Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels voor het bestrijden van georganiseerde misdaad/ondermijning - zuiver zaken doen - 2018

Gemeente Sliedrecht · geldt sinds 17 oktober 2024

Aanhef

Gezien het voorstel voor Beleidsregels voor het bestrijden van georganiseerde misdaad/ondermijning – zuiver zaken doen- 2018;

Gelet op afdeling 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 13b Opiumwet, artikel 17a gemeentewet, wet Bibob

Overwegende dat Gemeente Sliedrecht dit beleid in 2018 is vastgesteld en gepubliceerd maar niet is gepubliceerd volgens de Wet elektronische publicaties op overheid.nl

Besluit

Vast te stellen van de volgende beleidsregels:

Beleidsregels voor het bestrijden van georganiseerde misdaad/ondermijning – zuiver zaken doen- 2018

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

mr.drs. J.M. de Vries

Burgemeester van Sliedrecht

Burgemeester en wethouders van Sliedrecht

de secretaris,

N.H. Kuiper mca mcm

de burgemeester,

mr.drs. J.M. de Vries

Bijlage I – Overige richtlijnen sluiting hennepplantages

1.1Strafrechtelijke aanpak

De Richtlijnen sluiting hennepplantages zoals beschreven in hoofdstuk 1 van deze beleidsregels, zijn gebaseerd op een bestuurlijke bevoegdheid van de burgemeester en staan los van een eventuele strafrechtelijke aanpak. De bestuursrechtelijke aanpak kan naast strafrechtelijke vervolging plaatsvinden. Bij een bestuurlijk traject gelden andere normen dan bij een strafrechtelijk traject die niet uitwisselbaar zijn. De verantwoordelijkheden van een burgemeester zijn van een andere aard dan die van een officier van justitie. De handel in verdovende middelen is strafbaar en in voorkomende gevallen zal zo mogelijk strafvervolging worden ingesteld.

1.2Langere sluitingstermijn

De burgemeester kan een langere sluitingstermijn opleggen dan de sluitingstermijnen genoemd in de beleidsregels, indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Indien de burgemeester afwijkt van de sluitingstermijnen uit de beleidsregels zal hij dit in zijn besluit deugdelijk motiveren.

1.3Handelshoeveelheid

Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid drugs en/of bedrijfsmatige teelt van cannabisplanten, wordt aangesloten bij de laatste versie van de “Aanwijzing Opiumwet” van het Openbaar Ministerie. De daarin vermelde criteria en indicatoren worden als leidraad gebruikt. Volgens die criteria worden 5 hennepplanten of minder als hoeveelheden voor eigen gebruik aangemerkt. Niet uitgesloten is echter dat een hoeveelheid drugs in een pand die volgens de criteria van het Openbaar Ministerie als een hoeveelheid voor eigen gebruik moet worden aangemerkt, toch bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 13b van de Opiumwet naar woningen (Kamerstukken II 2005/2006, 30 515, nr. 3, blz. 10) is opgemerkt, wordt met de uitdrukking “daartoe aanwezig is” in artikel 13b van de Opiumwet gedoeld op de aanwezigheid van verdovende middelen, ongeacht de hoeveelheid, die gebruikt wordt of bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan (zie ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:415).

1.4Artikel 6 EVRM

De persoonlijke verwijtbaarheid van een betrokken eigenaar of gebruiker van een pand waar een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die sluiting van het pand tot gevolg heeft. Artikel 6, lid 2 van het EVRM geldt alleen voor strafrechtelijke of daarmee vergelijkbare procedures. De sluiting van een pand heeft geen verdergaande strekking dan het beëindigen van de overtreding van art. 3, aanhef en onder b en c, van de Opiumwet en herstel van de openbare orde, veiligheid en rechtsorde en is niet gericht op toevoeging van verdergaand leed of nadeel. Het is derhalve geen punitieve sanctie, zodat art. 6, lid 2 van het EVRM niet van toepassing is.

1.5Artikel 8 EVRM

Een illegaal productie- en/of verkooppunt van verdovende middelen kan een woning of een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal betreffen. Aangezien het huisrecht op grond van artikel 8 EVRM beschermd wordt, is voor sluiting van woningen een zwaardere motivering vereist dan voor lokalen. In aanvulling op hetgeen in de Richtlijnen sluiting hennepplantages is opgenomen kunnen de volgende omstandigheden mede aanleiding geven om bij woningen direct tot sluiting over te gaan:

•de desbetreffende woning wordt vaak niet als zodanig gebruikt;

•er is sprake van bedrijfsmatige activiteiten;

•ter voorkoming van het verplaatsingseffect. Bij een niet gelijke toepassing van de sluitingssystematiek, zal een nog sterkere verplaatsing naar woningen gaan plaatsvinden, met alle negatieve gevolgen van dien, zoals verloedering van de woonomgeving, op steeds meer plaatsen in het dorp.

Toepassing van artikel 13b Opiumwet bij woningen levert geen strijd op met art. 8 van het EVRM. Ingevolge het tweede lid van artikel 8 EVRM zijn inmengingen van enig openbaar gezag in de uitoefening van het in het eerste lid neergelegde recht toegestaan, voor zover deze bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, onder meer, het voorkomen van strafbare feiten of het beschermen van de rechten van anderen. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet en derhalve bij de wet voorzien. Dit ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van de rechten van anderen (ABRvS, 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412).

1.6Spoedeisende bestuursdwang

Indien de situatie hiertoe aanleiding geeft dan kan in bijzondere gevallen overgegaan worden tot een spoedsluiting. In dat geval wordt afgezien van een zienswijzegesprek met belanghebbenden. Ook kan in geval van een grote spoedeisendheid mondeling een sluiting worden aangezegd die zo spoedig mogelijk op schrift wordt gesteld.

Onder een bijzonder geval wordt in ieder geval verstaan een of meer van de volgende situaties:

•het aantreffen van een vuur- of steekwapen of explosief in het pand;

•verkoop van drugs aan een minderjarige;

•bezit van harddrugs door een minderjarige in het pand;

•aan het gebruik van het pand te relateren ernstige geweldsincidenten (waaronder geweld tegen een ambtenaar in functie) of ernstige incidenten waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid in het geding is.

Dit betreft geen limitatieve opsomming. Per geval zal moeten worden bepaald of in lijn met de ernst van bovengenoemde situaties sprake is van een dermate bijzondere situatie waarbij onmiddellijk optreden vereist is. Het enkel aantreffen van een handelshoeveelheid drugs of een hennepkwekerij valt hier niet onder.

De spoedsluiting duurt voort totdat de burgemeester een definitief besluit ten aanzien van het pand heeft genomen met een maximum van twee weken en wordt geëffectueerd middels overdracht van de sleutels, verzegeling van het pand en het aanbrengen van een biljet met daarop de tekst dat dit drugspand op last van de burgemeester is gesloten (kennisgeving).

1.7Tijdstip ingaan sluiting

Lokalen worden indien dit niet nader is bepaald in de last 24 uur na bekendmaking van de last gesloten, tenzij sprake is van spoedeisende bestuursdwang of andere zwaarwegende omstandigheden een eerdere sluiting van het pand eisen.

Woningen worden indien dit niet nader is bepaald in de last 48 uur na bekendmaking van de last gesloten, tenzij sprake is van spoedeisende bestuursdwang of andere zwaarwegende omstandigheden een eerdere sluiting van het pand eisen.

Panden waarbij spoedeisende bestuursdwang wordt toegepast zoals bedoeld in 1.6 worden 30 minuten na bekendmaking van de last gesloten, tenzij zwaarwegende omstandigheden terstond optreden eisen.

1.8Kosten bestuursdwang

Het toepassen van bestuursdwang brengt kosten met zich mee, die verhaald kunnen worden op de eigenaar en de gebruiker van het pand. De volgende kosten zullen in principe in rekening worden gebracht:

•vervangen van sloten;

•dierenopvang;

•afsluiten van nutsvoorzieningen.

Dit is een opsomming van de meest voorkomende kosten die worden gemaakt. Het is geen limitatieve lijst.

1.9Andere wettelijke bepalingen

Dit beleid laat onverlet dat andere wettelijke bepalingen, zoals artikel 174a Gemeentewet en artikel 17 Woningwet worden toegepast in plaats van artikel 13b Opiumwet.

1.10Informatieverstrekking door politie

Omdat de Opiumwet geen mogelijkheid biedt om gemeentelijke toezichthouders aan te wijzen, is de burgemeester hoofdzakelijk afhankelijk van informatie uit opsporingsonderzoeken van de politie Eenheid Rotterdam of in voorkomende gevallen van andere eenheden die deel uitmaken van de Landelijke Eenheid Politie. Deze informatie wordt aan de burgemeester verstrekt in het kader van zijn taak tot handhaving van de openbare orde en veiligheid. Er wordt informatie verstrekt in de vorm van een bestuurlijke rapportage in gevallen waarbij een handelshoeveelheid drugs en/of een handelshoeveelheid kweekmateriaal in een pand wordt aangetroffen of is gebleken dat een pand is dan wel wordt gebruikt ten behoeve van de productie en/of handel in drugs.

1.11Wet Victor

De Wet Victor behelst onder meer een toevoeging van artikel 7:231, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en artikel 14 Woningwet. Artikel 14 Woningwet geeft het college de bevoegdheid, nadat artikel 13b Opiumwet is toegepast, de eigenaar/ verhuurder te verplichten het pand aan een ander in gebruik te geven en/of het beheer over te dragen. Het college kan voor beide gevallen personen respectievelijk instanties aanwijzen.

In de Onteigeningswet is daarnaast de bevoegdheid toegevoegd om een pand dat is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet te onteigenen.

In voorkomende gevallen dat de eigenaar/ verhuurder niet van de mogelijkheid gebruik maakt om de huur, al dan niet buitengerechtelijk, te beëindigen, zal het college worden verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid zoals die is neergelegd in artikel 14 lid 1 onder a Woningwet (andere gebruiker).

1.12Objectgerichte karakter van de maatregel

Overdracht van het pand tast de werking van de bestuurlijke maatregel niet aan. Dit geldt zowel voor een waarschuwing als voor een sluiting.

1.13Strafbaarstellingen

Ter informatie volgt hieronder een opsomming van gedragingen rondom de oplegging en uitvoering van een sluiting die strafbaar zijn gesteld:

1het verbreken van een verzegeling is strafbaar gesteld in artikel 199, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en is een misdrijf tegen het openbaar gezag;

2op grond van artikel 2:41, tweede lid, van de APV 2013 is het verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten pand en bijbehorend erf te betreden;

3artikel 187 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het beschadigen, wederrechtelijk afscheuren of onleesbaar maken van de bekendmaking van de last (de kennisgeving), strafbaar is.

1.14Communicatie

Buurtbewoners van een pand dat is gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet zullen worden geïnformeerd over de sluiting middels een bewonersbrief. Na vaststelling van deze beleidsregels zal hierover gecommuniceerd worden met de media bijvoorbeeld via een persbericht of een persinterview. Verder zal voorlichting worden gegeven middels de gemeentelijke website en informatiebrochures over het voorkomen van de drugsproductie en/of drugshandel in een pand, wat te doen als men een vermoeden heeft dat dit gebeurt en de risico’s van eigenhandig optreden.

Er is voor gekozen om niet iedere sluiting actief te communiceren met de media of op de gemeentelijke website. Onderzoek heeft uitgewezen dat een algemene bekendmaking voor alle bewoners het veiligheidsgevoel verkleint. Het Integraal Veiligheids Plan is de juiste plaats om communicatie rondom het sluiten van drugslokalen vorm te geven. Communicatie vind dan plaats op het gemeentebrede terrein van veiligheid. De boodschap dat Sliedrecht veilig is en dat we waar mogelijk de veiligheid proberen verder te vergroten komt in dit kader het beste over.

1.15Vervangende woonruimte

Het sluiten van een woning na het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs, is zeer ingrijpend voor eventuele bewoners die in de woning verblijven. Voor deze bewoners, zal de gemeente geen vervangende woonruimte zoeken of aanbieden. De bewoners hebben een risico genomen door zich in te laten met de productie en/of handel in drugs en de gevolgen van die keuze mogen voor de betreffende bewoners worden gelaten.

1.16Ontbinding huurovereenkomst zonder procedure

Een sluiting door de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet geeft een verhuurder de mogelijkheid de huurovereenkomst te ontbinden zonder dat daar een gerechtelijke procedure voor nodig is (artikel 7:231 lid 2 Burgerlijk Wetboek). Dit is mogelijk vanaf het moment van feitelijke sluiting van het pand. Zo schept een sluiting voor verhuurders de mogelijkheid om snel en zonder langslepende procedures van een huurder af te komen. Deze mogelijkheid is er niet in de gevallen dat een waarschuwing wordt gegeven. Sliedrecht hecht aan verhuurders die hun verantwoordelijkheid nemen. Van verhuurders wordt verwacht dat zij van de mogelijkheid gebruik maken zoals die is neergelegd in artikel 7:231, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

1.17Gevaren van eigenhandig optreden

Een mogelijk gevolg van dit beleid zou kunnen zijn dat eigenaren, met een sluiting in het achterhoofd, zullen proberen bijvoorbeeld een kwekerij zelf te ontruimen. Naast een gevaar van elektrocutie, kleven er ook andere gevaren aan. Indien een eigenaar zich ontfermt over de illegale hoeveelheid drugs en daarbij ‘betrapt’ wordt door de politie, is de eigenaar degene die een handelshoeveelheid drugs in zijn bezit heeft. Daarnaast zal het door de exploitant van de betreffende kwekerij, niet in dank worden afgenomen dat zijn spullen zijn ontvreemd, met alle gevolgen zoals bedreiging en geweldpleging of represailles van dien.

1.18Uitvoeringsvoorschriften van sluiting

Zoals eerder beschreven is de burgemeester in zijn informatievoorziening afhankelijk van de politie. Nadat een hennepplantage is aangetroffen in een woning of lokaal, wordt door de politie op basis van het hennepconvenant eenheid Rotterdam binnen twee weken een bestuurlijke rapportage (hennep informatie bericht) opgesteld met daarin het verzoek aan de burgemeester een bestuurlijke maatregel te treffen ten aanzien van het betreffende pand. Medio 2017 ontvangt de gemeenten als gevolg van regionale afspraken een zogenaamd hennep informatiebericht. Dit bericht bevat in ieder geval de volgende zaken:

•adres van het pand;

•aangetroffen hoeveelheid hennepplanten;

•soort drugs;

•datum aantreffen;

•overige aangetroffen goederen;

•naam van de eigenaar van het pand;

•proces-verbaal van bevindingen (omschrijving van de aangetroffen informatie);

•indien van toepassing, namen van gebruikers van het pand;

•indien van toepassing, zaken die wijzen op verstrekking aan eindgebruikers;

•indien van toepassing, aanwijzingen dat sprake is van georganiseerde criminaliteit;

•indien van toepassing, proces-verbaal verhoor verdachte, getuigen etc.;

•indien van toepassing, zaken die erop wijzen dat de eigenaar van het pand is betrokken bij de productie dan wel verkoop, verstrekking of levering;

•Indien van toepassing, aanwijzingen dat sprake is van andere strafbare feiten zoals geweld, (vuur)wapens en/of munitie, waardoor de openbare orde is verstoord;

•Indien van toepassing, aanwijzingen dat er sprake is van gevaar en/of overlast voor omwonenden, waardoor het woon- en leefklimaat is aangetast.

Voornemen

Het voornemen tot sluiting kan zowel mondeling als schriftelijk worden gegeven. Indien geen sprake is van een situatie waarbij spoedeisende bestuursdwang moet worden toegepast, maar snel en voortvarend optreden wel gewenst is (te weten sluiting binnen 72 uur na ontdekking van een handelshoeveelheid drugs of cannabisplanten), kan het voornemen mondeling worden meegedeeld. In de overige gevallen wordt een voornemen tot sluiting op schrift gesteld.

Zienswijze

Belanghebbenden bij een op te leggen maatregel worden uitgenodigd een zienswijze in te dienen ten aanzien van het voornemen van de burgemeester om het betreffende pand te sluiten.

Belanghebbenden zijn in ieder geval de eigenaar en de gebruiker van het pand.

Besluit

Het besluit bevat ten minste:

•het bevel tot algehele sluiting;

•datum en tijdstip waarop de sluiting ingaat;

•het adres waarop het besluit betrekking heeft;

•de duur van de sluiting;

•de motivering van het bevel tot sluiting, waarbij wordt verwezen naar de onderhavige beleidsregels.

Controle pand

Voordat tot verzegeling wordt overgegaan, wordt een inspectie uitgevoerd in het te sluiten pand. Bekeken wordt of er al dan niet personen en/of dieren nog verblijven in het pand. Verder wordt een controle uitgevoerd op de nutsvoorzieningen en wordt bekeken of ramen en (achter)deuren deugdelijk zijn afgesloten.

Vervanging sloten en verzegeling

Voordat een pand wordt verzegeld, moeten de sloten van de toegangsdeuren worden vervangen. Op deze manier is verzekerd dat bijvoorbeeld gebruikers na de sluiting niet op normale wijze het pand kunnen betreden. De sleutels worden in bewaring genomen door de gemeente.

Indien de eigenaar niet zelf de sloten vervangt, zal dit door een erkend slotenmaker gebeuren, alvorens tot verzegeling wordt overgegaan. De kosten die dit met zich meebrengt, zullen worden verhaald op de eigenaar.

Verzegeling vindt plaats door middel van het aanbrengen van sluitingszegels op alle toegangsdeuren. Iedere zegel is voorzien van een uniek nummer. Van deze verzegeling wordt rapport opgemaakt.

Aanduiding op het pand

Nadat het pand is verzegeld, wordt een kennisgeving aangebracht met de tekst “Op last van de burgemeester is dit drugspand gesloten”. Op deze wijze is duidelijk kenbaar voor een ieder dat het pand is gesloten, waardoor de bekendheid van het pand als drugspand bij kopers, exploitanten en faciliteerders teniet wordt gedaan. Voor omwonenden is zo duidelijk dat tegen de productie en handel in drugs wordt opgetreden.

Bekendmaking

Naast de kennisgeving die op het pand wordt aangebracht, worden omwonenden op de dag van de sluiting, of zo spoedig mogelijk daarna, middels een bewonersbrief geïnformeerd over de sluiting van het betreffende pand.

Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb)

Iedere sluiting wordt ingeschreven in de openbare registers (Kadaster). Een ieder kan, voordat hij een pand in gebruik neemt, op deze wijze kennis hebben van een eventuele eerdere sluiting en het risico bij ingebruikname van het pand. Voor informatie over eerdere sluitingen en waarschuwingen van een bepaald pand, kan men terecht bij de gemeente.

Tussentijds openen van het pand

Indien sprake is van schade aan het pand die, ter beperking van verdere schade, zo spoedig mogelijk gerepareerd dient te worden en betreding van het pand is daarbij noodzakelijk, kan verzocht worden het pand te openen. Dit gebeurt op afspraak met en onder toezicht van de gemeente.

Controle verzegeling

Met regelmaat wordt gecontroleerd of de verzegeling in tact is. Indien een zegel is verbroken, wordt daarvan aangifte gedaan bij de politie en wordt de verzegeling vervangen. Het verbreken van een zegel is strafbaar gesteld in artikel 199, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en is een misdrijf tegen het openbaar gezag.

Indien er aanwijzingen zijn dat het pand is betreden, wordt het pand geopend voor onderzoek. Om recidive te voorkomen vindt afsluiting daarna plaats middels een stalen deur. De kosten van deze maatregel worden verhaald op de eigenaar.

Einde van de sluiting

Terstond nadat de sluitingstermijn is verlopen, zal de verzegeling worden verwijderd en zullen de sleutels worden overgedragen aan de eigenaar. Deze heeft zodoende weer de beschikking over het pand.

Bijlage II – Juridische uitwerking toepassing wet Bibob

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

1De definities in artikel 1, eerste lid van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn;

2In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

a.rechtspersoon met een overheidstaak: de gemeente Sliedrecht;

b.bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen;

c.APV: Algemene Plaatselijke Verordening Sliedrecht 2016;

d.Amvb: Algemene maatregel van bestuur;

e.Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

f.RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum;

g.het Bureau: het Landelijk Bureau Bibob;

h.Bibob-toets: het onderzoek en de beoordeling door het bestuursorgaan en/of het Bureau of, en zo ja in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, artikel 4 en artikel 9 van de Wet Bibob.

i.eigen onderzoek: het onderzoek door het bestuursorgaan of, en zo ja, in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, artikel 4 en artikel 9 van de Wet Bibob en de beoordeling of in de resultaten van dit onderzoek grond is gelegen voor de betrokkene een negatieve beslissing te nemen dan wel een advies bij het Bureau aan te vragen;

Artikel 1.2 Toepassing beleidslijn

Onderhavige beleidslijn is uitsluitend van toepassing op de toepassing van de Wet Bibob door de rechtspersoon met een overheidstaak en het bestuursorgaan. De beleidslijn laat dus onverlet dat binnen de grenzen van de wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming worden betrokken.

Artikel 1.3 Uitvoering Bibob-toets in afwijking van beleidslijn

Deze beleidslijn laat onverlet dat al dan niet in afwijking van de hierna volgende bepalingen tot uitvoering van een Bibob-toets kan worden besloten indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.

Hoofdstuk 2: Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 2.1 Exploitatie openbare inrichting, speelautomatenhal en seksbedrijf

1Ingeval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2:28 van de APV (exploitatievergunning openbare inrichting), artikel 2:39 van de APV (vergunning speelautomatenhal) en artikel 3:3 van de APV (vergunning seksbedrijf) zal het bestuursorgaan uitvoering geven aan een Bibob-toets indien:

a.Sprake is van een nieuwe vestiging, overname of wijziging van een exploitant van een inrichting of bedrijf;

b.Bij een bestaande coffeeshop, seksbedrijf of speelautomatenhal iedere twee jaar;

c.Een voorafgaande aanvraag door de vorige aanvrager is ingetrokken na aankondiging of uitvoering van een Bibob-toets;

d.Een voorafgaande aanvraag na aankondiging of uitvoering van een Bibob-toets is geweigerd of buiten behandeling is gesteld;

e.Op grond van:

-Eigen ambtelijke informatie, en/of

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

2In afwijking van het bepaalde in het vorige lid zal het bestuursorgaan ten aanzien van paracommerciële instellingen als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en Horecawet (zoals een kantine van een sportvereniging of een buurthuis) uitsluitend uitvoering geven aan een Bibob- toets indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub e van deze beleidsregel.

Toelichting

Horeca-inrichtingen

Het Bibob-instrumentarium is in de afgelopen jaren het meest ingezet in de horecasector. Dit heeft ertoe geleid dat de nodige expertise is opgebouwd ten aanzien van deze sector. Op basis van die expertise is het mogelijk om de Wet Bibob gericht in te zetten. De burgemeester acht het derhalve niet proportioneel om iedere aanvraag voor een exploitatievergunning ten behoeve van een horeca-inrichting te toetsen op basis van de Wet Bibob.

Speelautomatenhallen

Speelautomatenhallen kunnen als potentieel criminogeen worden aangemerkt aangezien er veel contant geld omgaat in die branche.

Coffeeshop

Conform de landelijke richtlijn van het Ministerie van Veiligheid en Justitie worden alle beschikkingen voor coffeeshops in de aankomende vijf jaar (start 2015) getoetst aan de Wet Bibob. Sliedrecht is hier verder in. Ten aanzien van de coffeeshop is al meerdere jaren bepaald dat deze iedere twee jaar onderworpen wordt aan een Bibob-toetsing.

Seksbedrijven

Seksbedrijven zijn een kwetsbare branche gezien de relatie met uitbuiting en mensenhandel. Bij een mogelijke vestiging dient de toepassing van de Wet Bibob vergelijkbaar te worden ingezet als bij de coffeeshop.

Artikel 2.2 Vergunning evenement, vuurwerkverkoop, splitsing en omzetting van woonruimte

1Ingeval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2:25 van de APV (evenementenvergunning), artikel 2:72 van de APV (vuurwerkverkoopvergunning), artikel 3.1.3. van de Huisvestingsverordening gemeente Sliedrecht 2015 (omzettingsvergunning) zal het bestuursorgaan uitvoering geven aan een Bibob-toets indien op grond van:

-Eigen ambtelijke informatie, en/of

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

2In afwijking van het bepaalde in het vorige lid zal het bestuursorgaan ingeval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van de APV in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren indien de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportgala.

Toelichting

Evenementen

De ervaringen tot nu toe geven geen aanleiding om iedere aanvraag voor een evenementenvergunning te toetsen op grond van de Wet Bibob.

Vechtsportgala’s

Een vechtsportgala betreft een vechtsportevenement. Er zijn sterke aanwijzingen dat de georganiseerde criminaliteit invloed heeft op de organisatie van dit type evenementen. Aanvragen voor vechtsportevenementen met een toernooikarakter waarbij de nadruk ligt op de uitoefening van sport en de organisator is aangesloten bij het NOC*NSF worden niet standaard getoetst aan de Wet Bibob.

Omzetting van woonruimte

De uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Bibob met de huisvestingswetvergunningen is tot stand gekomen om problematiek rondom fraude met vastgoed, met name huisjesmelkers, te voorkomen.

Artikel 2.3 Omgevingsvergunning bouw

1Ingeval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo zal het bestuursorgaan uitvoering geven aan een Bibob-toets indien de aanvraag betrekking heeft op één of meer van de volgende risicocategorieën:

-horeca- en seksbedrijven, coffeeshops en speelautomatenhallen

-smart-, head- en growshops

-sportscholen en fitnesscentra

-kapperszaken

-wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s)

-autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage)

-opkopers en handelaren in gebruikte of ongeregelde goederen en belwinkels

-verblijfsinrichtingen

-woonwagenterreinen

-kamerverhuur

-bouwkundige splitsing van een woning

-een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

2Ingeval van een aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo zal het bestuursorgaan voorts uitvoering geven aan een Bibob-toets indien op grond van:

-Eigen ambtelijke informatie, en/of

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

3In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid zal het bestuursorgaan geen uitvoering geven aan een Bibob-toets indien de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in het eerste lid afkomstig is van (semi-)overheidsinstanties, toegelaten woning(bouw)corporaties als bedoeld in artikel 70 Woningwet dan wel een door het college bij (specifiek) besluit aangewezen aanvrager.

Toelichting

Uitgangspunt is dat een Bibob-toets niet bij elke aanvraag plaatsvindt en dat de toepassing beperkt blijft tot risicocategoriën.

De benoemde risicocategorieën zijn niet uitputtend en kunnen, indien nieuwe ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, door het bestuursorgaan worden aangepast.

Artikel 2.4 Omgevingsvergunning milieu

1Ingeval van een aanvraag

a.voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet (omgevingsvergunningen inrichtingen Wet Milieubeheer) en die behoort tot de afval- en/of vuurwerkbranche of

b.voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wabo die betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij amvb op grond van artikel 2.17 van de Wabo is bepaald dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) en waarbij sprake is van de onder de categorie afvalstoffen vermelde activiteiten autodemontage, banden van voertuigen, kunststofafval, medisch en hygiënisch afval, mengen van afval in de betonindustrie en/of schroot.

zal het bestuursorgaan uitvoering geven aan een Bibob-toets indien op grond van

-Eigen ambtelijke informatie, en/of

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

2Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid aanhef en onder a of b betrekking heeft op een andere branche dan genoemd in het eerste lid onder a respectievelijk een andere activiteit dan genoemd in het eerste lid onder b zal het bestuursorgaan alleen overgaan tot het uitvoeren van een Bibob-toets indien sprake is van een OM-tip dan wel als sprake is van bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld een vervolging of ernstige verdenking).

3In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid zal het bestuursorgaan geen uitvoering geven aan een Bibob-toets indien de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in het eerste lid afkomstig is van (semi-)overheidsinstanties.

Artikel 2.5 Reeds verleende beschikkingen

4Ingeval van een reeds verleende beschikking zal het bestuursorgaan uitvoering geven aan een Bibob-toets indien:

a.De reeds verleende beschikking betrekking heeft op een risicocategorie of risicogebied dat door het bevoegd bestuursorgaan wordt aangewezen en bekend gemaakt.

b.Op grond van:

-Eigen ambtelijke informatie, en/of

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij hierboven vermelde partners.

5Bekend wordt, dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een ernstig gevaar is geconstateerd en aan betrokkene alhier een soortgelijke beschikking is verstrekt. In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC eerder al een beschikking is verleend, wordt het RIEC verzocht om de Bibob-toets te coördineren.

Artikel 2.6 Subsidies

1Ingeval van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in de Subsidieverordening Sliedrecht 2014 of een reeds op grond van de Subsidieverordening Sliedrecht 2014 verleende subsidie zal het bestuursorgaan uitvoering geven aan een Bibob-toets indien op grond van:

-Eigen ambtelijke informatie, en/of

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Het bestuursorgaan kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

2Het bestuursorgaan geeft voorts uitvoering aan een Bibob-toets indien de aanvraag of een reeds verleende subsidie betrekking heeft op een risicocategorie of een bepaald type subsidie dat als zodanig door het bestuursorgaan is aangewezen en bekend gemaakt.

Hoofdstuk 3: Privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1 Aanbestedingen

1De rechtspersoon met een overheidstaak kan een Bibob-toets uitvoeren met betrekking tot alle overheidsopdrachten in de zin van de Europese aanbestedingsrichtlijn of de Aanbestedingswet voor zover deze vallen binnen een krachtens artikel 5 Wet Bibob aangewezen sector.

2De rechtspersoon met een overheidstaak zal in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren indien op grond van:

-Eigen ambtelijke informatie, en/of

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de gegadigde en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. De rechtspersoon met een overheidstaak kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

3De rechtspersoon met een overheidstaak kan in iedere fase van een aanbesteding ter zake een overheidsopdracht als in het eerste lid van dit artikel bedoeld, een Bibob-toets uitvoeren. Derhalve kunnen aan een Bibob-toets worden onderworpen zowel degenen die de rechtspersoon met een overheidstaak voornemens is te selecteren tot een volgende fase van de aanbesteding, dan wel degene(n) aan wie de rechtspersoon met een overheidstaak voornemens is de betreffende overheidsopdracht te gunnen.

4De rechtspersoon met een overheidstaak kan ook na gunning van een overheidsopdracht als bedoeld in lid 1 van dit artikel besluiten een Bibob-toets uit te voeren. Daartoe zal in de betreffende aanbestede (concept)overeenkomst(en) een nadere bepaling kunnen worden opgenomen. Die bepaling heeft als strekking dat de overeenkomst zal kunnen worden ontbonden door het bestuursorgaan indien (alsnog) feiten of omstandigheden in relatie tot het bedrijf op de persoon van de opdrachtgever bekend zijn geworden die, ware deze bekend geweest vóór het tot stand komen van de overeenkomst, aanleiding zouden zijn geweest om de opdrachtnemer uit te sluiten van verdere deelname aan de aanbesteding. De rechtspersoon met een overheidstaak kan in het hiervoor bedoelde geval besluiten niet tot ontbinding over te gaan indien zij van oordeel is dat uit de Bibob-toets gebleken mate van gevaar in voldoende mate valt te reduceren door het stellen van (nadere) uitvoeringsvoorschriften.

Artikel 3.2 Vastgoedtransacties

1a. Bij de start van elke onderhandeling over het aangaan van een vastgoedtransactie, zal de rechtspersoon met een overheidstaak de wederpartij ervan in kennis stellen dat een Bibob-toets deel kan uitmaken van de procedure;

b.Indien de omstandigheden van het geval geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een Bibob-toets, kan de in lid a. van dit artikel genoemde "in kennis stelling" achterwege worden gelaten bij het aangaan van onderhandelingen met een partij, behorend tot een van de in artikel 3.2 lid 4 en 3.5 lid 3 genoemde uitzonderingscategorieën.

2De rechtspersoon met een overheidstaak zal in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie indien voorafgaand of tijdens de onderhandelingen met een wederpartij op grond van:

-Eigen ambtelijke informatie, en/of;

-Informatie verkregen van het Bureau, en/of;

-Informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of;

-Vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip);

vragen ontstaan of bestaan over omstandigheden in de persoon van de wederpartij en/of met hem in verband te brengen personen zoals onder meer de personen die direct of indirect leiding geven en/of direct of indirect zeggenschap uitoefenen en/of direct of indirect vermogen verschaffen aan de betreffende activiteiten en/of onderneming of dat in het verleden hebben gedaan en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. De rechtspersoon met een overheidstaak kan in dit verband in ieder geval actief navraag doen binnen haar organisatie of bij de hierboven vermelde partners.

3Indien is besloten tot uitvoering van een Bibob-toets neemt de rechtspersoon met een overheidstaak geen definitief besluit tot het aangaan van een vastgoedtransactie totdat de Bibob-toets volledig is afgerond.

4Omstandigheden die kunnen maken dat de rechtspersoon met een overheidstaak afziet van het uitvoeren van een Bibob-toets zijn onder meer:

a.De omstandigheid dat de vastgoedtransactie de aankoop van onroerende zaken door de gemeente betreft;

b.De omstandigheid dat de vastgoedtransactie wordt aangegaan met overheidsinstanties, semi-overheidsinstanties, schoolbesturen, een op grond van artikel 70 Woningwet toegelaten woning(bouw)corporatie en/of door het college bij (specifiek) besluit aangewezen betrokkenen.

c.Verhuur van gemeentegrond ten behoeve van (volks)tuinen, verhuur van gemeentegrond ten behoeve van sportverenigingen en andere vergelijkbare instellingen of de omstandigheid dat het huur door de gemeente betreft;

5Ingeval van een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 3.2 waarvan een of meer vastgoedtransacties deel uitmaken kan de rechtspersoon met een overheidstaak een Bibob- toets uitvoeren indien aan één of meer van de in dit hoofdstuk (aanbestedingen en/of vastgoedtransacties) genoemde criteria is voldaan.

Artikel 3.3 Verhuur van onroerend goed en het verlenen van een gebruiksrecht

1Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2 zal voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de verhuur van onroerend goed door de rechtspersoon met een overheidstaak dan wel het verlenen van een gebruiksrecht, zal de rechtspersoon met een overheidstaak in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren indien sprake is van verhuur in de volgende risicocategorieën en/of risicogebieden:

1horeca- en seksbedrijven, coffeeshops en speelautomatenhallen;

2smart-, head- en growshops;

3sportscholen en fitnesscentra;

4kapperszaken;

5wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);

6autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage);

7opkopers en handelaren in gebruikte of ongeregelde goederen en belwinkels;

8verblijfsinrichtingen;

9woonwagenterreinen;

10kamerverhuur;

11bouwkundige splitsing van een woning ;

12een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

2Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2 kan de rechtspersoon met een overheidstaak in huur- en verhuurovereenkomsten met betrekking tot een onroerende zaak een beëindigingsclausule opnemen als bedoeld in artikel 5a, sub b van de Wet Bibob. De rechtspersoon met een overheidstaak zal zo nodig in plaats van instemming met een contractovername, een nieuwe huurovereenkomst sluiten met een opvolgende huurder zodat bedoelde beëindigingsclausule kan worden opgenomen.

3Omstandigheden die kunnen maken dat de rechtspersoon met een overheidstaak afziet van het uitvoeren van een Bibob-toets zijn onder meer:

1Verhuur van gemeentegrond ten behoeve van (volks)tuinen

2en verhuur van gemeentegrond ten behoeve van sportverenigingen en andere vergelijkbare instellingen;

3De omstandigheid dat het huur door de gemeente betreft;

Artikel 3.4 Verkoop van onroerend goed

1Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2 zal voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de verkoop van vastgoed zal door de rechtspersoon met een overheidstaak in ieder geval een Bibob-toets worden uitgevoerd indien:

a.de hoogte van de aankoopsom/bieding ongebruikelijk is vergeleken met de waardering van het vastgoedobject en/of

b.de partij die het vastgoedobject wil kopen beschikt over een snel groeiend vastgoedportfolio en/of

c.de partij die het vastgoedobject wil kopen recent is opgericht al dan niet met een opmerkelijke of verdachte exploitatie en/of

d.er sprake is van inbreng van eigen geld ter hoogte van een geldsom die gelijk of groter is dan € 25.000,-.

2Voor alle inschrijvingen en tenders geldt dat een Bibob-toets deel kan uitmaken van de procedure. In aanvulling op deze bepaling zal de rechtspersoon met een overheidstaak dit ook bij de inschrijvingen en tenders vermelden.

3Bij een vastgoedtransactie is het niet toegestaan om in de overeenkomst bij de gegevens van de koper de toevoeging " of nader te noemen meester" op te nemen.

Artikel 3.5 Gronduitgifte

1Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2, zal voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de uitgifte van grond door de rechtspersoon met een overheidstaak, in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren indien vragen bestaan over onder meer:

a.de hoogte van de bieding in relatie tot de waardering van de grond en/of

b.de financiering van de vastgoedtransactie en/of de contractspartij.

2De omstandigheid dat een gronduitgifte veelal wordt gevolgd door een omgevingsvergunning bouw maakt dat de rechtspersoon met een overheidstaak voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de uitgifte van grond, een Bibob-toets kan uitvoeren als voldoende aannemelijk is dat zich één van de volgende situaties voordoet of zal gaan voordoen.

a.horeca- en seksbedrijven, coffeeshops en speelautomatenhallen;

b.smart-, head- en growshops;

c.sportscholen en fitnesscentra;

d.Kapperszaken;

e.wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);

f.autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage);

g.opkopers en handelaren in gebruikte of ongeregelde goederen en belwinkels;

h.verblijfsinrichtingen;

i.woonwagenterreinen;

j.kamerverhuur;

k.bouwkundige splitsing van een woning ;

l.een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

3Omstandigheden die kunnen maken dat de rechtspersoon met een overheidstaak afziet van het uitvoeren van een Bibob-toets zijn als de vastgoedtransactie betrekking heeft op de uitgifte van grond:

a.aan particulieren ten behoeve van tuinuitbreidingen en de vergunnings- vrije of vergunningplichtige bebouwing daarvan;

b.aan verenigingen van eigenaren voor het gebruik als groenvoorzieningen;

c.ten behoeve van de aanleg van kabels en leidingen voor het transport van gas, (afval)- water, elektra en datacommunicatie;

d.ten behoeve van de realisatie van kleinschalige voorzieningen, zoals transformatorhuisjes en zendmasten.

4Bij een vastgoedtransactie is het niet toegestaan om in de overeenkomst bij de gegevens van koper de toevoeging " of nader te noemen meester" op te nemen.

Toelichting

Het toepassen van de Wet Bibob op vastgoedtransacties, waarbij de overheid partij is, betreft een uitbreiding zoals vermeld in de gewijzigde Wet Bibob. De vastgoedsector is in zijn algemeenheid krachtig en betrouwbaar maar op onderdelen ernstig kwetsbaar voor criminele invloeden.

De gemeente is als privaatrechtelijke partij betrokken bij vastgoedtransacties van onroerende goederen en gronden met andere partijen zoals bouw en vastgoedbedrijven, vastgoedontwikkelaars, woningcorporaties, bedrijven en ook particulieren. Het college acht het niet noodzakelijk om alle vastgoedtransacties, waarbij de gemeente partij is, te toetsen op grond van de Wet Bibob. De Bibob-toets kan plaatsvinden in het geval van verhuur, verkoop, of het bezwaren met (beperkte) gebruiksrechten van vastgoed en/of gronden door de gemeente.

Contractsvrijheid

Vanwege de contractsvrijheid kunnen onderhandelingen ook worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in de fase van het eigen onderzoek voldoende feiten blijken die duiden op een integriteitsrisico, wanneer de betrokkene weigert om een Bibob-vragenlijst (volledig) in te vullen of aanvullende vragen te beantwoorden of het Bureau concludeert dat sprake is van geen of een mindere mate van gevaar maar er naar het oordeel van de gemeente wel een integriteitsrisico bestaat.

Onder een integriteitsrisico kan worden verstaan dat sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten of er een gevaar bestaat voor aantasting van de reputatie van de gemeente door het aangaan van een vastgoedtransactie. Dit zal per geval zorgvuldig worden afgewogen.

Hoofdstuk 4: Uitvoering

Artikel 4.1 Onderzoek

Een toetsing aan de Wet Bibob geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Hierbij moet het bestuursorgaan/de rechtspersoon met een overheidstaak de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen. Deze eisen brengen mee dat het bevoegd gezag eerst gebruik moet maken van de eigen instrumenten.

Indien op grond van deze beleidslijn een Bibob-toets wordt uitgevoerd, zal betrokkene de Bibob- vragenformulieren dienen in te vullen en in te leveren bij het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak. Deze formulieren zijn op grond van artikel 30, lid 5 bij ministeriële regeling vastgesteld. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in de vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan/rechtspersoon met een overheidstaak zijn genoemd.

Het onderzoek naar het zich voordoen van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob bestaat uit twee fases:

Fase 1: het eigen onderzoek

Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

-de door de aanvrager/houder van de vergunning aangereikte informatie/documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) (inclusief bijlagen) en de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;

-eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door aanvrager/houder overlegde documenten of informatie;

-open en gesloten bronnen onderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster, justitiële en strafvorderlijke gegevens, politiegegevens etc).

-bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatie die uit eigen onderzoek is verkregen versterkt worden vanuit het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC). Ook kan gebruik worden gemaakt van de expertise van het RIEC.

Fase 2: een adviesaanvraag bij het Bureau

Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien:

a.na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager, gegadigde of wederpartij en/of daarmee in verband te brengen derden als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob.

b.na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van de aan de betreffende beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie te verbinden onderneming(en),

c.na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie te verbinden activiteiten,

d.de officier van justitie het bestuursorgaan/de rechtspersoon met een overheidstaak de tip geeft of heeft gegeven om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen,

e.het Bureau het bestuursorgaan/de rechtspersoon met een overheidstaak desgevraagd bericht als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob.

Artikel 4.2 Niet (volledig) invullen Bibob-vragenformulieren

Het bestuursorgaan kan een aanvraag buiten behandeling stellen ingeval van het niet dan wel niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad het Bibob-vragenformulier alsnog (volledig) in te vullen (artikel 4:5 van de Algemene Wet Bestuursrecht). Ook ingeval van een (voorgenomen) privaatrechtelijke transactie kan het bestuursorgaan onderhandelingen afbreken ingeval van het niet dan wel niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier mits de (beoogde) contractpartij de gelegenheid heeft gehad het Bibob-vragenformulier alsnog (volledig) in te vullen.

Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 30, derde lid van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan/rechtspersoon met een overheidstaak ingeval van het niet dan wel niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, na mogelijkheid van herstel, een verleende beschikking intrekken, dan wel een privaatrechtelijke overeenkomst opschorten of ontbinden en/of een rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie beëindigen (artikel 4 Wet Bibob).

Artikel 4.3 Informatieplicht

1Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 van de Wet Bibob. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.

2In geval een van het Bureau ontvangen advies leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, een aanbesteding niet te gunnen dan wel de overeenkomst te ontbinden of geen vastgoedtransactie aan te gaan dan wel deze te beëindigen, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport verstrekt. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de Wet Bibob.

Artikel 4.4 Adviestermijn bij een beschikking

1Indien de gemeente een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de Wet Bibob, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15 lid 1 van de Wet Bibob.

2Indien het Bureau het advies niet binnen de in lid 1 gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid van de Wet Bibob, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15 lid 3 van de wet.

3Het bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid.

4De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, tweede lid van de Wet Bibob kan leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.

Artikel 4.5 Gevolgen van een Bibob-toets

1Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak gaat over tot een negatief besluit op de aanvraag van een beschikking of de intrekking van een beschikking, dan wel het niet aangaan van een vastgoedtransactie of het beëindigen van een overeenkomst indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt, dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Daarbij kan in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, het geconstateerde ernstig gevaar dienen als versterking van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2013.

2Indien het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak voornemens is negatief te beschikken op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht of het aangaan van een vastgoedtransactie wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijze in te brengen. Het voorgaande is ook van toepassing indien het bestuursorgaan of de rechtspersoon voornemens is de beschikking in te trekken dan wel de overeenkomst te beëindigen.

3Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar aan een beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. De rechtspersoon met een overheidstaak kan bij een mindere mate van gevaar extra voorwaarden opnemen in de overeenkomst die zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

4Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak, die een advies van het Bureau ontvangt, kan dit advies conform artikel 29 van de Wet Bibob gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.