Gemeentelijke regelgeving

Toezicht en handhavingsbeleid Kinderopvang Uithoorn 2023

Gemeente Uithoorn · geldt sinds 3 oktober 2024

Aanhef

Burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn

Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang;

Besluiten:

Het Toezicht en handhavingsbeleid Kinderopvang Uithoorn 2023 vast te stellen.

Toepassing

Dit beleid is van toepassing op de gemeentelijke inzet om:

-toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;

-aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen;

-te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving.

Dit beleid is van toepassing op alle kindercentra, gastouderbureaus, en gastouderopvang binnen de gemeente Uithoorn.

Citeertitel

Dit document wordt aangehaald als ‘Toezicht en handhavingsbeleid kinderopvang 2023’.

1Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking in het gemeenteblad.

2Het ‘Handhavingsbeleid Wet Kinderopvang Gemeente Uithoorn 2011’ komt te vervallen na bekendmaking van deze beleidsregel.

2. Toezicht kinderopvang

2.6 Wijzigingen

2.6.1 Houderwijziging

Een kindercentrum of gastouderbureau dat wordt overgenomen is veelal al in exploitatie en er worden kinderen opgevangen/bemiddeld. Voor de continuïteit van de opvang is het van groot belang dat zowel de oude en nieuwe houders zorg dragen voor een goede overname.

Een houderwijziging dient ingediend te worden middels wijzigingsformulier.

De gemeente Uithoorn hanteert de volgende uitgangspunten bij een overname:

-Een overname moet worden behandeld als een nieuwe aanvraag. Dat betekent dat ook bij een overname streng aan de poort wordt getoetst. Naleving van de kwaliteitseisen bij overige kindercentra / gastouderbureaus en de handhavingshistorie van de nieuwe houder wordt meegewogen.

-De nieuwe houder dient zich te informeren over de bestaande tekortkomingen bij de over te nemen kindercentrum/ gastouderbureau en dient zich te informeren over de opgelegde handhavingsacties. De nieuwe houder heeft redelijkerwijs tijd nodig om eventuele bestaande tekortkomingen op te heffen. De nieuwe houder dient daarvoor afspraken te maken met de gemeente. Dit initiatief berust bij de nieuwe houder.

2.6.2 Verhuizing

Bij verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang wordt deze in behandeling genomen als zijnde een nieuwe aanvraag.

Van belang is dat hierbij bij de gemeente wordt ingediend:

-Voor het oude kindercentrum / de voorziening voor gastouderopvang een wijzigingsverzoek tot het intrekken van de toestemming tot exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.

-Voor het nieuwe kindercentrum / de voorziening voor gastouderopvang dient een aanvraagformulier tot exploitatie (inschrijving).

Wanneer een gastouderbureau (GOB) verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een GOB geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres van een GOB wijzigt.

Bij de gemeente wordt ingediend:

-Een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres

Indien de verhuizing naar een andere gemeente is, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK) naar de gemeente waar deze naar verhuist, waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.

Bijlage 1 – Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Uithoorn

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 – Toepassing

Deze beleidsregels zijn van toepassing op de toezicht en handhaving naar aanleiding van overtreding van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regels.

Artikel 2- Kwaliteitseisen

1De kwaliteitseisen waaraan voldaan moet worden, staan genoemd in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving. Ze worden tevens expliciet in het door de toezichthouder opgestelde rapport genoemd.

2De toezichthouder kinderopvang onderzoek de naleving van deze kwaliteiten en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

3In deze Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang gemeente Uithoorn wordt uitgegaan van deze kwaliteitseisen.

4In het afwegingsoverzicht dat als bijlage aan deze beleidsregels is toegevoegd worden voor de prioritering, de hoogte van de bestuurlijke boete en de hoogte van de last onder dwangsom per domein de kwaliteitseis geclusterd weergegeven.

Artikel 3 – Vormen van sanctioneren

Bij het uitvoeren van het handhavingsbeleid heeft het college de volgende mogelijkheden:

a.informeel middel zoals een waarschuwing;

b.op herstel gericht handhavingsmiddel zoals een herstelsanctie;

c.bestraffende sanctie.

Hoofdstuk 2 Herstellend traject

Artikel 4 – Herstelsancties

1Indien gebleken is dat een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving, start het college in beginsel een handhavingstraject. Dit traject is gericht op beëindiging van de tekortkoming(en) en voorkoming van herhaling hiervan.

2Bij het uitvoeren van het herstellend traject hanteert het college de volgende stappen:

a.Stap 1: aanwijzing

b.Stap 2: last onder dwangsom/ last onder bestuursdwang

c.Stap 3: exploitatieverbod

d.Stap 4: intrekken van de toestemming tot exploitatie en verwijdering van de registratie uit het landelijk register kinderopvang

3Indien de overtreding of de handhavingsgeschiedenis op deze tekortkoming hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen van herstellend traject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen.

4De duur van de hersteltermijn is maximaal 6 weken zoals afgeleid kan worden uit het afwegingsoverzicht dat als bijlage is opgenomen. Indien de overtreding hiertoe aanleiding heeft kan het college besluiten de hersteltermijn te wijzigen.

5In afwijking van het vorige lid, is de hersteltermijn voor het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) maximaal 2 weken, m.u.v. personen in het personenregister.

Artikel 5 – Verwijdering registratie

Indien het ingezette traject tot herstel niet heeft geleid tot beëindiging van de overtreding(en) kan overgegaan worden tot het intrekken van de toestemming tot exploitatie en verwijdering van de registratie uit het landelijk register kinderopvang (stap 4). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie geschiedt door middel van een beschikking overeenkomstig artikel 1.46, lid 5 en 6 Wet kinderopvang. Aansluitend wordt de registratie verwijderd uit het landelijk register kinderopvang.

Hoofdstuk 3 Bestraffend traject

Artikel 6 – Bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete

1Indien de houder een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 van de Wet kinderopvang of een vordering tot medewerking als bedoel in artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66 van de voormelde wet kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45.000, -.

2Bij een bestraffend traject bestraffen we de overtreding. Het gaat hierbij niet om het herstel van de overtreding. De vorm van een bestraffende sanctie onder de Wet kinderopvang is de bestuurlijke boete (artikel 1.72, eerste lid van de Wet kinderopvang).

3Bij het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete spelen prioriteit van de overtreding, het verloop van het hersteltraject en de handhavingsgeschiedenis een rol.

4Een bestuurlijke boete kan separaat aan een hersteltraject worden opgelegd.

Artikel 7 – Hoogte bestuurlijke boete

1Bij de berekening van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1.72 lid 1 van de Wet kinderopvang wordt voor alle tekortkomingen het boetebedrag dat is opgenomen in het als bijlage toegevoegde afwegingsoverzicht als uitganspunt genomen.

2Het onder het eerste lid genoemde boetebedrag wordt opgelegd per overtreden voorwaarde zoals opgenomen in het desbetreffende domein.

3In afwijking van hetgeen onder het eerste lid is vermeld, geldt voor voorzieningen voor gastouderopvang, dat het boetebedrag zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht met 0.5 wordt vermenigvuldigd. Dit met uitzondering van de specifiek op gastouders betrekking hebbende boetebedragen.

Artikel 8 – Recidive/verzwaring

Bij de vaststelling van de boete wordt uitgegaan van:

a.1,5 maal het onder artikel 7 bepaalde boetebedrag indien een door een bestuurlijke boete te handhaven overtreding plaatsvindt binnen een periode van twee jaar nadat een eerdere overtreding van dezelfde wettelijk norm heeft plaatsgevonden waarvoor eveneens een bestuurlijke boete was opgelegd;

b.2 maal het onder artikel 7 bepaalde boetebedrag indien er sprake is van een derde of volgende overtreding van dezelfde wettelijke norm binnen een periode van twee jaar nadat de daaraan voorafgaande overtreding zich heeft voorgedaan waarvoor eveneens een bestuurlijke boete was opgelegd.

De totale bij boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meerdere tekortkomingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.

Artikel 9 – Matiging

1Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van:

a.de ernst van de overtreding;

b.de mate van verwijtbaarheid;

c.de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, of;

d.de omstandigheden waarin de overtreder verkeert, boeteoplegging volgens deze beleidsregels handhaving Wet kinderopvang onevenredig is.

2Van een situatie als bedoeld in het vorige lid kan in beginsel slechts sprake zijn, indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van deze Beleidsregels niet is voorzien.

Artikel 10 – Samenloop

De totale boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meerdere tekortkomingen, uit de som van de per overtreding berekend boetebedragen.

Hoofdstuk 4 Uitzonderingssituatie

Artikel 11 – Afwijking van hersteltermijnen

Van de hersteltermijnen in artikel 4, vierde lid, kan gemotiveerd worden afgeweken door het college.

Bijlage 2 - Toelichting

Algemene toelichting

Hoofdstuk 2 Herstellend traject

In een herstellend traject zijn verschillende stappen te onderscheiden:

Stap 1: aanwijzing(artikel 1.65, lid 1 , Wet kinderopvang)

Het college van burgemeester en wethouderhouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de artikelen 1.47 lid 1 en 1.49 tot en met 1.59 gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen’) niet of in onvoldoende mate naleeft, geeft de houder een schriftelijke aanwijzing.

1In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder binnen de gestelde termijn genomen dienen te worden. De duur van de hersteltermijn is voor alle tekortkomingen 6 weken, met uitzondering van de verklaring omtrent het gedrag. Hiervoor geldt een hersteltermijn van 2 weken.

2Na het verstrijken van de hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel aan de GGD opdracht geven voor een herinspectie. Is de overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap worden ingezet.

Stap 2: last onder dwangsom of last onder bestuursdwang (artikel 125, lid 2 Gemeentewet en artikel 5:32 Awb)

De algemene bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd in artikel 125 van de Gemeentewet. In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf de overtreding te beëindigen kan een last onder bestuursdwang opgelegd worden.

De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid; neergelegd in artikel 5:32 Awb.

1Een last onder dwangsom wordt opgelegd met als doel herstel van de overtreding en/of voorkoming van herhaling van de overtreding.

2Een last onder dwangsom kan meerdere keren worden opgelegd voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit. Ook kan besloten worden een volgende stap in het herstellend handhavingstraject te zetten.

3De last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd. Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden of om deze beëindigd te houden.

Een dwangsom kan worden opgelegd:

•Als bedrag ineens.

In dat geval wordt er na de begunstigingstermijn eenmalig beoordeeld of wel of niet aan de opgelegde last is voldaan en of de dwangsom dus wel of niet is verbeurt.

•Per constatering van een overtreding.

Hierbij wordt na de hersteltermijn de dwangsom verbeurt elke keer wanneer (door of namens de gemeente) geconstateerd wordt dat de houder de last overtreedt. Er wordt in dit geval wel een maximumbedrag aan gekoppeld, welke in het besluit is opgenomen.

•Per periode dat de last wordt overtreden.

Hierbij wordt na de hersteltermijn per in het besluit aangegeven periode beoordeelt of wel of niet aan de last is voldaan en of deze derhalve is verbeurt of niet. Ook deze vorm is aan een maximum bedrag verbonden. Deze wordt ook in het besluit genoemd. Deze vorm van de last onder dwangsom wordt bij zogenaamde voortdurende tekortkomingen opgelegd. Dat zijn tekortkomingen die onafgebroken gedurende een langere periode aanhouden, zoals dat bijvoorbeeld bij een beleidsdocument het geval kan zijn.

Het betalen van de dwangsom kan voorkomen worden door tijdig herstellen en hersteld houden van de overtreding.

De houder waaraan een last onder dwangsom is opgelegd, kan, indien een jaar nadat de last van kracht is geworden geen overtreding van de betreffende kwaliteitseis is geconstateerd, verzoeken om de last op te heffen.

Stap 3: exploitatieverbod (artikel 1.55 Wet kinderopvang)

Bij een exploitatieverbod verbiedt de gemeente de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen.

De gemeente kan een houder in de volgende gevallen een exploitatie verbod op leggen:

-Zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt (en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is);

-als een kindcentrum, gastouderbureau of gastouderopvang niet of niet langer aan de kwaliteitseisen voldoet.

Bij het exploitatieverbod stelt de gemeente een maximale termijn. Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. De gemeente kan de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeert de gemeente de houder of het verbod nog blijft gelden.

Indien bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie. De houder kan ook zelf verzoeken de gemeente de gegeven toestemming tot exploitatie in te trekken.

Stap 4: Intrekken van de beschikking met toestemming tot exploitatie en verwijderen van de registratie uit het landelijk register kinderopvang(artikel 1.47a, lid 2 Wet kinderopvang en artikel 8, lid 1a Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang)

In het kader van handhaving kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken en de registratie van een voorziening verwijderen uit het landelijk register kinderopvang. Dit kan het college in de volgende gevallen:

1indien is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert;

2indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 Wet kinderopvang gegeven voorschriften;

3indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de kinderopvangvoorziening niet daadwerkelijk is aangevangen.

Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.

Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het Landelijk Register Kinderopvang verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot niet gemelde opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.

De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).

Hoofdstuk 3 Bestraffend traject (bestuurlijke boete)

Een bestuurlijke boete bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een aanwijzing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod.

Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde maatregelen, een punitieve (bestraffende) sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij de boete is dat niet het geval.

Een boete kan door de gemeente worden opgelegd bij:

-Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving;

-Het niet opvolgen van een bevel of aanwijzing;

-Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder;

-Het starten van de exploitatie, voor de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie.

-Het niet tijdig melden van wijzigingen van de in het LRK geregistreerde gegevens;

-Het overtreden van een exploitatieverbod.

Hoogte van een boete en grootte van de organisatie

De Wet kinderopvang geeft de gemeente de bevoegdheid om voor een overtreding/ het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal €45.000. Voor de hoogte van boetes zijn in het afwegingsoverzicht normbedragen opgesteld.

Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. De gemeente hanteert daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:

1Grote organisaties: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

2Middelgrote organisaties: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

3Kleine organisaties: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

4Voorzieningen voor gastouderopvang.

Ad 1. Voor een grote organisatie geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel handhaving.

Ad 2. Voor een middelgrote organisatie is twee derde van het normbedrag de richtlijn.

Ad 3. Voor een kleine organisatie is dat één derde deel.

Ad 4. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niét voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.

Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.

Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk de ernst van het feit de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval, de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.

De gemeente kan de bestuurlijke boete verhogen wanneer hier aanleiding toe is. Hier is sprake van onder meer door recidive door:

-Herhaling van dezelfde overreding op dezelfde voorziening binnen drie jaar;

-Een overtreding binnen hetzelfde domein binnen twee jaar;

-Een overtreding van de kwaliteitseisen bij een van de vestigingen van dehouder binnen de gemeente binnen een periode van twee jaar.

Bijlage 3 - Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 2

De kwaliteitseisen waaraan bij of krachtens de Wet kinderopvang voldaan moet worden staan in de wet -en regelgeving. Een volledige opsomming is ook terug te vinden in de door de toezichthouder gebruikte modelrapporten.

Artikel 3

In dit artikel worden de vormen van handhaving benoemd. Een herstelsanctie is gericht o herstel van een overtreding en/of voorkoming van herhaling. Een bestraffende sanctie is gericht op bestraffen van een begane overtreding. In de Algemene wet bestuursrecht wordt ook wel gesproken over leedtoevoeging. Naast de bestraffende sanctie (i.c. een bestuurlijke boete) kan ook een herstelsanctie worden opgelegd.

Artikel 4

Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de Algemene toelichting op hoofdstuk 2 Herstellend traject.

Artikel 5

Indien een geregistreerde voorziening, te weten dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderbureau of gastouderopvang, niet meer voldoet aan de definitie hiervan in de Wet kinderopvang wordt de gegeven toestemming tot exploitatie door middel van een beschikking ingetrokken en wordt de registratie uit het landelijk register kinderopvang verwijderd. Dit, omdat uitsluitend kinderopvangvoorzieningen die aan de definitie voldoen worden geregistreerd en geëxploiteerd mogen worden. Er zal in dit geval geen herstellend handhavingstraject worden ingezet.

Artikel 6

1Het opleggen van een bestuurlijke boete is een bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college een bestuurlijke boete op kan leggen, maar daartoe niet verplicht is.

2De tekortkomingen van de kwaliteitseisen zijn geprioriteerd. In geval van tekortkomingen met een hoge prioriteit maakt het college eerder gebruik van zijn bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen dan bij tekortkomingen met een gemiddelde of lage prioriteit. Ook speelt bij de overweging tot het opleggen van een bestuurlijke boete mee, of de houder aantoonbaar inspanningen verricht om de overtreding op te heffen. Tot slot speelt een rol, welke tekortkomingen in het verleden zijn geconstateerd en in welke mate inspanningen zijn verricht om deze tekortkomingen op te lossen. Uit het afwegingsoverzicht blijkt, dat het college ook een bestuurlijke boete kan opleggen bij overtreding van een norm zoals genoemd onder ‘overige tekortkomingen. Deze overige tekortkomingen betreffen:

-het niet melden van wijzigingen als bedoeld in de artikelen 1.47 van de Wet kinderopvang,

-de verplichtingen op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht,

-het exploiteren in strijd met artikel 1.45 van de Wet kinderopvang

-het niet naleven van een aanwijzing of bevel als bedoeld in artikel 1.65 van de Wet kinderopvang en het niet nakomen, dan wel in strijd handelen met een verbod krachtens artikel 1.66 van Wet kinderopvang.

Artikel 7

1In de Wet kinderopvang is het maximaal op te leggen boetebedrag aangegeven. Het college heeft derhalve beleidsvrijheid te aanzien van de hoogte van het op te leggen boetebedrag naar aanleiding van een specifieke overtreding.

Voor overtreding van de kwaliteitseisen geldt dat het college de hoogte van de boetebedragen heeft afgestemd op de prioritering van de overtreding. Een hoge prioritering betekent dat er ook in algemene zin sprake is van een ernstige overtreding, terwijl aan minder ernstige tekortkomingen een lage(re) prioritering (gemiddeld of laag) is toegekend.

Mede gelet op het in artikel 1.72 van de Wet kinderopvang neergelegde boetemaximum heeft dit geleid tot de volgende verdeling

Prioritering

Boetebedrag

Hoog

€ 1.000,- tot€ 8.000,-

Gemiddeld

€ 750,- tot € 3.000,-

Laag

Maximaal tot € 1.500,-

Uitzonderingen hierop zijn:

-In geval van overtreding van de artikelen 1.66, en 1.45 Wet kinderopvang is sprake van economische delicten, gesanctioneerd in de Wet op de Economische Delicten. In artikel 1 en 6 van deze wet is bepaald dat deze tekortkomingen beboet worden met een boete van de vierde categorie. De boetebedragen in onderhavig beleid komen hiermee overeen.

-Overtreding van artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht is een strafbaar feit, strafbaar gesteld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht: “Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van de ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrijft, belet, belemmert of verijdelt wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”. Het boetebedrag voor deze overtreding, komt overeen met het in het Wetboek van Strafrecht genoemde bedrag voor tekortkomingen van de tweede categorie.

2Gezien het bijzondere karakter van de voorziening voor gastouderopvang is ervoor gekozen de hoogte van de op te leggen boete met de helft te verlagen. Dit geldt niet wanneer het een kwaliteitseisen is die specifiek alleen aan de gastouder wordt gesteld. In dat geval is de boete al op deze situatie afgestemd.

Het voorgaande laat onverlet dat het college op rond van artikel 5:46, tweede lid, van de algemeen wet bestuursrecht gehouden is de hoogte van de bestuurlijke boete af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten waarbij hetcollege zo nodig rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het college heeft door middel van de prioritering en de aansluiting op de betreffende strafrechtelijke overtredingen de ernst van de tekortkomingen geobjectiveerd.

Artikel 8 Recidive/verzwaring

1Bij recidive treedt strafverzwaring op. Dit artikel bepaalt de hoogte van de strafverzwaring. In het geval de overtreder de afgelopen twee jaar al eerder is beboet voor eenzelfde overtreding verhoogt het college de boete met 50%.

Daarbij is irrelevant of de in het verleden gepleegde overtreding(en) al dan niet betrekking hadden op hetzelfde kindercentrum, gastouderbureau of gastouderopvang waarvoor de nieuwe boete wordt opgelegd. Bepalend is of de overtreder als houder al eerder een boete is opgelegd.

2Iedere volgende overtreding binnen de periode van twee jaar wordt bestraft met een boete van 2 (twee) maal het in het afwegingvoerzicht opgenomen boetebedrag.

Artikel 9 Matiging

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 10 Samenloop

Dit artikel spreekt voor zicht.

Artikel 11 Afwijking van hersteltermijnen

Van de hersteltermijnen, zoals genoemd in artikel4, vijfde lid, van de Beleidsregels kan worden afgeweken. Indien de houder wel zichtbaar inspanningen pleegt om de overtreding(en) op te heffen maar hier, door niet hem te wijten externe omstandigheden, meer tijd voor nodig heeft, kan de termijn worden verbreed. Hier kan in beginsel slechts sprake van zijn in bijzondere omstandigheden.

Bijlage 4 – Begripsomschrijvingen

In dit beleid wordt verstaan onder:

o Awb: Algemene wet bestuursrecht;

o Besluit go: Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;

o Besluit ko: Besluit kwaliteit kinderopvang;

o Besluit registers: Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang;

o Besluit ve: Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

o gob: gastouderbureau;

o houder: degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert;

o lvhO: Inspectie voor het Onderwijs

o kindercentrum:

•bso: kindercentrum voor buitenschoolse opvang;

•kdv: kindercentrum voor dagopvang (kinderdagverblijf)

o lrk: landelijk register kinderopvang;

o onverwijld: maximaal 4 weken bij een wijziging als bedoeld in artikel 1.47, lid 1, Wko;

o prk: personenregister kinderopvang;

o Regeling ehbo: Regeling aanwijzing geregistreerde certificaten voor kinderopvang inzake met goed […] afgesloten onderricht verlenen van eerste hulp aan kinderen;

o Regeling go: Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;

o Regeling Wko: Regeling Wet kinderopvang;

o Tekortkoming(en): Overtreding(en);

o ve: voorschoolse educatie;

o vgo: voorziening voor gastouderopvang;

o vog: verklaring omtrent het gedrag;

o Wko: Wet kinderopvang.

Bijlage 5 - Afwegingsoverzicht

Overtreding (tekortkoming)

Artikel

Prioriteit

Boetebedrag

KINDERCENTRA (kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang)

Registratie

Een kindercentrum is in exploitatie zonder dat uit onderzoek is gebleken dat dit zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen.

Wko 1.45, lid 3 (dag,bso)

Hoog

€ 20.750

Wijzigingen

De houder doet van een wijziging in aangewezen gegevens niet onverwijld mededeling aan het college.

Wko 1.47, lid 1 (dag, bso)

Besluit lrk 7, lid 2 en 5,

lid 1 en 2 (dag, bso)

Hoog

€ 1.000

Administratie

Kinderopvang geschiedt niet op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Wko 1.52, lid bso)

1(dag,

Gemiddeld

€ 500

per overeenkomst

De administratie is niet zodanig ingericht dat op verzoek tijdig gegevens kunnen worden verstrekt.

Regeling Wko 11, lid 1 (dag, bso)

Hoog

€ 8.000

De administratie is niet compleet.

Regeling Wko 11, lid 2 (dag, bso)

Hoog

€ 500

per onderdeel

Pedagogisch klimaat / praktijk

Het kindercentrum beschikt niet over een pedagogisch beleidsplan.

De houder draagt er geen zorg voor dat conform het plan wordt gehandeld.

De houder geeft geen uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat ve betreft.

Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 3, lid 1 (dag),12, lid 1 (bso)

Besluit ve 4a, lid 2 (ve)

Hoog

Hoog

€ 3.000

€ 2.000

Het pedagogisch beleidsplan is niet compleet.

Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 3, lid 2 en 3 (dag), 12, lid 2 en 3 (bso)

Besluit ve 4a, lid 1 (ve)

Gemiddeld

€ 500

per onderdeel

De houder evalueert het pedagogisch beleidsplan niet jaarlijks en stelt deze niet zo nodig bij.

Besluit ve 4a, lid 2 (ve)

Gemiddeld

€2.000

De houder draagt geen zorg voor verantwoorde kinderopvang.

Wko 1.49, lid 1 en 1.50, lid 1 (dag, bso)

Hoog

€ 10.000

De houder houdt geen rekening met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden.

Besluit ko 2 (dag),11 (bso)

Voorschoolse educatie

Voorschoolse educatie omvat minder dan 10 uur per week.

Besluit ve 2 (ve)

Hoog

€ 2.000

Voor de voorschoolse educatie wordt geen programma gebruikt.

Besluit ve 5 (ve)

Hoog

€ 3.000

Personeel en groepen/ Opleidingseisen en eisen aan de inzetvan beroepskrachten in opleiding stagiaires

Een vog-plichtige:

-is niet in het bezit van een geldige vog; of

voor zover het natuurlijke personen betreft

-is niet ingeschreven in het prk; of

-is niet gekoppeld aan de houder in het prk.

Een persoon die niet voldoet aan de vog/prk-eisen heeft zijn werkzaamheden aangevangen.

Wko 1.50, lid 3 en 4 en

1.48d, lid 2 en 3 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

per persoon

De houder overlegt niet (tijdig) opnieuw zijn geldige vog, op verzoek van de toezichthouder.

Wko 1.50, lid bso) 6 (dag, bso)

Hoog

€3.000

De houder verlangt niet dat een vog-plichtige (tijdig) opnieuw zijn geldige vog overlegt.

Wko 1.50, lid bso) 7 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

De houder overlegt niet (tijdig) de geldige vog van een persoon van 12 jaar of ouder, op verzoek van de toezichthouder.

Wko 1.50, lid 8 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

Een beroepskracht of een pedagogisch beleidsmedewerker beschikt niet over een passende opleiding.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 6, lid 1 en 3 (dag), 15, lid 1 en 3 (bso)

Regeling Wko 7, lid 1 en 2 (dag),9a, lid 1 en 3 (bso)

Hoog

€ 3.000

Een beroepskracht meertalige bso beschikt niet over:

-een passende opleiding; of

-beheerst niet aantoonbaar ten minste niveau B2 voor gesprekken voeren, lezen, luisteren en spreken vande Duitse, Engelse of Franse taal.

Besluit ve 4, lid 1, 2, 3 en 3a (ve)

Regeling Wko 10c (ve)

Hoog

€3.000

Een beroepskracht ve:

-beschikt niet overeen passende opleiding; of

-beheerst niet aantoonbaar ten minste niveau 3F voor mondelinge taalvaardigheid en lezen.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 7, lid 8 (dag), 16, lid 7 (bso)

Hoog

€3.000

De inzet van een beroepskracht in opleiding of stagiair geschiedt niet overeenkomstig de cao.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 7, lid 8 (dag),

16, lid 7 (bso)

Hoog

Hoog

€ 1.000

€3.000

Meer dan 1/3 van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op het kindercentrum bestaat uit beroepskrachten in opleiding of stagiairs.

Bij de inzet van een beroepskracht in opleiding of stagiair is geen rekening gehouden met de opleidingsfase.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 7, lid 8 (dag), 16, lid 7 (bso)

Hoog

€3.000

De houder stelt niet jaarlijks voor elke locatie een opleidingsplan vast.

De houder geeft geen uitvoering aan het plan.

Het plan is niet compleet.

De houder evalueert het plan niet jaarlijks en stelt deze niet zo nodig bij.

Besluit ve 4, lid 4 (ve)

Gemiddeld

Gemiddeld

€ 1.000

€ 500

per onderdeel

Aantal beroepskrachten

De beroepskracht-kindratio wordt niet nageleefd.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 7, lid 1, 2, 4

en 7 (dag),16, lid 1, 2

en 4 (bso)

Besluit ve 3, lid1 (ve)

Hoog

€ 5.000 (dag)

€ 2.500 (bso)

De houder informeert ouders niet over de tijden waaropwel en niet wordt afgeweken van de beroepskracht-kindratio.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 3, lid 4 (dag),

12,lid 4 (bso)

Gemiddeld

€ 500

Er is geen volwassene beschikbaar in geval van een calamiteit.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Hoog

Hoog

De houder informeert zijn personeel niet over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.

Besluit ko 7, lid 5 (dag),

16,lid 5 (bso)

Er is ter ondersteuning van de beroepskracht niet ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 7, lid 5 (dag),

16, lid 5 (bso)

Hoog

Hoog

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

De houder heeft het minimaal aantal uren waarvoor hij jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers inzet, niet afgestemd op het aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal kindercentra dat hij exploiteert.

Wko 1.50, lid 1

Besluit ko 8, lid 1 en 2

(dag), 17, lid 1 en 2 (bso)

Hoog

€ 2.000

De houder bepaalt de wijze waarop hij de uren (waarvoor hij pedagogisch beleidsmedewerkers inzet) verdeelt over zijn kindercentra, niet jaarlijks.

Wko 1.50, lid 1

Besluit ko 8, lid 1 en 2

(dag), 17, lid 1 en 2 (bso)

Hoog

€ 2.000

De houder legt de verdeling niet schriftelijk vast.

De verdeling van de uren is niet zodanig dat iedere beroepskracht jaarlijks coaching ontvangt.

Stabiliteit van de opvangvoor kinderen

De opvang vindt niet plaats in stam- of basisgroepen.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Hoog

€ 4.000 (dag)

€ 2.000 (bso)

Een kind wordt opgevangen in meer dan éénstamgroep.

Besluit ko 9, lid 1 (dag),

18, lid 1 (bso)

De maximale (ve) groepsgrootte wordt overschreden.

Besluit ve 3, lid 2 (ve)

€ 3.000

De houder informeert de ouders en het kind niet over de stamgroep en de toegewezen beroepskrachten.

Wko 1.50, lid 1 (dag)

Besluit ko 9, lid 4 (dag)

.

Gemiddeld

€ 1.000

Aan een kind zijn teveel vaste beroepskrachten toegewezen.

Wko 1.50, lid 1 (dag)

Besluit ko 9, lid 4 (dag)

Hoog

€ 3.000

Van een kind is geen vaste beroepskracht werkzaam op de stamgroep.

Een kind maaktgedurende de week gebruik van meer dan twee verschillende stamgroepruimtes.

Wko 1.50, lid 1 (dag)

Besluit ko 9, lid 6 (dag)

Gemiddeld

€ 2.000

Een kind maaktgedurende de week gebruik van meer dan twee verschillende stamgroepruimtes.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 9, lid 11

(dag), 18, lid 5 (bso)

Gemiddeld

Gemiddeld

€ 1.000

€ 500

Gebruik van de voorgeschreven taal

De Nederlandse taal wordt niet als voertaal gebruikt.

Wko 1.55, lid 1 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

De houder heeft geen gedragscode vastgesteld of hier wordt niet naar gehandeld.

Wko 1.55, lid 2 dag, bso)

Hoog

€ 2.000

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

De houder heeft geen veiligheids- en gezondheidsbeleid.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

De houder draagt er geen zorg voor dat conform het beleid wordt gehandeld.

Besluit ko 4, lid 1 (dag),

13, lid 1 (bso)

Hoog

€ 2.000

De houder heeft het beleid niet schriftelijk vastgelegd.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

De houder houdt het beleid niet actueel.

Besluit ko 4, lid 2 (dag),

13,lid 2 (bso)

Hoog

€ 2.000

Het beleid is niet compleet.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 4, lid 3, 4

(dag), 13, lid 3 (bso)

Gemiddeld

€ 50

per onderdeel

Er is niet te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.

Wko 1.50,lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 4, lid 5 (dag),

13, lid 4 (bso)

Regeling Wko 8 (dag), 9b (bso)

Regeling ehbo1 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

De houder heeft voor het personeel geen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld.

In de meldcode is niet stapsgewijs aangegeven hoe met signalen wordt omgegaan.

De meldcode draagt niet bij aan het zo snel en adequaat mogelijk bieden van hulp.

Wko1.51a, lid 1 (dag, bso)

Hoog

€3.000

De meldcode is niet compleet.

Wko 1.51a, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 5, lid 1 en 2

(dag), 14, lid 1 en 2 (bso)

Hoog

€ 500

peronderdeel

De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode niet.

Wko 1.51a, lid 4 (dag, bso)

Hoog

€ 2.000

De houder treedt niet, nadat hem bekend is geworden dat een personeelslid zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijfof mishandeling jegens een opvangkind, onverwijld in overleg met een aangewezen deskundige.

Wko 1.51b, lid 1 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

De houder doet niet onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar, nadat uit het overleg met de deskundige is geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling.

De houder stelt de deskundige niet onverwijld in kennis van de aangifte.

Wko 1.51b, lid 2 (dag, bso)

Hoog

€ 3.000

De houder bevordert de kennis en het gebruik van de handelswijze met betrekking tot misdrijven niet.

Wko 1.51b, lid 5

en1.51c, lid 3 (dag,bso)

Hoog

€2.000

Accommodatie

De binnen- of buitenruimtes zijn niet:

-veilig;

-toegankelijk;

-passend ingericht.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 10,lid 1

(dag), 19, lid 1 (bso)

Hoog

€ 3.000

Een stamgroep beschikt niet over een afzonderlijke vaste stamgroepruimte.

Per aanwezig kind is niet ten minste 3,5 m2 binnenspeelruimte beschikbaar.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 10, lid 2

(dag), 19, lid 2 (bso)

Hoog Hoog

Hoog Hoog

Per aanwezig kind is niet ten minste 3m2 vaste buitenspeelruimte beschikbaar.

De buitenspeelruimte is niet aangrenzend (dag).

De buitenspeelruimte is niet in de directe nabijheid van het kindercentrum en veilig bereikbaar (bso).

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 10,lid 3

(dag), 19, lid 3 (bso)

Hoog Gemiddeld

€ 2.000

€1.000

Het kindercentrum beschikt niet over een afzonderlijke slaapruimte.

Wko1.50, lid 1 (dag, bso)

Besluit ko 10, lid 4 (dag)

Hoog

Hoog

Ouderrecht

De houder informeert de ouders en een ieder die daar om verzoekt niet over het te voeren beleid als bedoeld in paragraaf 2 ‘Eisen’ van de Wko.

Wko 1.54, lid 1 (dag, bso)

Gemiddeld

€ 1.000

De houder informeert ouders en personeel niet (juist) over het inspectierapport.

Wko 1.54, lid 2 en 3 (dag, bso)

Gemiddeld

€1.000

Oudercommissie

Er is geen oudercommissie ingesteld.

De houder spant zich niet voldoende in om een oudercommissie in te stellen.

Wko1.58, lid 1 en 2 (dag, bso)

Gemiddeld

€ 1.000

De houder betrekt ouders niet voldoende.

De houder biedt ouders niet de gelegenheid om deel te nemen aan een oudercommissie.

Wko 1.58, lid 1 en 2 (dag, bso)

Gemiddeld

€1.000

De oudercommissie voldoet niet aan de eisen.

Wko1.58, lid 4, 5 en 6 (dag, bso)

Gemiddeld

€1.000

De houder heeft geen reglement oudercommissie vastgesteld.

Wko1.59, lid 1 (dag, bso)

Gemiddeld

€ 500

Het reglement voldoet niet aan de eisen.

Wko 1.59, lid 2, 3, 4 en

5(dag, bso)

Laag

€ 500

Klachten en geschillen

De houder treft voor bepaalde zaken geen klachtenregeling voor ouders.

Wko 1.57b, lid 1 (dag, bso)

€ 1.000

De klachtenregeling is niet schriftelijk vastgelegd.

De klachtenregeling is niet compleet.

Wko1.57b, lid 2 (dag, bso)

€ 1.000

€ 500

per onderdeel

De houder brengt de klachtenregeling of wijzigingen hiervan niet onder de aandacht van ouders.

De houder handelt niet overeenkomstig de klachtenregeling.

Wko 1.57b,lid 3 (dag, bso)

€ 1.000

De houder draagt geen zorg voor een jaarlijks klachtenverslag.

Het klachtenverslag is niet compleet.

Wko1.57b, lid 4 (dag, bso)

Regeling Wko 11h (dag, bso)

Laag

€500

Het klachtenverslag voldoet niet aan de eisen.

Wko 1.57b,lid 5 en 6 (dag, bso)

Laag

€ 500

De houder zendt het klachtenverslag niet tijdig aan de toezichthouder en brengt het niet gelijktijdig (juist) onder de aandacht van de ouders.

Wko1.65, lid 5 (dag, bso)

Awb5:20 (dag, bso)

Laag

€ 500

De houder is niet aangesloten bij een erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen.

Wko 1.57c, lid 1 (dag, bso)

€ 1.000

De houder brengt de geschillencommissie niet (juist) onder de aandacht van ouders.

Wko 1.57c, lid 2 (dag, bso)

€1.000

Overig

De houder komt een:

-aanwijzing;

-bevel;

-vordering tot medewerking;

niet na.

Wko1.65, lid 5 (dag, bso)

Awb 5:20 (dag, bso)

Hoog

€ 4.150

De houder exploiteert een kindercentrum, ondanks een verbod hiertoe.

Wko 1.66 (dag,bso)

Hoog

€ 20.750

Overtreding (tekortkoming)

Artikel

Prioriteit

Boetebedrag

GASTOUDERBUREAU EN VOORZIENINGEN VOOR GASTOUDEROPVANG

Registratie

Een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang is in exploitatie zonder dat uit onderzoek is gebleken dat dit zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen.

Wko1.45, lid 3 (gob, vgo)

Hoog

€ 20.750

Wijzigingen

De houder doet van een wijziging in aangewezen gegevens niet onverwijld mededeling aan het college.

Wko 1.56,lid 4 (gob) Regeling Wko 11b en 11e (gob)

Hoog

€ 1.000

Administratie

Kinderopvang geschiedt niet op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Regeling Wko 11, lid 1 (gob)

Gemiddeld

€ 500

per overeenkomst

De administratie is niet zodanig ingericht dat op verzoek tijdig gegevens kunnen worden verstrekt.

Regeling Wko 11, lid 1 (gob)

Hoog

€ 8.000

De administratie is niet zodanig ingericht dat op verzoek tijdig gegevens kunnen worden verstrekt.

Regeling Wko 11, lid 2

en 3 (gob)

Besluit go 7, lid 4 (gob)

Hoog

€ 500

per onderdeel

Pedagogisch beleid/ praktijk

De houder stelt geen pedagogisch beleidsplan vast.

Wko 1.56, lid 1 (gob)

Besluit go 11, lid 1 (gob)

Hoog

€ 3.000

Het pedagogisch beleidsplan is niet compleet.

Wko 1.56, lid 1 (gob)

Besluit go 11, lid 1 (gob)

Gemiddeld

€ 500

per onderdeel

De houder informeert de vraagouder niet over de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.

Regeling go 12a, lid 2 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

De gastouder handelt niet overeenkomstig het pedagogisch beleidsplan.

Wko1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 16 (vgo)

Hoog

€2.000

De houder draagt geen zorg voor het tot stand brengen en begeleiden van verantwoorde gastouderopvang.

Wko 1.49, lid 3 en 1.56b, lid 1 (vgo)

Hoog

€ 10.000

De gastouder biedt geen verantwoorde gastouderopvang.

Wko 1.49,lid 3 en 1.56b, lid 1 (vgo)

Hoog

€1.000

Personeel en eisen aan gastouder

Een vog-plichtige:

-is niet in het bezit van een geldige vog; of voor zover het natuurlijke personen betreft

-is niet ingeschreven in het prk; of

-is niet gekoppeld aan de houder in het prk.

Een persoon die niet voldoet aan de vog/prk-eisen heeft zijn werkzaamheden aangevangen.

Wko 1.56, lid 3 en 1,50,

lid 3 en 4 (gob), 1.56b, lid 3 (vgo) en 1.48d, lid 2(gob, vgo) en 3(gob)

Hoog

€ 3.000

per persoon

De houder overlegt niet (tijdig) opnieuw zijngeldige vog, op verzoek van de toezichthouder.

Wko 1.56,lid 3 en1.50, lid 8 (gob) en 1.56b, lid 7 (vgo)

Hoog

€ 3.000

De houder verlangt niet dat een vog-plichtige (tijdig) opnieuw zijn geldige vog overlegt.

Wko 1.56,lid 3 en1.50, lid 8 (gob) en 1.56b, lid 7 (vgo)

Hoog

€ 3.000

De houder verlangt niet dat een vog-plichtige (tijdig) opnieuw zijn geldige vog overlegt.

Wko 1.56,lid 3 en1.50, lid 8 (gob) en 1.56b, lid 7 (vgo)

Hoog

€ 3.000

Deskundigheid gastouder

De gastouder beschikt niet over een passende beroepskwalificatie.

Wko 1.56, lid 1 (gob) en 1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 13, lid 1 onder a en 2 (vgo) Regeling Wko 10, lid 1

en 2, 10a,lid 1 en 2, 10b, lid 1 en 2(vgo)

Hoog

€ 3.000

De gastouder is niet in het bezit van een geldige kwalificatie voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.

Wko 1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 13, lid 1 onder b en 3 (vgo) Regeling Wko 10d (vgo) Regeling ehbo 1 (vgo)

Hoog

€ 3.000

Gebruik van de voorgeschreven voertaal

De Nederlandse taal wordt niet als voertaal gebruikt.

Wko 1.55, lid 1 (vgo)

Hoog

€ 300

De Nederlandse taal wordt niet als voertaal gebruikt.

Wko1.55, lid 1 (vgo)

Hoog

€2.000

Eisen aan ruimtes

Het opvangadres beschikt niet over voldoende speelruimte.

Wko1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 15, lid 1 (vgo)

Regeling go 14, lid 1 onder a (vgo)

Hoog

€ 300

De voorziening voor gastouderopvang beschikt niet over voldoende buitenspeelmogelijkheden.

Wko 1.56b,lid 1 (vgo) Besluit go 15, lid 1 (vgo)

Regeling go 14, lid 1 onder b (vgo)

Hoog

€300

De binnen-of buitenruimtes zijn niet:

-veilig;

-toegankelijk;

-passend ingericht.

Wko1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 15, lid 1 (vgo)

Hoog

€ 300

De voorziening voor gastouderopvang is niet voorzien van rookmelders die voldoen aan de eisen.

Wko 1.56b, lid 1 (vgo) Regeling go 14, lid 1 onder c (vgo)

Hoog

€ 200

De voorziening voor gastouderopvang is niet altijd rookvrij.

Wko 1.56b, lid 1 (vgo) Regeling go 14, lid 1 onder d (vgo)

Hoog

€ 200

Het opvangadres beschikt niet over voldoende (afzonderlijke) slaapruimte.

Wko1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 15, lid 1 (vgo)

Regeling go 14, lid 1 onder a (vgo)

Hoog

€ 300

De eisen aan ruimtes waar gastouderopvang plaatsvindt, worden niet jaarlijks door de houder getoetst op naleving tijdens een bezoek aan de voorziening voor gastouderopvang.

Wko 1.56,lid 1 (gob)

Regeling go 14, lid 2 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

per vgo

Groepssamenstelling

De maximale groepsgrootte wordt niet afgestemd op de leeftijd van de opvangkinderen.

Bij een gastouder worden meer dan 6 kinderen gelijktijdig opgevangen.

Wko1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 14, lid 1 (vgo)

Regeling go 13, lid 1 (vgo)

Hoog

€ 300

De houder draagt er geen zorg voor dat per voorziening voor gastouderopvang wordt beoordeeld of de samenstelling van de groep opvangkinderen verantwoord is.

Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11b, lid 1 (gob)

Hoog

€ 3.000

Veiligheid en gezondheid

De houder voert geen beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de door de gastouder op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd.

De houder legt niet in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich brengt.

Wko 1.51(gob)

Besluit go 7, lid 1 (gob)

Hoog

€3.000

De houder inventariseert niet samen met de gastouder jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes met zich brengt.

De houder draagt er geen zorg voor dat daartoe elk opvangadres ten minste een keer per jaar wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het gastouderbureau.

Wko1.51 (gob)

Besluit go 7, lid 2 (gob)

Hoog

€2.000

De risico-inventarisatie is niet compleet.

Wko 1.51 (gob)

Besluit go 7, lid 3 en 5 (gob)

Regeling go 11, lid 1, 3 en 4 (gob, vgo)

Gemiddeld

€ 500

per onderdeel

De gastouder neemt de risico-inventarisatie niet in acht.

Wko 1.51 (gob)

Besluit go 7, lid 3 en 5 (gob)

Regeling go 11, lid 1, 3 en 4 (gob, vgo)

Hoog

€ 200

De risico-inventarisatie is niet inzichtelijk voor vraagouders.

Besluit go 7, lid 3 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

Er is geen ondertekend origineel van de risico- inventarisatie bij de voorziening voor gastouderopvang aanwezig.

Besluit go 12, lid 1 (vgo)

Regeling go 11, lid 1 (vgo)

Gemiddeld

€ 100

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

De houder heeft voor de gastouders geen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld.

In de meldcode is niet stapsgewijs aangegeven hoe met signalen wordt omgegaan.

De meldcode draagt niet bij aan het zo snel en adequaat mogelijk bieden van hulp.

Wko1.51a, lid 1 (gob)

Hoog

€ 3.000

De meldcode is niet compleet.

Wko1.51a, lid 4 (gob)

Gemiddeld

€ 500

per onderdeel

De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode niet.

Wko1.51b, lid 1 (gob)

Hoog

€ 2.000

De houder treedt niet, nadat hem bekend is geworden dat:

-een personeelslid; of

-een gastouder; of

-een meerderjarige als bedoeld in artikel 1.56b, lid 3, Wko

zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling jegens een opvangkind, onverwijld in overleg met een aangewezen deskundige.

Hoog

€ 3.000

De houder doet niet onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar, nadat uit het overleg met de deskundige is geconcludeerd dat sprake is van eenredelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling.

De houder stelt de deskundige niet onverwijld in kennis van de aangifte.

Wko 1.51b, lid 2 (gob)

Hoog

€ 3.000

De gastouder treedt niet, nadat hem bekend is geworden dat de houder (een natuurlijk persoon) zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijfof mishandeling jegens een opvangkind, onverwijld in overlegmet een aangewezen deskundige.

Wko 1.51c, lid 1 (vgo)

Hoog

€ 300

De gastouder doet niet onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar nadat uit het overleg met de deskundige is geconcludeerd dat sprake is van een vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling.

Wko 1.51c, lid 2 (vgo)

Hoog

€ 300

De houder bevordert de kennis en hetgebruik van de handelswijze met betrekking tot misdrijven niet.

Wko 1.51b, lid 5 en1.51c, lid 3 (gob)

Hoog

€2.000

De gastouder leeft de meldcode niet na.

Wko 1.56b, lid 1 (vgo)

Hoog

€ 200

Bereikbaarheid gastouder en achterwacht

De gastouder is telefonisch niet goed bereikbaar.

Wko 1.56b,lid 1 (vgo) Besluit go 12, lid 2 (vgo)

Gemiddeld

€100

De gastouder zorgt niet voor een adequate vervanging bij calamiteiten.

Wko1.56b, lid 1 (vgo) Besluit go 12, lid 2 (vgo)

Regeling go 12 (vgo)

Hoog

€ 200

Informatie

De houder informeert de ouders en een ieder die daar om verzoekt niet over het te voeren beleid als bedoeld in paragraaf 2 ‘Eisen’ van de Wko.

Wko 1.54a, lid 1 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

De houder informeert ouders, personeel en gastouders niet (juist) over het inspectierapport inzake zijn gastouderbureau of een aangesloten voorziening voor gastouderopvang.

Wko1.54a, lid 2 en 3 (gob)

Gemiddeld

Gemiddeld

Oudercommissie

Er is geen oudercommissie ingesteld.

De houder spant zich niet voldoende in om een oudercommissie in te stellen.

Wko1.58, lid 1 en 2 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

De houder betrekt ouders niet voldoende.

De houder biedt oudersniet de gelegenheid om deel te nemen aan een oudercommissie.

Wko 1.58, lid 3 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

De oudercommissie voldoet niet aan de eisen.

Wko 1.58, lid 4, 5 en 6 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

De oudercommissie voldoet niet aan de eisen.

Wko 1.59, lid 1 (gob)

Gemiddeld

€ 500

Het reglement voldoet niet aan de eisen.

Wko 1.59, lid 2, 3, 4 en

5(gob)

Laag

€ 500

Klachten en geschillen

De houder treft voor bepaalde zaken geen klachtenregeling voor ouders.

Wko 1.57b, lid 1 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

De klachtenregeling is niet schriftelijk vastgelegd.

De klachtenregeling is niet compleet.

Wko 1.57b, lid 2 (gob)

Gemiddeld

Gemiddeld

€ 1.000

€ 500

per onderdeel

De houder brengt de klachtenregeling of wijzigingen hiervan niet onder de aandacht van ouders.

De houder handelt niet overeenkomstig de klachtenregeling.

Wko1.57b, lid 3 (gob)

Gemiddeld

€1.000

De houder draagt geen zorg voor een jaarlijks klachtenverslag.

Het klachtenverslag is niet compleet.

Wko 1.57b, lid 4 (gob) Regeling Wko 11h (gob)

Laag

€ 500

Het klachtenverslag voldoet niet aan de eisen.

Wko 1.57b,lid 5 en 6 (gob)

Laag

€ 500

De houder zendt het klachtenverslag niet tijdig aan de toezichthouder en brengt het niet gelijktijdig (juist) onder de aandacht van de ouders.

Wko 1.57b, lid 8 (gob)

Laag

€ 500

De houder is niet aangesloten bij een erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen.

Wko 1.57c, lid 1 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

De houder brengt de geschillencommissie niet (juist)onder de aandacht van ouders.

Wko1.57c, lid 2 (gob)

Gemiddeld

€1.000

Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht

De houder draagt geen zorg voor het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders.

Wko 1.49, lid 4 onder b (gob)

Hoog

€ 1.000

per vgo

De houderdraagt er geen zorg voor dat de volgende gesprekken plaatsvinden:

-intakegesprek met de gast- en vraagouder;

-koppelingsgesprek met gast- en vraagouder;

-voortgangsgesprek met de gastouder.

De gesprekken vinden niet plaats bij de voorziening voor gastouderopvang.

De gesprekken wordenniet gevoerd door een bemiddelingsmedewerker.

Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11a, lid 1 onder a, b, c, d en lid 2 (gob)

Hoog

€ 1.000

per gesprek

De houder draagt er geen zorg voor dat de gastouderopvang jaarlijks mondeling met de vraagouders wordt geëvalueerd.

De evaluatie wordt niet schriftelijk vastgelegd.

Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11a, lid 1 onder e (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

per vgo

De houder draagt er geen zorg voor dat een bemiddelingsmedewerker in ieder geval twee maal per jaar de adressen bezoekt waar opvang door de gastouder plaatsvindt.

Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11a, lid 1 onder f (gob)

Hoog

€ 1.000

per vgo

De houder maakt geen gebruik van het Burgerservicenummer van de ouder.

Wko1.56a (gob)

Laag

€500

per ouder

De houder draagt er geen zorg voor dat per gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling.

Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11b, lid 2 (gob)

Hoog

€ 3.000

per vgo

De houder draagt er geen zorg voor dat het gastouderbureau goed bereikbaar is voor de vraagouder en de gastouder en verstrekt hen hierover geen informatie.

Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11b, lid 3 (gob)

Gemiddeld

€ 1.000

Overtreding

De houder of gastouder komt een:

-aanwijzing;

-bevel;

-vordering tot medewerking; niet na.

Wko1.65, lid 5 (gob, vgo)

Awb 5:20 (gob, vgo)

Hoog

Hoog

De houder of gastouder exploiteert een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang, ondanks een verbod hiertoe.

Wko 1.66 (gob, vgo)

Hoog

€ 20.750

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.