Gemeentelijke regelgeving

Verordening Sociaal Domein 2026 gemeente Venray

Gemeente Venray · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De raad van de gemeente Venray;

gelezen het advies van B en W, d.d. 28 oktober 2025

gelezen het advies van de commissie Leven d.d. 20 november 2025

gelet op de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), Wet inburgering 2021 (Wi 2021), Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Jeugdwet, Leerlingenvervoer (Llv), Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet voortgezet onderwijs 2020(WVO 2020)

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening Sociaal Domein 2026 gemeente Venray

2 De hulpvraag

2.1 Melding bij de gemeente

2.1.1 Melden hulpvraag

1Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. Dat kan digitaal (gemeente@venray.nl), schriftelijk (postbus 500, 5800 AM Venray), of telefonisch (0478-52 33 33).

2Inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich ook rechtstreeks melden bij de gemeente Venray, Raadhuisstraat 1 te Venray.

3Voor sommige vormen van hulp kan de inwoner (direct) een aanvraag doen. De inwoner kan een aanvraag doen voor de volgende vormen van hulp:

a.een bijstandsuitkering voor levensonderhoud

b.een IOAW- of IOAZ-uitkering

c.bepaalde inkomensvoorzieningen

d.jeugdhulp

e.persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen

f.Leerlingenvervoer

In artikel 2.3.1 staat verder hoe een aanvraag kan worden gedaan.

4De werkgever kan ook een aanvraag doen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen.

5Als het nodig is helpen de medewerkers van de gemeente inwoners bij het vinden van de juiste medewerker, voor een gesprek over de hulpvraag.

6De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding of een aanvraag te doen.

7Iemand anders kan ook (samen met de inwoner) een melding of, met een machtiging, een aanvraag namens de inwoner doen.

8Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen bestaat het Advies- en meldpunt verward gedrag. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst voor de gemeente en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen.

2.1.2 Doel en procedure melding

1Het doel van de melding is om de hulpvraag te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente nodigt de inwoner uit voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Na overleg met de inwoner bepaalt de gemeente of, waar en wanneer het gesprek is en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Als een gesprek nodig is kan dit bij de inwoner thuis zijn, als dit belangrijk is voor de hulpvraag.

2De inwoner zorgt ervoor dat de gemeente alle gegevens krijgt die nodig zijn voor het gesprek over de hulpvraag.

3De gemeente informeert de inwoner over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven.

4De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe haar persoonlijke situatie is. In dat plan geeft de inwoner ook aan wat te willen bereiken met de vraag (dat plan heet een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De inwoner krijgt de gelegenheid om na de melding binnen 7 dagen een persoonlijk plan in te leveren bij de gemeente. De termijn van 7 dagen geldt niet voor jeugdhulp.

2.2 Gesprek na de melding

2.2.1 Doel en procedure van het gesprek

1Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van haar persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats.

2De inwoner kan iemand meenemen naar het gesprek voor ondersteuning. De inwoner kan ook gebruik maken van een cliëntondersteuner.

3De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Voor de Jeugdwet is het genoeg het Burgerservicenummer te controleren. Dit kan met een document waar dit op staat of met een check in de Basisregistratie Personen.

4Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit plan bij het gesprek.

2.2.2 Gesprek en onderzoek

1De medewerker bespreekt met de inwoner de melding en onderzoekt als volgt:

Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is en welk resultaat de inwoner daarmee wil bereiken.

Stap 2: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties of met andere voorzieningen.

Stap 3: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen of (on)mogelijkheden er precies zijn die belangrijk zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

Stap 4: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste resultaat te bereiken.

2Informatie die de medewerker na het gesprek ontvangt, betrekt de medewerker bij haar onderzoek.

3Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de hulpvraag.

4Als het nodig is, betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek of onderzoek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de medewerker na of de mantelzorger ondersteuning nodig heeft.

5Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheid om te kiezen voor hulp in natura of een persoonsgebonden budget (pgb). Als de inwoner een pgb wil ontvangen, dan maakt een Bewustkeuzegesprek deel uit van het onderzoek. Dat gesprek gaat over de taken, werkzaamheden en verantwoordelijkheden die horen bij een pgb. Het gesprek gaat ook over de voorwaarden om een pgb te kunnen krijgen.

6Gaat het om Wmo-hulp waarvoor de inwoner een bijdrage in de kosten moet betalen, dan informeert de medewerker de inwoner hierover.

7De medewerker voert het gesprek vanuit het gedachtegoed van positieve gezondheid.

2.2.3 Leefzorgplan of plan van aanpak

1De medewerker maakt een leefzorgplan (Wmo en Jeugdwet) of als nodig een plan van aanpak van de uitkomsten van het onderzoek.

2Gaat het om een hulpvraag voor Wmo- of jeugdhulp, dan deelt de medewerker het leefzorgplan met de inwoner via de post. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden als bijlage aan het leefzorgplan toegevoegd. Door het ondertekenen van het leefzorgplan en het terugsturen naar de gemeente wordt de aanvraag gedaan (tenzij de inwoner al een aanvraag heeft gedaan).

2.3 Aanvraag

2.3.1 Aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

1De inwoner kan, uitgezonderd de hulpvragen, zoals bedoeld in artikel 2.1.1. lid 3, een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de hulpvraag is afgerond. Een Wmo- aanvraag kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, maar in ieder geval vanaf 6 weken, nadat de inwoner de melding heeft gedaan.

2Een aanvraag voor jeugdhulp kan worden gedaan zonder voorafgaand onderzoek naar de hulpvraag. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft.

3De inwoner gebruikt een aanvraagformulier om een aanvraag te doen.

4Voor jongeren tot 27 jaar geldt een wettelijke zoektermijn van 4 weken naar werk en/of opleiding bij de melding om een voorziening bijstand. Naast de wettelijke uitsluitingen, kan de gemeente besluiten om de zoektermijn niet te hanteren indien daar redenen voor zijn.

2.3.2 Voorwaarden voor hulp-op-maat

[Jeugdwet, Wmo, Wgs, PW, IOAW, IOAZ]

1Vraagt de inwoner hulp die speciaal is afgestemd op de inwoner (hulp-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

a.De hulp is noodzakelijk om (1 van) de doelen van de in hoofdstuk 1.1 genoemde wetten te bereiken;

b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. De inwoner kan dit resultaat ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van hulp van huisgenoten, met mantelzorg, met hulp vanuit het sociale netwerk, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en

c.De hulp is geschikt om het gewenste resultaat te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner.

2Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.

3De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die geschikt is om het gewenste resultaat te bereiken.

4Als er sprake is van een levenslange beperking of aandoening en er geen zicht op verbetering is, wordt de afweging gemaakt of hulp-op-maat voor onbepaalde tijd passend is. De gemeente onderzoekt periodiek of de hulp-op-maat nog passend is. Tussentijdse wijzigingen in omstandigheden en/of beleid kunnen van invloed zijn op de hulp-op-maat.

5De gemeente kan hulp-op-maat in ieder geval weigeren en/of afstemmen als:

a.de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner en zij deze hulpvraag had kunnen voorkomen; of als

b.de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft geregeld of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend of achteraf de noodzaak nog vastgesteld kan worden; of als

c.de gemeente de noodzaak van de hulp niet kan vaststellen.

2.3.3 Advisering

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen beoordelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.

2.3.4 Beoordelen aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

1Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de stappen zoals vermeld in artikel 2.2.2 lid 1. Als deze onderzoekstappen al voor de aanvraag zijn doorlopen dan volgt in deze fase het besluit op de aanvraag op basis van de uitkomsten van het onderzoek.

2Indien een inwoner binnen 12 maanden na beëindiging van de voorziening bijstand een nieuwe aanvraag wil indienen, dan kan dat opnieuw eenvoudig gedaan worden.

2.3.5 Beslistermijn

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb]

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag voor Wmo-hulp is ontvangen. De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken.

2Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.

2.6 Uitzonderingen

2.6.1 Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners

[Jeugdwet, Awb]

1De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.

2De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen, gecertificeerde instellingen en zorgverzekeraars over doorverwijzingen.

2.6.2 Spoedeisende gevallen

[Jeugdwet, Wmo , PW, Llv , Wgs]

In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is.

2.6.3 Inburgeringsplichtigen

[Wi]

Met de komst van de Wet inburgering 2021 (Wi) is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van passende inburgeringstrajecten aan nieuwe inburgeringsplichtigen. Statushouders worden vanuit een asielzoekerscentrum gekoppeld aan de gemeente Venray en zo snel mogelijk gehuisvest. Gezinsmigranten en overige migranten krijgen een kennisgeving van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) over de inburgeringsplicht. In de DUO portal krijgt de gemeente een seintje wanneer de statushouder, gezinsmigrant of overige migrant zich in de gemeente heeft ingeschreven of aan de gemeente is gekoppeld. Dat is het signaal dat de gemeente betrokkene moet uitnodigen voor de brede intake. De consulent Inburgering nodigt de statushouder, gezinsmigrant of overige migrant uit voor een brede intake.

2.6.3.1 Brede intake

1De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtigen een brede intake af. De brede intake geeft een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inwoner. In overleg met de inwoner en op basis van de uitkomsten van de brede intake geeft de gemeente invulling aan het inburgeringstraject.

2Statushouders, gezinsmigranten en overige migranten worden op het moment van inschrijving in de gemeente uitgenodigd voor de brede intake. De brede intake wordt vervolgens zo snel mogelijk afgenomen.

3De brede intake bestaat in ieder geval uit:

a.een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inwoner;

b.een onderzoek naar de persoonlijke situatie van de inwoner, zoals de fysieke en mentale gezondheid;

c.een verkenning van de mogelijkheden om het kind (indien van toepassing) van de inwoner deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en

d.een leerbaarheidstoets.

4De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart:

a.het taalniveau van de inwoner;

b.de mogelijkheden tot (arbeids)participatie;

c.de mate van zelfredzaamheid en

d.de wensen van de inwoner over inburgering en arbeidsparticipatie.

5De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast in het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP).

2.6.3.2 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP)

1Na afronding van de brede intake en op basis van de hieruit ontvangen informatie, stelt de gemeente het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) op. Dit gebeurt zoveel mogelijk in samenspraak met de inburgeringsplichtige. In het PIP staat wat de inwoner moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inwoner gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inwoner.

2De gemeente stelt het PIP vast uiterlijk binnen 10 weken na inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente waar zij of zij wordt gehuisvest na verblijf in het AZC of naartoe verhuist. Dit is anders als betrokkene op dat moment nog niet woonachtig is in de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten geldt dan 10 weken na schriftelijke kennisgeving DUO en voor statushouders 10 weken na inschrijving in BRP gemeente.

3Wanneer de inwoner voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Venray, stelt de gemeente het PIP opnieuw vast. De leerroute die daarbij wordt vastgesteld, is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld.

3 Werken en meedoen in de samenleving

3.4 Voorzieningen

3.4.1 Voorzieningen – werk

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw , Wmo]

1De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Van ontwikkelingsgerichte participatie tot regulier werk. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. Inwoners kunnen zelf op eigen initiatief deelnemen aan activiteiten die geen verplichting vanuit de bijstandsuitkering of re-integratie schenden. De gemeente hoeft daarvoor geen toestemming te verlenen.

2De voorzieningen van de gemeente zijn bedoeld voor inwoners uit de bovengenoemde doelgroep (zie artikel 3.1 lid 1). In bepaalde situaties kan de gemeente een voorziening ook voor andere inwoners inzetten, bijvoorbeeld als de Participatiewet dat aangeeft.

3Sommige voorzieningen worden aan werkgevers verstrekt, zoals loonkostensubsidie. Dit kan op initiatief van de gemeente of op aanvraag van de werkgever.

4Bij sommige voorzieningen verricht de inwoner werkzaamheden bij een werkgever. De werkgever heeft ten behoeve van deze inwoner een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten voor de uren dat de inwoner aanwezig is. Als de werkgever aantoonbaar geen aansprakelijkheidsverzekering kan afsluiten zorgt de gemeente hiervoor.

5Bij sommige voorzieningen wordt een dienstverband aangegaan. Dit kan bij de inzet van voorzieningen ook aan de hand van detachering.

6Het kan ook zijn dat bepaalde voorzieningen niet voor iedereen uit de doelgroep kunnen worden ingezet. Als dat zo is, wordt dat hieronder per voorziening aangegeven.

7Het doel van een voorziening is het persoonlijk ontwikkelen of vinden of behouden van werk dat geschikt is voor de inwoner. De gemeente kan tenminste de volgende voorzieningen inzetten:

Voorziening naar werk of naar participatie

a.sociale activering;

b.(leer)werkstage;

Werkplekken

c.beschut werk;

d.werkervaringsplaats;

e.proefplaatsing;

Persoonlijke ondersteuning bij werken andere voorzieningen;

f.Scholing

g.Taalscholing

h.leerwerktrajecten

Persoonlijke ondersteuning bij werken andere voorzieningen voor inwoners met een arbeidsbeperking

i.jobcoaching;

j.interne werkbegeleiding;

Faciliterende voorziening

k.Kinderopvang

l.Reiskosten

m.een meeneembare voorziening en/of bij een motorische beperking

n.een vervoersvoorziening

Financiële compensatie

o.wettelijke loonkostensubsidie

p.opstapsubsidie

Deze voorzieningen worden hieronder toegelicht.

8De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner, welke voorziening wordt ingezet en voor welke periode. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, haar mogelijkheden, interesses, vaardigheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de goedkoopste en geschikte voorziening. De voorwaarden uit artikelen 2.3.2 en 2.3.3 zijn van toepassing.

9In een plan van aanpak legt de gemeente vast welk doel met de re-integratie wordt beoogd en welke hulp de inwoner krijgt om het doel te bereiken. In dit plan staat welke afspraken er tussen de gemeente en de inwoner zijn gemaakt en vormt de basis voor het re-integratietraject.

10Onbeloonde werkzaamheden die de arbeidsinschakeling niet belemmeren kunnen als re-integratievoorziening worden aangeboden, maar kunnen ook als activiteit in het kader van maatschappelijke participatie (en wederkerigheid) worden uitgevoerd.

11Voor NUG-ers kan de gemeente aanvullende voorwaarden gebruiken:

a.of er een eigen bijdrage voor de inzet van een voorziening geldt en zo ja, wat de hoogte hiervan is;

b.of er een maximale periode voor de inzet van een voorziening geldt;

c.of er een maximaal bedrag voor de inzet van een voorziening geldt;

d.wat de gevolgen zijn bij vroegtijdig afbreken van de aangeboden voorziening, waaronder het (gedeeltelijk) terugvorderen van de gemaakte kosten.

3.4.2 Voorzieningen – beëindiging en weigering

1De gemeente kan een voorziening weigeren als:

a.de inwoner niet behoort tot de doelgroep;

b.de inwoner onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;

c.de inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;

d.de voorziening naar het oordeel van de gemeente onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of

e.er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

2De gemeente kan een voorziening beëindigen als:

a.de inwoner die aan de voorziening deelneemt haar verplichtingen niet nakomt;

b.de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

c.de inwoner die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de participatiewet;

d.de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

e.de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening;

f.de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of

g.de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

h.de inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening.

3De gemeente biedt de goedkoopste en meest geschikte voorziening aan en houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn. Het aanbod wordt, als dat nodig is, intern afgestemd zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de inwoner. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak.

3.4.3 Voorziening naar werk of naar participatie

3.4.3.1 Sociale activering

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. De nadruk ligt op meedoen in de samenleving, het voorkomen van eenzaamheid en/of het ontlasten van mantelzorgers.

2Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. In het kort: maatschappelijke participatie.

3Sociale activering kenmerkt zich door de volgende opsomming:

a.deelname aan activiteiten met behoud van bijstandsuitkering;

b.het ontbreken van werk- en/of prestatiedruk;

c.op een plek waarbij het doel is om samen te komen met anderen.

4Sociale activering is mogelijk gedurende de periode dat het noodzakelijk is voor verdere ontwikkeling van de inwoner. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd.

3.4.3.2 (Leer)werkstage

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op betaald werk en voorlopig niet aan het werk kan een (leer)werkstage aanbieden.

2Het doel van de (leer)werkstage is om specifieke kennis en/of vaardigheden aan te leren binnen een arbeidsrelatie.

3De (leer)werkstage kenmerkt zich door de volgende opsomming:

a.het werken met behoud van bijstandsuitkering;

b.het opdoen van arbeidsmarktrelevante kennis/vaardigheden, competenties en werkervaring staat centraal en niet de waarde van deze activiteiten voor het bedrijf;

c.het werken bij een privaatrechtelijke onderneming (niet zijnde vrijwilligersorganisatie).

4Een (leer)werkstage duurt maximaal 6 maanden met de mogelijkheid om zo nodig te verlengen naar een periode van maximaal nog eens 6 maanden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd.

3.4.4 Werkplekken

3.4.4.1 Beschut werk

[PW]

1De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van UWV en NUG-ers kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook.

2Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden.

3De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt. Zolang de wettelijke taakstelling voor beschutte werkplekken niet is vervuld, worden beschutte werkplekken toegekend in de volgorde van aanvraag. Aanvullende werkplekken kunnen op basis van individueel maatwerk toegekend worden.

4De gemeente kan de volgende voorzieningen aanbieden, zodat een inwoner beschut kan werken:

a.wettelijke loonkostensubsidie;

b.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;

c.opsplitsing van werkzaamheden in kleinere taken;

d.aanpassing van werktempo, arbeidsduur of werkbegeleiding.

5De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan, ter overbrugging, de volgende voorzieningen inzetten:

a.sociale activering;

b.werkervaringsplaats; of

c.een vergelijkbare voorziening.

6De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende voorzieningen voor:

a.sociale activering;

b.werkervaringsplaats;

c.proefplaatsing;

d.scholing;

e.een vergelijkbare voorziening.

3.4.4.2 Werkervaringsplaats

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op betaald werk en voorlopig niet aan het werk kan, een werkervaringsplaats aanbieden.

2Een werkervaringsplaats heeft tot doel de inwoner kansen te geven om te oefenen en te leren in het werk. Zo doet deze algemene kennis en/of vaardigheden op binnen een arbeidsrelatie.

3De werkervaringsplaats kenmerkt zich door de volgende opsomming:

a.met behoud van bijstandsuitkering;

b.bij een publiek/privaat bedrijf of instelling;

c.betreft werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd.

4Een werkervaringsplaats duurt in beginsel maximaal 2 jaar. Dit kan met 2 keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd.

3.4.4.3 Proefplaatsing

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Deze inwoner houdt wel een bijstandsuitkering tijdens die periode.

2Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor de organisatie en de functie.

3Als de inwoner geschikt is voor het werk, volgt er een dienstverband aansluitend op de proefplaatsing. Dit dienstverband is minimaal gelijk aan de uren van de proefplaatsing. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing.

4De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat zij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden.

5De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden. Met goede reden is er de mogelijkheid de proefplaatsing te verlengen met maximaal 4 maanden. Bij een proefplaatsing van maximaal 2 maanden volgt een dienstverband van minstens 6 maanden. Bij een proefplaatsing tussen de 2 en 6 maanden volgt een dienstverband van minimaal 12 maanden (zonder proeftijd).

6Als de werkzaamheden binnen de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode zoals bedoeld in lid 5, niet meegeteld.

7De gemeente weigert de proefplaatsing als:

a.de inwoner ook zonder proefplaatsing direct kan worden aangenomen voor het werk;

b.er sprake is van een dienstverband met opstapsubsidie als bedoeld in artikel 8 onderdeel a, van de participatiewet;

c.er sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, 5e lid, van de participatiewet.

3.4.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen

3.4.5.1 Scholing

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden.

2Indien de gemeente scholing of opleiding aanbiedt (of de inwoner zelf een opleiding of cursus voorstelt), die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, betrekt de gemeente bij de beoordeling:

a.de scholingswens van de inwoner;

b.in hoeverre de scholing duurzame arbeid bevordert;

c.in hoeverre de kans op algemeen geaccepteerde arbeid zonder scholing is te volgen;

d.de inwoner in staat is scholing te volgen (intellectueel, psychisch en fysiek);

e.bij de inzet van scholing wordt gekeken wat de vraag is naar arbeidskrachten in de speerpuntensectoren zoals benoemd in ‘Regio in beeld’. Dit is de jaarlijkse publicatie van het UWV over alle arbeidsmarktregio’s in Nederland.

3Scholing tot maximaal HBO-niveau kan worden aangeboden in sectoren waar er een krapte op de arbeidsmarkt is en naar alle verwachting ook in de toekomst zal blijven.

3.4.5.2 Taalscholing

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan met een inwoner die niet beschikt over de vaardigheden van de Nederlandse taal, of deze niet kan aantonen, een taalscholing afspreken.

2De taalscholing heeft tot doel om de Nederlandse taalvaardigheden beter te beheersen, wat nodig is voor maatschappelijke participatie en het vinden en behouden van een werkplek. Soms is het volgen van taalscholing verplicht. Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid.

3Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd.

4De gemeente draagt zorg voor de betaling van de directe kosten van de opleiding van de taalscholing (cursusgeld en boekengeld). De inwoner draagt zorg voor de betaling van de overige kosten die gemoeid zijn met de taalscholing (schriften, schrijfgerei, reiskosten en dergelijke).

3.4.5.3 Leer-werktrajecten

[PW]

1Indien de scholing als genoemd in artikel 3.4.5.1 een leer-werktraject betreft, kan de gemeente ondersteuning en/of advies aanvragen bij het Leerwerkloket Noord-Limburg.

2In de beoordeling van de vergoeding van de kosten van een leer-werktraject wordt beoordeeld of andere reguliere middelen toereikend zijn, alvorens gemeentelijke middelen worden ingezet.

3Tot het moment van aanvang van een leer-werktraject kan de gemeente andere voorzieningen aanbieden, bedoeld om de mogelijkheden voor leren en/of werken te stimuleren.

4De gemeente kan tijdens een leer-werktraject aanvullende dienstverlening toekennen gericht op ondersteuning van de werkgever dan wel de inwoner, voor zover dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk geacht wordt voor het re-integratietraject.

3.4.6 Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen voor inwoners met arbeidsbeperking.

3.4.6.1 Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen

[PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente kan op eigen initiatief of op aanvraag van de inwoner of werkgeverpersoonlijke ondersteuningbij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een inwoner met een arbeidsbeperking.

2Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is er sprake van individueel maatwerk. Verder gelden, naast artikel 2.3.2, de volgende voorwaarden:

a.de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij zij praktijkonderwijs (pro) of voortgezet speciaal onderwijs (vso) heeft gevolgd;

b.de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken;

c.de voorziening komt niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de UWV-werkvoorzieningen (Externe link:www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen);

d.het gaat niet om een algemeen beschermingsmiddel of werkplekaanpassing waarvoor de werkgever in zijn algemeenheid verantwoordelijk is;

e.het gaat niet om een meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

f.de kosten van de voorziening moeten in verhouding zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten uit het werk of de opbrengsten van uitstroom naar werk.

3De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij de noodzaak voor ondersteuning bij de start van de arbeidsovereenkomst nog niet bekend kon zijn.

4De gemeente kan een deskundig advies inwinnen als dit nodig is om een aanvraag te beoordelen. Bij beoordeling van de aanvraag wordt de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning gewogen.

5De gemeente spreekt met de werkgever en werknemer af op welke manier de ondersteuning wordt geboden, ook voor hoelang en tot wanneer. De gemeente legt dit binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag vast in een beschikking.

3.4.6.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden in de vorm van:

a.Jobcoaching in natura;

b.Jobcoaching door een externe jobcoach (vanuit het regionaal afgestemd inkoopbeleid);

c.Interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider;

2De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk inzetten bij:

a.Werkervaringsplaats;

b.Werkstage;

c.Proefplaatsing;

d.Werk met dienstverband.

3.4.6.3 Persoonlijke ondersteuning bij werk van een jobcoach

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een inwoner jobcoaching in natura of een jobcoach vanuit het regionaal afgestemd inkoopbeleid aanbieden. Deze voldoen aan de kwaliteitseisen zoals te vinden op de site Algemeen programma van eisen.

2Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen het werk goed te doen en de werkgever bij het bieden van de juiste begeleiding. De jobcoach kan de inwoner begeleiden bij haar ontwikkeling op de werkplek.

3Als de gemeente zelf 1 of meer jobcoaches in dienst of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze bij voorrang aan.

4Voor jobcoaching door een erkende jobcoach worden de begeleidingsniveaus ‘licht’, ‘midden’ en ‘intensief’ gebruikt. Voor welk niveau van jobcoaching in een situatie wordt gekozen, hangt af van de ondersteuningsbehoefte van een werknemer in deze situatie. Voor iedere werknemer die jobcoaching gaat krijgen, wordt vastgesteld voor welke periodedie werknemer jobcoaching kan krijgen.

5De maximumbedragen zijn gebaseerd op het regionaal afgestemd inkoopbeleid.

6Voor de doelgroep zoals bedoeld in artikel 10da van de participatiewet kan jobcoaching voor onbepaalde tijd worden ingezet. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd.

3.4.6.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk voor het organiseren van jobcoaching via subsidie

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. De werkgever kan daar een aanvraag voor doen.

2Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan op basis van artikel 3.4.6.3 worden verleend. Daarnaast als:

a.er een coachingsplan is vastgesteld. Daarin staat beschreven welke activiteiten een jobcoach uitvoert, de voortgang van de jobcoaching en hoe de evaluatie plaatsvindt;

b.de hoeveelheid en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching aansluit bij de werknemer;

c.de werknemer voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk laat weten het eens te zijn met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.

3De maximumbedragen die voor subsidie in aanmerking komen zijn gebaseerd op het regionaal afgestemd inkoopbeleid.

3.4.6.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk voor interne werkbegeleiding via subsidie

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor meer begeleiding aan medewerkers op de werkvloer dan normaal gebruikelijk. De subsidie is bedoeld voor de aangetoonde meerkosten die gemaakt zijn voor het organiseren van de interne werkbegeleiding van een medewerker.

2De gemeente kan voor werkgevers een training verzorgen in het bieden van interne werkbegeleiding aan medewerkers.

3.4.7 Faciliterende voorziening

3.4.7.1 Kinderopvang

[PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang]

1De gemeente kan een bijdrage verstrekken voor de kosten van kinderopvang als:

a.de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en

b.kinderopvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.

2De bijdrage bedraagt ten hoogste de kosten van kinderopvang die de inwoner zelf zal moeten betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a.De kinderopvangtoeslag wordt zoveel mogelijk benut; en

b.De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau; en

c.De inwoner heeft een bijstandsuitkering of een Anw-uitkering; en

d.Er is sprake van een van onderstaande voorzieningen:

i.De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt; of

ii.De kinderopvang is nodig om een inburgeringscursus te volgen bij een gecertificeerde instelling; of

iii.De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs.

3De hoogte van de bijdrage wordt bepaald door het aantal uren dat kinderopvang noodzakelijk is gedurende de voorziening en kan na afloop van de voorziening tot maximaal 1 jaar worden voortgezet. Dit ter voorkoming van de armoedeval.

3.4.7.2 Reiskosten

1De gemeente kan aan een inwoner in het kader van een voorziening een bijdrage verstrekken in gemaakte of te maken reiskosten.

2Onder directe kosten kunnen onder de onderstaande voorwaarden reiskosten in het kader van toeleiding naar werk, scholing of inburgering worden verstaan, waarbij geldt dat:

a.de gemeente de reiskosten vergoedt als de reisafstand voor de inwoner 10 km -of meer- is en er binnen 10 km geen andere passende voorziening is. Binnen 10 km wordt van de inwoner verwacht dat deze te voet gaat of met de fiets.

b.de vergoeding gelijk is aan de kosten van openbaar vervoer zoals berekend op 9292.nl;

c.bij eigen vervoer de vergoeding conform de onbelaste vergoeding zoals vastgesteld door de Belastingdienst bedraagt;

d.als de inwoner meer kosten maakt, zij vervoersbewijzen dient te overleggen en de gemeente volgens de daadwerkelijk gemaakte reiskosten op basis van openbaar vervoer vergoedt.

3.4.7.3 Een meeneembare voorziening en/of bij een motorische beperking

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een inwoner een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.

2Er is geen lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde op het werk aan te tonen is.

Ondersteuning bij een motorische beperking betreft hulp of ondersteuning voor taken die een inwoner bij het werken niet goed zelf kan doen. Dat dit niet lukt komt door problemen met bewegen.

3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen gegeven. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten dat de inwoner de voorziening krijgt. De inwoner wordt dan dus eigenaar van de voorziening.

3.4.7.4 Een vervoersvoorziening

[PW, IOAW, IOAZ, Wsw]

1De gemeente kan een inwoner een vervoersvoorziening toekennen, als de inwoner door haar structurele beperking niet zelfstandig naar haar werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld.

2Als er een vervoersvoorziening van de werkgever mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van. De gemeente brengt een eventuele reiskostenvergoeding vanuit de werkgever in mindering op de vergoeding door de gemeente.

3De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a.de inwoner kan door haar beperking niet zelfstandig reizen of gebruikmaken van het openbaar vervoer; en

b.kan niet carpoolen; en

c.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

De gemeente beoordeelt het nut en de noodzaak van de specifieke vervoersvoorziening.

4Dit artikel is niet van toepassing op NUG-ers.

3.4.8 Financiële compensatie

3.4.8.1 Wettelijke loonkostensubsidie

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente en/of de inwoner kan een verzoek doen om vast te stellen of er sprake is van een verminderde loonwaarde voor het ontvangen van wettelijke loonkostensubsidie. Hiervoor gelden vanuit artikel 10c en 10d van de participatiewet specifieke voorwaarden.

2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden.

3De gemeente stelt binnen 6 maanden na het begin van het (1e) dienstverband vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek is (welke loonwaarde zij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan vastgesteld worden aan het begin van het dienstverband en opnieuw tijdens het dienstverband. Hierbij is het belangrijk om te weten dat er geen sprake is van de no-riskpolis voor datum loonwaardemeting én dat er geen sprake meer is van een loonkostenvoordeel. Dit laatste kan enkel als de datum loonwaarde meting vóór datum indiensttreding ligt.

4Als het dienstverband al is gestart bij de aanvraag, kan de gemeente de werkgever maximaal 6 maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van 50% van het wettelijk minimumloon, in afwachting van vaststelling van de loonwaarde.

5De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. Er wordt maximaal 70% vergoed aan loonkostensubsidie (ook bij een loonwaarde lager dan 30%). Dit is inclusief werkgeverslasten én vakantiegeld. Er wordt geen loonkostensubsidie verstrekt voor overwerk.

6De gemeente stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij lid 4 van toepassing is.

3.4.8.2 Opstapsubsidie

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt voor een korte periode opstapsubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen in het kader van maatwerk en dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is. Opstapsubsidie is niet mogelijk als de werkgever voor deze inwoner wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8.1) en niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner.

2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed.

3De opstapsubsidie is maximaal 50% van het Wettelijk minimumloon naar rato van de omvang van het dienstverband. De opstapsubsidie duurt maximaal 6 maanden.

3.7 Tegenprestatie

3.7.1 Doel van de tegenprestatie

1De gemeente kan een inwoner met een bijstandsuitkering een tegenprestatie opleggen, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving.

2De gemeente kan maatschappelijk nuttige activiteiten voor de samenleving inzetten als tegenprestatie.

3Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich voor het ontvangen van een bijstandsuitkering inzet voor de samenleving en/of de persoonlijke ontwikkeling, zonder dat deze is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt of als onderdeel binnen een re-integratietraject.

3.7.2 Voorwaarden tegenprestatie

1Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met:

a.de persoonlijke ideeën, voorstellen en omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, zorgtaken zoals mantelzorg, de duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen;

b.de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door de inwoner;

c.maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk dat door de inwoner al wordt gedaan.

2Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd.

3.7.3 Duur en omvang tegenprestatie

1De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht, duurt maximaal 6 maanden en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen:

a.De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten;

b.De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie.

2Als de maatschappelijke activiteit bijdraagt aan sociale activering en/of verkorten van de afstand tot de arbeidsmarkt, kan de activiteit na afloop van de tegenprestatie als zodanig worden voorgezet. Dit na instemming van de inwoner en de gemeente.

3.8 Meedoen in de samenleving

3.8.1 Herstelgerichte ondersteuning

[Wmo , Jeugdwet, PW]

1Om te voorkomen dat inwoners minder zelfstandig worden, richt de gemeente zich ook op andere vormen van ondersteunen van inwoners. Er is aandacht voor de verbetering van zelfstandigheid van inwoners in hun eigen leefomgeving. De ondersteuning is gericht op verbetering van de situatie van de inwoner in plaats van het inzetten van een voorziening of ondersteuning waarbij zaken worden overgenomen. Herstelgerichte ondersteuning kan een passende oplossing zijn voor een hulpvraag.

2Een inwoner kan in aanmerking komen voor herstelgerichte ondersteuning, als uit deskundig advies blijkt dat herstelgerichte ondersteuning een passende voorziening is.

3Herstelgerichte ondersteuning kan op zichzelf staand worden geïndiceerd, maar kan ook gecombineerd worden met andere hulp-op-maat, als uit het deskundig advies hiervoor de noodzaak blijkt.

4Andere hulp-op-maat wordt niet ingezet wanneer uit het advies van de deskundige blijkt dat die voorziening(en) anti-revaliderend werken voor de inwoner. Dat wil zeggen dat het herstel ermee wordt tegengewerkt.

5Als de herstelgerichte ondersteuning eerder wordt beëindigd, ontvangt de gemeente een afrondende rapportage van de deskundige.

6Als herstelgerichte ondersteuning is ingezet als goedkoopst passende voorziening (zie artikel 2.3.2 lid 3) en een inwoner maakt hier zonder gegronde reden geen gebruik van, dan kan de inwoner geen andere hulp-op-maat krijgen voor de ondersteuningsbehoefte waarvoor die voorziening is ingezet. De voorziening wordt daarmee beschouwd als voorliggende voorziening ten opzichte van hulp-op-maat. Gegronde reden wil zeggen dat uit het advies van de deskundige blijkt dat er redenen zijn waardoor deelname niet mogelijk is.

3.8.2 Individuele ondersteuning

[Wmo]

Wmo-Ondersteuning is gericht op inwoners vanaf 18 jaar met een beperking of met (chronische) psychische of psychosociale problemen. De Wmo-ondersteuning vindt zoveel mogelijk plaats in de eigen leefomgeving van de inwoner. Voorliggende voorzieningen en ondersteuning in de sociale omgeving zijn voor deze inwoner (nog) niet voldoende passend. Wmo-ondersteuning is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Deze Wmo-ondersteuning heeft als doel om bijvoorbeeld praktische vaardigheden te stimuleren die nodig zijn in het dagelijks leven. Maar ook om de eigen regie en zelfredzaamheid van de inwoner te vergroten en de inwoner maatschappelijk te laten meedoen. De verschillende vormen van Wmo-ondersteuning zijn bedoeld om de eigen kracht en mogelijkheden van de inwoner te vergroten.

3.8.3 Vervoer in de eigen omgeving

[Wmo]

1De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als zij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis.

2Het moet gaan om het:

a.zich verplaatsen rondom de woning en/of

b.zich verplaatsen over ten hoogste 20 kilometer van de woning met een omvang van maximaal 1500 kilometer tot 2000 kilometer per jaar en/of

c.vervoer specifiek bedoeld naar een locatie in verband met Wmo-ondersteuning.

3De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Zo ja, dan kan de inwoner gebruik maken van collectief taxivervoer via Omnibuzz.

4De inwoner betaalt een eigen bijdrage per zone, als de inwoner gebruikt maakt van Omnibuzz.

3.8.4 Rolstoel

De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel als deze noodzakelijk is voor dagelijks zittend gebruik.

3.8.5 Sportvoorziening

1De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder een aangepaste sportvoorziening, kan eens in de 3 jaar in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als bijdrage in de aanschaf en het onderhoud van de aangepaste sportvoorziening.

2Deze bijdrage wordt 1 keer per 3 jaar verstrekt en bedraagt maximaal €2.500.

3.8.6 Aanpassing of vervanging voorziening

Als een vervoermiddel of een rolstoel aangepast of vervangen moet worden, dan doet de gemeente dit alleen, als de:

a.normale afschrijvingstermijn is afgelopen; of

b.voorziening onbruikbaar is geworden en dat niet veroorzaakt is door de inwoner; of

c.voorziening geen oplossing meer is voor de hulpvraag van de inwoner.

3.9Inburgeren

3.9.1 Kernpunten van het inburgeringstraject

De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtigen. Hierbij gelden de volgende kernpunten:

a.De gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige zo snel mogelijk kan starten met het inburgeringstraject (tijdigheid);

b.De inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject in beginsel binnen de termijn van 3 jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid);

c.De gemeente zorgt ervoor dat iedere inburgeringsplichtige een passend traject kan volgen (maatwerk);

d.De inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal met activiteiten gericht op meedoen aan de maatschappij (dualiteit);

e.De gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit gewaarborgd is (kwaliteit).

5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.6 Mantelzorg

5.6.1 Ondersteuning mantelzorger

1De inwoner die mantelzorg ontvangt kan in aanmerking komen voor respijtzorg als deze niet vanuit een voorliggende voorziening of andere wetgeving wordt verstrekt. Respijtzorg is het logeren in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin (maximaal 104 etmalen per jaar). Respijtzorg heeft als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger of diens omgeving, of om ontsporing van de situatie te voorkomen.

2De mantelzorger kan voor (specialistische) vragen op het gebied van mantelzorg terecht bij het Steunpunt mantelzorg.

3De gemeente kan naast bovengenoemde vormen van ondersteuning besluiten ook andere vormen van ondersteuning te bieden aan mantelzorgers.

5.6.2 Mantelzorgwaardering

De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers. De inwoner (hulpvrager) kan jaarlijks éénmalig een mantelzorgwaardering aanvragen voor een mantelzorger. De mantelzorgwaardering bedraagt minimaal €130,00 (een geldbedrag) of maximaal €150,00 (in de vorm van een horeca- en winkelwaardebon). De mantelzorgwaardering is bedoeld voor de mantelzorger(s) van de inwoner (hulpvrager) die in de gemeente woont.

5.6.3 Mantelzorgwoning

De gemeente kan inwoners die een mantelzorgwoning willen realiseren, ondersteunen. Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het erf van een inwoner, die is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de mantelzorger of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. De ondersteuning houdt in dat beoordeeld wordt of er sprake is van een mantelzorgsituatie waardoor een inwoner in aanmerking komt voor het vergunningsvrij plaatsen van een mantelzorgwoning.

6 Vervoer naar school

6.3 Voorwaarden

6.3.1 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer

De gemeente verstrekt ouders van een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, een vervoersvoorziening voor:

a.Het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie.

b.Het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.

6.5 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening

6.5.1 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool

1Is de reisafstand naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer dan 20 kilometer, dan betalen ouders de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per gezin per schooljaar berekend en hangt af van het inkomen van de ouders in het peiljaar.

Inkomen (schooljaar 2025-2026)

Eigen bijdrage

€ 0 tot € 42.000

Niets

€ 42.000 tot € 50.000

€ 185

€ 50.000 tot € 58.000

€ 820

€ 58.000 tot € 65.000

€ 1.520

€ 65.000 tot € 74.500

€ 2.230

€ 74.500 tot € 81.500

€ 2.990

€ 81.500 – voor elke € 5.000 erbij

€ 715

2Jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, worden de inkomensbedragen en de hoogte van de eigen bijdrage aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ten opzichte van 1 januari van het voorgaande jaar. Rekenkundig wordt dit afgerond op een veelvoud van €500,-

3De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente.

4Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in deze paragraaf niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.

6.5.2 Drempelbedrag

1Voor ouders van een kind in het basisonderwijs en speciaal basisonderwijs geldt boven een vastgestelde inkomensgrens een eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage is het drempelbedrag.

2Het drempelbedrag is een bedrag per kind.

3Het drempelbedrag is niet van toepassing op kinderen met een langdurige beperking.

7 Lage inkomens en geldzorgen

7.4 Individuele inkomenstoeslag

7.4.1 Doelgroep voor individuele inkomenstoeslag

De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de Aow-leeftijd die voldoet aan de voorwaarden van artikel 36 van de Participatiewet en op de aanvraagdatum:

a.een ononderbroken periode van 36 maanden:

1een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm;

2geen vermogen hoger dan de vermogensgrens uit de Participatiewet heeft gehad; en

b.geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

7.4.2 Hoogte van de toeslag

1De hoogte van de toeslag kan gevonden worden op www.venray.nl, wanneer u zoekt op inkomenstoeslag. De inkomenstoeslag wordt per jaar in 1 bedrag uitbetaald en bedraagt:

a.voor een alleenstaande: € 500,00 per jaar.

b.voor een alleenstaande ouder: € 640,00 per jaar.

c.voor gehuwden: € 710,00 per jaar.

2Voor gehuwden en samenwonenden geldt dat als 1 van de partners op de aanvraagdatum geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag van een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet.

3De bedragen in lid 1 zijn de bedragen uit basisjaar 2024 en worden jaarlijks aangepast. Ze volgen de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en worden naar boven afgerond op vijf euro’s.

7.5 Schulddienstverlening

7.5.1 Samenwerking en toegang

1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden krijgen.

2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij geldzorgen, het vinden van een oplossing voor schulden of ter voorkoming hiervan.

3De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt dat die hulp echt beschikbaar is.

4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op deze regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.

5De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente.

7.5.2 Schulddienstverlening

1De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt.

2De hulp die de gemeente geeft, past bij het financiële probleem van de inwoner. Eén van de mogelijkheden die de gemeente kan aanbieden is hulp bij het regelen van de inkomsten en uitgaven (budgetbeheer). Budgetbeheer is erop gericht dat de inwoner orde krijgt in de financiële huishouding en daardoor haar uitgaven kan betalen.

De mogelijkheden die er zijn op het gebied van schulddienstverlening worden beschreven in beleidsregels.

3De gemeente zet hierbij in op duurzame resultaten en zal bij ingezette trajecten nazorg leveren om herhaling te voorkomen.

8 De vorm van de hulp

8.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

8.3.1 Voorwaarden – algemeen

1De inwoner kan kiezen voor een pgb, als zij in aanmerking komt voor hulp-op-maat op grond van de Wmo of Jeugdwet. De gemeente moet er wel van overtuigd zijn, dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.De inwoner kan voldoende voor haar eigen belangen opkomen. Daardoor kan zij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die haar vertegenwoordigt.

b.De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom zij een pgb wil ontvangen. Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom hulp-op-maat door een aanbieder van de gemeente, niet passend is.

c.De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en op de inwoner gericht. Dit moet duidelijk worden uit het pgb-plan van de inwoner.

2De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:

a.De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en wil het pgb laten beheren door de hulpverlener.

b.De gemeente heeft eerder hulp-op-maat of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken.

c.De inwoner vraagt een pgb voor kosten die zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan.

d.Soms is zelf ingekochte zorg duurder dan zorg in natura. Dat is geen reden om een pgb te weigeren. Maar de gemeente hoeft ook geen extra geld uit te geven. De gemeente mag beslissen dat de inwoner alleen het bedrag krijgt dat de zorg in natura zou kosten. De meerkosten betaalt de inwoner dan zelf.

3Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b.het voeren van een pgb-administratie;

c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en

d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s);

e.reiskosten van de zorgverlener.

f.kosten voor het deelnemen aan overleggen in het kader van afstemmen en samenwerken met andere hulpverleners.

g.uitkering in geval van overlijden budgethouder

4De gemeente staat het niet toe dat een pgb als maandloon wordt uitbetaald.

8.3.2 Professionele of niet-professionele hulp

1Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.

2Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de inwoner:

a.iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007); of

b.iemand die als zelfstandige zonder personeel beroepsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007).

3De inwoner mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:

a.moet de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven;

b.moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’ overleggen, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’; De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden, voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

c.moet voor het bieden van jeugdhulp aantonen de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te gebruiken en Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) geregistreerd zijn.

4Van niet-professionele hulp is sprake als:

a.de hulp geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;

b.de hulp wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van de inwoner.

5De inwoner mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:

a.heeft aannemelijk gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat zij kwalitatief goede hulp kan bieden, en

b.moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’ overleggen, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag.

8.3.3 Hoogte en tarief pgb

1De gemeente stelt de hoogte van het pgb voor een product vast aan de hand van, en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de inwoner goedkoopst compenserende hulp in natura. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product bij minimaal 1 aanbieder.

2De gemeente houdt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Met uitzondering van een woonvoorziening, de inwoner is hierbij zelf verantwoordelijk voor de verzekering van het product.

3De gemeente kan de hoogte van het pgb voor een product vaststellen op basis van minimaal twee offertes van de aanbieder uit het goedgekeurde pgb-plan en/of een door de gemeente opgevraagde offerte. De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op het bedrag van de laagste offerte.

4De hoogte van het pgb voor professionele hulp voor hulp-op-maat (individueel, groep en logeren), persoonlijke verzorging, behandeling (individueel en groep), wonen en gezins- en woonvormen en hulp bij het (zelfstandig) wonen stelt de gemeente vast op basis van het laagst geoffreerde tarief op dienstverleningsniveau binnen de aanbesteding van hulp in natura voor de Wmo en Jeugdwet. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product of dienst bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk.

5De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp voor hulp-op-maat in het kader van de Jeugdwet, respijtzorg en voor Wmo-ondersteuning is gelijk aan het wettelijk minimum (uur)loon. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek per 1 januari van het jaar waarin het pgb wordt verstrekt, inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten.

6Voor respijtzorg uitgevoerd door niet-professionele hulp bestaat ook een tegemoetkoming per kalendermaand zoals genoemd in het besluit nadere regels.

7Het pgb is voldoende om hulp in te kunnen kopen die voldoet aan de kwaliteitseisen die staan in de wet, deze verordening en het Besluit nadere regels. En het is geschikt voor het doel waarvoor het pgb wordt toegekend.

8De gemeente stelt in het besluit nadere regels de hoogte van het pgb vast op basis van de in dit artikel vermelde regels. Aanpassing van de lopende pgb-budgetten vindt, indien nodig, plaats door middel van een overgangsregeling.

8.3.4 Hoogte van het persoonsgebonden budget bestemd voor hulp-op-maat beschermd wonen

1De hoogte van het pgb voor beschermd wonen:

a.wordt gebaseerd op de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, en;

b.bedraagt bij:

•professionele en gediplomeerde hulp: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura;

•gediplomeerde ZZP’ers (zelfstandig ondernemer zonder personeel), maximaal 90% van de goedkoopst passende voorziening in natura;

•De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp voor hulp-op-maat beschermd wonen is gelijk aan het wettelijk minimum (uur)loon. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek per 1 januari van het jaar waarin het pgb wordt verstrekt, inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten.

8.3.5 Aanvullende ondersteuning in uitzonderlijke gevallen bij beschermd wonen

1Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag wordt toegekend indien er:

a.als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen en/of;

b.er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen.

2Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt behoefte heeft aan een geregisseerde dagbesteding, kan er een toeslag dagbesteding aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen worden toegekend.

3Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in artikel 8.3.5 lid 1 van deze verordening, wordt in de basis uitgegaan van fictief aantal te leveren uren voor beschermd wonen van 8 uur ondersteuning per week.

8.3.6 Verantwoording pgb

1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken.

2Als een inwoner hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die echt geleverd is.

8.3.7 Opschorten pgb

De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als zij een sterk vermoeden heeft dat:

a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven, terwijl het geven van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;

b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het ontvangen van het pgb;

c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt;

d.de inwoner in een instelling verblijft als bedoeld in de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet; of als

e.de inwoner een modulair pakket thuis of volledig pakket thuis ontvangt vanuit de Wet langdurige zorg.

9 Afspraken tussen inwoner en gemeente

9.1 Hoe gaan we met elkaar om?

9.1.1 De rol van de gemeente

1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor haar probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met haar onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

b.De inwoner heeft, om haar probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker.

c.De gemeente helpt de inwoner om haar probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

d.De websites van de gemeente voldoen aan erkende kwaliteitseisen.

e.De gemeente streeft naar eenvoudige aanvraagformulieren. Daarmee kan de inwoner een bijstandsuitkering of voorziening aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

f.De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

g.De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

h.De gemeente wijst de inwoner op cliëntondersteuning.

2De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

-rechten en plichten;

-wat er van de inwoner wordt verwacht;

-welk gedrag niet deugt;

-wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

-waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten.

b.De gemeente geeft de inwoner de kans om haar mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.

c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

-de ernst van het gedrag;

-de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en

-de persoonlijke situatie van de inwoner; en

-is gericht op het veranderen van dit gedrag bij de inwoner.

d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen.

e.De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier de inwoner het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

9.1.2 De rol van de inwoner

1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van haar probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en haar sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:

a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden zij zelf heeft om haar probleem op te lossen.

b.Als de gemeente hulp verleent, werkt de inwoner mee aan de oplossing van haar probleem. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken.

c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.

2De inwoner denkt mee en heeft inspraak in de manier waarop haar probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.

b.De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren.

c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van veranderingen in haar situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente.

9.2 Het verlagen van een bijstandsuitkering

9.2.1 Wanneer wordt de bijstandsuitkering verlaagd?

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente verlaagt een bijstandsuitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.

2Als de gemeente besluit om de bijstandsuitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met:

a.de ernst van het gedrag dat tot het verlagen van de bijstandsuitkering heeft geleid;

b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en

c.de persoonlijke situatie van de inwoner.

3Voordat een bijstandsuitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om haar mening te geven. De inwoner kan dat doen met een brief of in een persoonlijk gesprek.

9.2.2 Afstemming verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente kan de verlaging op de bijstandsuitkering aanpassen als de gemeente daarvoor dringende redenen ziet. Dan wordt de inwoner op de hoogte gebracht.

2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering niet als:

a.het gedrag de inwoner niet te verwijten is;

b.er meer dan 1 jaar ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld;

c.door een gedraging al een weigering van de bijstandsuitkering op grond van de IOAZ of IOAW heeft plaatsgevonden.

9.2.3 Het besluit om de uitkering te verlagen

De gemeente stuurt de inwoner een brief als de bijstandsuitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval:

a.waarom de bijstandsuitkering wordt verlaagd;

b.hoe hoog de verlaging is;

c.wanneer de verlaging ingaat;

d.hoe lang de verlaging duurt; en

e.waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is.

9.2.4 Ingangsdatum en periode verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De verlaging gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt 1 maand of langer. Als de bijstandsuitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op, als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een bijstandsuitkering gaat ontvangen.

9.2.5 Berekening verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De bijstandsuitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de bijstandsuitkering die de inwoner in haar situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm, voor een inwoner in de leeftijd 18 tot en met 20 jaar gaat het ook om de aanvullende bijzondere bijstand. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt.

2De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast.

3De verlaging kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand, indien de inwoner bijzondere bijstand ontvangt en het verwijtbare gedrag van de inwoner ziet op de bijzondere bijstand.

9.2.6 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen

[PW, Awb]

De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering voor de duur van een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, 4e lid van de Participatiewet niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met (onbetaald) werk. De verlaging kan over maximaal 3 maanden worden uitgesmeerd, dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner.

9.2.7 Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:

a.jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van

i.een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet, of

ii.een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd;

b.niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet;

c.niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert; of

d.alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen; De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken.

e.Niet of niet voldoende de in artikel 56a, 2e lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting nakomt. Het gaat hierbij om meewerken aan het betalen van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering, gedurende een periode van 6 maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat. De gemeente verricht die betalingen uit de toegekende bijstand in naam van de inwoner.

2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden.

3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm als de inwoner:

a.niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening. Dit gedrag heeft er niet toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd;

b.niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;

c.niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd;

d.door houding of gedrag moeilijker aan het werk komt;

e.niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of

f.alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken.

4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner:

a.niet voldoende probeert werk te vinden;

b.aangeboden werk niet accepteert;

c.door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of

d.niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening, en dit gedrag er toe geleid heeft dat de voorziening niet doorging of te vroeg is beëindigd.

5De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt.

9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid

[PW, Awb]

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die te weinig beseft dat zij zelf verantwoordelijk is voor haar eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner eerder, meer of langer uitkering nodig, dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer of eerder heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag).

2De verlaging duurt een maand en is:

a.10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000;

b.20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000;

c.50% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000;

d.100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000;

e.100% van de uitkeringsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.

3De bijzondere bijstand kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

9.2.9 Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen)

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht op deze personen en instanties. De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen deze personen.

9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen

[PW, Awb]

1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 9 (anders dan het niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen zoals genoemd in artikel 18 Participatiewet), 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging duurt een maand en is:

a.10% van de uitkeringsnorm, als het gaat om de verplichting om op een bepaalde tijd en plaats te verschijnen voor een gesprek in het kader van de uitvoering van de wet;

b.20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk of een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;

c.50% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand;

d.100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand.

2De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner de verplichting uit het eerste lid, onder a, niet nakomt.

9.2.11 Samenloop van gedragingen

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1Een gedraging waardoor de inwoner meerdere verplichtingen niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De bijstandsuitkering wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt.

2Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd en indien nodig uitgesmeerd over meerdere maanden. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen.

3Er wordt geen verlaging opgelegd, als voor het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen door 1 gedraging een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

4Bij het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen voor meerdere gedragingen wordt per gedraging een bestuurlijke boete of verlaging opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is.

9.2.12 Herhaling (recidive)

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1De duur van de verlaging wordt 2 maanden als de inwoner binnen 12 maanden na het eerste verlagingsbesluit zich opnieuw zo gedraagt, bij een verplichting anders dan artikel 18 lid 4 PW.

2De verlaging bedraagt 100% van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij een herhaalde gedraging op grond van artikel 18 PW lid 4 binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit.

3Bij opnieuw een herhaalde verlaging op grond van artikel 18 PW binnen 12 maanden bedraagt de verlaging conform de PW 3 maanden 100% van de bijstandsnorm.

9.2.13 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

[IOAW, IOAZ]

Er wordt geen verlaging opgelegd indien een gedraging al heeft geleid tot het tijdelijk of blijvend weigeren van een uitkering op grond van artikel 20 eerste lid IOAW of artikel 20 tweede lid IOAZ.

9.3 Handhaving in de Wet Inburgering 2021

9.3.1 Verplichtingen

1De inburgeringsplichtige is verplicht om:

a.na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; en

b.de afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en het PVT.

2De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute.

9.3.2 Handhaving verplichtingen bij de brede intake

1Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om te verschijnen binnen 2 maanden.

2Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021.

3Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente haar de gelegenheid haar zienswijze binnen 2 weken per brief of digitaal duidelijk te maken.

4De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat de inburgeringsplichtige niets te verwijten valt.

5De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021, als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. Als de gemeente al op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden.

6In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021 en de brede intake wordt dan voltooid zonder medewerking van de inburgeringsplichtige.

9.3.3 Handhaving tijdens het inburgeringstraject

1De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt.

2De gemeente legt de inburgeringsplichtige een boete op als zij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute.

3Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente haar de gelegenheid haar zienswijze binnen 2 weken per brief of digitaal kenbaar te maken.

4Mede op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. De gemeente beoordeelt of er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid en stemt de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit inburgering 2021.

5De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat de inburgeringsplichtige niets te verwijten valt.

9.3.4 Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet

1Houdt een inburgeringsplichtige met een bijstandsuitkering (Participatiewet) zich niet aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, dan vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 9.2.1. De gemeente legt voor hetzelfde gedrag dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 op.

2Houdt een inburgeringsplichtige met een bijstandsuitkering zich niet aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, dan legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de Wet inburgering 2021 op. De gemeente verlaagt in dat geval voor hetzelfde gedrag de bijstandsuitkering niet.

3Bij de keuze tussen i) handhaven op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaven op grond van de Wet inburgering 2021 via een boete, weegt de gemeente ook af wat het best bijdraagt aan het succesvol voltooien van het inburgeringstraject.

4Wanneer gedrag leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de Wet inburgering 2021.

5In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet.

9.3.5 Verrekening boete met bijstandsuitkering

De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de Wet inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4:93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5% van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag.

9.4 Terugvorderen uitkering

9.5 Beëindigen en terugvorderen voorziening 9.5.1 Beëindiging voorziening

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]

1De gemeente kan een voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De voorziening kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat:

a.de voorziening niet langer passend of nodig is;

b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;

c.de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor de voorziening, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;

d.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;

e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; of

f.het gemeentelijk beleid is gewijzigd, en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor een voorziening. De gemeente houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode.

2De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in.

3De gemeente kan een besluit om een pgb toe te kennen intrekken, als de inwoner het pgb niet binnen 3 maanden na toekenning heeft gebruikt om de voorziening te betalen waarvoor het pgb is bestemd, tenzij:

a.de gemeente een langere termijn heeft bepaald; of

b.de inwoner niet te verwijten is dat zij het pgb niet binnen die termijn heeft gebruikt.

9.5.2 Terugvordering en verrekening voorziening

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]

1De gemeente kan, behoudens de gevallen zoals bedoeld in artikel 9.4, de voorziening, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan 1 van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.5.1.

2Hulp-op-maat voorziening Wmo kan alleen worden teruggevorderd als die voorziening is ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.

3De gemeente kan een vordering op de inwoner op grond van dit artikel, verrekenen met een vordering die de inwoner op de gemeente krijgt op grond van 1 van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

9.6 Hoe controleert de gemeente of afspraken worden nagekomen?

9.6.1 Controle

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner die een uitkering of voorziening van de gemeente ontvangt, recht heeft op een uitkering of voorziening. De gemeente kan daarvoor onder andere gebruik maken van:

a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Het huisbezoek vindt alleen plaats met toestemming van, en samen met de inwoner;

b.waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd.

c.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;

d.signalen en tips van organisaties of particulieren;

e.andere onderzoeksmethoden.

2Het controleren van voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.

3Het college houden zich aan de regels die horen bij het onderzoek naar rechtmatig gebruik van voorzieningen en uitkeringen.

4Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, informeert de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

9.6.2 Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

De gemeente stelt alles in het werk om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. Bij het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht kan de gemeente een waarschuwing geven of een boete opleggen. De gemeente heeft hiervoor beleidsregels opgesteld.

9.6.3 Privacy bij controle op misbruik en oneigenlijk gebruik

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. De gemeente kiest de onderzoeksvorm die voor de inwoner het minst belastend is.

9.6.4 Toezichthouders

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor hulp-op-maat Wmo geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.

10 Inwonerparticipatie

10.2 Adviesraad sociaal domein

10.2.1 Samenstelling en werkwijze

1De Adviesraad sociaal domein bestaat uit maximaal 12 personen.

2De leden worden benoemd door het college voor 4 jaar. Leden kunnen 1 keer worden herbenoemd. De leden van de Adviesraad sociaal domein wijzen uit hun midden een voorzitter en een secretaris aan.

3Inwoners kunnen een vergadering van de cliëntenraad bijwonen, behalve als er een zwaarwegend belang is om dit niet te doen. Inwoners kunnen bij de cliëntenraad onderwerpen voor de agenda aanmelden. De cliëntenraad informeert inwoners waar en wanneer de vergaderingen zijn en hoe zij onderwerpen kunnen aanmelden.

4De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de Adviesraad sociaal domein, bijvoorbeeld door

a.zorgt het college voor een ambtelijk aanspreekpunt voor de Adviesraad sociaal domein

b.geschikte vergaderruimte;

c.voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid;

d.voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid tijdig bij de Adviesraad sociaal domein ligt, zodat het gegeven advies nog van invloed kan zijn op het te nemen besluit;

e.Het college zorgt ervoor dat het standpunt van belanghebbenden in de beleidsontwikkeling zichtbaar wordt gemaakt en betrekt het advies van de Adviesraad sociaal domein zichtbaar bij de besluitvorming. Als het college afwijkt van het advies van de Adviesraad sociaal domein dan wordt dit bij het voorstel vermeld en een reden voor genoemd.

10.2.2 Taken en bevoegdheden

1De Adviesraad sociaal domein geeft gevraagd en ongevraagd advies over plannen voor nieuw beleid van burgemeester en wethouders of van de gemeenteraad. De Adviesraad sociaal domein kan ook advies geven over het geldende beleid.

2De Adviesraad sociaal domein houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde inwoner. Ook kan niet geadviseerd worden op het gebied van de gemeentelijke bedrijfsvoering en financiën.

10.2.3 Budget, verslag, vergoeding en voorzieningen

1Het college stelt een uitvoeringsbudget beschikbaar voor de Adviesraad sociaal domein voor de kosten in het kader van deskundigheidsbevordering, bijwonen studiedagen of symposia en voorlichting en PR. Op basis van een onderbouwde begroting van de Adviesraad sociaal domein. De Adviesraad sociaal domein moet de begroting uiterlijk in januari van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar aanleveren.

2De Adviesraad sociaal domein brengt jaarlijks voor 1 april aan het dagelijks bestuur verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar en van de besteding van het budget over dat jaar. Budget dat niet in het betreffende jaar is besteed gaat terug naar de gemeente.

3De leden van de Adviesraad sociaal domein ontvangen een door het college te bepalen vergoeding.

11 Aanmerkingen op de uitvoering

11.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure

11.2 Klachtenprocedure

[Awb, Gemeentewet]

De inwoner kan een klacht indienen over het gedrag van bestuursorganen en medewerkers van de gemeente bij de uitvoering van hun taak. In de Awb en de Klachtenregeling gemeente Venray staan de regels die gelden voor het indienen en behandelen van klachten.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.