Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 28 mei 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:3015Zaaknummer 23-000757-25

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
23-000757-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging, belediging (van een ambtenaar in functie) en het niet voldoen aan een bevel of vordering. OM niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 3 ivm ontbreken van een klacht. Bij de strafoplegging rekening gehouden met de (nog prille) positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte. Rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr. BP niet-ontvankelijk in de vordering. Afwijzing vordering TUL.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover dit betrekking heeft op de persoon [slachtoffer 2], niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hiervoor overwogen.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Utrecht van 23 december 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 september 2024, parketnummer 16-101576-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.F. Groos, mr. A.W.T. Klappe en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van

mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 mei 2026.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Tenlastelegging
  3. Vonnis waarvan beroep
  4. Bewezenverklaring
  5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
  6. Strafbaarheid van de verdachte
  7. Oplegging van straf
  8. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
  9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  10. Vordering tenuitvoerlegging
  11. BESLISSING

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000757-25

datum uitspraak: 28 mei 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-405208-24 en 16-101576-24 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres],

thans uit andere hoofden gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 21 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht)

- geven van een knietje op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- slaan/stompen op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1];

2.hij op of omstreeks 21 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "ik vermoord jou, je vrouw en je kinderen. Elke morgen moet je opletten waar je bent" en/of "ik maak jullie dood" en/of "Als ik los kom zullen jullie het weten. Ik maak jullie kapot" en/of "ik zoek jullie op" en/of "als ik er achter kom waar je woont zoek ik jullie op", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.hij op of omstreeks 21 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "homo's" en/of "kankerlijers" en/of "vuile kanderlijers", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.hij op of omstreeks 21 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (brigadier van de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "je bent niets, je bent een onderdaan, jij bent een bruine racist, kankerlijers, Ik ben een Nederlander, jouw voorouders zijn hier gekomen om drugs te kopen/verkopen.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

5.hij op of omstreeks 21 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door (een) ambtena(a)r(en), te weten, [verbalisant 2] (brigadier van de Politie Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 3] (aspirant van de Politie Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 4] (agent van de Politie Eenheid Amsterdam), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtena(a)r(en) hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan een speekselonderzoek, hieraan geen gevolg te geven;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder feit 3 met betrekking tot [slachtoffer 2] tenlastegelegde

Aan de verdachte is onder feit 3 tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan belediging van onder meer [slachtoffer 2]. Vervolging van belediging vindt ingevolge artikel 269, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht niet plaats dan op klacht van degene tegen wie dit misdrijf is begaan. Het bepaalde in artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Uit het dossier volgt niet dat de klachtgerechtigde een klacht heeft ingediend. Ook kan uit het dossier niet worden afgeleid dat de klachtgerechtigde uitdrukkelijk de wens heeft gehad dat de verdachte voor belediging zou worden vervolgd. Aan het klachtvereiste is dus niet voldaan.

Het hof zal, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, het openbaar ministerie voor de onder feit 3 tenlastegelegde belediging van [slachtoffer 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 21 december 2024 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen met kracht

- geven van een knietje tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] en

- slaan op het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1];

2.hij op 21 december 2024 te Amsterdam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "ik vermoord jou, je vrouw en je kinderen. Elke morgen moet je opletten waar je bent" en "ik maak jullie dood" en "Als ik los kom zullen jullie het weten. Ik maak jullie kapot" en "ik zoek jullie op" en "als ik er achter kom waar je woont zoek ik jullie op", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.hij op of omstreeks 21 december 2024 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 1], in zijntegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "homo's" en "kankerlijers" en "vuile kankerlijers", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.hij op 21 december 2024 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (brigadier van de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "je bent niets, je bent een onderdaan, jij bent een bruine racist, kankerlijers, Ik ben een Nederlander, jouw voorouders zijn hier gekomen om drugs te kopen/verkopen.", althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking;

5.hij op 21 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door ambtenaren, te weten, [verbalisant 2] (brigadier van de Politie Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 3] (aspirant van de Politie Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 4] (agent van de Politie Eenheid Amsterdam), belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen of van hem hadden gevorderd medewerking te verlenen aan een speekselonderzoek, hieraan geen gevolg te geven.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenis voor de duur van twee maanden, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, zonder bijzondere voorwaarden.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals dit ook door het hof Arnhem-Leeuwarden is gedaan in de zaak met parketnummer 21-002588-25.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten. Hij heeft zich op 21 december 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging, belediging (van een ambtenaar in functie) en het niet voldoen aan een bevel of vordering. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers. Dergelijke strafbare feiten maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onveiligheid en onrust bij de betrokkenen. Bovendien heeft de verdachte laten zien geen respect te hebben voor openbaar gezag. Dat de verdachte dusdanig agressief heeft gehandeld, vindt het hof onacceptabel. Zijn gedrag was grensoverschrijdend en ontoelaatbaar. Een dergelijke verdenking rechtvaardigt op zichzelf in beginsel een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof neemt bij de straftoemeting de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking, zoals deze door hemzelf en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en zoals deze ook volgen uit het reclasseringsadvies van 27 februari 2026, waarin staat dat de reclassering de verdachte nog één laatste kans wil geven om zijn motivatie voor gedragsverandering te laten zien. De verdachte heeft verklaard dat het een stuk beter met hem gaat, dat hij – voordat hij vast kwam te zitten – gedurende een periode van een half jaar op eigen kracht geen drugs meer heeft gebruikt en dat hij na zijn detentie aan het werk kan in de installatietechniek en kan verblijven bij een vriendin in [plaats]. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat deze positieve ontwikkelingen nog heel pril zijn. Om die reden beoordeelt het hof deze ontwikkelingen met enige voorzichtigheid.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 13 mei 2026, waaruit volgt dat hij ook eerder meerdere keren voor (vergelijkbare) misdrijven onherroepelijk is veroordeeld. Ten slotte houdt het hof rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Daaraan zullen geen bijzondere voorwaarden worden verbonden, omdat de voorwaarden die zijn opgelegd in de voornoemde zaak van het hof Arnhem-Leeuwarden nog gelden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 575,00. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de vordering met name gegrond is op een feit dat niet ten laste is gelegd, namelijk spugen. Daarnaast ziet de vordering op bedreiging, maar onvoldoende gebleken is dat de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast.

De raadsman van de verdachte stelt zich, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geldt het volgende. Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, met zich dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

In bijlage II bij het verzoek tot schadevergoeding stelt de benadeelde partij dat de verdachte hem in het gezicht heeft gespuugd, waardoor sprake is van aantasting in eer en goede naam. Het hof overweegt dat, omdat dit spugen niet aan de verdachte ten laste is gelegd, onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt.

Daarnaast stelt de benadeelde partij in de hiervoor genoemde bijlage dat hij door de verdachte met de dood is bedreigd, waardoor sprake is van aantasting in de persoon. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het ‘op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast’ als gevolg van de onder feit 3 bewezenverklaarde bedreiging geldt als uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de toelichting van de benadeelde partij op de vordering leidt het hof af dat hij de benadeelde partij zich angstig voelde. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat hij daadwerkelijk geestelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde feit en ook niet dat hij daardoor op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek.

De benadeelde partij kan, gelet op het voorgaande, in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 184, 266, 267, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 september 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vieren maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd, omdat de tenuitvoerlegging al is gelast.

Het hof ziet, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover dit betrekking heeft op de persoon [slachtoffer 2], niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hiervoor overwogen.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Utrecht van 23 december 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 september 2024, parketnummer 16-101576-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.F. Groos, mr. A.W.T. Klappe en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van

mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 mei 2026.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.