Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Amsterdam, 20 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3019Zaaknummer 23-002524-22
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-002524-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verdenking van erfvredebreuk en zich op andermans grond bevinden zonder daartoe gerechtigd te zijn. Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat de uitbreiding van de tenlastelegging in strijd is met artikel 257f, derde lid, Sv. Overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van dit artikel zal het hof de oproeping in eerste aanleg nietig verklaren. Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd.
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het primair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de oproeping in eerste aanleg wat betreft het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde nietig.
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2026.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002524-22
datum uitspraak: 20 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 september 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-225202-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht.
Omvang van het appel en ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam (partieel) vrijgesproken van het aan haar primair tenlastegelegde. Naar het oordeel van het hof is sprake van een (impliciet) cumulatieve tenlastelegging.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot (partiële) vrijspraak. Gelet op dat wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven (partiële) vrijspraak van het primaire – impliciet cumulatief tenlastegelegde - feit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
subsidiairzij op of omstreeks 7 september 2020 te Amsterdam in de woning, het besloten lokaal en/of het erf, aan de Etnastraat bij, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;
meer subsidiair zij op of omstreeks 7 september 2020 te Amsterdam zonder daartoe gerechtigd te zijn zich heeft bevonden op het bouwterrein aan de Etnastraat, zijnde grond toebehorende aan Gem Lutkemeer Cv, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, van welke grond de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende was verboden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Aan de verdachte is een strafbeschikking uitgevaardigd voor een feit dat in die strafbeschikking wordt beschreven als het niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Namens de verdachte is verzet ingesteld tegen deze strafbeschikking. Vervolgens is de verdachte opgeroepen op grond van het primaire verwijt dat zij niet heeft voldaan aan een ambtelijk bevel, het subsidiaire verwijt van erfvredebreuk en het meer subsidiaire verwijt dat zij zich, zonder daartoe gerechtigd te zijn, op andermans grond heeft bevonden. Een dergelijke uitbreiding van het verwijt is volgens de raadsman niet toelaatbaar, omdat het primaire feit enerzijds en de subsidiaire en meer subsidiaire feiten anderzijds niet ‘hetzelfde feit’ zijn als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het hof stelt het volgende vast.
Op 15 september 2020 is aan de verdachte een strafbeschikking uitgevaardigd ter zake van het niet voldoen aan een ambtelijk bevel als bedoeld in artikel 184 Sr. Namens de verdachte is op 30 september 2020 verzet ingesteld tegen deze strafbeschikking, waarna zij is opgeroepen voor de behandeling ter terechtzitting van de politierechter. In deze oproeping is aan de verdachte tenlastegelegd dat zij zich primair schuldig heeft gemaakt aan het niet voldoen aan een ambtelijk bevel als bedoeld in artikel 184 Sr, subsidiair aan de in artikel 138 Sr strafbaar gestelde erfvredebreuk en meer subsidiair aan overtreding van artikel 461 Sr door zich zonder toestemming op andermans terrein te bevinden.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van artikel 257f, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient de omschrijving van de gedraging in de oproeping ofwel gelijk te zijn aan de korte omschrijving in de strafbeschikking ofwel te voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 261, eerste en tweede lid, Sv. In dat laatste geval moet het gaan om ‘hetzelfde feit’, in de zin van artikel 68 Sr, als waarop de strafbeschikking betrekking had. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is komt, overeenkomstig de maatstaf van de Hoge Raad (HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102), betekenis toe aan de juridische aard van de feiten en aan de gedraging van de verdachte. Ten aanzien van de juridische aard van de feiten zijn onder meer van belang de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken en de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding. Ten aanzien van de gedraging van de verdachte zijn onder meer van belang de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen, alsmede de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Het in artikel 184 Sr strafbaar gestelde strekt tot bescherming van het openbaar gezag en de effectieve uitoefening van overheidstaken. Op overtreding van artikel 184 Sr is een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie gesteld.
Artikel 138 Sr strekt daarentegen tot bescherming van het huisrecht en het exclusieve gebruiksrecht van een rechthebbende ten aanzien van een woning of besloten lokaal of erf. Dit misdrijf wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.
Artikel 461 Sr beoogt de rechthebbende bescherming te bieden tegen het onbevoegd betreden of verblijven op een voor het publiek afgesloten terrein. Het schenden van artikel 461 Sr is een overtreding waarop een geldboete van de eerste categorie is gesteld.
Uit het voorgaande volgt dat de subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde strafbepalingen andere rechtsgoederen beschermen dan de primair tenlastegelegde strafbepaling. Daarnaast bestaan er aanzienlijke verschillen in de strafmaxima en zijn de genoemde wetsbepalingen opgenomen in verschillende titels van het Wetboek van Strafrecht. In het verlengde daarvan neemt het hof in aanmerking dat de artikelen 184 en 138 Sr misdrijven betreffen, terwijl artikel 461 Sr een overtreding betreft.
Naar het oordeel van het hof verschilt de juridische aard van het primair tenlastegelegde feit enerzijds en de subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten anderzijds zodanig, dat deze niet kunnen worden aangemerkt als ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr. Hoewel de aan de tenlastegelegde verwijten ten grondslag liggende gedragingen van de verdachte betrekking hebben op hetzelfde tijdstip, dezelfde plaats en dezelfde omstandigheden waaronder deze zijn verricht, weegt dit naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet op tegen de aanzienlijke verschillen in de juridische aard van de feiten.
Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat de uitbreiding van de tenlastelegging in strijd is met artikel 257f, derde lid, Sv. Overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van dit artikel zal het hof de oproeping in eerste aanleg nietig verklaren. Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd.
Nu het hof tot het oordeel komt dat de oproeping nietig is, schrijft artikel 422a, tweede lid, Sv voor dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het primair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de oproeping in eerste aanleg wat betreft het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde nietig.
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2026.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 404 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 68 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 184 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 138 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 461 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 257f Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 261 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 422a Sv meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.