Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren;
gelet op de bepalingen in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 van de Participatiewet;
b e s l u i t :
vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand Someren 2021
Hoofdstuk 1. Algemeen
1.1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijving
1Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.
2Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.de wet: de Participatiewet;
b.het college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Someren.;
c.Bijzondere bijstand: bijstand op grond artikel 35 van de Participatiewet;
d.Norm: de bijstandsnorm als bedoeld in de Participatiewet, zonder toepassing van de kostendelersnorm artikel 19a en 22a van de wet.
e.Nibudlijst: lijst van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting met de normeringen van kostensoorten bijzondere bijstand.
f.Experimentele behandeling: Een medische behandeling waarvan onvoldoende wetenschappelijk bewijs van goede kwaliteit voorhanden is, waaruit blijkt dat de behandeling veilig en effectief is.
g.Alfabetische lijst met afkortingen
i.ANWB: Algemene Nederlands Wielrijdersbond
ii.Anw: Algemene Nabestaandewet
iii.AOW: Algemene Ouderdomswet
iv.Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen
v.CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek
vi.CPI: consumentenprijsindexcijfer
vii.GMD: Gemeenschappelijk Medische Dienst.
viii.IOAW: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers
ix.IOAZ: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen
x.IOW: Inkomensvoorziening Oudere Werklozen
xi.Msnp: minnelijke schuldsaneringsregeling
xii.PW: Participatiewet
xiii.VEH: Vereniging Eigen Huis
xiv.Vtlb: Vrij te laten bedrag in het kader van een schuldregeling Msnp of Wsnp
xv.Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning Jonggehandicapten
xvi.WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
xvii.WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
xviii.Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
xix.WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
xx.Wsnp: wettelijke schuldsaneringsregeling
Artikel 2 Normering en indexering
1Voor de berekening van de (meer)kosten wordt uitgegaan van de Nibudlijst, tenzij anders aangegeven.
2Als de Nibudlijst geen uitsluitsel geeft dan wordt de GMD lijst gehanteerd.
3Voor de bedragen die niet automatisch geïndexeerd worden, geldt dat ze jaarlijks met ingang van 1 januari worden geïndexeerd met het gemiddelde CPI dat door het CBS jaarlijks wordt vastgesteld.
1.2 Recht op bijzondere bijstand
Artikel 3 B062 - Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand
1Bijzondere bijstand kan worden aangevraagd tot 6 maanden nadat de kosten zijn opgekomen.
2In afwijking van het eerste lid geldt dit niet voor:
a.duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten;
b.verhuiskosten;
c.Kosten van levensonderhoud van jongeren onder de 21 jaar zoals bedoeld in de artikelen 17 en 18 van dit besluit.
3Voor kosten als bedoeld in het tweede lid geldt artikel 44 lid 1 van de Participatiewet.
1.3 Hoogte en vorm van de bijstand
Artikel 4 B137 - In aanmerking te nemen middelen
1Het inkomen en het vermogen worden in aanmerking genomen overeenkomstig de artikelen 31 t/m 34 van de Participatiewet en de toepasselijke ‘beleidsregels middelentoets’ die zijn vastgesteld ten behoeve van de uitvoering van de Participatiewet, algemene bijstand.
2Buiten beschouwing voor de vermogenstoepassing blijven:
a.Het vermogen tot de bescheiden vermogensgrens;
b.Het vermogen uit de eigen woning en overige vermogensbestanddelen anders dan banktegoeden en/of spaargelden.
3Bij onregelmatige inkomsten is het gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaande aan de maand van de aanvraag bepalend.
Artikel 5 B063 - Draagkrachtpercentages
1Bij draagkracht uit inkomen geldt als uitgangspunt dat een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkrachtloos inkomen wordt beschouwd.
2Draagkracht uit vermogen wordt enkel in aanmerking genomen voor zover het vermogen de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen op grond van de Participatiewet overschrijdt.
3Afwijkende draagkrachtberekening bij een schuldsaneringsregeling Msnp of Wsnp:
a.Bij huishoudens van alleenstaanden en eenoudergezinnen, en bij huishoudens ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling voor beide partners op grond van de Wsnp is uitgesproken of die tot een Msnp traject op grond van de Wgs zijn toegelaten, wordt de draagkracht op nul vastgesteld.
b.Bij huishoudens met twee partners ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling voor één partner op grond van de Wsnp is uitgesproken of waarbij één partner tot de een Msnp traject op grond van de Wgs is toegelaten, wordt voor de bepaling van de draagkracht van de betreffende partner uitgegaan van het Vtlb.
Artikel 6 B064 - Draagkrachtperiode
1Incidentele bijzondere bijstand
a.De draagkracht wordt berekend over een periode van 12 maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op bijzondere bijstand ontstaat en wordt in één keer met de bijzondere bijstand verrekend.
b.Ten aanzien van aanvragen met terugwerkende kracht geldt dat het draagkrachtjaar start bij de eerste van de maand waarin de kosten zijn opgekomen.
2Periodieke bijzondere bijstand
a.De draagkracht wordt berekend over de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op bijzondere bijstand ontstaat, tot de maand waarin de kosten zich niet meer voordoen, met een maximum van 12 maanden.
b.De draagkracht wordt berekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft.
c.Ten aanzien van aanvragen met terugwerkende kracht geldt dat het draagkrachtjaar start bij de eerste van de maand waarop de kosten zijn opgekomen.
3Bij samenloop wordt de draagkracht het eerst in mindering gebracht op de periodieke kosten. De resterende draagkracht wordt in mindering gebracht op de incidentele kosten.
4Bij samenloop wordt de draagkracht uit vermogen het eerst verrekend en daarna de draagkracht uit inkomen.
5Voor de onderstaande groepen geldt dat:
a.Voor personen met (aanvullende) bijstand voor de kosten van het levensonderhoud op grond van de Participatiewet de draagkrachtperiode in beginsel wordt vastgesteld voor onbepaalde tijd indien en zolang zij recht hebben op de bijstandsuitkering én zich naar verwachting geen wijzigingen (zullen) voordoen die dat recht beïnvloeden.
b.Voor personen die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW, IOAZ, IOW, Bbz, Wajong, WIA, WAZ, WAO, Anw en/of AOW, die niet over draagkracht beschikken, de draagkrachtperiode in beginsel wordt vastgesteld voor de duur van drie jaar.
Artikel 7 B065 - Wijzigingen draagkracht tijdens de draagkrachtperiode
1Bij incidentele bijzondere bijstand:
a.leidt wijziging in het inkomen tijdens het draagkrachtjaar niet tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht, tenzij het om een daling gaat.
b.leidt overschrijding van het vermogen boven de vermogensgrens tijdens het draagkracht jaar tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht en een nieuw draagkrachtjaar.
2Bij periodieke bijzondere bijstand leidt wijziging in het inkomen -anders dan gebruikelijke indexeringen- en overschrijding van het vermogen boven de bescheiden vermogensgrens tijdens het draagkrachtjaar tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht en een nieuw draagkrachtjaar.
Hoofdstuk 2. Bijzondere bijstand
2.1 Recht op bijstand vreemdelingen
Artikel 8 B012 - Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie
1De legeskosten voor de verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning aan de ten tijde van de aanvraag met een Nederlander gelijk gestelde vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 11 tweede en derde lid van de Participatiewet, alsmede de noodzakelijke kosten die nodig zijn om de verlenging of wijziging te realiseren worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan.
2De kosten die verband houden met naturalisatie worden niet aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan.
3De kosten die verband houden met gezinshereniging worden niet aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan
2.2 Personen die in een inrichting verblijven
Artikel 9 B058 - Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting
1Kosten om de woning aan te houden bij tijdelijk verblijf in een inrichting worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan, om te voorkomen dat belanghebbende dakloos wordt bij ontslag uit de inrichting.
2Bijzondere bijstand wordt verleend tot einde verblijf in inrichting maar niet langer dan 12 maanden gerekend vanaf de datum zoals vastgesteld conform het derde lid.
3Bijzondere bijstand wordt verstrekt vanaf het moment dat de algemene bijstandsnorm wijzigt naar de norm verblijf in een inrichting.
4Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de volgende (onvermijdelijke) kosten:
a.Huurwoning:
1Huur;
2Vastrecht gas, licht en water.
b.Eigen woning:
1Rente en aflossing hypotheek, minus hypotheekaftrek;
2Vastrecht gas, licht en water;
3Rioolrechten;
4Eigenaarsdeel van de waterschapslasten;
5Eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelastingen;
6Brand- en opstalverzekering;
7Onderhoud eigen woning conform (maximaal) de norm voor gemiddelde onderhoudskosten van de VEH.
c.De woonkostentoeslag wordt berekend aan de hand van de kostenposten onder b. onder aftrek van de draagkracht op grond als bedoeld in het vijfde lid.
5De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van de beleidsrichtlijnen B064 Draagkrachtperiode en B065 wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode.
Hoofdstuk 3. Bijzondere bijstand
3.1 Medische kosten: algemeen
Artikel 10 B070 - Aanvullend of collectief verzekerd (B070)
1Via de gemeente kan worden deelgenomen aan de collectieve aanvullende verzekering; deelname is niet verplicht.
2Inwoners met een inkomen tot maximaal 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm kunnen toegelaten worden tot de collectieve aanvullende verzekering. Het vermogen blijft volledig buiten beschouwing.
3Het inkomen wordt getoetst in het kalenderjaar waarin de verzekerde door de zorgverzekeraar in de collectieve aanvullende verzekering is toegelaten.
4Wanneer uit toetsing blijkt dat het inkomen te hoog is, wordt de collectieve aanvullende verzekering met ingang van het kalenderjaar daaropvolgend beëindigd.
5Wanneer het inkomen gedurende het kalenderjaar wijzigt en boven de grens van 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm komt, wordt de collectieve aanvullende verzekering met ingang van het kalenderjaar daaropvolgend beëindigd.
Artikel 11 B074 - Overig beleid inzake medische kosten
1De Zorgverzekeringswet en de aanvullende zorgverzekering zijn in beginsel passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor de medische kosten, daarom verstrekt het college geen bijzondere bijstand voor medische kosten.
2In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand in medisch kosten worden verleend in situaties waar de kosten van medische zorg om budgettaire redenen uit het pakket van de Zorgverzekeringswet gehaald, mits de kosten medisch noodzakelijk zijn.
3In afwijking van het eerste lid (aanvullende zorgverzekering) kan bijzondere bijstand in medische kosten worden verleend als een of meer situaties zoals bedoeld in dit lid a t/m c. van toepassing is of zijn.
a.De belanghebbende kan zich niet aanvullend verzekeren, vanwege registratie bij het CAK als wanbetaler én werkt mee aan een traject om uit de regeling wanbetalers te komen;
b.De belanghebbende is niet aanvullend verzekerd én dient voor het eerst een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke medische zorg in: belanghebbende krijgt de kosten vergoed tot maximaal 1 januari van het volgend kalenderjaar, waarop men zich aanvullend kan verzekeren;
c.De belanghebbende kan zich niet aanvullend verzekeren vanwege een Msnp of Wsnp traject.
4In aanvulling op het tweede en het derde lid is de bijzondere bijstand in medische kosten nooit hoger dan de normbedragen en/of het aantal behandelingen en/of de behandelperiode, zoals opgenomen in de basisverzekering in combinatie met de Collectieve Aanvullende Verzekering Peelgemeenten, verzekeringspakket Extra Uitgebreid van CZ.
5In afwijking van het vierde lid kan een hoger bedrag aan bijzondere bijstand worden vergoed indien de noodzaak met medisch advies is vastgesteld.
6In aanvulling op het vijfde lid, worden in de onderstaande gevallen de kosten volledig vergoed zonder het advies van de medisch adviseur van de Peelgemeenten.
Orthodontie: als de volledige behandeling op basis van een offerte of factuur maximaal € 3.500,00 bedraagt.
Fysiotherapie: voor de eerste 20 behandelingen.
Bril of contactlenzen: als de bril inclusief montuur op basis van een offerte of factuur maximaal € 550,00 kost bij enkelvoudige glazen/contactlenzen en maximaal € 750,00 kost bij multifocale glazen.
7De vergoeding waar belanghebbende recht op heeft op basis van zijn of haar huidige verzekering wordt in mindering gebracht op de vergoeding bijzondere bijstand.
8Experimentele behandelingen komen niet voor vergoeding in aanmerking.
9Het verplichte eigen risico komt niet voor vergoeding in aanmerking.
3.2 Begrafenis en crematie (uitvaartkosten)
Artikel 12 B075 - Uitvaartkosten
1Uitvaartkosten voor een uitvaart die in Nederland plaatsvindt en die niet (volledig) uit de nalatenschap en/of een uitvaartverzekering kunnen worden voldaan, worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan, wanneer de belanghebbende verantwoordelijk is voor de kosten van uitvaart of hierop wordt aangesproken in het kader van de wet op de lijkbezorging.
2Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten voor uitvaart wordt de norm voor reservering van de uitvaartkosten bij vermogensvaststelling op grond van de ‘beleidsregels middelentoets’ gehanteerd,
3Als de belanghebbende de nalatenschap heeft verworpen heeft hij geen recht op bijzondere bijstand voor uitvaartkosten.
4Erfgenamen kunnen alleen voor hun erfdeel in aanmerking komen voor vergoeding van de uitvaartkosten.
5De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt als geldlening verstrekt als uit de nalatenschap blijkt dat er sprake is van vermogen dat niet direct te gelde kan worden gemaakt.
3.3 Bewindvoering, mentor, curatele en rechtsbijstand
Artikel 13 B165 - Mentorschap
1Kosten van mentorschap worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer het mentorschap is toegewezen door de rechtbank.
2De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor mentorschap.
3Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.
Artikel 14 B077 - Curatele
1Kosten van curatele worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer de onder curatele stelling is toegewezen door de rechtbank.
2De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor onder curatele stelling.
3Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.
Artikel 15 B076 - Bewind
1Kosten van onder bewind stelling worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer de onder bewind stelling is toegewezen door de rechtbank.
2De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor onder bewind stelling.
3Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.
Artikel 16 B078 - Rechtsbijstand
1Kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, indien rechtsbijstand is of wordt verleend op grond van een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand.
2Wanneer de belanghebbende in aanmerking kan komen voor de wettelijke korting op de eigen bijdrage rechtsbijstand, wordt met deze korting rekening gehouden.
3.4 Jongeren van 18 tot en met 20 jaar
Artikel 17 B080 - Jongeren in een inrichting
1De kosten van levensonderhoud van 18- tot en met 20-jarigen die in een inrichting verblijven en die geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van levensonderhoud.
2Een 18- tot en met 20-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als een van de volgende situaties zich voordoet:
a.De onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden;
b.De jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst;
c.De ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn;
d.Er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s).
3De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: de hoogte van de bijzondere bijstand (artikel 12 PW) wordt afgeleid van de normen algemene bijstand die gelden voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven op grond van art. 23 Participatiewet, te weten: 100% van die norm Er wordt geen vakantietoeslag uitgekeerd.
Artikel 18 B079 - Jongeren niet in een inrichting
1De meerkosten van levensonderhoud van 18- tot en met 20-jarigen die niet in een inrichting verblijven en die geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van levensonderhoud.
2Een 18- tot en met 20-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als een van de volgende situaties zich voordoet:
a.De onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden;
b.De jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst;
c.De ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn;
d.Er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s).
3Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jong meerderjarigen wordt, analoog aan artikel 41 lid 4 Participatiewet, niet eerder ingediend dan vier weken na datum melding en wordt niet eerder dan vier weken na die melding door het college in behandeling genomen. Hiervan kan worden afgeweken als dit tot financiële problemen bij de belanghebbende leidt.
4De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: De algemene bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar wordt aangevuld met bijzondere bijstand voor levensonderhoud, zodat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand + bijzondere bijstand) gelijk is aan de bijstandsuitkering die in een vergelijkbare situatie geldt voor personen van 21 jaar of ouder.
5In afwijking van lid 4 wordt de bijzondere bijstand lager vastgesteld indien er sprake is van:
a.kostendeling;
b.ontbrekende woonlasten;
c.recente beëindiging van een opleiding.
Het bedrag van de verlaging wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.
3.5 Reiskosten
Artikel 19 B014 - Detentie - Reiskosten i.v.m. bezoek aan gedetineerde
1Reiskosten worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan indien een belanghebbende:
a.Reiskosten maakt in verband met een bezoek aan een partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad die in detentie verblijft; én
b.De reisafstand van het traject van thuis naar het verblijfadres van partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad meer bedraagt dan 10 kilometer enkele reis. Van de reisafstand van 10 kilometer kan worden afgeweken wanneer het op grond van bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te fietsen.
2De hoogte van de bijzondere bijstand is gebaseerd op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas, indien men reist met het openbaar vervoer.
3In afwijking van het tweede lid bedraagt, indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk of wenselijk is en met eigen vervoer wordt gereisd, de tegemoetkoming € 0,19 per kilometer per dag en wordt de reisafstand gemeten van postcode woonadres en huisnummer tot postcodelocatie en huisnummer aan de hand van de ANWB-routeplanner, snelste route.
4De vaststelling van de frequentie van het aantal bezoeken is een maatwerkbeoordeling.
Artikel 20 B098 – Reiskosten woon-werk/schoolverkeer
1Reiskosten ten behoeve van het inburgeringstraject, evenals de reiskosten van kinderen die NT2-onderwijs volgen, worden alleen gedurende het eerste jaar aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten, ongeacht de reisafstand.
2Reiskosten ten behoeve van het inburgeringstraject, evenals de reiskosten van kinderen die NT2-onderwijs volgen, worden vanaf een jaar na de start van dit traject aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten, als één van volgende situaties zich voordoet:
a.De reisafstand is groter dan 10 km vanaf het woonadres van de belanghebbende en er is geen vergelijkbare passende voorziening binnen een reisafstand kleiner dan 10 km.
b.De reisafstand is minder dan 10 km vanaf het woonadres van de belanghebbende, maar het is voor belanghebbende vanwege bijzondere omstandigheden onmogelijk om deze reisafstand per fiets af te leggen.
3De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de goedkoopste manier om binnen een redelijke tijd met het openbaar vervoer te reizen. Belanghebbende bepaalt zelf welk vervoermiddel er wordt gebruikt.’
Artikel 21 B091 - Ziekenbezoek - Reiskosten bezoek zieke familieleden
1Reiskosten worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan indien een belanghebbende:
a.Reiskosten maakt in verband met een bezoek aan een partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad die in een inrichting verblijft; én
b.De reisafstand van het traject van thuis naar het verblijfadres van partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 2e graad meer bedraagt dan 10 kilometer enkele reis. Van de reisafstand van 10 kilometer kan worden afgeweken wanneer het op grond van bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te fietsen.
2De hoogte van de bijzondere bijstand is gebaseerd op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas, indien men reist met het openbaar vervoer.
3In afwijking van het tweede lid bedraagt, indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk of wenselijk is en met eigen vervoer wordt gereisd, de tegemoetkoming € 0,19 per kilometer per dag en wordt de reisafstand gemeten van postcode woonadres en huisnummer tot postcodelocatie en huisnummer aan de hand van de ANWB-routeplanner, snelste route.
4De vaststelling van de frequentie van het aantal bezoeken is een maatwerkbeoordeling
3.6 Schulden
Artikel 22 B094 - Bijzondere bijstand voor schulden/schuldhulpverlening
1Bijzondere bijstand onder borgtocht kan worden verleend wanneer er in het kader van een Msnp een saneringskrediet via de Kredietbank Nederland wordt verstrekt.
2De hoogte van de bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht wordt afgestemd op de omvang van het saneringskrediet dat nodig is om een schuldregeling tot stand te brengen. Wanneer bijzondere bijstand onder borgtocht is verleend en de gemeente door de Kredietbank Nederland wordt aangesproken op de borg, wordt bijzondere bijstand vastgesteld op de het bedrag van de restantlening.
3De bijzondere bijstand in de restantlening wordt rechtstreeks overgemaakt aan de Kredietbank Nederland.
4De bijzondere bijstand kan om niet of in de vorm van een geldlening worden verstrekt, dit is een maatwerkbeoordeling.
3.7 Woonkosten: incidenteel
Artikel 23 B103 - Eerste maand huur en administratiekosten
De kosten voor de eerste maand huur van een nieuwe woning ten gevolge van een noodzakelijke verhuizing worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en worden om niet verstrekt.
Artikel 24 B101 - Inrichtingskosten (duurzame gebruiksgoederen)
1Kosten van woninginrichting worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
2De noodzakelijke kosten van woninginrichting komen alleen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking wanneer de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
3Er is in ieder geval sprake van bijzondere omstandigheden wanneer het gaat om kosten van woninginrichting aan statushouders die zich voor het eerst vestigen in Nederland.
4De kosten bij een volledige inrichting van een woning worden bepaald op maximaal 60% van de (geïndexeerde) Nibud normen. Uit het bedrag voor inrichtingskosten moet een computer of laptop aangeschaft kunnen worden. Dat geldt ook voor een fiets.
5De bijzondere bijstand in inrichtingskosten wordt in beginsel verstrekt in de vorm van een lening.
3.8 Woonkosten: periodiek
Artikel 25 B145 - Berekening woonkostentoeslag huurders
1Huurwoningen
a.Woonkosten tot de grens van de huurtoeslag
1Woonkosten voor huurders worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer belanghebbende onvoldoende draagkracht heeft om de volledige woonkosten zelf te dragen én een woning bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten geen belemmering vormt voor de toekenning van huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld geen aanspraak kan maken op deze toeslag.
2De woonkostentoeslag is gelijk aan de aanspraak op grond van de Wet op de huurtoeslag onder aftrek van de draagkracht als bedoeld in beleidsrichtlijn B063 Draagkrachtpercentages
b.Woonkosten boven de grens van de huurtoeslag
1Meerkosten van huur die boven de huurgrens uitstijgen, worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer belanghebbende door omstandigheden buiten zijn schuld in redelijkheid niet kan beschikken over een huurwoning met een huur onder de huurgrens.
2Indien een beroep op de hardheidsclausule in de Wet op de huurtoeslag gedaan wordt, kan als uitgangspunt geen woonkostentoeslag verleend worden, omdat daarmee de grondslag voor de hardheidsclausule vervalt. Wel kan in een dergelijke situatie een geldlening verstrekt worden omdat de verwachting is dat belanghebbende op korte termijn over de huurtoeslag op grond van de hardheidsclausule kan beschikken.
2De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van de beleidsrichtlijnen B064 Draagkrachtperiode en B065 wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode.
3Er wordt gedurende maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag verstrekt. Gedurende dit jaar geldt er een verhuisplicht.
4De periode en verhuisplicht in het derde lid kunnen worden verlengd, wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden.
Artikel 26 B146 - Berekening woonkostentoeslag eigenaren
1Woningen in eigendom
a.Woonkosten van eigendomswoningen worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer de belanghebbende een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten zijn draagkracht overschrijden én hij buiten zijn schuld om niet kan beschikken over een (financieel) passende woning.
b.Als woonkosten eigen woning worden aangemerkt:
1De ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente minus de hypotheekrenteaftrek;
2Rioolrechten;
3Eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelastingen;
4Brand- en opstalverzekering;
5Eigenaarsdeel van de waterschapslasten;
6Onderhoud eigen woning conform (maximaal) de norm voor gemiddelde onderhoudskosten van de VEH.
c.De woonkostentoeslag wordt berekend aan de hand van de kostenposten onder b. onder aftrek van de draagkracht op grond als bedoeld in het tweede lid. De toeslag wordt verder berekend zoals in art. 25 lid 1 onder 2.
2De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van de beleidsrichtlijnen B064 Draagkrachtperiode en B065 wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode.
3Er wordt gedurende maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag verstrekt. Gedurende dit jaar geldt er een verhuisplicht.
4De periode en verhuisplicht in het derde lid kunnen worden verlengd, wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden.
Artikel 27 B100 - Kosten kinderopvang (verwervingskosten)
1De kosten van de eigen bijdrage kinderopvang van uitkeringsgerechtigden die uitstromen naar betaald werk worden aangemerkt als bijzondere kosten.
2De kosten van de eigen bijdrage worden gedurende de eerste twaalf maanden vanaf de datum uitstroom vergoed.
Hoofdstuk 4. Vormen van bijstand
Artikel 28 B106 - Overige kosten bijzondere bijstand
Een commerciële bank of Kredietbank wordt niet aangemerkt als voorliggende voorziening voor bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening.
Artikel 29 B109 - Looptijd leenbijstand
Bij 36 maanden aflossing op de geldlening wordt de restantlening kwijtgescholden.
Artikel 30 B110 - Hoogte aflossing leenbijstand
1De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag bedraagt nooit meer dan 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
2Van het eerste lid kan worden afgeweken indien toepassing gegeven is aan de artikelen artikel 13 en 14 van de beleidsregels herziening, intrekking, terugvordering en invordering.
Artikel 31 B112 - Aanpassing aflossing leenbijstand
Bij een samenloop van meerdere leningen, worden de beide leningen én de periode van aflossing teruggebracht naar één lening met één aflossingsverplichting van 36 maanden.
Artikel 32 B113 - Rente over leenbijstand
Wanneer bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt is geen rente verschuldigd.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en Slotbepalingen
Artikel 33 Algemeen overgangsrecht
1Besluiten, genomen krachtens de eerdere beleidsregels bijzondere bijstand en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd. Er wordt geen bijzondere bijstand teruggevorderd of nabetaald.
2Deze beleidsregels zijn van toepassing op nieuwe aanvragen bijzondere bijstand waarbij de ingangsdatum van het draagkrachtjaar op of na de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels start.
3Deze beleidsregels zijn (met uitzondering van de artikelen die samenhangen met de draagkrachtberekening) voorts van toepassing op nieuwe aanvragen bijzondere bijstand waarbij het draagkrachtjaar is aangevangen voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels. Dit geldt niet op het moment dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een wijziging in de draagkracht na de inwerkingtreding van deze beleidsregels. In dat geval leidt deze wijziging tot een nieuw draagkracht besluit. Hierbij zijn ook de artikelen van toepassing die samenhangen met de draagkrachtberekening in deze beleidsregels.
Artikel 34 Bijzonder overgangsrecht
Alle personen die op 31 december 2023 een vergoeding ontvangen volgens de tot 1 januari 2024 geldende beleidsregels, blijven dit recht behouden tot 1 april 2024.
Artikel 35 Intrekking
De volgende worden ingetrokken per datum 1 april 2021:
1Beleidsregels hoogte bijzondere bijstand 18 tot en met 20-jarigen in inrichting Participatiewet Someren 2016;
2Beleidsregels hoogte bijzondere bijstand 18 tot en met 20-jarigen niet in een Inrichting verblijvend Participatiewet Someren 2018;
3Beleidsregel bijzondere bijstand kosten van scholing en opleiding Participatiewet 2018;
4Beleidsregels leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten gemeente Someren 2018;
5Aanvulling op beleidsregel bijzondere bijstand inzake in aanmerking te nemen middelen voor draagkracht Someren 2018;
6Beleidsregel looptijd leenbijstand Participatiewet Someren 2018;
7Beleidsregels draagkracht Participatiewet 2015.
Artikel 36 Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 april 2021.
Artikel 37 Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als de “Beleidsregels bijzondere bijstand Someren 2021”.