen moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat zowel belanghebbende als de limiteds op de hoogte waren van deze omstandigheden. Feiten of omstandigheden die tot afwijking van dit uitgangspunt zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken. Uit de aanwezige informatie heeft verweerder redelijkerwijs kunnen concluderen dat de vermogensverschuivingen van de limiteds naar belanghebbende uit aanwezige of toekomstige winstreserves hebben plaatsgevonden met de bedoeling hem te bevoordelen én dat zowel de vennootschappen als belanghebbende zich bewust waren van zowel de vermogensverschuivingen als voornoemde bevoordelingsbedoeling.

50. Belanghebbende heeft er subsidiair nog op gewezen dat het gebruikelijk loon feitelijk niet aan belanghebbende is uitbetaald, zodat op de gecorrigeerde bedragen met betrekking tot de winstuitdelingen (box 2) de bedragen van het schuldig gebleven gebruikelijk loon in mindering dienen te komen. Voor de door belanghebbende voorgestane saldering zou de rechtbank mogelijk aanleiding zien als aannemelijk zou zijn geworden dat de vennootschappen het gebruikelijk loon niet konden betalen (uit andere middelen). Het dossier geeft de rechtbank echter geen aanknopingspunten die die conclusie rechtvaardigen. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder (en de rechtbank) enkel beschikken over de gerenseigneerde bankafschriften van de vennootschappen. Door belanghebbende is, ondanks het verzoek van verweerder om de jaarstukken beschikbaar te stellen, geen inzicht gegeven in de administratie en resultaten van de vennootschappen. Bij de rechtbank is (mede daardoor) onbekend of de vennootschappen behalve de bedragen op genoemde bankrekeningen nog overige inkomsten hebben gegenereerd of elders nog vermogen tot hun beschikking hadden. Dat verweerder een aanslag heeft opgelegd waarin zowel het gebruikelijk loon (in box 1) als de winstuitdelingen (in box 2) zijn belast, is onder deze gegeven omstandigheden redelijk.

51. Omdat sprake is van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende moet belanghebbende doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de uitdelingen niet hebben plaatsgevonden of dat de navorderingsaanslagen anderszins niet tot de juiste hoogte zijn vastgesteld. Nu belanghebbende geen enkel (tegen)bewijs heeft geleverd ter onderbouwing van zijn standpunten, is hij in die bewijslast niet geslaagd.

Inkomen uit sparen en beleggen

52. Verweerder heeft in de navorderingsaanslagen over de jaren 2018 en 2019 en in de definitieve aanslag voor het jaar 2020 een bedrag van € 430.000 respectievelijk € 429.280 en € 490.000 in de grondslag betrokken van het inkomen uit sparen en beleggen. Vaststaat dat deze bedragen door belanghebbende niet in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2018, 2019 en 2020 zijn opgenomen.

53. De rechtbank overweegt dat op verweerder de bewijslast rust dat de vereiste aangifte niet door belanghebbende is gedaan. Dit betekent dat verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de vereiste aangifte IB/PVV niet is gedaan (vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).Verweerder kan met een of meer niet-ontzenuwde bewijsvermoedens voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Dit vindt zijn grond in de omstandigheid dat hetgeen moet worden bewezen niet of bezwaarlijk waarneembaar is en directe bewijsmiddelen dan ook niet voorhanden zijn. Een bewijsvermoeden moet berusten op vaststaande feiten en omstandigheden en redelijkerwijs uit die feiten en omstandigheden voortvloeien (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63).

54. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen is aannemelijk geworden dat het door [bedrijf 5] Ltd. overgeboekte bedrag van € 490.000 aan [bedrijf 6] Limited kwalificeert als winstuitdeling door de vennootschap aan belanghebbende in privé. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgegaan van het vermoeden dat de onttrekking (ongeacht of die bestaat uit diamanten, liquide middelen, of iets anders) na de winstuitdeling door [bedrijf 5] Ltd. tot het vermogen van belanghebbende is gaan behoren, omdat een dergelijk groot vermogen niet zomaar pleegt te verdwijnen.

55. Belanghebbende is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om dat vermoeden te ontzenuwen. Wat belanghebbende daartegenover heeft verklaard, onder andere dat [bedrijf 5] Ltd. is opgelicht en het vermogen als gevolg daarvan dient te worden gewaardeerd op nihil (zie onder 48), is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet voldoende om bij de rechtbank redelijke twijfel te wekken.

56. Gelet op deze omstandigheden dient het vermogen (ter grootte van € 490.000 ten tijde van de winstuitdeling) bij belanghebbende in de jaren 2018, 2019 en 2020 in de belastingheffing betrokken te worden. Aangezien belanghebbende het vermogen niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB/PVV met betrekking tot de jaren 2018, 2019 en 2020, is sprake van een gebrek in de aangiften dat ertoe leidt dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Immers, de ingevolge de ingediende aangiften te betalen IB/PVV bedroeg € 18.787 (2018), € 4.682 (2019) respectievelijk € 6.875 (2020) terwijl dit met inachtneming van de inkomstenbelasting over het gecorrigeerde inkomen uit sparen en beleggen € 26.235 (2018), € 9.863 (2019) respectievelijk € 12.504 (2020) moest zijn. Belanghebbende had zich ervan bewust moeten zijn dat door het niet aangeven van het vermogen een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast ook met betrekking tot de jaren 2018, 2019 en 2020 moet worden omgekeerd en verzwaard.

57. Uit de voorgaande overwegingen volgt reeds dat verweerder terecht ervan is uitgegaan dat belanghebbende kon beschikken over het vermogen. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder zich bij de bepaling van de hoogte van de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen redelijkerwijs baseren op het overgeboekte bedrag van € 490.000, dat volgt uit de gerenseigneerde bankgegevens van [bedrijf 5] Ltd. Nu verweerder bij de correcties is uitgegaan van een grondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen van € 430.000 (2018) respectievelijk € 429.280 (2019) en € 490.000 (2020) is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke schatting van het inkomen.

58. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast moet belanghebbende doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat het vermogen niet tot de grondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen behoort of dat die grondslag en de bijbehorende heffing niet op de juiste hoogte is bepaald door verweerder. Belanghebbende heeft voor zijn standpunten, waaronder de stelling dat het werkelijk rendement lager zou zijn dan het forfaitaire rendement, geen (begin van) bewijs geleverd. Belanghebbende heeft dus niet voldaan aan zijn bewijslast om te doen blijken dat de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018, 2019 en 2020 onjuist zijn.

Vergrijpboetes

59. Verweerder heeft op grond van artikel 67e van de AWR bij de navorderingsaanslagen over de jaren 2015, 2016 en 2017 vergrijpboetes opgelegd, omdat het volgens hem aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Verweerder heeft de vergrijpboetes aanvankelijk vastgesteld op 50% van de verschuldigde box 1 en box 2-belasting en bij uitspraken op bezwaar verminderd tot 50% van de verschuldigde box 2-belasting.

60. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder geslaagd te doen blijken dat het aan voorwaardelijke opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank motiveert dit als volgt.

61. De rechtbank heeft vastgesteld dat door belanghebbende onttrekkingen naar privé zijn gedaan uit het vermogen van [bedrijf 1] Ltd. en [bedrijf 5] Ltd. en acht de stelling van belanghebbende dat sprake was van zakelijke uitgaven ongeloofwaardig, nu er geen enkel bewijs is aangeleverd dat de betalingen voor andere dan privéuitgaven zijn gedaan. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV slechts vermeld dat hij aanmerkelijk belanghouder was van in Nederland gevestigde vennootschappen, maar niet dat hij aanmerkelijk belanghouder was van buiten Nederland gevestigde vennootschappen. Zoals door verweerder onweersproken is gesteld wordt in de aangifte IB/PVV gevraagd of de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen aandelenbelangen in Nederlandse of buitenlandse vennootschappen. In de toelichting op de vraag staat expliciet vermeld dat het om aandelen in een binnenlandse of buitenlandse vennootschap kan gaan. De stelling van belanghebbende dat hij in de veronderstelling verkeerde dat alleen aandelen in een Nederlandse entiteit aangegeven hoefde te worden, acht de rechtbank daarom ook niet geloofwaardig. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat belanghebbende een ingewikkelde structuur heeft opgezet, waarbij hij aandelen heeft gehouden in vennootschappen die zijn opgericht en/of gevestigd in landen die ver verwijderd zijn van Nederland en waar een bankgeheim gold. Door de wijze waarop belanghebbende de constructie heeft vormgegeven is hij in staat geweest om in privé over het vermogen van de vennootschappen te beschikken, terwijl de gerechtigdheid tot dat vermogen werd verhuld. Bovenstaande feiten en gedragingen kunnen tot geen andere conclusie leiden dan dat belanghebbende zijn belang in de vennootschappen en de inkomsten die hij daaruit genoot, heeft willen verhullen en daarmee heeft gewild of althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de definitieve aanslagen IB/PVV tot een te laag bedrag zouden worden vastgesteld.

62. De rechtbank acht de boetes voor de jaren 2015 tot en met 2017, zoals verminderd bij uitspraken op bezwaar, tevens passend en geboden. Dat de aanslagen zijn vastgesteld op basis van omkering en verzwaring van de bewijslast, doet daar niet aan af. De rechtbank overweegt dat verweerder terecht reeds als strafverminderende omstandigheid heeft meegenomen dat belanghebbende heeft meegewerkt aan het onderzoek van de Belastingdienst.

63. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting betoogd dat de lange doorlooptijd van de zaken een matiging van de boetes rechtvaardigt. De rechtbank verstaat dit als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (‘undue delay’; vgl. HR 17 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7630).

64. Van overschrijding van de redelijke termijn is sprake als de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet nadat de vergrijpboete is aangekondigd en belanghebbende op de hoogte is geraakt van de boeteoplegging. Indien de redelijke termijn is overschreden kan voor de matiging van de boetes worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2297).

65. Vaststaat dat het voornemen tot het opleggen van de vergrijpboetes aan belanghebbende is bekendgemaakt met de onder 21 genoemde brief van 14 juli 2023. Nu de rechtbank heden uitspraak doet, is de redelijke termijn met ongeveer 14 maanden overschreden. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. Bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar met minder dan 24 maanden past een vermindering van de boetes met 15%. De rechtbank zal de boetes daarom als volgt verminderen: voor het jaar 2015 tot € 4.682 (85% van € 5.509), voor het jaar 2016 tot € 10.346 (85% van € 12.172) en voor het jaar 2017 tot € 52.084 (85% van € 61.276).

Belastingrente

66. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu het op de belastingaanslagen te betalen bedrag aan IB/PVV in beroep niet wordt verminderd, ziet de rechtbank geen aanleiding tot verlaging van de belastingrente.

Conclusie

67. Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank de beroepen met de zaaknummers HAA 24/3070 tot en met HAA 24/3072 gegrond en de beroepen met de zaaknummers 24/3073 tot en met HAA 24/3075 ongegrond verklaren.

Proceskosten

68. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 alsmede een factor 1 vanwege drie samenhangende zaken). Tevens dient het griffierecht aan belanghebbende vergoed te worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 24/3073 tot en met HAA 24/3075 ongegrond;

- verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 24/3070 tot en met HAA 24/3072 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de belastingjaren 2015, 2016 en 2017 wat betreft de beslissing omtrent de vergrijpboetes en handhaaft deze voor het overige;

- stelt de vergrijpboetes vast op € 4.682 voor het jaar 2015, op € 10.346 voor het jaar 2016 en op € 52.084 voor het jaar 2017;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1.868, en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. C. Huisman en

mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.