Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 26 februari 2010
ECLI:NL:HR:2010:BJ9092Zaaknummer 43050bis
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 februari 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 43050bis
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 16, lid 4, AWR. Verenigbaarheid met EG-recht van een navorderingsaanslag die wordt opgelegd met toepassing van de bijzondere navorderingstermijn ter zake van buitenlandse tegoeden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2010.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 43.050bis
26 februari 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 januari 2006, nr. 03/04509, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vragen.
1. Ontstaan en loop van het geding
Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 21 maart 2008, nr. 43050, LJN BA8179, BNB 2008/159, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot tegen de Staatssecretaris van Financiën,
C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
1) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.
2) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer een lidstaat voor in een andere lidstaat aangehouden tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan voor in eerstgenoemde lidstaat aangehouden tegoeden en deze buitenlandse tegoeden alsmede de inkomsten daaruit zijn verzwegen voor de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat die niet over aanwijzingen beschikten op basis waarvan zij een onderzoek hadden kunnen instellen, de geldboete ter zake van verzwijging van deze buitenlandse tegoeden en inkomsten wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag van de navorderingsaanslag en over deze langere periode.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dit arrest.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 18 augustus 2009 nader geconcludeerd tot gegrondverklaring van het vijfde middel en verwijzing van de zaak voor feitelijk onderzoek.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op de nadere conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Nadere beoordeling van het vijfde middel
2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.
2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.
2.1.3. Het hiervoor in 2.1.2 overwogene geldt:
-ongeacht het antwoord op de vraag of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, en
-zowel in het geval dat voor het inwinnen van inlichtingen een nuttig gebruik kan worden gemaakt van regelingen van wederzijdse bijstand tussen lidstaten, als in het geval dat de mogelijkheid daartoe ontbreekt, bijvoorbeeld doordat de desbetreffende lidstaat een bankgeheim kent.
2.1.4. Het in punt 47 van het arrest van het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na het in 2.1.2 bedoelde aanvaardbare tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) om een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR is verstreken. De rechtvaardiging die het Hof van Justitie aanwezig heeft geacht voor de aan toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het in 2.1.2 overwogene voortvloeit.
2.2. Uit het antwoord van het Hof van Justitie op de derde prejudiciële vraag volgt dat het bovenstaande geen wijziging ondergaat door het feit dat met de desbetreffende aanslagen boeten samenhangen.
2.3. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende zijn betoog dat de in geding zijnde aanslag is opgelegd in strijd met het EG-Verdrag, mede heeft gegrond op de stelling dat de Inspecteur de vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR verder heeft overschreden dan noodzakelijk was in de hierboven in 2.1 bedoelde zin. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.
3. De termijn van berechting van het geschil over de boete
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 27 februari 2006. Sindsdien zijn tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak eindarrest wijst, meer dan twee jaren verstreken. Voor de bepaling van de, door de nationale rechter te bewaken, redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM, dient de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie echter niet te worden meegerekend (zie onder meer EHRM 26 februari 1998, Pafitis e.a. tegen Griekenland, no. 163/1996, NJ 1999, 109 en EHRM 24 april 2008, Mathy tegen België, no. 12066/06). Na aftrek van die tijd en rekening houdend met de complexiteit van deze zaak, mede in procedureel opzicht, doet zich per saldo geen overschrijding van de redelijke termijn voor.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2010.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2010:BJ9092 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2006:AU9845 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10996 Rechtbank Noord-Holland, 19 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2574 Gerechtshof Amsterdam, 21 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:715 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:716 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:428 Gerechtshof Amsterdam, 3 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13856 Rechtbank Noord-Holland, 27 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7965 Rechtbank Gelderland, 15 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1557 Hoge Raad, 1 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2635 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8544 Rechtbank Noord-Holland, 4 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2269 Gerechtshof Den Haag, 3 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:20 Gerechtshof Den Haag, 12 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13269 Rechtbank Den Haag, 24 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:2189 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:459 Rechtbank Gelderland, 30 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2187 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:3107 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:950 Gerechtshof Den Haag, 17 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5349 Gerechtshof Amsterdam, 19 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:9205 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2600 Hoge Raad, 13 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:4565 Rechtbank Noord-Holland, 23 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:220 Gerechtshof Den Haag, 25 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:784 Gerechtshof Amsterdam, 3 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:6531 Rechtbank Gelderland, 8 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:6532 Rechtbank Gelderland, 8 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3847 Gerechtshof Den Haag, 30 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3853 Gerechtshof Den Haag, 30 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3854 Gerechtshof Den Haag, 30 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:3767 Gerechtshof Amsterdam, 12 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2409 Gerechtshof Amsterdam, 23 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:2908 Rechtbank Noord-Holland, 31 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2016:17177 Rechtbank Den Haag, 10 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1026 Gerechtshof Amsterdam, 3 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6182 Rechtbank Noord-Nederland, 22 december 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:8742 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:3289 Hoge Raad, 13 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4747 Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4302 Gerechtshof Amsterdam, 15 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:4042 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2015:5532 Rechtbank Gelderland, 10 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:4827 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:5042 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1517 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1521 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1546 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1547 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1548 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1549 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1550 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1551 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1552 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1553 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1554 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1555 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1556 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1557 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1558 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1559 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1560 Hoge Raad, 12 juni 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.