Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 29 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7230Zaaknummer 16-138400-25

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
16-138400-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten: hij heeft een stuk vuurwerk tot ontploffing gebracht op de ringdeurbel van zijn buurman, hij heeft gevaar op de weg veroorzaakt en heeft de plaats van het daaropvolgende ongeval verlaten (overtreding artikel 5 en artikel 7 Wegenverkeerswet) en hij heeft een ploertendoder en munitie voorhanden gehad. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voor de overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet legt de rechtbank een voorwaardelijke taakstraf op van 20 uren. De rechtbank legt daarnaast een contactverbod op grond van artikel 38v Sr op (dadelijk uitvoerbaar). Ook neemt de rechtbank beslissingen op het beslag en de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf en maatregel

feit 1, feit 3, feit 4 en feit 5

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden;
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
  • stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
  • als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

feit 2

  • veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 20 uren;
  • beveelt dat als de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 10 dagen hechtenis;
  • bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
  • stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
  • als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

38v-maatregel (feit 1)

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaar, inhoudende dat de verdachte;

op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- [benadeelde], geboren op [geboortedatum] 1997;

- [C], geboren op [geboortedatum] 1998;

  • beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 7 dagen hechtenis, met een maximumduur van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
  • geeft daarbij de opdracht aan de politie tot toezicht op de naleving van deze 38v- maatregel;

dadelijke uitvoerbaarheid van de 38v-maatregel

- beveelt dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

beslag

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

- kruisboog (omschrijving: BZAK9077);

- verpakkingsmateriaal (omschrijving: BZAK9111);

- patroonhouder (omschrijving: BZAK9080);

- verdovende middelen (omschrijving PL0900-2025145821-G3523800);

- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp:

- armband (BZAK9101);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 1)

  • wijst de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.129,00, bestaande uit € 129,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [benadeelde] voor wat het betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 1.129,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 11 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

voorlopige hechtenis

- wijzigt de schorsingsvoorwaarden, in die zin dat de schorsingsvoorwaarde gelijk worden gesteld aan de voorwaarde die in dit dictum is verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel bij de gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. J.E.S. Dolmans en mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te [plaats], gemeente Wijdemeren, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door vuurwerk, te weten een Colpo Viper 80 Titanium, type Shell, althans enig vuurwerk, af te steken tegen de voorgevel van de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats], terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner/eigenaar van voornoemde woning, [benadeelde], en/of diens partner te duchten was;

feit 2

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Hilversum als bestuurder van een voertuig (een grijze Mercedes met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, te weten de [straat] te Hilversum, hard en/of roekeloos heeft gereden en/of tegen het verkeer in heeft gereden, ten gevolge waarvan hij met voornoemde auto tegen een boom is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

feit 3

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Hilversum op/aan de [straat], op of omstreeks 4 mei 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten gemeente Hilversum) letsel en/of schade was toegebracht;

feit 4

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

feit 5

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 33 kogelpatronen, merk PPU, kaliber.38 SPL;

- 4 lege hulzen (met ingeslagen slaghoedjes), merk PPU, kaliber.38 SPL;

- 4 kogelpatronen, merk GFL, kaliber 6.35mm;

voorhanden heeft gehad.

Bijlage II: Bewijsmiddelen [_59ed0b09-4077-4144-a9ed-bb6ecb49a417]

Feit 1

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] van 4 mei 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben eigenaar van de woning, gelegen [adres 2] in [plaats]. Op 4 mei 2025 zag ik mijn buurman. Deze buurman heet [verdachte]. [verdachte] liep langs mijn appartement. Ik hoorde een harde knal. Ik omschrijf deze knal als een bom. Ik voelde direct een suis in mijn oor. Het was intens hard. Dit moest de voorbel zijn. Ik ben toen naar buiten gelopen. Ik zag dat er een gat in de gevel zat en dat er wit kruit op de gevel en op de deur zaten. Ik zag dat de voordeurbel kapot was.[_d09b049c-2aed-4af7-abb1-23c7f7db978c]

- het proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2025 vond er een vernieling plaats van de videodeurbel bevestigd aan de woning

aan de [adres 2] in [plaats]. Ik, verbalisant, startte een onderzoek naar de videodeurbelcamerabeelden die waren opgenomen tijdens de vernieling. Ik heb daarbij het volgende bevonden:[_b4c21545-7dd6-4a9b-936f-62793266ff68]

- Op de camerabeelden van de videodeurbel zag ik dat er een persoon zijn hand heeft uitgestoken naar de deurbel. Deze persoon werd later geclassificeerd als zijnde verdachte [verdachte] .[_2d2bdb58-cddf-4458-a17e-46b0d0093031]- Ik zag dat de verdachte een zwartgekleurd cilindervormig voorwerp voorzien van witgekleurde letters op de grond liet vallen.[_0cc1a19b-1b1e-4854-9cc7-06b9a5298248]

- Aan de kopse kant van het cilindervormige voorwerp was een lichtgekleurde dop zichtbaar. Ambtshalve is het mij bekend dat dergelijke cilindervormige objecten met deze dopjes vuurwerk betreffen van het merk Cobra type 6.[_834fd367-14d7-4e3b-8c73-d49f5cc5e210]- Toen de verdachte het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp oppakte zag ik dat aan een andere zijde een groengekleurd logo met daarboven roodkleurige letters zichtbaar waren. Ik zag dat het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp zeer veel overeenkomsten had met een stuk vuurwerp van het merk Cobra type 6.[_174c58b0-f98d-4a8e-bd25-624e7f229668]- Ik zag dat de verdachte de zwartgekleurde cilinder met daaraan een groengekleurde lont vast had. Daarnaast zag ik dat de verdachte tevens een aansteker vast hield. Ik zag dat de verdachte het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp omhoog bracht in de richting van de videodeurbel.[_ef70fa70-0200-4ea9-9edf-70da6b6df558]- Ik zag dat de verdachte de aansteker vast had terwijl hij het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp verder in de richting van de deurbel bracht.[_f976c294-a2f4-42b1-8952-b9125f816acf]- Ik zag dat de verdachte zijn arm met de aansteker in de richting van de videodeurbel uitstak.[_ce2b5c50-4c4d-452e-882b-a113f7818d82]- Ik zag dat op de camerabeelden rookontwikkeling en enkele vonkjes zichtbaar waren. Ik kreeg hierdoor het vermoeden dat de vermoedelijke Cobra 6 door de verdachte was aangestoken. Op de audio van de camerabeelden is een typisch sis-geluid te horen dat past bij het aansteken van een lont van een stuk vuurwerk. Hierna stopt de deurbel met filmen.[_22dfbdff-1bbf-473b-bfd9-c0bc461ec1d1]

- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] [plaats]) van 7 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2025 kwam ik, forensisch onderzoeker, naar aanleiding van een poging tot

brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] in

[plaats] .[_ea42e480-e85a-4417-b1fe-b1b7565594d7] Ik zag dat rechts van de voordeur, op de gevel een krater zat. Ik zag dat hier zeer waarschijnlijk een ringdeurbel had gehangen. Ik zag dat de ringdeurbel nagenoeg weggeblazen was vanaf de gevel. Het plaatmateriaal rondom de ringdeurbel was vernield. Ik zag dat de beschadiging circa 20 centimeter rond was. Rondom de beschadiging zag ik grijze verkleuring veroorzaakt door het explosief. Op de grond rondom de woning zag ik meerdere onderdelen van de ringdeurbel. Ik zag tevens meerdere papieren snippers liggen. Ik zag dat het geheel zeer waarschijnlijk een stuk vuurwerk had gevormd.

Gezien de aangetroffen stukken snippers ging het hier zeer waarschijnlijk om:Naam: Colpo Viper 80 TitaniumVuurwerktype: ShellVuurwerkcategorie: F4

Gezien het aangetroffen sporenbeeld is op de ringdeurbel een shell geplaatst. De shell is vervolgens ontstoken en tot ontploffing gekomen. De shell komt na ontsteken na circa 3 tot 4 seconden tot ontploffing. Dit is een onomkeerbaar proces. Door de explosie was er gemeen gevaar voor goederen. Zo was de ringdeurbel en de gevelplaat daarachter vernield.[_8ba30f90-360e-4160-ba9f-7939c039f9d0]

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2025 kwam ik aan met een Cobra 6. Ik wilde daarmee de deurbel wegblazen. Ik weet wat vuurwerk doet. Het was een domme actie.

Feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5

De verdachte bekent dat de feiten 2, 3, 4 en 5 heeft gepleegd, zoals deze bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

Ten aanzien van feit 2 en feit 3

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2025, inhoudende het aantreffen van de Mercedes met kenteken [kenteken] door de verbalisanten;[_17f014d6-c0c3-402c-b20b-d178e603b2a2]

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2025, inhoudende het gesprek met getuige [getuige] ;[_d8328af6-a9ef-4d77-9ab5-cd2c5b418c00]

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 mei 2025;[_1fc62044-670c-4961-90ed-3079fd2a710e]

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026;

Ten aanzien van feit 4 en feit 5

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2025, inhoudende de doorzoeking van de woning van de verdachte;[_770afa4d-7a44-462b-be39-2ce9d6b49604]

- het proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2025, inhoudende de wapen- en munitiebeschrijving;[_5d7a89ca-78f1-48f1-b0dd-316dea930287]

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Zitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Bewijs
  4. 4 Kwalificatie en strafbaarheid
  5. 5 Straf
  6. 6 In beslag genomen voorwerpen
  7. 7 Vordering benadeelde partij
  8. 8 Toegepaste wetsartikelen
  9. 9 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/138400-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de strafzaak van:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1], [adres 1] in [plaats],

hierna: de verdachte.

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 september 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. S. Zuithoff;
  • de advocaat van de verdachte: mr. P.A.J. van Putten (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij: [benadeelde];
  • de gemachtigde van de benadeelde partij: [A] (Slachtofferhulp Nederland).

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

op 4 mei 2025 in [plaats] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door vuurwerk, te weten een Colpo Viper 80 Titanium, type Shell, af te steken tegen de voorgevel van de woning aan de [adres 2], waardoor- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning aan de [adres 2], en- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner/eigenaar van voornoemde woning, [benadeelde], en/of diens partner te duchten was;

feit 2

op 4 mei 2025 in Hilversum als bestuurder van een voertuig (Mercedes met kenteken [kenteken]) gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd, door hard en/of roekeloos te rijden en tegen het verkeer in te rijden, ten gevolge waarvan hij tegen een boom is gebotst;

feit 3

op 4 mei 2025 in Hilversum de plaats van een verkeersongeval dat hij had veroorzaakt heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander (gemeente Hilversum) schade was toegebracht;

feit 4

op 4 mei 2025 in Kortenhoef een ploertendoder (wapen van categorie I, onder 1° of 3° Wet wapens en munitie) voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

feit 5

op 4 mei 2025 in Kortenhoef munitie van categorie III Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, te weten- 33 kogelpatronen, merk PPU, kaliber.38 SPL;- 4 lege hulzen (met ingeslagen slaghoedjes), merk PPU, kaliber.38 SPL;- 4 kogelpatronen, merk GFL, kaliber 6.35mm.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten heeft gepleegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van feit 1 (ontploffing teweeg brengen), voor zover dit ziet op het levensgevaar.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank ten aanzien van feit 1 (ontploffing teweeg brengen) primair om de verdachte vrij te spreken en subsidiair om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken, voor zover dit ziet op het levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van de overige feiten.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte vond, als bewoner van de [adres 1], in [plaats], het vervelend dat de buurman van [adres 2], een ringdeurbel had. Deze frustratie bestond al langere tijd bij de verdachte. Op 4 mei 2025 heeft de verdachte een stuk vuurwerk op de ringdeurbel van de [adres 2] gelegd, aangestoken en tot ontploffing gebracht. De buurman, aangever [benadeelde], die op dat moment thuis was, hoorde een harde knal. Toen hij naar zijn ringdeurbel liep, zag de aangever dat de ringdeurbal kapot was, dat er een gat in de gevel zat en dat er wit kruit op de gevel en de voordeur zat.

De verdachte is na de ontploffing weggereden in zijn Mercedes. Verschillende getuigen zagen en hoorden dat de verdachte erg hard reed en vervolgens tegen aan boom botste. De verdachte is weggelopen van de plek van dat ongeval. Op 4 mei 2025 heeft de politie de woning van de verdachte doorzocht en daarbij troffen zij onder andere een ploertendoder en munitie aan. De verdachte werd op 6 mei 2025 aangehouden.

3.3.2.1. Feit 1

De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat er in het forensisch onderzoek van uitgegaan wordt dat de ontploffing teweeg is gebracht door een shell, terwijl de verdachte de ontploffing teweeg heeft gebracht met een cobra. Omdat het gaat om het verkeerde soort vuurwerk, is het forensisch onderzoek gebrekkig en kan daar geen bewezenverklaring op worden gebaseerd, reden waarom de verdachte moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring – gemeen gevaar voor goederen

De rechtbank stelt vast dat er gebruik is gemaakt van (zwaar) vuurwerk, dat er een ontploffing is geweest en dat daardoor schade is ontstaan. Uit de bewijsmiddelen volgt dat door de ontploffing van het vuurwerk tegen de voorgevel, gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, te weten voor de woning aan de [adres 2]. Of er gebruik is gemaakt van een shell (zoals opgenomen in de tenlastelegging) dan wel een cobra (zoals gesteld door de verdediging), doet hieraan niets af.

Gedeeltelijke vrijspraak – levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank oordeelt dat de verdachte gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van het veroorzaken van levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel in feit 1, omdat daarvan uit het dossier onvoldoende blijkt. Ten aanzien van het levensgevaar komen de officier van justitie en de verdediging tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Ten aanzien van het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier wordt, zoals door de advocaat aangevoerd, niet voldoende duidelijk of de ontploffing teweeg is gebracht met een cobra of een shell. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat het vuurwerk, gezien de aangetroffen snippers, waarschijnlijk een shell was. De forensische opsporing komt tot de conclusie dat het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel door het ontploffen van de shell minimaal is geweest. Gelet op de beschrijving van de deurbelcamerabeelden en de verklaring van de verdachte lijkt de ontploffing teweeg te zijn gebracht met een cobra. De rechtbank beschikt gelet op het voorgaande over te weinig informatie en concrete onderbouwing om in dit geval te kunnen vaststellen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan door de ontploffing. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan daarom gedeeltelijk vrij.

3.3.2.2. Feit 2, 3, 4 en 5

De advocaat heeft verder geen verweer gevoerd over het bewijs ten aanzien van feit 2, 3, 4 en 5. De rechtbank oordeelt dat ook wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan die feiten en volstaat met de opsomming van de bewijsmiddelen voor die feiten (bijlage 2).

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1

op 4 mei 2025 te [plaats], gemeente Wijdemeren, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door vuurwerk af te steken tegen de voorgevel van de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats], terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] te duchten was;

feit 2

op 4 mei 2025 te Hilversum als bestuurder van een voertuig (een grijze Mercedes met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, te weten de [straat] te Hilversum, hard en roekeloos heeft gereden en tegen het verkeer in heeft gereden, ten gevolge waarvan hij met voornoemde auto tegen een boom is gebotst, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

feit 3

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Hilversum aan de [straat], op 4 mei 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten gemeente Hilversum) schade was toegebracht;

feit 4

op 4 mei 2025 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, een wapen, van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

feit 5

op 4 mei 2025 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 33 kogelpatronen, merk PPU, kaliber.38 SPL;

- 4 lege hulzen (met ingeslagen slaghoedjes), merk PPU, kaliber.38 SPL;

- 4 kogelpatronen, merk GFL, kaliber 6.35mm;

voorhanden heeft gehad.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van artikel 7, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 5: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

4.2.

Strafbaarheid feiten en de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte voor feit 1, feit 3, feit 4 en feit 5 wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

en voor feit 2 tot:

- een geldboete van € 500,00, te vervangen door 5 dagen hechtenis als de verdachte deze boete niet betaalt.

De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 2 jaar, te vervangen door 7 dagen hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. Het contactverbod ziet op aangever [benadeelde] en het locatieverbod ziet op de [straat] in [plaats], de straat waar de aangever woont.

De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om te volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest, mocht de rechtbank tot een vrijspraak van feit 1 (ontploffing teweeg brengen) komen. In het geval de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van feit 1 komt, verzoekt de advocaat de rechtbank te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren en een fors voorwaardelijk strafdeel, met een proeftijd van 2 jaren. Het is niet helpend om de verdachte terug te sturen naar de gevangenis, omdat er al hulpverlening is ingezet. Ook de omstandigheden van het geval moeten meewegen. Het gaat hier niet om een afrekening in het criminele circuit, maar om de keuze die de verdachte heeft gemaakt om de ringdeurbel van de buurman te vernielen. Een burenconflict ligt daaraan ten grondslag. Daarnaast verzoekt de advocaat geen locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, omdat Kortenhoef niet groot is, de verdachte daar altijd heeft gewerkt als [beroep] en de aangever voornemens is te verhuizen. Een contactverbod met de aangever volstaat. De advocaat refereert zich aan de eis van de officier van justitie voor feit 2.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich op 4 mei 2025 schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten. De verdachte heeft een stuk (zwaar) vuurwerk tot ontploffing gebracht op de ringdeurbel van zijn buurman, aangever [benadeelde]. Hierdoor is schade ontstaan. De verdachte mag van geluk spreken dat de schade relatief beperkt is gebleven. Een dergelijke explosie is bedreigend en beangstigend voor de bewoners van de woning, te weten [benadeelde] en zijn partner. Een woning is een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. [benadeelde] was op het moment van de ontploffing thuis en is enorm geschrokken. Hij heeft op de zitting een verklaring voorgelezen waaruit duidelijk naar voren kwam hoeveel indruk de ontploffing op hem en zijn partner heeft gemaakt. Ook leiden ontploffingen voor omwonenden en in algemene zin in de samenleving tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid. De verdachte heeft dit gedaan vanwege een oplopend conflict over de ringdeurbel. Hij was boos en gefrustreerd en dit heeft geleid tot zijn handelen. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte bereid is geweest om zo’n ernstig strafbaar feit te plegen. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan.

Daarnaast heeft de verdachte gevaar op de weg veroorzaakt door met hoge snelheid en tegen het verkeer in te rijden. Hierbij is de verdachte tegen een boom gebotst, waardoor schade aan die boom is ontstaan. De verdachte is na dit ongeval uit zijn auto gestapt en weggelopen.

Bij de doorzoeking van zijn woning die daarop volgde zijn een ploertendoder en munitie aangetroffen. Het voorhanden hebben van deze voorwerpen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en het ongecontroleerde bezit ervan leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 11 september 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor gevaarlijk rijgedrag en het verlaten van de plaats van een ongeval. Dit zal de rechtbank in strafverzwarende zin meewegen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 september 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B]. Daaruit volgt dat de reclassering meerdere risicofactoren ziet, omdat er instabiliteit is op alle leefgebieden. De verdachte heeft momenteel geen vaste huisvesting, dagbesteding en inkomen. Er is sprake van problematisch middelengebruik en er zijn zorgen om het psychosociaal functioneren. Beschermend is dat de verdachte een vriendin heeft van wie hij steun krijgt. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering ziet, onder andere wegens een gebrek aan motivatie bij de verdachte, geen mogelijkheden aan gedragsverandering te werken of met interventies en toezicht de risico’s te beperken en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf.

Op de zitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij graag weer aan het werk wil als [beroep] in [plaats], maar dat dit niet kan vanwege het locatieverbod dat geldt in het kader van de schorsingsvoorwaarden. Daardoor heeft hij geen vast inkomen, maar hij verdient wel geld met klusjes. Het locatieverbod is ook de reden dat hij geen vaste huisvesting meer heeft. Hij woont daarom bij zijn moeder. Hij heeft een intake gehad bij [instelling] en hoopt hulp te krijgen bij huisvesting, inkomen en zijn psychische gesteldheid.

Strafkader

Gezien de hiervoor omschreven ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd kan niet met een lichtere of andere sanctie worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt in de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf rekening met straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. Het zwaartepunt van de feiten ligt bij het teweeg brengen van de ontploffing bij de woning. Voor dergelijke feiten worden in de regel hoge straffen opgelegd.

Het is namelijk een groot maatschappelijk probleem dat er voor het minste of geringste vuurwerk bij iemands woning tot ontploffing wordt gebracht. De rechtbank merkt op dat de aanleiding in deze zaak anders is dan een afrekening in het criminele circuit, maar de rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte om een dergelijke geringe aanleiding een zeer ernstig strafbaar feit pleegt. De rechtbank weegt daarbij wel mee dat er geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar is vastgesteld.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte voor feit 1, feit 3, feit 4 en feit 5 een gevangenisstraf op van 16 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel geen bijzondere voorwaarden verbinden, gelet op het rapport van de reclassering waaruit blijkt dat de verdachte geen motivatie toont om zijn situatie te verbeteren en hij zich tijdens de schorsing niet aan zijn voorwaarden heeft gehouden.

De rechtbank zal voor feit 2 een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren opleggen.

De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat het voorstel van de verdediging onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de vergelding, die gelet op de hoeveelheid van de feiten en met name de aard van feit 1 en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, moet plaatsvinden. De rechtbank wijkt ook af van de strafeis van de officier van justitie omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.

De vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Wetboek van Strafrecht) – feit 1

De rechtbank ziet aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte zich onthoudt van – direct en indirect – contact met de aangever [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 1997) en zijn partner [C] (geboren op [geboortedatum] 1998).

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 2 jaren. Gedurende die periode zal hier per overtreding 7 dagen hechtenis tegenover staan, met een maximum van 6 maanden. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

De rechtbank zal geen locatieverbod (voor de plaats [plaats] of een gedeelte daarvan) aan de verdachte opleggen, omdat dit de verdachte te veel beperkt in zijn werk als [beroep] in [plaats], en de aangever voldoende wordt beschermd door het opgelegde contactverbod.

Dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een langlopend conflict tussen de verdachte en de aangever. Hoewel de verdachte verklaart dat hij geen problemen heeft met de aangever, maar alleen met zijn ringdeurbel, maakt de rechtbank uit de verklaringen van de verdachte op de zitting op dat er nog altijd spanningen bestaan tussen de verdachte en de aangever. Gelet op de houding van de verdachte waarbij hij de schuld vooral externaliseert, het dossier en dat wat is besproken op de zitting, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens [benadeelde] en zijn partner. Daarom zal het contactverbod op grond van artikel 38v Sr, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte niet opheffen. Hoewel de rechtbank tot een bewezenverklaring komt en de verdachte bij dit vonnis wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, onderkent de rechtbank het belang van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te kunnen wachten. Het geschorste bevel blijft van kracht. De rechtbank zal de huidige voorwaarden die aan de schorsing zijn verbonden wijzigen, zodat deze voorwaarden gelijk zijn aan de voorwaarden die aan het voorwaardelijk strafdeel worden verbonden.

6 In beslag genomen voorwerpen

6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de kruisboog, de patroonhouder, de verdovende middelen en het verpakkingsmateriaal moet worden onttrokken aan het verkeer. De armband moet worden teruggeven aan de verdachte.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de patroonhouder, de verdovende middelen en het verpakkingsmateriaal moet worden onttrokken aan het verkeer. De armband (het horloge) en de kruisboog moeten worden teruggeven aan de verdachte.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de inbeslaggenomen kruisboog, patroonhouder, verdovende middelen en het verpakkingsmateriaal onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Deze voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte gepleegd feiten aangetroffen. Ten aanzien van de kruisboog overweegt de rechtbank dat het binnenshuis voorhanden hebben van dit voorwerp niet strafbaar is gesteld in de Wet wapens en munitie, maar dat het ongecontroleerde bezit daarvan wel in strijd is met het algemeen belang. De rechtbank zal ten aanzien van de kruisboog dan ook niet de teruggave aan de verdachte gelasten, maar ook deze onttrekken aan het verkeer.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de inbeslaggenomen armband (volgens de verdediging betreft dit een horloge), omdat dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7 Vordering benadeelde partij

7.1.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1)

[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.758,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 258,00 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

  • vernielde deurbel: € 129,00;
  • beveiligingscamera: € 129,00.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] geheel kan worden toegewezen.

7.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de materiële schade de kosten voor de vernielde deurbel kunnen worden toegewezen. De kosten voor de extra beveiligingscamera komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de benadeelde partij al een ringdeurbel heeft, die ook een camera heeft. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de gevorderde immateriële schade, omdat het causaal verband ontbreekt. Dat is het geval indien de verdachte integraal van feit 1 wordt vrijgesproken en als de verdachte partieel wordt vrijgesproken van het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en het levensgevaar. Mocht de rechtbank niet (gedeeltelijk) vrijspreken zoals door de verdediging is bepleit, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de vernielde deurbel (post i.) is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 bewezen verklaarde. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de beveiligingscamera (post ii.) niet-ontvankelijk, omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze schade en het onder feit 1 bewezen verklaarde. Deze camera is aangeschaft omdat de benadeelde partij zich angstig voelde en om zijn gevoel van onveiligheid te verminderen. De ringdeurbel die de benadeelde partij heeft aangeschaft is een videodeurbel en bevat dus ook al een camera waarmee de gevoelens van onveiligheid ten gevolge van het misdrijf kunnen worden verminderd. Het aanschaffen van een extra camera kan in dit geval niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Gezien de aard en ernst van de normschending liggen de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 BW kan worden aangenomen. Uit de vordering van de benadeelde partij en de spreekrechtverklaring is voldoende duidelijk geworden welke impact de ontploffing op 4 mei 2025 op de benadeelde partij en zijn partner hebben gehad. De benadeelde partij komt daarom in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.129,00 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel en beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf en maatregel

feit 1, feit 3, feit 4 en feit 5

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden;
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
  • stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
  • als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

feit 2

  • veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 20 uren;
  • beveelt dat als de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 10 dagen hechtenis;
  • bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
  • stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
  • als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

38v-maatregel (feit 1)

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaar, inhoudende dat de verdachte;

op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- [benadeelde], geboren op [geboortedatum] 1997;

- [C], geboren op [geboortedatum] 1998;

  • beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 7 dagen hechtenis, met een maximumduur van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
  • geeft daarbij de opdracht aan de politie tot toezicht op de naleving van deze 38v- maatregel;

dadelijke uitvoerbaarheid van de 38v-maatregel

- beveelt dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

beslag

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

- kruisboog (omschrijving: BZAK9077);

- verpakkingsmateriaal (omschrijving: BZAK9111);

- patroonhouder (omschrijving: BZAK9080);

- verdovende middelen (omschrijving PL0900-2025145821-G3523800);

- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp:

- armband (BZAK9101);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 1)

  • wijst de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.129,00, bestaande uit € 129,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [benadeelde] voor wat het betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 1.129,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 11 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

voorlopige hechtenis

- wijzigt de schorsingsvoorwaarden, in die zin dat de schorsingsvoorwaarde gelijk worden gesteld aan de voorwaarde die in dit dictum is verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel bij de gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. J.E.S. Dolmans en mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te [plaats], gemeente Wijdemeren, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door vuurwerk, te weten een Colpo Viper 80 Titanium, type Shell, althans enig vuurwerk, af te steken tegen de voorgevel van de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats], terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner/eigenaar van voornoemde woning, [benadeelde], en/of diens partner te duchten was;

feit 2

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Hilversum als bestuurder van een voertuig (een grijze Mercedes met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, te weten de [straat] te Hilversum, hard en/of roekeloos heeft gereden en/of tegen het verkeer in heeft gereden, ten gevolge waarvan hij met voornoemde auto tegen een boom is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

feit 3

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Hilversum op/aan de [straat], op of omstreeks 4 mei 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten gemeente Hilversum) letsel en/of schade was toegebracht;

feit 4

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

feit 5

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 33 kogelpatronen, merk PPU, kaliber.38 SPL;

- 4 lege hulzen (met ingeslagen slaghoedjes), merk PPU, kaliber.38 SPL;

- 4 kogelpatronen, merk GFL, kaliber 6.35mm;

voorhanden heeft gehad.

Bijlage II: Bewijsmiddelen [_59ed0b09-4077-4144-a9ed-bb6ecb49a417]

Feit 1

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] van 4 mei 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben eigenaar van de woning, gelegen [adres 2] in [plaats]. Op 4 mei 2025 zag ik mijn buurman. Deze buurman heet [verdachte]. [verdachte] liep langs mijn appartement. Ik hoorde een harde knal. Ik omschrijf deze knal als een bom. Ik voelde direct een suis in mijn oor. Het was intens hard. Dit moest de voorbel zijn. Ik ben toen naar buiten gelopen. Ik zag dat er een gat in de gevel zat en dat er wit kruit op de gevel en op de deur zaten. Ik zag dat de voordeurbel kapot was.[_d09b049c-2aed-4af7-abb1-23c7f7db978c]

- het proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2025 vond er een vernieling plaats van de videodeurbel bevestigd aan de woning

aan de [adres 2] in [plaats]. Ik, verbalisant, startte een onderzoek naar de videodeurbelcamerabeelden die waren opgenomen tijdens de vernieling. Ik heb daarbij het volgende bevonden:[_b4c21545-7dd6-4a9b-936f-62793266ff68]

- Op de camerabeelden van de videodeurbel zag ik dat er een persoon zijn hand heeft uitgestoken naar de deurbel. Deze persoon werd later geclassificeerd als zijnde verdachte [verdachte] .[_2d2bdb58-cddf-4458-a17e-46b0d0093031]- Ik zag dat de verdachte een zwartgekleurd cilindervormig voorwerp voorzien van witgekleurde letters op de grond liet vallen.[_0cc1a19b-1b1e-4854-9cc7-06b9a5298248]

- Aan de kopse kant van het cilindervormige voorwerp was een lichtgekleurde dop zichtbaar. Ambtshalve is het mij bekend dat dergelijke cilindervormige objecten met deze dopjes vuurwerk betreffen van het merk Cobra type 6.[_834fd367-14d7-4e3b-8c73-d49f5cc5e210]- Toen de verdachte het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp oppakte zag ik dat aan een andere zijde een groengekleurd logo met daarboven roodkleurige letters zichtbaar waren. Ik zag dat het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp zeer veel overeenkomsten had met een stuk vuurwerp van het merk Cobra type 6.[_174c58b0-f98d-4a8e-bd25-624e7f229668]- Ik zag dat de verdachte de zwartgekleurde cilinder met daaraan een groengekleurde lont vast had. Daarnaast zag ik dat de verdachte tevens een aansteker vast hield. Ik zag dat de verdachte het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp omhoog bracht in de richting van de videodeurbel.[_ef70fa70-0200-4ea9-9edf-70da6b6df558]- Ik zag dat de verdachte de aansteker vast had terwijl hij het zwartgekleurde cilindervormige voorwerp verder in de richting van de deurbel bracht.[_f976c294-a2f4-42b1-8952-b9125f816acf]- Ik zag dat de verdachte zijn arm met de aansteker in de richting van de videodeurbel uitstak.[_ce2b5c50-4c4d-452e-882b-a113f7818d82]- Ik zag dat op de camerabeelden rookontwikkeling en enkele vonkjes zichtbaar waren. Ik kreeg hierdoor het vermoeden dat de vermoedelijke Cobra 6 door de verdachte was aangestoken. Op de audio van de camerabeelden is een typisch sis-geluid te horen dat past bij het aansteken van een lont van een stuk vuurwerk. Hierna stopt de deurbel met filmen.[_22dfbdff-1bbf-473b-bfd9-c0bc461ec1d1]

- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] [plaats]) van 7 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2025 kwam ik, forensisch onderzoeker, naar aanleiding van een poging tot

brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] in

[plaats] .[_ea42e480-e85a-4417-b1fe-b1b7565594d7] Ik zag dat rechts van de voordeur, op de gevel een krater zat. Ik zag dat hier zeer waarschijnlijk een ringdeurbel had gehangen. Ik zag dat de ringdeurbel nagenoeg weggeblazen was vanaf de gevel. Het plaatmateriaal rondom de ringdeurbel was vernield. Ik zag dat de beschadiging circa 20 centimeter rond was. Rondom de beschadiging zag ik grijze verkleuring veroorzaakt door het explosief. Op de grond rondom de woning zag ik meerdere onderdelen van de ringdeurbel. Ik zag tevens meerdere papieren snippers liggen. Ik zag dat het geheel zeer waarschijnlijk een stuk vuurwerk had gevormd.

Gezien de aangetroffen stukken snippers ging het hier zeer waarschijnlijk om:Naam: Colpo Viper 80 TitaniumVuurwerktype: ShellVuurwerkcategorie: F4

Gezien het aangetroffen sporenbeeld is op de ringdeurbel een shell geplaatst. De shell is vervolgens ontstoken en tot ontploffing gekomen. De shell komt na ontsteken na circa 3 tot 4 seconden tot ontploffing. Dit is een onomkeerbaar proces. Door de explosie was er gemeen gevaar voor goederen. Zo was de ringdeurbel en de gevelplaat daarachter vernield.[_8ba30f90-360e-4160-ba9f-7939c039f9d0]

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2025 kwam ik aan met een Cobra 6. Ik wilde daarmee de deurbel wegblazen. Ik weet wat vuurwerk doet. Het was een domme actie.

Feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5

De verdachte bekent dat de feiten 2, 3, 4 en 5 heeft gepleegd, zoals deze bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

Ten aanzien van feit 2 en feit 3

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2025, inhoudende het aantreffen van de Mercedes met kenteken [kenteken] door de verbalisanten;[_17f014d6-c0c3-402c-b20b-d178e603b2a2]

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2025, inhoudende het gesprek met getuige [getuige] ;[_d8328af6-a9ef-4d77-9ab5-cd2c5b418c00]

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 mei 2025;[_1fc62044-670c-4961-90ed-3079fd2a710e]

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026;

Ten aanzien van feit 4 en feit 5

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2025, inhoudende de doorzoeking van de woning van de verdachte;[_770afa4d-7a44-462b-be39-2ce9d6b49604]

- het proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2025, inhoudende de wapen- en munitiebeschrijving;[_5d7a89ca-78f1-48f1-b0dd-316dea930287]

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2026.

Voetnoten

  1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025145821, doorgenummerd pagina 1 tot en met 112. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
  2. Pagina 1.
  3. Pagina 4.
  4. Pagina 5.
  5. Pagina 6.
  6. Pagina 8.
  7. Pagina 12.
  8. Pagina 14.
  9. Pagina 15.
  10. Pagina 17.
  11. Pagina 20.
  12. Pagina 35.
  13. Pagina 36.
  14. Pagina 27.
  15. Pagina 32.
  16. Pagina 89.
  17. Pagina 50.
  18. Pagina 68-69.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.