Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk;
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 Participatiewet;
Overwegende, dat het college het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet kan worden verstrekt;
Hoofdstuk 3 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand
3.1 Algemene voorwaarden recht op bijzondere bijstand
3.1.1 Algemeen
Als eerste geldt dat de belanghebbende recht op bijstand heeft van het college van de gemeente waar hij zijn feitelijke woonplaats heeft. Dat moet in het algemeen blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie personen. Verder geldt voor het recht op bijzondere bijstand dat de belanghebbende moet:
1Nederlander zijn of een daaraan gelijkgestelde vreemdeling; en
2in Nederland verblijven.
3.1.2 Kosten In Nederland opgekomen en aan Nederland gebonden
Artikel 11 van de Participatiewet bepaalt ook dat het voor een beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand van belang is dat de kosten voortvloeien uit een in Nederland opgekomen noodzaak en deze kosten aan Nederland zijn gebonden. Een belanghebbende - die in Nederland woont - kan bijvoorbeeld wel gebruiksgoederen in het buitenland kopen voor gebruik in Nederland. Echter er is voor bijstandsverlening in de kosten van een reis naar en vanuit het buitenland geen plaats, behoudens voor zover de reis wordt gemaakt over Nederlands grondgebied.
3.1.3 Aanvraag tijdig indienen
Artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor het indienen van de aanvraag. Dit uitgangspunt sluit aan bij het aanvullende karakter van de bijstand.
Met de invoering van artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet (in Balans) is het college de bevoegdheid toegekend om – in afwijking van het eerste lid – bijstand toe te kennen met terugwerkende kracht tot maximaal drie maanden vóór de melding, als de individuele omstandigheden van belanghebbende daartoe noodzaken.
Terugwerkende kracht
Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten zijn voldaan, tenzij er bijzondere omstandigheden waren om de kosten al te maken. De aanvraag moet dan zo snel mogelijk hierna worden ingediend. Het verstrekken van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht tot maximaal drie maanden nadat de kosten zijn ontstaan is mogelijk onder de volgende voorwaarden:
a.Er waren bijzondere omstandigheden waardoor belanghebbende de aanvraag voor de kosten niet vooraf of eerder heeft kunnen indienen.
b.Het college moet de aanvraag nog kunnen beoordelen op de (overige) voorwaarden van de bijzondere bijstand, zoals opgenomen in artikel 3.2 van deze beleidsregels en de Participatiewet.
In principe is er geen terugwerkende kracht mogelijk voor de volgende kosten:
•verhuiskosten;
•inrichtingskosten;
•duurzame gebruiksgoederen;
•tandartskosten voor zover het college de aanvraag op grond van artikel 35 van de Participatiewet beoordeelt;
•kosten babyuitzet.
3.1.4 Noodzakelijke kosten jongeren in inrichting
Jongeren van 18 tot 21 jaar die in een instelling verblijven hebben op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet geen recht op algemene bijstand. Zij kunnen echter wel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet, indien er sprake is van bijzondere noodzakelijke kosten die niet kunnen worden voldaan uit de van toepassing zijnde norm of overige middelen. Het college beoordeelt daarbij of en in welke mate de ouders onderhoudsplichtig zijn en financieel kunnen bijdragen in de kosten van levensonderhoud of verblijf. De bijzondere bijstand wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de jongere, maar bedraagt in beginsel niet meer dan de inrichtingsnorm als bedoeld in artikel 23 van de Participatiewet.
3.1.5 Geen bijstand voor schulden
Artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet bepaalt dat geen bijstand wordt verleend voor de aflossing van schulden. Het college kan op grond van artikel 49, onderdeel a, van de Participatiewet echter bijzondere bijstand verlenen in de vorm van borgtocht. Dit is mogelijk wanneer een verzoek van belanghebbende om een saneringskrediet is afgewezen vanwege beperkte terugbetalingsmogelijkheden. De borgtocht moet dan noodzakelijk zijn om de krediettransactie alsnog te laten doorgaan.
Daarnaast kan het college op grond van artikel 49, onderdeel b, van de Participatiewet bijzondere bijstand verlenen wanneer sprake is van zeer dringende redenen en een borgstelling voor een saneringskrediet geen oplossing biedt. Van zeer dringende redenen is sprake wanneer de behoeftige situatie van belanghebbende niet op een andere manier kan worden opgelost en bijstandsverlening onvermijdelijk is.
3.1.6 Geen noodzakelijke kosten
Het college mag alleen bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke kosten van het bestaan die voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden van het individuele geval. De Participatiewet beschrijft echter niet wat (precies) onder noodzakelijke kosten wordt verstaan. Alleen in artikel 14 van de Participatiewet staat een opsomming van kostensoorten genoemd die in ieder geval niet noodzakelijk zijn. Voorbeelden zijn een boete en geleden of toegebrachte schade. Dit betekent dat voor de hier bedoelde kosten geen bijzondere bijstand mogelijk is.
3.1.7 Voorliggende voorziening
Algemeen
Artikel 5 onderdeel e van de Participatiewet omschrijft een voorliggende voorziening als elke voorziening buiten de Participatiewet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken - dan wel een beroep kan doen - ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. In het algemeen kunnen voorliggende voorzieningen zowel privaatrechtelijke als ook publiekrechtelijk van aard zijn. Voorbeelden van privaatrechtelijke voorzieningen zijn een gemeentelijke kredietbank en de aanvullende (collectieve) zorgverzekering. Daarvoor geldt dat een dergelijke voorziening ‘aanwezig moet zijn’ wil deze als voorliggende voorziening aangemerkt kunnen worden. Voorbeelden van publiekrechtelijke voorzieningen zijn: de Wet langdurige zorg en de Wet op de rechtsbijstand. De Zorgverzekeringswet is een privaatrechtelijke schadeverzekering met een publiekrechtelijke waarborg. Dat laatste heeft te maken met een verzekerbaar recht op zorg.
Specifiek
Artikel 15 van de Participatiewet bepaalt de bevoegdheid tot bijstandsverlening in relatie tot de voorliggende voorziening. Er bestaat geen recht op bijstand voor zover de belanghebbende een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die - gezien de aard en doel daarvan - toereikend en passend wordt geacht. Ook bestaat geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Dit geldt ook als de voorliggende voorziening voor een specifieke situatie oordeelt dat de kosten niet noodzakelijk zijn. Voorbeelden van voorliggende voorzieningen zijn: de Zorgverzekeringswet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
3.1.8 Zeer dringende redenen
Artikel 16 van de Participatiewet is van toepassing op personen die zijn uitgesloten van het recht op bijstand. De uitsluitingsgronden zoals hier bedoeld zijn neergelegd in de artikelen 11, 13 lid 1 en 2 en 15 van de Participatiewet. Het is echter niet zo dat vreemdelingen, die niet zijn gelijkgesteld met een Nederlander, toch in aanmerking kunnen komen voor bijstand. Dat staat in artikel 16 lid 2 van de Participatiewet. Onder zeer dringende redenen vallen situaties van levensbedreigende aard of die blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kunnen hebben. Ernstig letsel kan ook psychisch letsel omvatten. In de praktijk doen zich dergelijke situaties zelden voor.
Minderjarige kinderen
Betreft het een aanvraag voor een minderjarig kind, dan geldt dat het college ook de financiële mogelijkheden van de wettelijk vertegenwoordiger als voogd zal moeten beoordelen en dat het doen van een aanvullend beroep op de onderhoudsplichtige ouder(s) door de wettelijke vertegenwoordiger in principe kan worden gevergd.
Medisch advies
Het college kan om medisch advies vragen voor de beoordeling van de aanvraag.
3.2 Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand
3.2.1 Bijzondere omstandigheden: reserveringscapaciteit
In beginsel moeten incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden voldaan uit iemands middelen via reservering dan wel via gespreide betaling achteraf. De hier bedoelde kosten zijn in principe voorzienbaar. Dat wil zeggen ze komen algemeen voor; iedereen kan met deze kosten worden geconfronteerd. Het kan ook gaan om kosten die niet vaak voorkomen maar die te maken hebben met een keuze. Denk bijvoorbeeld aan notariskosten voor een testament. Dat zijn in principe geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Voorbeelden van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn in ieder geval: duurzame gebruiksgoederen, legeskosten, aanschaf of vervanging van een identiteitsbewijs, verhuiskosten, et cetera. Dit betekent dat er in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor deze kosten.
Individuele toeslagen
De Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag maken ook onderdeel uit van het oordeel over de reserveringscapaciteit. Het staat belanghebbenden uiteraard vrij om deze toeslagen te besteden naar eigen wens, maar de keuzes die daarbij worden gemaakt kunnen niet op de bijzondere bijstand worden afgewenteld.
Schulden
Het niet of onvoldoende kunnen reserveren vanwege de aflossing op schulden is in principe geen bijzondere omstandigheid. Daaronder vallen ook de situaties:
–als beslag is gelegd op het inkomen (ook de bijstandsuitkering);
–als een WSNP-traject word gevolgd;
–als een gemeentelijk schuldtraject wordt gevolgd.
Het college beoordeelt of de noodzakelijke kosten in het individuele geval voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
Uitzonderingen
Een oordeel over de reserveringscapaciteit heeft logischerwijs ook te maken met de vraag of de kosten van de belanghebbende plotseling zijn opgekomen en daarom niet voorzienbaar waren. Ook kan de periode, waarover men geacht wordt te reserveren, te kort zijn geweest. Het kan ook voorkomen dat de periode waarover men geacht wordt te kunnen reserveren te kort is gelet op de hoogte van de kosten. Denk bijvoorbeeld aan een lange periode van detentie bij een aanvraag om inrichtingskosten. Daarnaast kan het voorkomen dat belanghebbende in de te beoordelen periode te maken heeft gehad met een cumulatie van noodzakelijke voorzienbare kosten. Gelet op de aard en omvang van die kosten kan dat met zich meebrengen dat er geen of onvoldoende reserveringsmogelijkheden zijn. Het ligt op de weg van belanghebbende om dat aan te tonen.
Beoordeling
Het college beoordeelt bij de aanvraag om bijzondere bijstand of:
•de kosten noodzakelijk zijn;
•gebruik kan worden gemaakt van garantiebepalingen (consumentenrecht);
•er ten tijde van de te maken kosten aflossingen zijn;
•de belanghebbende in (een deel van) de reserveringsperiode een gebrek aan inkomen (niet door beslag of schulden) heeft of heeft gehad;
•de belanghebbende een of meerdere Individuele (Inkomens)toeslagen heeft ontvangen;
•de kosten voorzienbaar zijn;
•de kosten als gevolg van een plotselinge noodzaak zijn opgekomen.
3.2.2 Bijzondere omstandigheden: overig
Er kan niet altijd op voorhand worden gezegd of de kosten waar bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd incidenteel of periodiek voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. Het zijn in ieder geval kosten die niet als ‘algemeen’ worden aangemerkt en waar dus niet het karakter van vervanging dan wel voorzienbaarheid in besloten zit. Voor dergelijke kosten geldt geen reserveringsplicht. Voorbeelden van incidenteel of periodiek voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn: wettelijke eigen bijdragen, bewindvoeringskosten, dieetkosten, meerkosten voor stoken van de woning, et cetera.
3.5 Hoogte van de bijzondere bijstand
3.5.1 Richtprijzen
Voor het vaststellen van de hoogte van de individuele bijzondere bijstand kan het college gebruik maken van richtprijzen. Die richtprijzen kunnen worden gebaseerd op bepaalde bronnen zoals:
•De NIBUD-Prijzengids
•De Wet Inkomstenbelasting 2001
•De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
•De Regeling zorgverzekering
•Openbaar Vervoer
•Zorgpolis voor minima
3.5.2 Duurzame gebruiksgoederen
Voor de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen gelden de volgende uitgangspunten:
•belanghebbende verstrekt een concreet overzicht van de aan te vragen duurzame gebruiksgoederen;
•belanghebbende verstrekt een aantoonbare verifieerbare kostenopgave op basis van tweedehands richtprijzen (kringloop of markplaats);
•de hoogte van de bijzondere bijstand voor niet-tweedehands duurzame gebruiksgoederen bedraagt in principe niet meer dat 75% van de Nibud richtprijs en wordt in principe verstrekt in de vorm van een lening;
•bij een volledige inrichting die niet volledig bestaat uit tweedehands duurzame gebruiksgoederen dan hanteert het college in principe 50% van de Nibud richtprijs;
•het college kan bij duurzame gebruiksgoederen in de vorm van witgoed afwijken van hetgeen is bepaald over tweedehands richtprijzen.
3.5.3 Opknapkosten (Verf/ behang/ basisafwerking)
Aan de belanghebbende kan bijzondere bijstand voor de kosten van het opknappen van de woning worden verleend. De opknapkosten bedragen maximaal € 300,- en worden om niet verleend.
3.5.4 Nadere regels over verhuizen bij wijziging gezinssituatie/gezinshereniging
Voorzienbare verhuizingen zijn verhuizingen die voortvloeien uit een wens om van woning of buurt te veranderen, of groter te gaan wonen. In deze gevallen is er geen sprake van een noodzakelijke verhuizing en wordt er geen bijstand verstrekt.
Soms verkeren mensen in zodanige omstandigheden dat bijstandsverlening noodzakelijk is. Als er een lening is verstrekt voor de inrichting van de woning kan het voorkomen dat binnen de aflostermijn van 3 jaar er een wijziging plaatsvindt in de gezinssituatie waardoor er extra kosten moeten worden gemaakt. Als deze wijziging niet voorzienbaar was, er geen reservering mogelijk was en bijstandsverlening is noodzakelijk, wordt er individueel bekeken wat de extra noodzakelijke kosten zijn volgens deze beleidsregels. Dit betreft een nieuwe lening met een nieuwe aflostermijn.
Bij gezinshereniging van statushouders is er een uitzondering; als de hereniging binnen 24 maanden na de eerste vestiging in de gemeente plaatsvindt, wordt de extra lening bij de bestaande lening gevoegd en is er geen sprake van een nieuwe lening met een nieuwe aflostermijn. Is er een hereniging na 24 maanden dan is er wel een nieuwe lening met een nieuwe aflostermijn.
3.6 Vorm van de bijzondere bijstand
3.6.1 Lening
Voor incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geldt de reserveringsplicht. Een aanvraag voor dergelijke kosten wordt in principe afgewezen. Het college kan een belanghebbende tegemoetkomen in geval van een acute noodzaak. In dat geval wordt het recht op bijstand vastgesteld op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de kosten van het bestaan. De vorm van de bijzondere bijstand is dan een lening op grond van artikel 48 lid 2 van de Participatiewet.
3.6.2 Duurzame gebruiksgoederen
Artikel 51 lid 1 van de Participatiewet bepaalt een dwingende volgorde voor de vorm van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen. Afhankelijk van de individuele omstandigheden van belanghebbende geldt:
1borgtocht, als alleen onder deze voorwaarde een lening wordt verstrekt voor de kosten;
2lening, als borgtocht niet mogelijk is; en
3om niet, als bovengenoemde vormen niet aan de orde zijn.
3.6.3 Vorm duurzame gebruiksgoederen en een schuldtraject (minnelijk en wettelijk)
Het college verleent de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen (op basis van tweedehands richtprijzen), om niet, als de belanghebbende is toegelaten tot schuldhulpverlening, volledig meewerkt aan de uitvoering van het plan van aanpak en een aantoonbaar laag besteedbaar inkomen heeft.
3.6.4 In natura
Is het college van oordeel dat belanghebbende niet in staat is tot verantwoorde besteding van de bijzondere bijstand, dan kan het die bijstand in natura verlenen onder toepassing van artikel 57 van de Participatiewet. Problematische schulden of een dreigend afglijden door psychosociale problemen, dakloosheid of verslaving kan daarvoor aanleiding zijn. Bijstand in natura kan bestaan uit de kosten voor:
•woonruimte met gebruik van water, gas en licht;
•verzekeringen;
•duurzame gebruiksgoederen;
•kleding.
Hoofdstuk 4 Kostensoorten bijzondere bijstand
4.2 Bijzondere bijstand levensonderhoud
4.2.1 Levensonderhoud bij dwangopname Wlz-instelling en/of penitentiaire inrichting
Voor de hieronder genoemde situaties is bijzondere bijstand mogelijk voor de kosten van het levensonderhoud. Het betreft belanghebbenden die:
a.gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ);
b.door de rechter onvrijwillig zijn geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.); of
c.door de rechter, na ontslag van alle rechtsvervolging, op grond van artikel 37a, 37b lid 1 of 38a Sr onvrijwillig zijn geplaatst in een Tbs-inrichting.
Hoogte
De hoogte van de periodieke bijzondere bijstand voor belanghebbenden gemeld onder a en b, is gelijk aan de bijstandsnorm bij verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 23 lid 1 en 2 van de Participatiewet. Voor belanghebbenden genoemd onder c, is de norm gelijk aan de bijstandsnorm bij verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 23 lid 1 van de Participatiewet. Omdat de geneeskundige zorg voor deze categorie personen door het Ministerie van Justitie wordt betaald bestaat er voor hen geen recht op de verhoging als bedoeld in artikel 23 lid 2 van de Participatiewet. De bijzondere bijstand wordt inclusief vakantietoeslag uitbetaald, er wordt dus geen vakantietoeslag gereserveerd.
Hoofdstuk 5 Draagkrachtregels
5.1 Algemene beleidsuitgangspunten
5.1.1 Bekostigd uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm
Het college heeft een beperkte beoordelingsvrijheid om te beoordelen dat de kosten kunnen worden bekostigd uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de individuele omstandigheden. Denk bijvoorbeeld bij reiskosten aan de frequentie van het gewenste bezoek (eens per maand), de duur van de detentie, bij detentie in het buitenland en het oordeel over de vraag of belanghebbende verplichte aflossingen heeft of er beslag ligt op het inkomen.
5.1.2 Geen kostendelersnorm
Bij het vaststellen van de draagkracht (inkomen en vermogen) is de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet niet van toepassing.
5.1.3 Individuele toeslagen
De Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag worden niet in aanmerking genomen bij de draagkracht.
5.1.4 Draagkrachtperiode
De periode waarover de draagkracht wordt vastgesteld, wordt de draagkrachtperiode genoemd. Deze periode wordt in beginsel vastgesteld voor twaalf maanden. De draagkrachtperiode begint op de eerste dag van de maand waarop de kosten betrekking hebben. Dit betekent dat over de draagkrachtperiode moet worden berekend hoe groot de ruimte in het inkomen en/of het vermogen is. De hoogte van de draagkracht wordt in mindering gebracht op de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.
Kortere periode; afhankelijk van de kostensoort of situatie kan het college de draagkrachtperiode ook voor minder dan twaalf maanden vaststellen.
5.1.5 Wijziging draagkracht
Het inkomen en/of het vermogen kunnen wijzigen tijdens de draagkrachtperiode. Denk aan de beëindiging van een studie of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het kan ook zijn dat zich een wijziging voordoet in de gezinsomstandigheden, zoals een huwelijk, echtscheiding of overlijden. Het college stelt in voorkomende gevallen de draagkracht voor het resterende deel van de draagkrachtperiode opnieuw vast. Wanneer bij de vaststelling van de draagkracht(periode) een inkomenswijziging kan worden voorzien, wordt deze zoveel mogelijk meegenomen. Het ligt voor de hand dat het college de draagkrachtperiode dan voor een kortere periode dan twaalf maanden vaststelt.
5.1.6 Drempelbedrag artikel 35 lid 2 van de Participatiewet
Het college kan gebruik maken van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de Participatiewet. Het college maakt hier geen gebruik van.
5.2 Regels rondom inkomen
5.2.1 Verhoging kindgebonden budget
De verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders, de zogeheten alo-kop wordt niet in aanmerking genomen.
5.2.2 Beschikken en redelijkerwijs beschikken
Voor de draagkracht moet het college uitgaan van het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over inkomen (of vermogen).
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
6.1 Situaties met een niet-rechthebbende partner
6.1.1 Algemene kosten van het bestaan
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de situaties bedoeld in het onderdeel 6.1 van deze beleidsregels. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de hoogte van de zogeheten alo-kop (met ten laste komende kinderen) of het verschil tussen de hier bedoelde 50% norm en de bijstandsnorm die geldt voor een alleenstaande.
Nadere verplichting
Het college kan aan de bijzondere bijstand die onder toepassing van art. 16 van de Participatiewet wordt verleend nadere verplichtingen verbinden dat de belanghebbende tegen afwijzing of herziening van de Awir-toeslagen in bezwaar gaat. Het gaat dan om het aanvechten van het standpunt van de Belastingdienst-Toeslagen dat toekenning van deze toeslagen een onaanvaardbare doorkruising is van het zogeheten koppelingsbeginsel.