Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:997Zaaknummer 26/02339

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
26/02339
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Prejudiciële vraag over artikel 314 lid 2 Sv: moet de rechter het onderzoek ter terechtzitting altijd schorsen als de verdachte of zijn raadsman geen toestemming geeft het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten? De conclusie strekt tot een ontkennende beantwoording van die vraag, onder meer gelet op de aankomende regeling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank

12. De rechtbank zet in de tussenbeslissing uiteen dat advocaten in een toenemend aantal gevallen na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging weigeren in te stemmen met het aanstonds voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting. Als artikel 314 lid 2 Sv zo wordt uitgelegd dat het onderzoek ter terechtzitting in dat geval nooit aanstonds mag worden voortgezet, heeft dat voor de strafrechtspleging aanzienlijke proceseconomische gevolgen. De rechtbank geeft als voorbeeld dat een volledige zittingsdag van een meervoudige kamer, met bijbehorende voorbereidingstijd, verloren gaat. Daarnaast wordt in de praktijk verschillend omgegaan met deze rechtsvraag, zo stelt de rechtbank. Er zijn ook rechters die artikel 314 lid 2 Sv ruimer uitleggen en (onder omstandigheden) afzien van de schorsing van het onderzoek, ook als instemming van de verdachte of de raadsman ontbreekt. De rechtbank verwijst onder andere naar een beslissing van de rechtbank Midden-Nederland op een wrakingsverzoek, waaruit volgt dat de rechtbank in de onderliggende strafzaak in de woorden ‘zo nodig’ in artikel 314 lid 2 Sv ruimte zag om ook zonder toestemming het onderzoek voort te zetten.[_587ebc6b-fb22-406a-a2a9-654bb7faf1ba]

13. De rechtbank meent, zo begrijp ik, dat in de rechtspraak van de Hoge Raad op deze kwestie geen panklaar antwoord te vinden is. De rechtbank verwijst in dat verband wel naar HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, maar merkt op dat de feiten in die zaak anders lagen dan in de voorliggende zaak. In die zaak was bijvoorbeeld geen sprake van voorafgaande kennisgeving van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging en ook niet (de mogelijkheid) van een (korte) onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting.

Het OM

14. De officier van justitie heeft zich op de zitting van 29 mei 2026 op het standpunt gesteld dat de toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging enkel een aanhouding van de inhoudelijke behandeling (in de zin van: voortzetting ervan op een andere dag) tot gevolg kan hebben wanneer de toegelaten wijziging van de tenlastelegging daarvoor aanleiding geeft (zowel vanwege de inhoud als vanwege de benodigde voorbereidingstijd).

15. De schriftelijke opmerkingen van het OM houden daarnaast in dat er kostbare zittings- en voorbereidingstijd verloren gaat, als de verdediging na wijziging van de tenlastelegging niet instemt met de directe voortzetting van de behandeling. De officier van justitie merkt op dat er op het laatste moment in het opsporingsonderzoek nog ontwikkelingen kunnen zijn die bij voorkeur in de tenlastelegging worden verwerkt. Het is ook denkbaar dat pas bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak wordt vastgesteld dat de tenlastelegging fouten bevat die moeten worden hersteld. Het OM acht het wenselijk dat de ruimte blijft bestaan om actualiteiten te verwerken en fouten in de tenlastelegging te herstellen, zonder dat dit als consequentie heeft dat het onderzoek ter terechtzitting voor langere tijd moet worden geschorst. In aanvulling op de door de rechtbank gestelde vraag verzoekt de officier van justitie nader toe te lichten of de in artikel 314 lid 2 Sv genoemde schorsing voor een bepaalde tijd ook kan bestaan uit een relatief korte tijdsperiode van bijvoorbeeld een half uur.

De verdediging

16. Ter terechtzitting van 29 mei 2026 bracht de raadsman naar voren dat hij voorafgaand aan de zitting slechts een voornemen van het OM had ontvangen, dat hij niet kon weten of dat voornemen tot een vordering zou leiden en of de rechtbank die vordering dan ook zou toewijzen. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat artikel 314 lid 2 Sv het niet toestaat dat het onderzoek ter terechtzitting voor zeer korte duur wordt geschorst, want dan gaat het in feite om een onderbreking.[_b2004aa6-a5a9-49d0-9b7d-0090ac50e2ef] Verder bracht hij naar voren: “Wat betreft mijn lezing van het arrest uit 2014 wil ik benadrukken dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever expliciet heeft gewild dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst op het moment dat de verdediging geen toestemming verleent. Dit gegeven was ook voor de Hoge Raad voldoende reden om op die manier te beslissen.”

17. De verdediging brengt in haar schriftelijke opmerkingen onder meer naar voren dat de beantwoording van de prejudiciële vraag erop moet neerkomen dat uit artikel 314 lid 2 Sv volgt dat de rechter na een wijziging van de tenlastelegging gehouden is het onderzoek ter terechtzitting te schorsen indien de verdachte of de raadsman geen toestemming geeft het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten. In dat antwoord ligt besloten dat de rechter geen ruimte heeft om af te wegen of de verdediging zich voldoende op de gewijzigde tenlastelegging heeft kunnen voorbereiden. De advocaten wijzen onder meer op de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis. Hoewel in de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest uit 2014 de term ‘korte onderbreking’ niet terugkomt, wijst niets erop dat voor de voortzetting na een 'korte onderbreking' iets anders heeft te gelden dan voor de voortzetting 'aanstonds'. Ook de opvatting dat de woorden ‘zo nodig’ in artikel 314 lid 2 Sv ruimte zouden bieden om het onderzoek zonder toestemming aanstonds voort te zetten, is onjuist, aldus de verdediging.

Tussenconclusie en richting voor het vervolg

18. De prejudiciële vraag komt hierop neer: als de verdachte of de raadsman na wijziging van de tenlastelegging géén toestemming geeft het onderzoek ter terechtzitting aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten, moet dit onderzoek dan zonder meer worden geschorst, of heeft de rechter ruimte om af te zien van een schorsing op grond van een afweging van de mate waarin (reeds) is tegemoetgekomen aan het belang van de verdediging om zich op de gewijzigde tenlastelegging voor te bereiden, dan wel op grond van een andere reden?

19. De wet, het arrest van de Hoge Raad en de daarin aangehaalde wetsgeschiedenis wijzen erop dat het antwoord op de vraag luidt dat de rechter moet schorsen, tenzij de verdachte of (namens hem) de raadsman toestemming geeft daarvan af te zien. Daaruit volgt dat de rechter bij de beslissing om wel of niet te schorsen geen ruimte heeft om mee te wegen of aan het belang van de verdediging voldoende is tegemoetgekomen, en ook niet of er een andere reden is om van schorsing af te zien. Voordat ik een definitief standpunt inneem, onderzoek ik die voorlopige conclusie hieronder nader. Daarbij betrek ik, naast de wetsgeschiedenis, ook de ratio van de bepaling, de wetssystematiek en het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

De wetsgeschiedenis van artikel 314 Sv

20. Bij de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926[_b032e838-4eea-49b2-ac70-634975ca7f69] hield artikel 314 Sv in:

“1. Indien de telastlegging overeenkomstig artikel 313 is gewijzigd, wordt aan den verdachte door den griffier een gewaarmerkt afschrift der gewijzigde telastlegging op de terechtzitting zelve ter hand gesteld. Is de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig, dan wordt hem de gewijzigde telastlegging zoo spoedig mogelijk beteekend.

2. De rechtbank schorst het onderzoek voor een bepaalden tijd; met toestemming van den verdachte kan echter het onderzoek aanstonds worden voortgezet.”[_49181df3-6d5c-48c2-8ac7-a3a0a2d13aca]

21. De voorloper van deze bepaling in het Oorspronkelijk Regeringsontwerp (ORO, artikel 305 lid 4) was wezenlijk anders, namelijk: “De rechtbank schorst het onderzoek voor een bepaalden tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte in het belang zijner verdediging geen uitstel behoeft.”[_5867baab-3e55-4e51-9c57-999910f685d8] Naar aanleiding van het verslag bracht de minister echter een gewijzigd voorstel van wet uit, waarin deze tekst werd veranderd in de hierboven geciteerde bepaling. Uit het bijbehorende Kamerstuk blijkt dat de verandering aanleiding vond in een mondeling overleg tussen de minister en de commissie van voorbereiding. De commissie had in dat overleg opgemerkt dat de mogelijkheid de tenlastelegging te wijzigen de verdachte “in zijne verweermiddelen verzwakt, de verwering althans bemoeilijkt.” De minister reageerde hierop met de mededeling dat “schorsing van het onderzoek hieraan, zoo noodig, zal te gemoet komen.” Niettemin verklaarde hij zich bereid “deze bepaling ten gunste der verdediging in dien zin te wijzigen, dat voortzetting van het onderzoek niet zonder toestemming van den verdachte zal kunnen geschieden.”[_647e5f5b-83b3-483b-9732-42353196028d]

22. Sindsdien bleef het lange tijd stil. Het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet vormverzuimen van 1995 bevatte een aanpassing die de rechter meer speelruimte zou hebben gegeven.[_4a0e88bd-25ed-4462-9291-457f1ab654b3] Het oorspronkelijke wetsvoorstel hield in: “De rechtbank schorst het onderzoek, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte door voortzetting van het onderzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad.” De memorie van toelichting gaf op dit deel van het wetsvoorstel (abusievelijk) geen toelichting.[_1ffba70e-3eca-4f21-bd84-f8f4329070f9] De minister verdedigde deze wijziging pas in reactie op het advies van de Raad van State en deed daarbij een beroep op de proceseconomie en op het risico van misbruik van het vereiste dat voor het aanstonds voortzetten van het onderzoek altijd toestemming van de verdachte nodig is.[_19522366-ac15-4c11-97b7-5fe3522a41b6] Leden van de Tweede Kamer meenden echter dat de positie van de verdediging niet te zwaar moest worden aangetast en dienden een amendement in om de voorgestelde wijziging van lid 2 van artikel 314 Sv ongedaan te maken.[_523ec83a-bf9c-4298-bf6e-469094d91ab7] De Tweede Kamer nam het amendement aan. Zodoende bleef artikel 314 lid 2 Sv ongewijzigd.[_28e8fc43-2137-423d-b3b7-450366579d26]

23. Artikel 314 Sv werd daarna voor het eerst gewijzigd in 1998, met de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting.[_5d26f9f7-8d02-4cc5-a00c-b50bbf90464a] Doel van de wet was onder meer de mogelijkheden voor een behandeling op tegenspraak te vergroten. Daarom introduceerde de wet de mogelijkheid waarvan artikel 279 Sv gewag maakt: verdediging door een gemachtigd raadsman in afwezigheid van de verdachte.[_6d33ca0e-d19a-4912-9538-ad2fca7d9b61] Het oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte geen wijziging van artikel 314 Sv. Bij die stand van zaken stond de wet niet toe dat de gemachtigde raadsman in plaats van de verdachte instemde met de onmiddellijke voortzetting van het onderzoek. Nadat de vaste commissie dit signaleerde in het verslag, bracht de minister een nota van wijziging uit.[_ebce5b99-7eb4-4509-9d6e-910e19cf4416] In de nota naar aanleiding van het verslag merkte zij hierover op:

“Ik zie geen overwegend beletsel voor de introductie van de mogelijkheid dat de raadsman namens zijn cliënt instemt met het voortzetten van de terechtzitting, nadat de officier van justitie een vordering tot wijziging van de telastlegging heeft ingediend. In het bijzonder de juridische beoordeling van de vraag of door toewijzing van deze vordering tot wijziging niet de telastlegging een ander feit in de zin van artikel [68] van het Wetboek van Strafrecht zal inhouden, kan uiteraard heel goed aan de raadsman worden overgelaten. Evenmin dient er een verschil in regime te ontstaan ten aanzien van de vordering op grond van artikel 312 (de aanvulling met strafverzwarende omstandigheden) die niet afzonderlijk aan de verdachte behoeft te worden betekend, en de vordering ex artikel 313 (tot wijziging van de telastlegging) die wel aan de verdachte moet worden betekend. Bij afwezigheid van de verdachte leidt de toewijzing van de laatste vordering volgens de huidige regeling steeds tot schorsing van het onderzoek. Daarin komt verandering na aanvaarding van het onderhavige voorstel. Desgeraden kan de rechtbank een korte onderbreking met het oog op (telefonisch) overleg tussen raadsman en cliënt toestaan. Al naar gelang de uitkomst daarvan kan de raadsman hetzij om een schorsing van het onderzoek in het belang van de verdediging vragen, hetzij instemmen met de voortzetting van het onderzoek. Ik stel daartoe een wijziging van artikel 314, tweede lid, voor.”[_e44cdb8a-9a62-4273-a1e4-88fb707b6fa8]

24. Artikel 314 lid 2 Sv kwam te luiden (wijzigingen onderstreept door mij, D.A.):

“De rechtbank schorst het onderzoek zo nodig voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte of de raadsman die op grond van artikel 279, eerste lid, tot de verdediging is toegelaten, kan het onderzoek echter aanstonds of na een korte onderbreking worden voortgezet.”

25. Met de Wet stroomlijnen hoger beroep van 5 oktober 2006 bracht de wetgever voor de tweede keer een wijziging aan in artikel 314 Sv.[_940ad6f5-5a04-4d71-bd33-5bf71bfdd02f] Aanleiding was de situatie dat de rechter, wanneer de behandeling bij verstek plaatsvindt, altijd moet schorsen om de wijziging te betekenen. De wetgever introduceerde daarom in lid 1 de mogelijkheid dat het onderzoek op de gewijzigde tenlastelegging aanstonds wordt voortgezet als de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het gaat dan bijvoorbeeld om een wijziging van ondergeschikte betekenis. In die gevallen is het niet redelijk om het onderzoek te schorsen, en levert dat onnodige vertraging op, aldus de memorie van toelichting.[_1b425dfc-2b66-42bd-b069-b1ce105d2a94] Artikel 314 lid 2 Sv bleef echter onveranderd. In de parlementaire stukken wordt die keuze niet toegelicht.

Evaluatie: wetstekst en wetsgeschiedenis, ratio en wetssystematiek, en het nieuwe Wetboek van Strafvordering

26. De oorspronkelijke tekst van artikel 314 lid 2 Sv in het Wetboek van Strafvordering van 1926 impliceerde een simpele keuze: schorsen (voor bepaalde tijd) of het aanstonds voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting. Dat tweede was alleen toegestaan met instemming van de verdachte. De latere wijzigingen van artikel 314 Sv hebben die lijn niet verlaten. De wetstekst en de wetsgeschiedenis pleiten er dus voor dat het aanstonds voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting niet is toegestaan zonder toestemming van de verdachte of de raadsman, niet op grond van het ontbreken van verdedigingsbelang en ook niet om andere redenen. Het arrest van de Hoge Raad uit 2014 sluit daarop naadloos aan.[_24e7729c-2156-4031-8107-7450887c0221] Aan de woorden ‘zo nodig’ in lid 2 van artikel 314 Sv komt in deze uitleg weinig zelfstandige betekenis toe. Voor zover ik zie, lichten de parlementaire stukken bij de (in 1998 in werking getreden) Wet herziening onderzoek ter terechtzitting die toevoeging niet toe.[_7e4510d6-02da-4a34-99b4-0f410b3b5fa3] Machielse vermoedde dat zij zien op het geval waarin een korte onderbreking voor overleg tussen de raadsman en de verdachte niet volstaat. Reijntjes leidde er juist uit af dat de wet naar de letter toelaat zonder toestemming voort te gaan wanneer de rechter schorsing overbodig acht.[_286e7c12-97dc-46ee-83d9-ca015a6effe7]

27. Andersoortige argumenten dan die met een verwijzing naar de wetstekst en de wetsgeschiedenis van artikel 314 lid 2 Sv trekken bij deze stand van zaken al snel aan het kortste eind. Bij de totstandkoming van de (in 1995 in werking getreden) Wet vormverzuimen verdedigde de minister de door hem voorgestelde wijziging van artikel 314 lid 2 Sv immers met dezelfde argumenten van misbruik, vertraging en proceseconomie als die waarop de rechtbank en het OM zich thans in deze prejudiciële procedure beroepen. De Tweede Kamer verwierp dit wijzigingsvoorstel echter via een amendement.[_b69f9f03-679f-4bd8-82d1-f10a6b7b965c]

28. Ik belicht niettemin nog twee afzonderlijke argumenten die zich niet met een enkele verwijzing naar de wetstekst en de wetsgeschiedenis laten afdoen, namelijk (1) een teleologische uitleg (een uitleg naar de ratio van een bepaling) en (2) de wetssystematiek.

29. Allereerst de ratio van artikel 314 Sv. Het valt slecht in te zien waarom de wet tot een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting dwingt in die gevallen waarin het in artikel 6 EVRM beschermde recht op informatie over de aard en reden van de beschuldiging en op de tijd en faciliteiten die nodig zijn om de verdediging daartegen voor te bereiden niet in het gedrang komt. Ingeval bijvoorbeeld de wijziging van de tenlastelegging van ondergeschikte betekenis is en/of de verdediging van de voorgenomen wijziging tijdig op de hoogte is gebracht, wordt aan de ratio van artikel 314 lid 2 Sv doorgaans niet tekortgedaan indien de rechter het onderzoek ter terechtzitting aanstonds of na een korte onderbreking voortzet. Dit ‘teleologische’ argument pleit ervoor de rechter de ruimte te geven om − tegen de achtergrond van de aard en inhoud van de wijziging van de tenlastelegging − te beoordelen of het verdedigingsbelang zich werkelijk verzet tegen een voortvarende afdoening van de strafzaak. De voorbereiding op een − wellicht voorspelbare, althans tijdig aangekondigde − meer nauwkeurige specificatie van de berispelijke gedraging, bijvoorbeeld een wijziging die de beschuldiging meer in overeenstemming brengt met hetgeen uit de processtukken reeds duidelijk naar voren komt, hoeft weinig om het lijf te hebben wanneer de toegelaten wijziging geen wezenlijke verandering teweegbrengt in de aard en omvang van de beschuldiging.

30. Een tweede argument ontleen ik aan de wetssystematiek. Sinds 2006 bestaat er tussen de regeling van lid 1 (bij verstek) en lid 2 (op tegenspraak) van artikel 314 Sv een niet goed verdedigbare tegenstelling. Lid 1 laat de rechter namelijk wél vrij om het verdedigingsbelang af te wegen bij de vraag of aan de afwezige verdachte kennis moet worden gegeven van de wijziging van de tenlastelegging. Dat is des te opmerkelijker, omdat bij een behandeling op tegenspraak de verdediging, anders dan bij verstek, terstond van de wijziging kennisneemt en zich daarover kan beraden. De argumenten die de minister in 2006 tot die wijziging van lid 1 brachten, verwijzen naar de ratio van de bepaling.[_825c0f30-3037-4532-8a9f-1620f501f853] Zij gaan onverkort ook op voor het geval van lid 2 van artikel 314 Sv. De parlementaire stukken geven geen antwoord op de vraag waarom lid 2 van artikel 314 Sv niet is geharmoniseerd met lid 1. Verder wijs ik erop dat lid 2 van artikel 314 Sv binnen het Wetboek van Strafvordering een enigszins vreemde eend in de bijt is. Het is in andere gevallen doorgaans aan de rechter om bij verzoeken tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting de noodzaak daartoe af te wegen tegen alle in het geding betrokken aanspraken en belangen, uiteraard met inbegrip van de waarborgen van artikel 6 lid 1 en lid 3 onder a en b EVRM.

31. In het voorgaande besprak ik argumenten waarvan de Hoge Raad zich bij het wijzen van het arrest in 2014 ongetwijfeld bewust was. Was de geschiedenis hier geëindigd, dan zou ik onder verwijzing naar dat arrest hebben bepleit dat, hoe krachtig deze argumenten van teleologische en wetssystematische aard ook zijn, de wetsgeschiedenis en de lezing van de wetstekst die daarop steunt in een andere richting wijzen. Het zou dan aan de wetgever zijn om stappen te zetten en eventueel verandering te brengen in deze regeling.

32. De ontwikkelingen hebben na het arrest van 2014 echter niet stilgestaan. De wetgever heeft inmiddels gesproken. Er is verandering op komst met artikel 4.2.28 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (NSv). Volgens deze bepaling geldt zowel bij een behandeling bij verstek (lid 3) als bij een behandeling op tegenspraak (lid 2) het uitgangspunt dat het onderzoek direct (of na een korte onderbreking) wordt voortgezet. Lid 2 van deze bepaling stipuleert: “Indien de verdachte daarom verzoekt, schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek direct wordt voortgezet.”[_cc93e9b7-1dd3-4a27-9fed-4e83abf7d6a0]

33. Artikel 4.2.28 NSv is in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer als onderdeel van de (eerste) vaststellingswet met grote meerderheden aanvaard.[_c138738f-8a7d-4580-8f48-bea9294395a4] De wet is zelfs al gepubliceerd,[_fc34eb33-4344-4440-a9d7-e227248b4f53] maar nog niet in werking getreden. Het is dus duidelijk hoe de nieuwe regeling luidt en hoe de wetgever thans over deze kwestie denkt.

34. Daarmee komt de vraag op of een uitleg van artikel 314 lid 2 Sv die anticipeert op de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering tot de mogelijkheden behoort. Ik heb daarover wel enige aarzelingen. Aangezien het bepaalde in artikel 4.2.28 lid 2 NSv op het eerste gezicht abrupt breekt met de regel van artikel 314 lid 2 Sv, ligt anticiperende interpretatie in dit geval m.i. niet onmiddellijk voor de hand. Daarbij komt dat het hier gaat om een procedureregel met een ordenend karakter; voor zulke regels is wettelijk overgangsrecht doorgaans de aangewezen weg.[_65837f71-66a5-41e2-8779-084c799ba254]

35. Dat neemt niet weg dat er goede gronden zijn om die stap hier toch te zetten, en daarmee terug te komen van het arrest uit 2014. Wat toen de doorslag gaf, ‘de wil van de wetgever’, wijst inmiddels de andere kant op. Met ruime meerderheden en zonder kenbare discussie heeft de wetgever gekozen voor de maatstaf die de Tweede Kamer in 1995 nog afwees. Wie daarop anticipeert, begeeft zich niet in de legislatieve arena, maar volgt de wetgever op een weg die deze zelf is ingeslagen. De wetstekst biedt daarvoor ook de ruimte (zie randnummer 26): de woorden ‘zo nodig’ laten zich naar het model van het nieuwe recht ‘kneden’. De anticiperende uitleg gaat in tegen de wetsgeschiedenis, niet tegen de wetstekst. Bij nader inzien is de breuk bovendien minder abrupt dan zij lijkt. Een vergelijkbare maatstaf geldt sinds 2006 al bij verstek (artikel 314 lid 1 Sv). Ook blijft schorsing bij de door mij voorgestelde lezing van artikel 314 lid 2 Sv het uitgangspunt. Alleen de uitzondering wordt aan het nieuwe recht ontleend. De verdediging verliest daarmee haar vetorecht. De bescherming van artikel 6 lid 1 en lid 3 onder a en b EVRM behoudt zij: schorsing blijft geboden wanneer de verdachte bij voortzetting van het onderzoek redelijkerwijs in zijn verdediging zou worden geschaad.

36. Ook het ordenende karakter van de regel (zie randnummer 34) dwingt niet tot afwachten. De praktijk loopt nu al uiteen, en zonder anticipatie zou een regel die de wetgever heeft verlaten nog jaren gelden: tot de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek en, gelet op het beginsel van eenheid van instantie, daarna nog in lopende zaken. Het nieuwe wetboek kan hier dan ook dienen als wat Borgers “een nuttig, zij het niet dwingend richtpunt” noemt.[_fdbece39-0622-441c-b47e-ce1a73caf238]

Het antwoord op de prejudiciële vraag

37. Ik stel voor dat de Hoge Raad de vraag als volgt beantwoordt:

Artikel 314 lid 2 Sv moet zo worden uitgelegd dat de rechter, wanneer de verdachte of de raadsman na de wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 Sv geen toestemming geeft het onderzoek ter terechtzitting aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten, het onderzoek voor bepaalde tijd schorst, tenzij hij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking wordt voortgezet. Bij dat oordeel kan de rechter onder meer betrekken de aard en omvang van de wijziging en de vraag of, en zo ja hoe lang van tevoren, de verdediging van de voorgenomen wijziging op de hoogte is gebracht. Andere gronden, zoals het belang van een voortvarende afdoening, kunnen voortzetting zonder toestemming niet zelfstandig rechtvaardigen.

38. De aanvullende vraag van het OM (randnummer 15), of een schorsing voor bepaalde tijd ook een half uur kan duren, behoeft bij deze uitleg geen afzonderlijke beantwoording. Oordeelt de rechter dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek na een korte onderbreking wordt voortgezet, dan kan hij het onderzoek na zo’n onderbreking voortzetten.

Slotsom

39. Deze conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vraag op de wijze als voorgesteld onder randnummer 37.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nummer 26/02339 PJV
  2. Inleiding: het procesverloop en de opbouw van deze conclusie
  3. De relevante juridische en feitelijke context, en de prejudiciële vraag
  4. Tussenconclusie en richting voor het vervolg
  5. De wetsgeschiedenis van artikel 314 Sv
  6. Het antwoord op de prejudiciële vraag
  7. Slotsom

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/02339 PJV

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte

Inleiding: het procesverloop en de opbouw van deze conclusie

1. In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op de zitting van 29 mei 2026 besloten het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om een prejudiciële vraag te kunnen stellen. Aanleiding daarvoor was de (gedeeltelijke) toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging. De raadsman stemde niet in met het aanstonds voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting. Op 19 juni 2026 stelde de rechtbank bij tussenbeslissing een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van artikel 314 lid 2 Sv, dat gaat over de procesrechtelijke gevolgen van een wijziging van de tenlastelegging (bij een behandeling op tegenspraak).

2. In een ontvankelijkheidsbeoordeling van 25 augustus 2026 concludeerde ik dat de vraag in aanmerking komt voor beantwoording bij prejudiciële beslissing door de Hoge Raad. De Hoge Raad besloot de vraag in behandeling te nemen[_74f3fe62-6eb1-42ad-b90d-bd8893f497ea] en verleende overeenkomstig artikel 554 lid 1 Sv aan het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging een termijn van dertig dagen voor het indienen van schriftelijke opmerkingen. [naam 1], officier van justitie, heeft namens het OM opmerkingen ingediend. Namens de verdachte hebben D. Bektesevic en D.W.E. Sternfeld, advocaten in Amsterdam, schriftelijke opmerkingen gemaakt.[_a4283860-68d7-4a49-a604-221e0a7c7daa]

3. Deze conclusie is als volgt ingedeeld:

- De relevante juridische en feitelijke context, en de prejudiciële vraag;

- Een overzicht van de discussie: de standpunten van de rechtbank, het OM en de verdediging;

- Tussenconclusie en richting voor het vervolg;

- De wetsgeschiedenis van artikel 314 Sv;

- Evaluatie: wetstekst en wetsgeschiedenis, ratio en wetssystematiek, en het nieuwe Wetboek van Strafvordering;

- Het antwoord op de prejudiciële vraag;

- Slotsom.

De relevante juridische en feitelijke context, en de prejudiciële vraag

De juridische context: het wijzigen van de tenlastelegging en de processuele consequenties daarvan op basis van artikel 314 Sv, en het arrest van de Hoge Raad uit 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2966)

4. In artikel 313 Sv is bepaald:

“1. Indien buiten het geval van het voorgaande artikel[_907e193f-6298-4259-a2c1-f7cfa74729e4] de officier van justitie oordeelt dat de telastlegging behoort te worden gewijzigd, legt hij den inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de rechtbank over met vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.

2. Indien de rechtbank de vordering toewijst, doet zij den inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal ter terechtzitting opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als een gevolg waarvan de telastlegging niet langer hetzelfde feit, in den zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zou inhouden.”

en artikel 314 Sv houdt in:

“1. Indien de telastlegging overeenkomstig artikel 313 is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde telastlegging op de terechtzitting verstrekt, tenzij de rechtbank oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen kan worden volstaan. Is tegen de verdachte verstek verleend, dan wordt het onderzoek op de gewijzigde telastlegging aanstonds voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval wordt de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem in het laatstgenoemde geval tevens onverwijld een vertaling van de gewijzigde tenlastelegging verstrekt.

2. De rechtbank schorst het onderzoek zo nodig voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte of de raadsman die op grond van artikel 279, eerste lid, tot de verdediging is toegelaten, kan het onderzoek echter aanstonds of na een korte onderbreking worden voortgezet.”

5. Buiten het geval van artikel 312 Sv, dat wil zeggen: het mondelinge aanvullen van de beschuldiging met een strafverzwarende omstandigheid, regelt artikel 313 Sv het wijzigen van de tenlastelegging. Lid 1 daarvan staat de officier van justitie toe een wijziging te vorderen. De zittingsrechter beslist op de vordering. Op grond van lid 2 van artikel 313 Sv geldt een materiële beperking: de tenlastelegging mag dóór de wijziging geen ander feit in de zin van artikel 68 Sr inhouden dan vóór de wijziging.[_a15be004-fdbc-4be0-aee4-6834b72aa58d]

6. Artikel 314 Sv behandelt de processuele gevolgen van de wijziging van de tenlastelegging. De in artikel 314 Sv bedoelde schorsing van het onderzoek ter terechtzitting strekt ertoe de verdachte voldoende gelegenheid te geven zijn verdediging tegen de aangepaste beschuldiging voor te bereiden.[_dd42448a-941a-43b6-ad0f-b406e6fdbc3a] Deze materie valt (ook) binnen het beschermingsbereik van artikel 6 lid 1 en lid 3 EVRM, waarvan lid 3 onder a en b bepaalt dat degene tegen wie een vervolging is ingesteld in het bijzonder het recht heeft op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging en te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging.[_e00568ed-c570-413c-94ab-af3e6dabbae4]

7. Artikel 314 Sv bevat regels voor een behandeling ter terechtzitting bij verstek, respectievelijk op tegenspraak. Lid 1 van dat artikel bepaalt dat indien verstek is verleend, het onderzoek aanstonds wordt voortgezet als de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. Lid 2 houdt in dat het onderzoek op tegenspraak “zo nodig” wordt geschorst, tenzij de verdachte of de raadsman instemt met de onmiddellijke voortzetting of met voortzetting na een korte onderbreking ervan.

8. Een arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014 had betrekking op artikel 314 lid 2 Sv.[_bfb9eb24-7236-4889-a42a-fa277137e5e5] Na een wijziging van de tenlastelegging gaf de (gemachtigde) raadsvrouw géén toestemming om het onderzoek aanstonds voort te zetten. Het hof deed dat toch. De Hoge Raad overwoog:

“2.5. Het middel stelt de vraag aan de orde of het de feitenrechter gelet op art. 314, tweede lid, Sv na wijziging van de tenlastelegging is toegestaan het onderzoek van de zaak zonder toestemming van de verdachte of diens uitdrukkelijk gemachtigd raadsman aanstonds voort te zetten op de in art. 314, eerste lid, tweede volzin, Sv genoemde grond.

2.6.

Gelet op de tekst van de wet moet worden aangenomen dat het eerste lid van art. 314 Sv slechts betrekking heeft op de behandeling van de zaak bij verstek, terwijl het tweede lid ziet op de behandeling van de zaak op tegenspraak, met het gevolg dat de in de tweede volzin van het eerste lid omschreven maatstaf voor de te nemen beslissing niet van toepassing is bij een op grond van het tweede lid te nemen beslissing. Een andersluidende uitleg van de betrokken artikelleden valt niet te verenigen met de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3, 3.4 en 3.6 genoemde wetsgeschiedenis. In het bijzonder valt daaruit af te leiden dat een voorstel tot wijziging van het tweede lid van art. 314 Sv, zodat het zou komen te luiden: "2. De rechtbank schorst het onderzoek, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte door voortzetting van het onderzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad", na een daartoe strekkend amendement van leden van de Tweede Kamer is ingetrokken. Bij de behandeling van een zaak op tegenspraak zal het onderzoek dus slechts aanstonds kunnen worden voortgezet indien de verdachte of zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman daartoe toestemming heeft gegeven.

2.7.

In dit geval is sprake van een behandeling van de zaak op tegenspraak. De raadsvrouwe heeft geen toestemming als hiervoor bedoeld gegeven en om aanhouding van de zaak verzocht. Het oordeel van het Hof dat het onderzoek niettemin aanstonds kan worden voortgezet op de grond dat de verdachte door het achterwege laten van een kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, is derhalve onjuist. De onder 2.5 geformuleerde vraag moet dan ook ontkennend worden beantwoord.”[_99f1e2c4-69cf-49b0-9c05-1612574f3b97]

De feitelijke context

9. In de tussenbeslissing van 19 juni 2026 schetst de rechtbank de gang van zaken. Op 25 maart 2024 is de verdachte gedagvaard. De tenlastelegging bevat onder 5 het verwijt van (gewoonte)witwassen van cryptovaluta, geldbedragen en verschillende voorwerpen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 december 2023. In april 2024 heeft het OM per e-mail een nieuwe concepttenlastelegging gedeeld met enkele aanpassingen ten opzichte van de tenlastelegging die in de dagvaarding is opgenomen. Op 22 mei 2026 heeft de officier van justitie per e-mail uiting gegeven aan zijn voornemen om op de zitting van 29 mei 2026 een wijziging van de tenlastelegging te vorderen. Op 27 mei 2026 is per e-mail een correctie op de voorgenomen vordering gevolgd. Bij de voordracht van de tenlastelegging op de zitting van 29 mei 2026 heeft de officier van justitie conform zijn laatste e-mailbericht gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd.

10. De rechtbank heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen voor zover het ging om het verlengen van de pleegperiode en het verhogen van de omgerekende geldwaarde van de cryptovaluta. De rechtbank heeft de vordering afgewezen voor zover die ertoe strekte de tenlastelegging uit te breiden met het witwassen van een geldbedrag van € 932.000,-. De rechtbank gaf de raadsman daarop tijdens een korte onderbreking de gelegenheid de wijziging met de verdachte te bespreken. Vervolgens deelde de raadsman mede dat hij geen toestemming gaf voor de directe voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting en verzocht hij om schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd. De rechtbank besloot in dit verband een prejudiciële vraag te stellen.

De prejudiciële vraag

11. De rechtbank legt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag voor:

“Dient artikel 314 lid 2 Sv, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, zo te worden begrepen dat het onderzoek ter terechtzitting na een wijziging van de tenlastelegging zonder meer dient te worden geschorst indien de verdachte of raadsman geen toestemming geeft het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten, of is er ruimte voor een afweging of voldaan is aan het belang van de verdediging om zich op de gewijzigde tenlastelegging te kunnen voorbereiden, zoals dat ook is genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235, dan wel of zich anderszins een grond voordoet om dat aanhoudingsverzoek af te wijzen?”

Een overzicht van de discussie: de standpunten van de rechtbank, het OM en de verdediging

De rechtbank

12. De rechtbank zet in de tussenbeslissing uiteen dat advocaten in een toenemend aantal gevallen na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging weigeren in te stemmen met het aanstonds voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting. Als artikel 314 lid 2 Sv zo wordt uitgelegd dat het onderzoek ter terechtzitting in dat geval nooit aanstonds mag worden voortgezet, heeft dat voor de strafrechtspleging aanzienlijke proceseconomische gevolgen. De rechtbank geeft als voorbeeld dat een volledige zittingsdag van een meervoudige kamer, met bijbehorende voorbereidingstijd, verloren gaat. Daarnaast wordt in de praktijk verschillend omgegaan met deze rechtsvraag, zo stelt de rechtbank. Er zijn ook rechters die artikel 314 lid 2 Sv ruimer uitleggen en (onder omstandigheden) afzien van de schorsing van het onderzoek, ook als instemming van de verdachte of de raadsman ontbreekt. De rechtbank verwijst onder andere naar een beslissing van de rechtbank Midden-Nederland op een wrakingsverzoek, waaruit volgt dat de rechtbank in de onderliggende strafzaak in de woorden ‘zo nodig’ in artikel 314 lid 2 Sv ruimte zag om ook zonder toestemming het onderzoek voort te zetten.[_587ebc6b-fb22-406a-a2a9-654bb7faf1ba]

13. De rechtbank meent, zo begrijp ik, dat in de rechtspraak van de Hoge Raad op deze kwestie geen panklaar antwoord te vinden is. De rechtbank verwijst in dat verband wel naar HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, maar merkt op dat de feiten in die zaak anders lagen dan in de voorliggende zaak. In die zaak was bijvoorbeeld geen sprake van voorafgaande kennisgeving van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging en ook niet (de mogelijkheid) van een (korte) onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting.

Het OM

14. De officier van justitie heeft zich op de zitting van 29 mei 2026 op het standpunt gesteld dat de toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging enkel een aanhouding van de inhoudelijke behandeling (in de zin van: voortzetting ervan op een andere dag) tot gevolg kan hebben wanneer de toegelaten wijziging van de tenlastelegging daarvoor aanleiding geeft (zowel vanwege de inhoud als vanwege de benodigde voorbereidingstijd).

15. De schriftelijke opmerkingen van het OM houden daarnaast in dat er kostbare zittings- en voorbereidingstijd verloren gaat, als de verdediging na wijziging van de tenlastelegging niet instemt met de directe voortzetting van de behandeling. De officier van justitie merkt op dat er op het laatste moment in het opsporingsonderzoek nog ontwikkelingen kunnen zijn die bij voorkeur in de tenlastelegging worden verwerkt. Het is ook denkbaar dat pas bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak wordt vastgesteld dat de tenlastelegging fouten bevat die moeten worden hersteld. Het OM acht het wenselijk dat de ruimte blijft bestaan om actualiteiten te verwerken en fouten in de tenlastelegging te herstellen, zonder dat dit als consequentie heeft dat het onderzoek ter terechtzitting voor langere tijd moet worden geschorst. In aanvulling op de door de rechtbank gestelde vraag verzoekt de officier van justitie nader toe te lichten of de in artikel 314 lid 2 Sv genoemde schorsing voor een bepaalde tijd ook kan bestaan uit een relatief korte tijdsperiode van bijvoorbeeld een half uur.

De verdediging

16. Ter terechtzitting van 29 mei 2026 bracht de raadsman naar voren dat hij voorafgaand aan de zitting slechts een voornemen van het OM had ontvangen, dat hij niet kon weten of dat voornemen tot een vordering zou leiden en of de rechtbank die vordering dan ook zou toewijzen. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat artikel 314 lid 2 Sv het niet toestaat dat het onderzoek ter terechtzitting voor zeer korte duur wordt geschorst, want dan gaat het in feite om een onderbreking.[_b2004aa6-a5a9-49d0-9b7d-0090ac50e2ef] Verder bracht hij naar voren: “Wat betreft mijn lezing van het arrest uit 2014 wil ik benadrukken dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever expliciet heeft gewild dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst op het moment dat de verdediging geen toestemming verleent. Dit gegeven was ook voor de Hoge Raad voldoende reden om op die manier te beslissen.”

17. De verdediging brengt in haar schriftelijke opmerkingen onder meer naar voren dat de beantwoording van de prejudiciële vraag erop moet neerkomen dat uit artikel 314 lid 2 Sv volgt dat de rechter na een wijziging van de tenlastelegging gehouden is het onderzoek ter terechtzitting te schorsen indien de verdachte of de raadsman geen toestemming geeft het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten. In dat antwoord ligt besloten dat de rechter geen ruimte heeft om af te wegen of de verdediging zich voldoende op de gewijzigde tenlastelegging heeft kunnen voorbereiden. De advocaten wijzen onder meer op de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis. Hoewel in de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest uit 2014 de term ‘korte onderbreking’ niet terugkomt, wijst niets erop dat voor de voortzetting na een 'korte onderbreking' iets anders heeft te gelden dan voor de voortzetting 'aanstonds'. Ook de opvatting dat de woorden ‘zo nodig’ in artikel 314 lid 2 Sv ruimte zouden bieden om het onderzoek zonder toestemming aanstonds voort te zetten, is onjuist, aldus de verdediging.

Tussenconclusie en richting voor het vervolg

18. De prejudiciële vraag komt hierop neer: als de verdachte of de raadsman na wijziging van de tenlastelegging géén toestemming geeft het onderzoek ter terechtzitting aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten, moet dit onderzoek dan zonder meer worden geschorst, of heeft de rechter ruimte om af te zien van een schorsing op grond van een afweging van de mate waarin (reeds) is tegemoetgekomen aan het belang van de verdediging om zich op de gewijzigde tenlastelegging voor te bereiden, dan wel op grond van een andere reden?

19. De wet, het arrest van de Hoge Raad en de daarin aangehaalde wetsgeschiedenis wijzen erop dat het antwoord op de vraag luidt dat de rechter moet schorsen, tenzij de verdachte of (namens hem) de raadsman toestemming geeft daarvan af te zien. Daaruit volgt dat de rechter bij de beslissing om wel of niet te schorsen geen ruimte heeft om mee te wegen of aan het belang van de verdediging voldoende is tegemoetgekomen, en ook niet of er een andere reden is om van schorsing af te zien. Voordat ik een definitief standpunt inneem, onderzoek ik die voorlopige conclusie hieronder nader. Daarbij betrek ik, naast de wetsgeschiedenis, ook de ratio van de bepaling, de wetssystematiek en het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

De wetsgeschiedenis van artikel 314 Sv

20. Bij de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926[_b032e838-4eea-49b2-ac70-634975ca7f69] hield artikel 314 Sv in:

“1. Indien de telastlegging overeenkomstig artikel 313 is gewijzigd, wordt aan den verdachte door den griffier een gewaarmerkt afschrift der gewijzigde telastlegging op de terechtzitting zelve ter hand gesteld. Is de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig, dan wordt hem de gewijzigde telastlegging zoo spoedig mogelijk beteekend.

2. De rechtbank schorst het onderzoek voor een bepaalden tijd; met toestemming van den verdachte kan echter het onderzoek aanstonds worden voortgezet.”[_49181df3-6d5c-48c2-8ac7-a3a0a2d13aca]

21. De voorloper van deze bepaling in het Oorspronkelijk Regeringsontwerp (ORO, artikel 305 lid 4) was wezenlijk anders, namelijk: “De rechtbank schorst het onderzoek voor een bepaalden tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte in het belang zijner verdediging geen uitstel behoeft.”[_5867baab-3e55-4e51-9c57-999910f685d8] Naar aanleiding van het verslag bracht de minister echter een gewijzigd voorstel van wet uit, waarin deze tekst werd veranderd in de hierboven geciteerde bepaling. Uit het bijbehorende Kamerstuk blijkt dat de verandering aanleiding vond in een mondeling overleg tussen de minister en de commissie van voorbereiding. De commissie had in dat overleg opgemerkt dat de mogelijkheid de tenlastelegging te wijzigen de verdachte “in zijne verweermiddelen verzwakt, de verwering althans bemoeilijkt.” De minister reageerde hierop met de mededeling dat “schorsing van het onderzoek hieraan, zoo noodig, zal te gemoet komen.” Niettemin verklaarde hij zich bereid “deze bepaling ten gunste der verdediging in dien zin te wijzigen, dat voortzetting van het onderzoek niet zonder toestemming van den verdachte zal kunnen geschieden.”[_647e5f5b-83b3-483b-9732-42353196028d]

22. Sindsdien bleef het lange tijd stil. Het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet vormverzuimen van 1995 bevatte een aanpassing die de rechter meer speelruimte zou hebben gegeven.[_4a0e88bd-25ed-4462-9291-457f1ab654b3] Het oorspronkelijke wetsvoorstel hield in: “De rechtbank schorst het onderzoek, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte door voortzetting van het onderzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad.” De memorie van toelichting gaf op dit deel van het wetsvoorstel (abusievelijk) geen toelichting.[_1ffba70e-3eca-4f21-bd84-f8f4329070f9] De minister verdedigde deze wijziging pas in reactie op het advies van de Raad van State en deed daarbij een beroep op de proceseconomie en op het risico van misbruik van het vereiste dat voor het aanstonds voortzetten van het onderzoek altijd toestemming van de verdachte nodig is.[_19522366-ac15-4c11-97b7-5fe3522a41b6] Leden van de Tweede Kamer meenden echter dat de positie van de verdediging niet te zwaar moest worden aangetast en dienden een amendement in om de voorgestelde wijziging van lid 2 van artikel 314 Sv ongedaan te maken.[_523ec83a-bf9c-4298-bf6e-469094d91ab7] De Tweede Kamer nam het amendement aan. Zodoende bleef artikel 314 lid 2 Sv ongewijzigd.[_28e8fc43-2137-423d-b3b7-450366579d26]

23. Artikel 314 Sv werd daarna voor het eerst gewijzigd in 1998, met de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting.[_5d26f9f7-8d02-4cc5-a00c-b50bbf90464a] Doel van de wet was onder meer de mogelijkheden voor een behandeling op tegenspraak te vergroten. Daarom introduceerde de wet de mogelijkheid waarvan artikel 279 Sv gewag maakt: verdediging door een gemachtigd raadsman in afwezigheid van de verdachte.[_6d33ca0e-d19a-4912-9538-ad2fca7d9b61] Het oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte geen wijziging van artikel 314 Sv. Bij die stand van zaken stond de wet niet toe dat de gemachtigde raadsman in plaats van de verdachte instemde met de onmiddellijke voortzetting van het onderzoek. Nadat de vaste commissie dit signaleerde in het verslag, bracht de minister een nota van wijziging uit.[_ebce5b99-7eb4-4509-9d6e-910e19cf4416] In de nota naar aanleiding van het verslag merkte zij hierover op:

“Ik zie geen overwegend beletsel voor de introductie van de mogelijkheid dat de raadsman namens zijn cliënt instemt met het voortzetten van de terechtzitting, nadat de officier van justitie een vordering tot wijziging van de telastlegging heeft ingediend. In het bijzonder de juridische beoordeling van de vraag of door toewijzing van deze vordering tot wijziging niet de telastlegging een ander feit in de zin van artikel [68] van het Wetboek van Strafrecht zal inhouden, kan uiteraard heel goed aan de raadsman worden overgelaten. Evenmin dient er een verschil in regime te ontstaan ten aanzien van de vordering op grond van artikel 312 (de aanvulling met strafverzwarende omstandigheden) die niet afzonderlijk aan de verdachte behoeft te worden betekend, en de vordering ex artikel 313 (tot wijziging van de telastlegging) die wel aan de verdachte moet worden betekend. Bij afwezigheid van de verdachte leidt de toewijzing van de laatste vordering volgens de huidige regeling steeds tot schorsing van het onderzoek. Daarin komt verandering na aanvaarding van het onderhavige voorstel. Desgeraden kan de rechtbank een korte onderbreking met het oog op (telefonisch) overleg tussen raadsman en cliënt toestaan. Al naar gelang de uitkomst daarvan kan de raadsman hetzij om een schorsing van het onderzoek in het belang van de verdediging vragen, hetzij instemmen met de voortzetting van het onderzoek. Ik stel daartoe een wijziging van artikel 314, tweede lid, voor.”[_e44cdb8a-9a62-4273-a1e4-88fb707b6fa8]

24. Artikel 314 lid 2 Sv kwam te luiden (wijzigingen onderstreept door mij, D.A.):

“De rechtbank schorst het onderzoek zo nodig voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte of de raadsman die op grond van artikel 279, eerste lid, tot de verdediging is toegelaten, kan het onderzoek echter aanstonds of na een korte onderbreking worden voortgezet.”

25. Met de Wet stroomlijnen hoger beroep van 5 oktober 2006 bracht de wetgever voor de tweede keer een wijziging aan in artikel 314 Sv.[_940ad6f5-5a04-4d71-bd33-5bf71bfdd02f] Aanleiding was de situatie dat de rechter, wanneer de behandeling bij verstek plaatsvindt, altijd moet schorsen om de wijziging te betekenen. De wetgever introduceerde daarom in lid 1 de mogelijkheid dat het onderzoek op de gewijzigde tenlastelegging aanstonds wordt voortgezet als de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het gaat dan bijvoorbeeld om een wijziging van ondergeschikte betekenis. In die gevallen is het niet redelijk om het onderzoek te schorsen, en levert dat onnodige vertraging op, aldus de memorie van toelichting.[_1b425dfc-2b66-42bd-b069-b1ce105d2a94] Artikel 314 lid 2 Sv bleef echter onveranderd. In de parlementaire stukken wordt die keuze niet toegelicht.

Evaluatie: wetstekst en wetsgeschiedenis, ratio en wetssystematiek, en het nieuwe Wetboek van Strafvordering

26. De oorspronkelijke tekst van artikel 314 lid 2 Sv in het Wetboek van Strafvordering van 1926 impliceerde een simpele keuze: schorsen (voor bepaalde tijd) of het aanstonds voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting. Dat tweede was alleen toegestaan met instemming van de verdachte. De latere wijzigingen van artikel 314 Sv hebben die lijn niet verlaten. De wetstekst en de wetsgeschiedenis pleiten er dus voor dat het aanstonds voortzetten van het onderzoek ter terechtzitting niet is toegestaan zonder toestemming van de verdachte of de raadsman, niet op grond van het ontbreken van verdedigingsbelang en ook niet om andere redenen. Het arrest van de Hoge Raad uit 2014 sluit daarop naadloos aan.[_24e7729c-2156-4031-8107-7450887c0221] Aan de woorden ‘zo nodig’ in lid 2 van artikel 314 Sv komt in deze uitleg weinig zelfstandige betekenis toe. Voor zover ik zie, lichten de parlementaire stukken bij de (in 1998 in werking getreden) Wet herziening onderzoek ter terechtzitting die toevoeging niet toe.[_7e4510d6-02da-4a34-99b4-0f410b3b5fa3] Machielse vermoedde dat zij zien op het geval waarin een korte onderbreking voor overleg tussen de raadsman en de verdachte niet volstaat. Reijntjes leidde er juist uit af dat de wet naar de letter toelaat zonder toestemming voort te gaan wanneer de rechter schorsing overbodig acht.[_286e7c12-97dc-46ee-83d9-ca015a6effe7]

27. Andersoortige argumenten dan die met een verwijzing naar de wetstekst en de wetsgeschiedenis van artikel 314 lid 2 Sv trekken bij deze stand van zaken al snel aan het kortste eind. Bij de totstandkoming van de (in 1995 in werking getreden) Wet vormverzuimen verdedigde de minister de door hem voorgestelde wijziging van artikel 314 lid 2 Sv immers met dezelfde argumenten van misbruik, vertraging en proceseconomie als die waarop de rechtbank en het OM zich thans in deze prejudiciële procedure beroepen. De Tweede Kamer verwierp dit wijzigingsvoorstel echter via een amendement.[_b69f9f03-679f-4bd8-82d1-f10a6b7b965c]

28. Ik belicht niettemin nog twee afzonderlijke argumenten die zich niet met een enkele verwijzing naar de wetstekst en de wetsgeschiedenis laten afdoen, namelijk (1) een teleologische uitleg (een uitleg naar de ratio van een bepaling) en (2) de wetssystematiek.

29. Allereerst de ratio van artikel 314 Sv. Het valt slecht in te zien waarom de wet tot een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting dwingt in die gevallen waarin het in artikel 6 EVRM beschermde recht op informatie over de aard en reden van de beschuldiging en op de tijd en faciliteiten die nodig zijn om de verdediging daartegen voor te bereiden niet in het gedrang komt. Ingeval bijvoorbeeld de wijziging van de tenlastelegging van ondergeschikte betekenis is en/of de verdediging van de voorgenomen wijziging tijdig op de hoogte is gebracht, wordt aan de ratio van artikel 314 lid 2 Sv doorgaans niet tekortgedaan indien de rechter het onderzoek ter terechtzitting aanstonds of na een korte onderbreking voortzet. Dit ‘teleologische’ argument pleit ervoor de rechter de ruimte te geven om − tegen de achtergrond van de aard en inhoud van de wijziging van de tenlastelegging − te beoordelen of het verdedigingsbelang zich werkelijk verzet tegen een voortvarende afdoening van de strafzaak. De voorbereiding op een − wellicht voorspelbare, althans tijdig aangekondigde − meer nauwkeurige specificatie van de berispelijke gedraging, bijvoorbeeld een wijziging die de beschuldiging meer in overeenstemming brengt met hetgeen uit de processtukken reeds duidelijk naar voren komt, hoeft weinig om het lijf te hebben wanneer de toegelaten wijziging geen wezenlijke verandering teweegbrengt in de aard en omvang van de beschuldiging.

30. Een tweede argument ontleen ik aan de wetssystematiek. Sinds 2006 bestaat er tussen de regeling van lid 1 (bij verstek) en lid 2 (op tegenspraak) van artikel 314 Sv een niet goed verdedigbare tegenstelling. Lid 1 laat de rechter namelijk wél vrij om het verdedigingsbelang af te wegen bij de vraag of aan de afwezige verdachte kennis moet worden gegeven van de wijziging van de tenlastelegging. Dat is des te opmerkelijker, omdat bij een behandeling op tegenspraak de verdediging, anders dan bij verstek, terstond van de wijziging kennisneemt en zich daarover kan beraden. De argumenten die de minister in 2006 tot die wijziging van lid 1 brachten, verwijzen naar de ratio van de bepaling.[_825c0f30-3037-4532-8a9f-1620f501f853] Zij gaan onverkort ook op voor het geval van lid 2 van artikel 314 Sv. De parlementaire stukken geven geen antwoord op de vraag waarom lid 2 van artikel 314 Sv niet is geharmoniseerd met lid 1. Verder wijs ik erop dat lid 2 van artikel 314 Sv binnen het Wetboek van Strafvordering een enigszins vreemde eend in de bijt is. Het is in andere gevallen doorgaans aan de rechter om bij verzoeken tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting de noodzaak daartoe af te wegen tegen alle in het geding betrokken aanspraken en belangen, uiteraard met inbegrip van de waarborgen van artikel 6 lid 1 en lid 3 onder a en b EVRM.

31. In het voorgaande besprak ik argumenten waarvan de Hoge Raad zich bij het wijzen van het arrest in 2014 ongetwijfeld bewust was. Was de geschiedenis hier geëindigd, dan zou ik onder verwijzing naar dat arrest hebben bepleit dat, hoe krachtig deze argumenten van teleologische en wetssystematische aard ook zijn, de wetsgeschiedenis en de lezing van de wetstekst die daarop steunt in een andere richting wijzen. Het zou dan aan de wetgever zijn om stappen te zetten en eventueel verandering te brengen in deze regeling.

32. De ontwikkelingen hebben na het arrest van 2014 echter niet stilgestaan. De wetgever heeft inmiddels gesproken. Er is verandering op komst met artikel 4.2.28 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (NSv). Volgens deze bepaling geldt zowel bij een behandeling bij verstek (lid 3) als bij een behandeling op tegenspraak (lid 2) het uitgangspunt dat het onderzoek direct (of na een korte onderbreking) wordt voortgezet. Lid 2 van deze bepaling stipuleert: “Indien de verdachte daarom verzoekt, schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek direct wordt voortgezet.”[_cc93e9b7-1dd3-4a27-9fed-4e83abf7d6a0]

33. Artikel 4.2.28 NSv is in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer als onderdeel van de (eerste) vaststellingswet met grote meerderheden aanvaard.[_c138738f-8a7d-4580-8f48-bea9294395a4] De wet is zelfs al gepubliceerd,[_fc34eb33-4344-4440-a9d7-e227248b4f53] maar nog niet in werking getreden. Het is dus duidelijk hoe de nieuwe regeling luidt en hoe de wetgever thans over deze kwestie denkt.

34. Daarmee komt de vraag op of een uitleg van artikel 314 lid 2 Sv die anticipeert op de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering tot de mogelijkheden behoort. Ik heb daarover wel enige aarzelingen. Aangezien het bepaalde in artikel 4.2.28 lid 2 NSv op het eerste gezicht abrupt breekt met de regel van artikel 314 lid 2 Sv, ligt anticiperende interpretatie in dit geval m.i. niet onmiddellijk voor de hand. Daarbij komt dat het hier gaat om een procedureregel met een ordenend karakter; voor zulke regels is wettelijk overgangsrecht doorgaans de aangewezen weg.[_65837f71-66a5-41e2-8779-084c799ba254]

35. Dat neemt niet weg dat er goede gronden zijn om die stap hier toch te zetten, en daarmee terug te komen van het arrest uit 2014. Wat toen de doorslag gaf, ‘de wil van de wetgever’, wijst inmiddels de andere kant op. Met ruime meerderheden en zonder kenbare discussie heeft de wetgever gekozen voor de maatstaf die de Tweede Kamer in 1995 nog afwees. Wie daarop anticipeert, begeeft zich niet in de legislatieve arena, maar volgt de wetgever op een weg die deze zelf is ingeslagen. De wetstekst biedt daarvoor ook de ruimte (zie randnummer 26): de woorden ‘zo nodig’ laten zich naar het model van het nieuwe recht ‘kneden’. De anticiperende uitleg gaat in tegen de wetsgeschiedenis, niet tegen de wetstekst. Bij nader inzien is de breuk bovendien minder abrupt dan zij lijkt. Een vergelijkbare maatstaf geldt sinds 2006 al bij verstek (artikel 314 lid 1 Sv). Ook blijft schorsing bij de door mij voorgestelde lezing van artikel 314 lid 2 Sv het uitgangspunt. Alleen de uitzondering wordt aan het nieuwe recht ontleend. De verdediging verliest daarmee haar vetorecht. De bescherming van artikel 6 lid 1 en lid 3 onder a en b EVRM behoudt zij: schorsing blijft geboden wanneer de verdachte bij voortzetting van het onderzoek redelijkerwijs in zijn verdediging zou worden geschaad.

36. Ook het ordenende karakter van de regel (zie randnummer 34) dwingt niet tot afwachten. De praktijk loopt nu al uiteen, en zonder anticipatie zou een regel die de wetgever heeft verlaten nog jaren gelden: tot de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek en, gelet op het beginsel van eenheid van instantie, daarna nog in lopende zaken. Het nieuwe wetboek kan hier dan ook dienen als wat Borgers “een nuttig, zij het niet dwingend richtpunt” noemt.[_fdbece39-0622-441c-b47e-ce1a73caf238]

Het antwoord op de prejudiciële vraag

37. Ik stel voor dat de Hoge Raad de vraag als volgt beantwoordt:

Artikel 314 lid 2 Sv moet zo worden uitgelegd dat de rechter, wanneer de verdachte of de raadsman na de wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 Sv geen toestemming geeft het onderzoek ter terechtzitting aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten, het onderzoek voor bepaalde tijd schorst, tenzij hij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking wordt voortgezet. Bij dat oordeel kan de rechter onder meer betrekken de aard en omvang van de wijziging en de vraag of, en zo ja hoe lang van tevoren, de verdediging van de voorgenomen wijziging op de hoogte is gebracht. Andere gronden, zoals het belang van een voortvarende afdoening, kunnen voortzetting zonder toestemming niet zelfstandig rechtvaardigen.

38. De aanvullende vraag van het OM (randnummer 15), of een schorsing voor bepaalde tijd ook een half uur kan duren, behoeft bij deze uitleg geen afzonderlijke beantwoording. Oordeelt de rechter dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek na een korte onderbreking wordt voortgezet, dan kan hij het onderzoek na zo’n onderbreking voortzetten.

Slotsom

39. Deze conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vraag op de wijze als voorgesteld onder randnummer 37.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Voetnoten

  1. Oftewel: de Hoge Raad maakte geen gebruik van zijn bevoegdheid meteen af te zien van beantwoording van de vraag ex art. 554 lid 1 Sv.
  2. Het verzoek van de verdediging om de prejudiciële vraag buiten behandeling te laten, geeft mij geen aanleiding anders te oordelen dan in mijn ontvankelijkheidsbeoordeling (vgl. art. 555 lid 2 Sv). Daarop ga ik dan ook verder niet in.
  3. Artikel 312 Sv houdt in: “Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de wet tot verzwaring van straf grond opleveren, is de officier van justitie bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.”
  4. Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, bewerkt door P.A.M. Verrest, Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 616. Zie voor het beoordelingskader van de Hoge Raad o.m.: HR 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1192, rov. 2.3.
  5. HR 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235 m.nt. Taverne: “dat immers de schorsing van het onderzoek van art. 314 Sv. ten doel heeft aan den verdachte de gelegenheid te geven zijne verdediging op een andere, immers gewijzigde, telastlegging, dan waarvoor hij in rechten was geroepen, voor te bereiden.” Dit arrest haalt de rechtbank ook aan in de prejudiciële vraag (randnummer 11).
  6. Zie EHRM 25 maart 1999, nr. 25444/94 (Pélissier & Sassi/Frankrijk), § 51 e.v., bij een wijziging van (de kwalificatie van) de beschuldiging. Ik citeer § 54: “the Court considers that sub-paragraphs (a) and (b) of Article 6 § 3 are connected and that the right to be informed of the nature and the cause of the accusation must be considered in the light of the accused’s right to prepare his defence.”
  7. HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, NJ 2014/477 m.nt. red.
  8. HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, NJ 2014/477 (met redactionele noot), en de aan het arrest voorafgaande conclusie van a-g Machielse van 26 augustus 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1835, onder 3.3, 3.4 en 3.6.
  9. Rb. Midden-Nederland 30 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:434. J. Silvis in: WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 277 Sv, aant. 10 (actueel t/m 1 december 2003) lijkt overigens ook wat ruimte te zien in die bewoordingen. Verder verwijst de rechtbank naar de conclusie van a-g Sinnige van 18 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1269, onder 3.15-3.17, waaruit duidelijk wordt dat de rechtbank in die zaak ook was voorbijgegaan aan het ontbreken van toestemming van de verdachte of de raadsman.
  10. Zie de pleitnota van de raadsman van 29 mei 2026.
  11. Stb. 1925, 465.
  12. Stb. 1925, 343, p. 91.
  13. Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 2, p. 26. In de memorie van toelichting zegt de minister daarover: “In het vierde lid is voorgeschreven dat de rechtbank het onderzoek voor een bepaalden tijd zal schorsen, tenzij zij van oordeel is, dat de verdachte in het belang zijner verdediging geen uitstel behoeft. Betreft de verandering dus onbeteekenende aanvullingen of herstellingen, dan behoeven deze den geregelden gang van het onderzoek niet op te houden. Geldt zij daarentegen meer belangrijke punten, dan laat het zich denken, dat de verdachte eerst met zijn verdediger wil overleggen, welke houding hij tegenover de nieuwe omschrijving heeft aan te nemen. Voor dit beraad mag hem in billijkheid eenige tijd niet worden onthouden.” Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 127.
  14. Zie Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 57. Zie voor de wijziging Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 3, p. 175. Nadien is men (in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer) op dit onderwerp niet meer teruggekomen.
  15. Wet van 14 september 1995, Stb. 1995, 441, inwerkingtreding op 2 november 1996 (Stb. 1996, 522).
  16. Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 2, p. 2, Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 24 en 27, en Kamerstukken II 1994/95, 23 705, nr. 5, p. 8. Dat merkte ook de Raad van State op, die kritisch was over dit onderdeel van het voorstel.
  17. De minister reageerde als volgt op de kritiek van de Raad van State: “Ik acht dit voorstel echter van belang om eventueel misbruik van de bevoegdheid te voorkomen. Wijzigingen van de telastelegging van ondergeschikte aard moeten kunnen plaatsvinden zonder dat het onderzoek daardoor vertraging ondervindt. Als de huidige bevoegdheid van de verdachte ongewijzigd blijft, zou de verdachte voortzetting van het onderzoek kunnen belemmeren zonder dat hiermee een redelijk belang is gediend. De voorgestelde wijziging biedt de rechter de bevoegdheid eventueel misbruik of oneigenlijk gebruik van deze bevoegdheid te voorkomen.” Zie Kamerstukken II 1993/94, 23 705, B, p. 6-7.
  18. Kamerstukken II 1994/95, 23 705, nr. 9.
  19. Handelingen II 1994/95, nr. 60, p. 3657. Zie hierover de conclusie van a-g Machielse van 26 augustus 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1835, onder 3.3.
  20. Wet van 15 januari 1998, Stb. 1998, 33, inwerkingtreding op 1 februari 1998 (Stb. 1998, 43).
  21. Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nrs. 1-2, p. 5 en Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, p. 12.
  22. Kamerstukken II 1996/97, 24 692, nr. 7, p. 3-4.
  23. Kamerstukken II 1996/97, 24 692, nr. 6, p. 6-7.
  24. Stb. 2006, 470, inwerkingtreding op 1 maart 2007 (Stb. 2007, 70).
  25. Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 33-34: “Het voorschrift wijzigingen van telastleggingen te betekenen heeft gevolgen voor de voortgang van de behandeling, die immers in geval van verstek altijd moet worden geschorst en in andere gevallen soms. De vraag kan worden gesteld of voor deze vertraging wel een redelijke grond bestaat. Bovendien levert dit voorschrift in de praktijk problemen op: de wijziging moet worden betekend aan een verdachte die inmiddels weer verhuisd kan zijn of anderszins onvindbaar. Het levert altijd een schorsing van het onderzoek en dus een langere doorlooptijd op. (…). De procedurerechten (met name het recht niet overvallen te worden met een wijziging van de grondslag van het proces die voor de verdachte onvoldoende te verwachten was) dwingen tot bepaalde beperkingen. Een belangrijke waarborg ligt al in het feit dat de rechter binnen de grenzen van art. 68 Sr moet blijven. Anderzijds is het zo dat de rechter zich op grond van vaste rechtspraak thans zonder een gewijzigde telastlegging in de bewezenverklaring reeds bepaalde afwijkingen van het tenlastegelegde kan permitteren. Die vrijheid reikt verder dan het herstel van evidente fouten. In HR 18 september 2001, NJB 2001, p. 1901 mocht het hof zonder de grondslag te verlaten, de ten laste gelegde wijzen van belemmering van de ademhaling weglaten uit de bewezenverklaring, maar het mocht daarin niet zeggen welke wijze dan wel was aangewend, hoewel het de verdachte wel terzake van doodslag heeft veroordeeld. Indien in die casuspositie bij een verstekbehandeling een inhoudelijk overeenkomstige vordering tot wijziging van de telastlegging zou zijn ingediend door de advocaat-generaal, dan zou een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting door de wet geboden zijn geweest. Het lijkt niet evenwichtig in die situatie een betekening van de wijziging geboden te achten. De wetgever laat immers ook toe dat indien uit het onderzoek omstandigheden bekend worden die niet in de dagvaarding zijn vermeld en die volgens de wet tot verzwaring van straf grond opleveren, de officier van justitie bevoegd is deze alsnog mondeling ten laste te leggen (artikel 312 Sv). Voor die mondelinge aanvulling is ook bij verstekbehandeling geen betekening aan de verdachte vereist. Waarom die voorwaarde van betekening dan wel moet worden geëist ten aanzien van 313 Sv is niet goed verdedigbaar. De toelaatbare wijzigingen veranderen de omvang en aard van de vervolging immers doorgaans niet wezenlijk. De wet bepaalt evenmin dat wanneer een nieuw onderzoeksgegeven wordt gepresenteerd door de officier van justitie, de rechtbank de behandeling moet schorsen om de verdediging tijd en gelegenheid te geven daar adequaat op te kunnen reageren. Maar er zijn omstandigheden waarin het redelijkerwijs nodig is dat de rechtbank tot een schorsing overgaat. Dat vloeit voort uit het recht om in het licht van de ontwikkelingen tijdens de vervolging en berechting behoorlijk tijd en gelegenheid voor de verdediging te krijgen. De voorgestelde wijziging van artikel 314, eerste lid, Sv laat de mogelijkheid van schorsing van het onderzoek ter betekening van een wijziging aan een niet aanwezige verdachte open voor het geval deze door het achterwege laten van kennisneming van de wijziging in zijn verdediging wordt geschaad.”
  26. Dat, zoals de advocaten van de verdachte al opmerkten, daarin niet de situatie wordt genoemd waarin na de wijziging van de tenlastelegging eerst kort wordt onderbroken, maakt dat niet anders. Daarover zeggen zij (m.i. terecht) dat de “omstandigheid dat de Hoge Raad in dit arrest alleen 'aanstonds voortzetten' noemt, lijkt te zijn ingegeven door de omstandigheid dat het hof had overwogen dat "het onderzoek (...) aanstonds [wordt] voortgezet" en het cassatiemiddel daarover klaagde” (p. 5-6 van de schriftelijke opmerkingen).
  27. Zie randnummer 23. In de nota van wijziging (Kamerstukken II 1996/97, 24 692, nr. 7) zijn in het voorgestelde art. 314 lid 2 Sv de woorden ‘zo nodig’ opgenomen, en wordt voor een toelichting op alle voorgestelde wijzigingen in algemene zin slechts verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 1996/97, 24 692, nr. 6) zoekt men tevergeefs naar een toelichting op specifiek deze woorden (zie met name p. 6-7).
  28. Conclusie a-g Machielse van 26 augustus 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1835, randnr. 3.5 en voetnoot 18, met verwijzing naar J.M. Reijntjes, Minkenhof’s Nederlandse Strafvordering, 11e druk, p. 361, voetnoot 292. Reijntjes achtte de woorden ‘zo nodig’ om die reden beter geschrapt.
  29. Zie andermaal hierboven randnummer 22.
  30. Zie hierboven randnummer 25.
  31. Bij een behandeling op tegenspraak geldt dus aanvullend dat de verdachte of zijn raadsman om schorsing moet verzoeken. Art. 4.2.28 lid 2 NSv luidt als volgt: “Het onderzoek wordt direct of na een korte onderbreking voortgezet. Indien de verdachte daarom verzoekt, schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek direct wordt voortgezet.” Zie Wet van 25 februari 2026 tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering), Stb. 2026, 56. De tekst is gelijk aan die van het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 2, p. 115). De memorie van toelichting houdt in: “Onder de huidige regeling kan het onderzoek slechts bij toestemming van de verdachte of zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman worden voortgezet, zonder dat – zoals bij verstek wel het geval is – kan worden getoetst of de verdachte door de voortgang van het onderzoek in zijn verdediging zou worden geschaad. Dit onderscheid is niet overgenomen. Voorop staat in alle gevallen dat het onderzoek wordt voortgezet, tenzij de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.” Zie Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 941. In de parlementaire geschiedenis heeft deze bepaling niet tot enige − uit de parlementaire stukken kenbare − discussie geleid. Het hele onderwerp komt na de memorie van toelichting bij de (eerste) vaststellingswet (als ik het goed zie) niet meer terug, en ook niet in de thans toegankelijke parlementaire stukken bij (kort gezegd) de tweede vaststellingswet, en de eerste en tweede aanvullingswetten.
  32. De wet is op 1 april 2025 door de Tweede Kamer aangenomen (Handelingen II 2024/25, nr. 70-10) en op 24 februari 2026 door de Eerste Kamer aangenomen (Handelingen I 2025/26, nr. 18-7).
  33. Stb. 2026, 56.
  34. Zie over rechterlijke anticipatie op het nieuwe Wetboek van Strafvordering: M.J. Borgers, Het nieuwe Wetboek van Strafvordering: opzet, uitgangspunten en beginselen (Monografieën Nieuw Wetboek van Strafvordering), Amsterdam: Boom 2026, par. 6.2. Ik citeer een drietal passages, te weten p. 115: “Scherpe lijnen wanneer anticipatie wel en niet zou moeten plaatsvinden, laten zich – zo illustreren de ervaringen in het civiele recht – niet trekken. Dat is ook alleszins begrijpelijk. Enerzijds kan de rechter bij de uitleg van de huidige wet moeilijk de ogen sluiten voor het gegeven dat nieuw recht in aantocht is. Rechterlijke interpretatie staat immers in verband met de rechtsontwikkeling en die ontwikkeling moet zo veel mogelijk een vloeiende beweging zijn. Het is daarbij mede afhankelijk van de interpretatieruimte die een bestaande regel laat, in hoeverre de rechter die regel in mindere of meerdere mate kan ‘kneden’ naar het model van het nieuwe recht. Anderzijds dient de rechter zich niet in de legislatieve arena te begeven en moet hij ervoor waken voor de muziek uit te lopen. In het algemeen kan worden gezegd dat naarmate het toekomstige recht meer afwijkt van het huidige, de rechter terughoudender moet zijn met anticipatie op het toekomstige recht. Als de nieuwe regel wezenlijk anders is dan de huidige regel, is vanuit het oogpunt van rechtszekerheid de rechtspraktijk doorgaans het beste gediend met een eenduidig, door de wet bepaald omslagmoment.” P. 120: “Een substantieel deel van het strafprocesrecht kenmerkt zich door het in hoge mate ordenende karakter ervan. Een goed verloop van de strafprocedure in alle stadia vergt nu eenmaal dat er duidelijke regels zijn hoe die procedure verloopt en welke autoriteit op welk moment beslissingen moet nemen. Als er wijzigingen in dergelijke regels worden aangebracht, zijn alle bij het strafproces betrokken personen en organen – met het oog op rechtszekerheid en een efficiënt verloop van de procedure – erbij gebaat dat duidelijk is welke procedureregels er op welk moment worden toegepast. Dit kan het beste worden bereikt met wettelijk overgangsrecht. Rechterlijke anticipatie ligt in dit verband minder voor de hand.” P. 121: “Afrondend kan worden gezegd dat rechterlijke anticipatie het mogelijk maakt dat het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn schaduw vooruitwerpt. Het ligt, om de hiervoor genoemde redenen, niet in de rede dat dit in sterke mate en over de gehele linie zal gebeuren, maar op onderdelen laat zich dit wel voorstellen. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering kan dan een nuttig, zij het niet dwingend richtpunt vormen bij het zoeken naar oplossingen voor knelpunten en vraagpunten onder het huidige recht.” Zie in het algemeen over de relevantie van uitlatingen van de wetgever over de uitleg van een wettelijke bepaling buiten het bestek van de wetgevingsprocedure die voorafging aan de invoering van die wettelijke bepaling: M.J. Borgers, Bij nader inzien (afscheidsrede VU), Deventer: Wolters Kluwer 2016.
  35. Zie M.J. Borgers, Het nieuwe Wetboek van Strafvordering: opzet, uitgangspunten en beginselen (Monografieën Nieuw Wetboek van Strafvordering), Amsterdam: Boom 2026, par. 6.2., p. 113-115 en 119-121. Over het beginsel van eenheid van instantie: Kamerstukken I 2025/26, 36 327, J, p. 84, en Borgers, a.w., p. 110-111.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.