Aanhef
De raad van de gemeente Raalte,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 oktober 2021, zaaknummer 76743-2021;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5, 2.1.6, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;
de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;
de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 9a, 10b, 18, 41, en 47 van de Participatiewet;
artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; en
de artikelen 108, 147 en 150 van de Gemeentewet;
gezien het advies van de Wmo-raad en Adviesraad Werk en Inkomen;
Besluit:
Vast te stellen de Verordening domein sociaal gemeente Raalte:
Hoofdstuk 2. De hulpvraag
2.1 Contact opnemen met de gemeente
2.1.1 Stellen hulpvraag
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1Inwoners die hulp nodig hebben kunnen contact opnemen met de gemeente. De inwoner kan contact opnemen op de volgende manieren:
•Schriftelijk;
•Mondeling;
•Telefonisch;
•Digitaal, via een e-mail.
2Een melding voor een bijstandsuitkering voor levensonderhoud of een IOAW-uitkering kan alleen digitaal worden gedaan bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) via www.werk.nl.
3Een melding voor een IOAZ-uitkering en een melding voor een uitkering en/of bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) moeten bij het Regionaal bureau zelfstandigen (Rbz) Zwolle worden gedaan.
2.1.2 Uitnodiging gesprek
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1In het geval van Wmo- en jeugdhulp registreert en bevestigt de gemeente de ontvangst van de hulpvraag en neemt deze in behandeling.
2De gemeente nodigt de inwoner uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn (huisbezoek), als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag. Het gesprek kan ook telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is. Als de hulpvraag en de persoonlijke situatie van de inwoner voldoende bekend zijn bij de gemeente, kan de gemeente beslissen dat een gesprek niet nodig is.
3Als het gaat om een hulpvraag op het gebied van de Jeugdwet kan het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) Raalte de hulpvraag in behandeling nemen. De gemeente werkt met het CJG samen.
4De gemeente wijst de inwoner op de mogelijkheid om in bepaalde gevallen (bij de Wmo en Jeugdwet) zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag. Dit noemen we een persoonlijk plan (Wmo) of familiegroepsplan (Jeugdwet).
5Als de inwoner een vraag heeft of informatie wil over maatschappelijke ondersteuning, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk of bijvoorbeeld inkomen kan hij terecht bij een onafhankelijke deskundige (cliëntondersteuner). De inwoner kan de cliëntondersteuner ook inschakelen als hij bijvoorbeeld graag wil dat iemand meegaat naar het gesprek, helpt met de voorbereiding hiervan of helpt met het indienen van een aanvraag. De cliëntondersteuner denkt altijd mee in het belang van de inwoner. De inwoner hoeft voor deze ondersteuning niet te betalen.
2.1.3 Gegevens
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en/of het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet kan inzien of verkrijgen, dan wordt aan de inwoner gevraagd om die gegevens binnen een bepaalde termijn in te leveren. De inwoner levert alle gegevens in die nodig zijn voor het onderzoek en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
2.2 Onderzoek na de melding
2.2.1 Doel onderzoek en procedure gesprek
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
Het doel van het onderzoek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. De gemeente kan de ouders, de vertegenwoordiger of de mantelzorger van de inwoner ook vragen zich te identificeren met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit in het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid of een onafhankelijke cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
2.2.2 Onderzoek
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1De medewerker onderzoekt:
a.De behoefte van de inwoner: wat is de hulpvraag en welk effect wil de inwoner bereiken?
b.De persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?
c.De (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
d.De omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociaal netwerk of kunnen organisaties bieden?
e.Welke hulp er gegeven kan worden en in welke vorm: is dit een andere voorziening of hulp-op-maat? Kan er een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt? Moet de inwoner een bijdrage in de kosten betalen?
f.Of er contact nodig is met anderen over de persoonlijke situatie van de inwoner. Hierover wordt de inwoner altijd geïnformeerd.
2Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.
3De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren.
4In het gesprek wijst de medewerker de inwoner op de vervolgprocedure en zijn rechten en plichten.
2.2.3 Verslag
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1De medewerker maakt een verslag van het gesprek, als dit er is geweest, en van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. In het geval van Wmo- en jeugdhulp betrekt de medewerker het persoonlijk plan of familiegroepsplan bij het verslag, als de inwoner dit plan heeft gemaakt.
2Indien van toepassing wordt bij Wmo-hulp de behoefte aan maatregelen om de mantelzorger te ondersteunen in het verslag verwerkt.
3Als het gaat om Wmo-hulp, stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen. Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag. Het verslag is twee maanden geldig. De feiten en omstandigheden mogen dan in de tussentijd niet veranderd zijn.
4Als het gaat om Wmo- of jeugdhulp, kan de gemeente direct een ondersteuningsplan opstellen in plaats van een verslag.
2.3 Aanvraag
2.3.1 Aanvraag
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Llv, Wko, Awb)
1De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente. Voor Wmo- en jeugdhulp geldt dat een verslag of ondersteuningsplan die ondertekend is door de inwoner, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, kan worden gezien als een aanvraag. Het doel van de aanvraag is om te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en welke vorm die hulp heeft.
2Als het gaat om Wmo-hulp, kan de inwoner een aanvraag zowel mondeling als schriftelijk indienen. De inwoner kan de aanvraag pas indienen als de gemeente klaar is met het onderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 2.2. Behalve als de gemeente binnen zes weken na de hulpvraag nog niet klaar is.
3Melding en aanvraag worden op hetzelfde moment gedaan als het gaat om een bijstandsuitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder of om het vervoer van kinderen naar school. Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend.
4Als het gaat om een bijstandsuitkering kan de inwoner die jonger is dan 27 jaar pas een aanvraag indienen als er na de melding vier weken voorbij zijn gegaan. Behalve als de melding door gehuwden is gedaan en één van de echtgenoten 27 jaar of ouder is. Zij kunnen de melding en aanvraag op hetzelfde moment doen.
5De gemeente kan besluiten dat ook voor bepaalde andere vormen van hulp melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. Inwoners kunnen dan bij de melding direct een aanvraag indienen. De gemeente kan besluiten dat een gesprek over hulpvraag niet nodig is. De melding en aanvraag worden direct afgehandeld. Alleen als er een reden voor is of op verzoek van de inwoner volgt een gesprek.
6Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente, behalve als het om een aanvraag voor een bijstandsuitkering gaat voor alle dagelijkse kosten (algemene bijstand voor levensonderhoud), een IOAW- en IOAZ-uitkering. De aanvragen voor een bijstandsuitkering en IOAW-uitkering worden digitaal ingediend bij het UWV (www.werk.nl). De aanvraag voor een IOAZ-uitkering en de aanvraag voor een uitkering en/of bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) worden bij het Regionaal bureau zelfstandigen (Rbz) Zwolle ingediend.
7Een aanvraag voor leerlingenvervoer kan alleen digitaal worden gedaan via www.raalte.nl/leerlingenvervoer.
2.3.2 Voorwaarden voor hulp-op-maat
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1Vraagt de inwoner hulp-op-maat? Dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a.De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;
b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp, hulp vanuit het sociaal netwerk, mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen, organisaties of wettelijke regelingen; en
c.De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner.
2Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.
3De hulp-op-maat is niet luxer of duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen.
4De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien.
5De gemeente kan de hulp-op-maat weigeren als de inwoner onvoldoende meewerkt, waardoor de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is.
2.3.3 Advisering
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Llv, Wko, Awb)
De gemeente kan om een onafhankelijk (deskundigen)advies vragen als dit nodig is voor het onderzoek of voor de beoordeling van de melding en/of aanvraag, bijvoorbeeld een medisch advies.
2.3.4 Beoordelen aanvraag
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Llv, Wko, Awb)
1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:
a.De behoeften van de inwoner;
b.De (on)mogelijkheden van de inwoner;
c.De persoonlijke situatie van de inwoner;
d.De mogelijkheden van het sociaal netwerk, andere organisaties en de gemeente.
2Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen:
Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is.
Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen en beperkingen er precies zijn.
Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoe veel.
Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht) of met gebruikelijke hulp, hulp vanuit het sociaal netwerk, mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen, organisaties of wettelijke regelingen.
Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
3Voor iedere stap geldt dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig? Dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.
2.3.5 Beslistermijn
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Llv, Wko, Awb)
1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo? Dan beslist de gemeente binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen.
2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. De inwoner ontvangt hierover een brief van de gemeente. In deze brief noemt de gemeente een termijn waarbinnen de inwoner alsnog alle gegevens moet inleveren. De beslistermijn wordt verlengd met deze termijn.
3Als het de gemeente niet lukt om binnen de termijn genoemd in het eerste lid een besluit te nemen, kan zij deze termijn één keer verlengen. De inwoner ontvangt hierover een brief van de gemeente. In deze brief noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen. Gaat het om een aanvraag voor leerlingenvervoer? Dan duurt de nieuwe termijn maximaal vier weken.
2.4 Beslissing
2.4.1 Inhoud besluit
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Llv, Wko, Awb)
1De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven (zie voor uitleg hoofdstuk 8)
2Geeft de gemeente de hulp in natura? Dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is;
b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;
c.hoe en, als dit bekend is, door wie de hulp wordt gegeven; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.
3Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb? Dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.wat het pgb inhoudt en waarvoor het pgb bedoeld is;
b.hoe hoog het pgb is;
c.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;
d.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en
e.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.
4Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld? Dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.voor welk doel het geld wordt gegeven;
b.wanneer het geld wordt betaald;
c.hoe vaak het geld wordt betaald; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.
5De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Dit is de eigen bijdrage.
2.5 Uitzonderingen
2.5.1 Jeugdhulp via verwijzers
(Jeugdwet)
1De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts en medisch specialist de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.
2De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige dyslexiezorg krijgt, als de school de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.
3De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als er een kinderbeschermingsmaatregel is opgelegd door de rechter of een gecertificeerde instelling.
4De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting dit nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
5De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de gecertificeerde instelling dit nodig vindt bij de uitvoering van jeugdreclassering.
6De gemeente stuurt over de jeugdhulp bedoeld in dit artikel geen besluit per brief, behalve als de jeugdige en/of zijn ouders hierom vraagt/vragen.
2.5.2 Spoedeisende gevallen
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv)
1In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
a.het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;
b.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;
c.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning;
d.schuldhulpverlening;
e.vervoer naar school, of
f.het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.
2Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.
Hoofdstuk 3. Werk en participatie
3.4 Voorzieningen – werk
3.4.1 Plan van aanpak
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente stelt een plan van aanpak op. Hierin staat:
a.welke hulp de inwoner krijgt en waarvoor de hulp bedoeld is;
b.welke afspraken er met de inwoner worden gemaakt over de hulp en over de eigen acties van de inwoner om dichterbij werk te komen;
c.wat het tijdspad is; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.
2De gemeente betrekt de inwoner bij het opstellen van het plan van aanpak. De gemeente laat in het plan van aanpak zien wat de inbreng van de inwoner is.
Voorzieningen voor inwoners met een kleine kans op betaald werk
3.4.2 Sociale activering
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. Vrijwilligerswerk is hier een voorbeeld van. Hoelang dit duurt hangt af van de mogelijkheden en vaardigheden van de inwoner.
2Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en/of moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. Hierdoor wordt de kans op betaald werk uiteindelijk vergroot.
3Het werk mag niet leiden tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en mag ook geen oneerlijke concurrentie met andere organisaties veroorzaken.
3.4.3 Werkervaringsplek
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op werk en/of nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt een werkervaringsplaats aanbieden.
2Het doel van een werkervaringsplaats is om de inwoner met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring op te laten doen of te leren functioneren in een werkomgeving.
3In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval afgesproken welk doel de werkervaringsplek heeft en hoe de begeleiding plaatsvindt.
4De werkervaringsplek duurt minimaal drie maanden en kan tot maximaal twaalf maanden worden verlengd. Dit betekent dat een werkervaringsplek niet langer dan één jaar duurt.
5Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
3.4.4
(vervallen)
3.4.5 Participatieplaats
(PW, IOAW, IOAZ)
1Als een inwoner een bijstandsuitkering voor levensonderhoud heeft, maar een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, kan de gemeente hem een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn.
2Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht.
4De inwoner kan na iedere periode van 6 maanden een premie van € 100,- ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit.
5Het werk mag niet leiden tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en het werk mag ook geen oneerlijke concurrentie met andere organisaties veroorzaken.
3.4.6 Beschut werk
(PW, IOAW, IOAZ)
1Als het UWV heeft vastgesteld dat een inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn mogelijkheden, biedt de gemeente een beschutte werkplek aan. Hierbij gelden de voorwaarden uit de Participatiewet.
2De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt.
3Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden.
4De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
a.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
b.uitsplitsing van taken;
c.aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.
3.4.7 Loonkostensubsidie buiten de wettelijke doelgroep
(PW, IOAW, IOAZ)
1Als de gemeente het noodzakelijk vindt, kan de gemeente een loonkostensubsidie verstrekken aan inwoners die buiten de wettelijke doelgroep vallen en geen recht hebben op loonkostensubsidie (artikel10c en 10d Participatiewet).
2De loonkostensubsidie is maximaal 50% van de loonkosten voor maximaal 12 maanden en kan verlengd worden tot maximaal 24 maanden.
3De loonkostensubsidie wordt alleen gegeven als dit geen oneerlijke concurrentie veroorzaakt en er geen medewerkers verdrongen worden op de arbeidsmarkt.
4De loonkostensubsidie wordt niet gegeven als de werkgever al gebruikmaakt van een andere regeling voor financiële hulp bij het aannemen van de werknemer, of als het aannemelijk is dat de inwoner ook zonder loonkostensubsidie voor dat werk kan worden aangenomen.
3.4.8 Wettelijke loonkostensubsidie
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.
3De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de loonwaardemethode Dariuz Works of een soortgelijk instrument toe. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat inwoner op de werkplek zou kunnen verdienen op basis van de cao van de werkgever, afgezet tegen de mogelijkheden van de inwoner om het werk te kunnen doen.
Voorzieningen voor inwoners met een grote kans op betaald werk
3.4.9 Scholing
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan een inwoner een scholingstraject aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk voor een langere periode. Dit artikel geldt niet als de inwoner jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen.
2De scholing past bij de capaciteiten van de inwoner en vergroot de kansen van de inwoner op de arbeidsmarkt.
3De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing is bij voorkeur een praktijkgerichte opleiding of training.
3.4.10 Proefplaatsing
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan een inwoner voor een proefperiode tijdelijk laten werken bij een werkgever, terwijl de inwoner zijn uitkering behoudt.
2Het doel van de proefplaatsing is om te zien of de inwoner geschikt is voor het werk en om de werkgever te helpen een indruk te krijgen van de geschiktheid van de inwoner. Tijdens deze proefperiode blijft de inwoner zijn uitkering ontvangen.
3In een schriftelijke overeenkomst tussen de inwoner, werkgever en de gemeente wordt in ieder geval afgesproken wat het doel van de proefplaatsing is, hoelang de proefplaatsing duurt, wat de werkzaamheden en werktijden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt.
4De proefplaatsing is alleen mogelijk als deze leidt tot een dienstverband van minimaal 6 maanden, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk.
5De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de werkzoekende goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband, moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de werknemer te begeleiden.
6De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden. De proefplaatsing kan eenmalig met maximaal 4 maanden worden verlengd als dit noodzakelijk is voor de werkgever om een goed beeld van de geschiktheid van de inwoner te krijgen.
7Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en dat er geen oneerlijke concurrentie ontstaat met andere organisaties.
8De gemeente weigert de toestemming voor de proefplaatsing als kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing voor het werk kan worden aangenomen.
9Als het werk tijdens de proefplaatsing wordt onderbroken vanwege ziekte, wordt deze periode niet meegerekend in de maximale proefperiode.
Andere voorzieningen
3.4.11 Hulp bij een leer-werktraject
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan een inwoner die een leer-werktraject nodig heeft, helpen om de stap richting werk te zetten (artikel 10f van de PW). Deze hulp is bedoeld voor:
a.jongeren van 16 of 17 jaar oud die nog onder de leerplicht of kwalificatieplicht vallen volgens de Leerplichtwet 1969; of
b.jongeren van 18 tot 27 jaar oud die geen havo- of vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben gehaald.
2Extra hulp wordt alleen geboden wanneer de hulp die de school of werkgever al biedt niet voldoende is.
3.4.12 Persoonlijke hulp bij werk
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan een inwoner persoonlijke hulp aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om aan het werk te kunnen gaan of om zijn werk goed te kunnen doen.
2Het doel van de persoonlijke hulp is om de werknemer te helpen zijn werk goed te kunnen doen.
3Persoonlijke hulp bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt overeenkomstig de bepalingen van 3.4A
3.4.13 Andere voorzieningen en vergoedingen
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.
2De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk.
3.4.14 Vernieuwende projecten
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan afwijken van de bepalingen uit dit hoofdstuk, als dat nodig is om met een experiment te onderzoeken of inwoners sneller of voor een langere periode aan het werk kunnen gaan of beter de stap naar werk kunnen zetten.
2De duur van zo’n afwijking is ten hoogste drie jaar. Deze periode kan worden verlengd, als de verordening vanwege een succesvol experiment wordt gewijzigd. De duur kan dan worden verlengd tot aan het moment waarop de aangepaste verordening in werking treedt.
3.4.15 Kinderopvang
(PW, IOAW, IOAZ, Wko)
1De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is:
a.als de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan; en
b.opvang niet mogelijk is binnen het sociaal netwerk van de inwoner.
2De inwoner die kinderopvangtoeslag ontvangt, kan voor de kosten van kinderopvang die voor zijn rekening blijven, van de gemeente een bijdrage krijgen, als hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering en de kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening), of
b.de inwoner volgt voltijds HBO- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs, en
c.de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of gastouderbureau.
3De gemeente legt in beleidsregels vast welke aanvullende voorwaarden gelden en wat de hoogte van de vergoeding is.
3.4.16 Uitstroompremie
1De gemeente kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een inwoner die langdurig werkloos is en duurzaam uitstroomt naar werk dat algemeen geaccepteerd is. Hierdoor heeft de inwoner geen recht meer op een uitkering van de gemeente.
2Langdurig werkloos betekent dat iemand gedurende 12 maanden of langer afhankelijk is geweest van een uitkering van de gemeente.
3De gemeente beschouwt de uitstroom als duurzaam wanneer de inwoner minimaal 6 maanden geen uitkering nodig heeft gehad.
4De hoogte van de uitstroompremie is als volgt:
a.€ 500,- voor een alleenstaande;
b.€ 600,- voor een alleenstaande ouder;
c.€ 750 voor een echtpaar.
5De premie kan worden aangevraagd vanaf de 7e maand na het begin van het nieuwe werk en moet binnen 18 maanden na het begin van het nieuwe werk zijn aangevraagd.
6Als de persoon binnen de termijn van lid 3 naar een andere gemeente verhuist, blijft de gemeente verantwoordelijk voor de betaling van de uitstroompremie
3.4A Bijzondere regels bij voorzieningen – werk
3.4A1 Administratief proces loonkostensubsidie
3.4.17 Aanvraagproces loonkostensubsidie
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente geeft uit zichzelf of op verzoek loonkostensubsidie aan werkgevers die van plan zijn een dienstverband aan te gaan met een inwoner die valt onder de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 10d Participatiewet). Als een aanvraag wordt gedaan, zijn de punten 2 tot en met 5 van dit artikel van toepassing.
2Bij een beschikking op aanvraag stuurt de gemeente de beslissing naar de aanvrager (de werkgever of de persoon) en naar andere betrokkenen (werkgever of de persoon die niet de aanvraag heeft ingediend).
3Als het gaat om een inwoner die nog niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, wordt een aanvraag voor loonkostensubsidie ook gezien als een aanvraag om te bepalen of de persoon ervoor in aanmerking komt (artikel 10c, eerste lid, onder a van de Participatiewet).
4De gemeente bepaalt de loonwaarde binnen 4 weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij er in overleg met de werkgever gebruik wordt gemaakt van artikel 10d lid 5 Participatiewet.
5De gemeente neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.
3.4A.2 Procedure persoonlijke hulp bij werk en overige voorzieningen
3.4.18 Voorwaarden toekenning persoonlijke hulp bij werk en overige voorzieningen
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan persoonlijke hulp bij werk en andere voorzieningen bieden aan een inwoner met een arbeidsbeperking.
2Bij het bieden van persoonlijke hulp bij werk en overige voorzieningen gelden extra voorwaarden, namelijk:
a.De inwoner moet tot de doelgroep behoren en minimaal 18 jaar oud zijn, tenzij hij naar het voortgezet speciaal onderwijs of praktijkonderwijs is gegaan.
b.De inwoner kan niet werken zonder deze hulp.
c.De werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal 6 maanden, met een werktijd van minimaal 12 uur per week of er is zicht op zo'n arbeidscontract.
d.Het is geen taak die onder de verantwoordelijkheid van de werkgever valt volgens de Arbowet.
e.Het betreft geen normaal hulpmiddel dat kan worden meegenomen of normaal is binnen een organisatie.
f.Er is volgens de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die normaal gesproken van de werkgever kan worden verlangd; en
g.De kosten van de voorziening(en) zijn volgens de gemeente redelijk. Dit betekent dat de kosten in verhouding staan tot de maatschappelijke voordelen van uitstroom naar werk.
3.4.19 Aanvraagprocedure persoonlijke hulp bij werk en overige voorzieningen
(PW, IOAW, IOAZ)
1Een aanvraag voor persoonlijke hulp bij werk en andere voorzieningen kan worden ingediend bij de gemeente door de inwoner zelf of door zijn werkgever. De gemeente kan hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar stellen.
2De gemeente bespreekt met de inwoner (en als het nodig is met de werkgever) welke hulp of voorziening(en) nodig is om aan het werk te kunnen gaan.
3De gemeente onderzoekt zo snel mogelijk, maar op zijn laatst binnen 4 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en behoeften aan hulp van de inwoner.
4Als het nodig is voor de inwoner, onderzoekt de gemeente ook de mogelijkheden om samen te werken met andere organisaties, zoals op het gebied van gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen. Dit is om ervoor te zorgen dat er een goed afgestemde hulpverlening wordt geboden die gericht is op het kunnen gaan werken.
5Als het nodig is voor de beoordeling van de aanvraag, kan de gemeente advies vragen aan een deskundige.
6De gemeente maakt zo snel mogelijk na afronding van het onderzoek een verslag van de resultaten van het onderzoek.
7Op basis van het onderzoek neemt de gemeente een besluit en stuurt dit naar de inwoner en, als het van toepassing is, naar de werkgever.
3.4.20 Inhoud beschikking persoonlijke hulp bij werk en overige voorzieningen
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente geeft in een beschikking voor persoonlijke hulp of een andere voorziening in ieder geval aan:
a.Welke persoonlijke hulp of andere voorziening wordt verstrekt.
b.Als er subsidie wordt verstrekt, wat het bedrag van de subsidie is.
c.Hoelang de hulp wordt gegeven en in welke hoeveelheid.
d.Op welke momenten de hulp of voorziening wordt gegeven.
e.Als de toekenning anders is dan wat is aangevraagd, wat de reden hiervan is.
f.Welke andere hulp of voorziening belangrijk is en hoe de inwoner hierbij kan worden geholpen.
2Als de gemeente een aanvraag voor persoonlijke hulp of een andere voorziening afwijst omdat er al een andere voorziening bestaat, wordt in de brief vermeld om welke voorziening het gaat.
3.4A.3 Bijzondere regels bij persoonlijke hulp bij werk
3.4.21 Persoonlijke hulp bij werk
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan persoonlijke hulp bieden bij werk in de vorm van jobcoaching als dienst (in natura). Dit betekent dat er een jobcoach kan worden ingezet, die ofwel in dienst is van de gemeente, of werkzaam is bij een andere organisatie waar de gemeente de jobcoaching heeft ingekocht.
2De gemeente kan ook persoonlijke hulp bij werk aanbieden in de vorm van een subsidie (geldbedrag) aan werkgevers voor:
a.Jobcoaching door een jobcoach, die zowel binnen of buiten het bedrijf werkt; of
b.Werkbegeleiding door iemand die al in het bedrijf werkt.
3Deze persoonlijke hulp bij werk kan ook aangeboden worden bij een proefplaatsing, een leer- werktraject of om aan het werk te kunnen gaan in een betaalde baan.
3.4.22 Bijzondere regels toekenning persoonlijke hulp bij werk
(PW, IOAW, IOAZ)
1De aanvraag voor persoonlijke hulp bij werk moet worden ingediend binnen 8 weken nadat de inwoner is begonnen met werken. Dit hoeft niet als op dat moment de noodzaak voor deze hulp met een geldige reden nog niet bekend is.
2De gemeente neemt een besluit op basis van de persoonlijke situatie van de inwoner, waarbij gekeken wordt naar de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke hulp die nodig is.
3.4.23 Jobcoaching
(PW, IOAW, IOAZ)
1Een jobcoach die persoonlijke hulp bij werk biedt, moet aan de volgende kwaliteitseisen voldoen:
a.De jobcoach heeft minimaal Hbo werk- en denkniveau.
b.De jobcoach heeft een opleiding gevolgd voor jobcoaching.
c.De jobcoach is geregistreerd in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches en/of is werkzaam bij een organisatie met een Blik op werk of Oval Keurmerk, of heeft een jobcoach erkenning van het UWV.
d.De jobcoach heeft ervaring op het gebied van jobcoaching.
e.De jobcoach heeft kennis van de specifieke doelgroep met een arbeidsbeperking, (de ontwikkelingen op) de regionale arbeidsmarkt en de regionale sociale kaart.
f.De jobcoach zorgt ervoor dat zijn kennis en vaardigheden up-to-date blijven en investeert in na- en bijscholing.
2Er is een uitzondering op de gestelde voorwaarden in lid 1 voor situaties waarin een werknemer met een baan en bijbehorende jobcoach bij de gemeente komt, bijvoorbeeld door verhuizing of vanuit een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. De jobcoach moet binnen 1 jaar alsnog voldoen aan de eisen zoals gesteld in lid 1.
3De inzet van jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregimes:
-Licht: het eerste jaar 6% van de overeengekomen werkuren, het tweede jaar 3%, en vanaf het derde jaar en daarna 3%.
-Midden: het eerste jaar 10% van de overeengekomen werkuren, het tweede jaar 5%, en vanaf het derde jaar en daarna 3%.
-Intensief: het eerste jaar 15% van de overeengekomen werkuren, het tweede jaar 7,5%, en vanaf het derde jaar en daarna 6%.
4De gemeente kan afwijken van de in lid 3 bedoelde maximale percentages als de ondersteuning in verhouding staat tot het doel dat wordt bereikt met de inwoner die een baan aanneemt.
5Als de gemeente zelf jobcoaches in dienst heeft of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze als eerste aan.
6Voordat de gemeente de jobcoaching stopt, wordt onderzocht of dit mogelijk is. Als de werkgever en de inwoner het eens zijn met het stopzetten van de jobcoaching, hoeft er geen onderzoek te worden gedaan.
3.4.24 Jobcoaching als dienst (in natura)
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan op eigen initiatief of op verzoek jobcoaching als dienst (in natura) aanbieden.
2Bij aanvragen voor jobcoaching als dienst en bij de voorbereiding van een besluit op de aanvraag gelden ook de regels zoals beschreven in de artikelen 3.4.18 tot en met 3.4.23.
3.4.25 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan op aanvraag een subsidiebedrag geven aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching.
2Het bedrag voor het organiseren van jobcoaching kan worden gegeven met gebruik van de artikelen 3.4.18 tot en met 3.4.23, als;
a.De jobcoaching bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een gestructureerde begeleiding van de persoon die tot de doelgroep behoort, met als doel hem te helpen bij het uitvoeren van zijn taken. Dit wordt vastgelegd in een coachingsplan.
b.De omvang en kwaliteit van de jobcoaching moet passend zijn.
c.De continuïteit van de jobcoaching wordt gegarandeerd.
d.De persoon voor wie de subsidie wordt aangevraagd, is hiervan op de hoogte en stemt schriftelijk in met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3De gemeente kan voor jobcoaching een maximumbedrag per uur gebruiken, dat voldoende is om een jobcoach in te schakelen. De tarieven voor het betreffende jaar worden door het college bekendgemaakt.
4Met goedkeuring van zowel de werkgever als de inwoner voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach ook:
a.Hulp bieden gericht op het vinden van werk; of
b.Samen met andere voorzieningen hulp bieden bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.
3.4.26 Werkbegeleiding in het bedrijf (interne werkbegeleiding)
(PW, IOAW, IOAZ)
1Als een inwoner uit de doelgroep extra begeleiding nodig heeft om goed te kunnen werken, kan de gemeente een subsidiebedrag geven aan de werkgever. Dit bedrag dekt de extra kosten die nodig zijn voor het organiseren van werkbegeleiding in het bedrijf.
2De gemeente kan op eigen initiatief of na aanvraag van de werkgever een training aanbieden om een of meer medewerkers te leren hoe ze werkbegeleiding kunnen bieden aan inwoners die behoren tot de doelgroep.
3.4A.4 Bijzondere voorwaarden bij andere voorzieningen
3.4.27 Vervoersvoorziening voor mensen met een beperking
1Als iemand vanwege een beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen, kan de gemeente een vervoersvoorziening toekennen. Deze voorziening kan zowel in de vorm van een dienst (in natura) als een vergoeding in geld worden gegeven.
2De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.De inwoner kan vanwege zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruikmaken van het openbaar vervoer.
b.Het vervoer is beperkt tot het reizen tussen huis en werkplek.
3Het bedrag hangt af van het aantal werkdagen en is gebaseerd op het in de markt gangbare tarief voor een taxi of ander vervoermiddel.
4Als de werkgever al een vergoeding voor het vervoer aan de werknemer betaalt, dan wordt dit bedrag afgetrokken van het bedrag voor de vervoersvoorziening.
(PW, IOAW, IOAZ)
3.4.28 Bijzondere voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap
(PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente kan inwoners met arbeidsvermogen die moeite hebben met horen of bewegen een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen, zoals een doventolk of voorleeshulp.
3.4.29 Bijzondere voorwaarden meeneembare voorzieningen
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.
2Er is geen vaste lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde ervan voor het werk aantoonbaar is.
3De meeneembare voorziening wordt normaal gesproken in bruikleen verstrekt. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten de voorziening in eigendom te geven.
3.4.30 Bijzondere voorwaarden werkplekaanpassingen
(PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een inwoner als dit nodig is om zijn of haar werk te doen.
3.5 Tegenprestatie
3.5.1 Doel van de tegenprestatie
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving.
2Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.
3.5.2 Inhoud en voorwaarden van de tegenprestatie
(PW, IOAW, IOAZ)
1De tegenprestatie:
a.mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten;
b.is niet direct gericht op vergroten van de kans op betaald werk;
c.is niet bedoeld als voorziening om passend werk te vinden of behouden, en
d.leiden niet tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie.
2De werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden opgedragen:
a.zijn geen werkzaamheden die als betaald werk worden gedaan binnen de organisatie waarvoor de inwoner de tegenprestatie uitvoert;
b.zijn activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd.
3Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de volgende factoren:
a.de mogelijkheden, persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de inwoner;
b.de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de inwoner;
c.of de inwoner vrijwilligerswerk doet of andere activiteiten die maatschappelijk zinvol zijn, en
d.of de inwoner al deelneemt aan voorzieningen van de gemeente gericht op werk.
4De gemeente kan het verlenen van mantelzorg zien als tegenprestatie.
5De gemeente legt geen tegenprestatie op als er geen geschikte werkzaamheden zijn. In dat geval beoordeelt de gemeente binnen een redelijke termijn opnieuw of er geschikte werkzaamheden zijn die kunnen dienen als tegenprestatie.
3.5.3 Omvang van de tegenprestatie
(PW, IOAW, IOAZ)
De tegenprestatie heeft een omvang van gemiddeld twaalf uur per week.
3.6 Meedoen in de samenleving
3.6.1 Dagbesteding (ondersteuning in groepsverband)
(Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de dag goed in te vullen hulp-op-maat kunnen krijgen (dagbesteding). Dat houdt in dat inwoners onder begeleiding één of meer dagdelen per week mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten.
2De gemeente zorgt voor het vervoer naar en van de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen als:
a.de inwoner vanwege een beperking niet in staat is zelfstandig deze plek te bereiken; en
b.de inwoner niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier kan worden begeleid.
3.6.2 Persoonlijke begeleiding (ondersteuning individueel)
(Wmo)
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Dat houdt in dat inwoners in meerdere of mindere mate begeleid worden bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar kan als dat nodig is wel de regie overnemen.
3.6.3 Verplaatsen dicht bij huis
(Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking onvoldoende kunnen verplaatsen hulp-op-maat kunnen krijgen. Dat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis. Zo kunnen zij zelfstandig blijven en meedoen met sociale, recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen doen. Die hulp kan bijvoorbeeld bestaan uit het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met het plaatselijk (collectief) vervoerssysteem of het in gebruik geven van een vervoersmiddel.
2De hulp op maat is gericht op:
a.het zich verplaatsen rondom de woning;
b.het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis van de inwoner. Hiermee wordt 25 kilometer rondom de woning van de inwoner bedoeld.
3Voor het plaatselijk (collectief) vervoerssysteem geldt:
a.een kilometergrens van 1500 kilometer per jaar.
b.dat de inwoner een instaptarief en een reizigerstarief per kilometer is verschuldigd. Dit wordt betaald aan de aanbieder. Het college stelt de tarieven vast in nadere regels.
c.dat de inwoner het plaatselijk (collectief) vervoerssysteem niet mag gebruiken voor het vervoer naar de dagbesteding.
4De gemeente kan in individuele gevallen afwijken van de 25-kilometergrens (tweede lid, onderdeel b) en de 1500-kilometergrens (derde lid, onderdeel a).
5Voor het geschikt maken van de eigen auto door een autoaanpassing wordt maximaal één keer per zeven jaar een reële vergoeding verstrekt.
3.6.4 Verplaatsen in en om de woning
(Wmo)
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat kunnen krijgen. Dat houdt in dat de inwoner bijvoorbeeld een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik.
3.6.5 Vervanging vervoersmiddel en rolstoel
(Wmo)
Als de gemeente eerder een hulpmiddel voor vervoer of een rolstoel heeft verstrekt en deze moet worden vervangen, doet de gemeente dit alleen als het hulpmiddel voor vervoer:
a.technisch is afgeschreven;
b.verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of
c.geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het verplaatsen dichtbij huis.
Hoofdstuk 4. Gezond en veilig opgroeien
4.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp
(Jeugdwet, Gemeentewet, Awb)
1De gemeente ondersteunt jeugdigen en hun ouder(s) zodat zij gezond en veilig kunnen opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam zijn en kunnen participeren in de maatschappij.
2Uitgangspunt is dat ouder(s) primair verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen (art. 1:247 BW). De gemeente biedt alleen jeugdhulp als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn.
3Bij het bepalen of jeugdhulp nodig is, onderzoekt de gemeente in ieder geval:
a.wat de jeugdige en zijn ouder(s) zelf kunnen doen;
b.welke gebruikelijke hulp geboden kan worden;
c.welke hulp mogelijk is vanuit het sociale netwerk, mantelzorg en andere voorliggende voorzieningen (bijv. zorgverzekering, WLZ, onderwijs of maatschappelijke ondersteuning).
4Slechts voor zover deze mogelijkheden ontoereikend zijn, kan de gemeente een individuele voorziening toekennen.
5Indien het beoogde resultaat van de jeugdhulp niet kan worden bereikt op eigen kracht of met inzet van het sociaal netwerk, maar wel met een vrij toegankelijke voorziening, wordt die voorziening ingezet. Het gaat daarbij om algemene voorzieningen, zoals ondersteuning via het Centrum voor Jeugd en Gezin of een (jeugd)welzijnsorganisatie. Pas indien met deze hulp het gewenste resultaat niet kan worden bereikt, komt een individuele voorziening in beeld.
6Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouder(s).
4.2 Vrij toegankelijke jeugdhulp
(Jeugdwet)
1De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. De volgende vormen van hulp zijn vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing en/of een besluit van de gemeente nodig.
a.informatie en advies door het CJG;
b.activiteiten zoals trainingen, cursussen en themabijeenkomsten (CJG);
c.ondersteuning door vrijwilligers;
d.jeugdgezondheidszorg (GGD);
e.jongerenwerk;
f.mantelzorgondersteuning;
g.(school)maatschappelijk werk;
h.individuele- en gezinsondersteuning (CJG);
i.vertrouwenspersoon;
j.Veilig Thuis IJsselland: De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.
2De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp voor wordt geboden. Waar mogelijk biedt de gemeente jeugdhulp op vrijwillige basis.
4.3 Niet vrij toegankelijke jeugdhulp (hulp-op-maat)
(Jeugdwet, Awb)
1Jeugdigen of hun ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening als de gemeente van oordeel is dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn.
2De gemeente verstrekt geen individuele voorziening als de hulpvraag kan worden opgelost met:
a.eigen mogelijkheden van jeugdige of ouder(s);
b.gebruikelijke hulp;
c.hulp vanuit het sociaal netwerk;
d.een andere of overige voorziening die beschikbaar, passend en toereikend is.
3Een individuele voorziening wordt slechts toegekend als deze doeltreffend en passend is en naar verwachting wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopst adequate voorziening.
4De volgende vormen van hulp zijn niet vrij toegankelijk (hulp-op-maat). De jeugdige heeft hiervoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig
a.begeleiding individueel (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp)
b.begeleiding groep (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp)
c.persoonlijke verzorging
d.specialistische diagnostiek (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp) en behandeling;
e.dyslexiezorg;
f.vervoer van de jeugdige van en naar de plek waar jeugdhulp wordt aangeboden;
g.verblijf;
h.spoedzorg met en zonder verblijf;
i.pleegzorg;
j.forensische zorg;
k.gesloten jeugdzorg.
Artikel 4.4 Onderzoek en verslaglegging
(Jeugdwet, Awb)
1De gemeente onderzoekt bij een hulpvraag van een jeugdige of ouder(s):
a.wat de hulpvraag is en wat deze heeft doen ontstaan;
b.de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid en gezinssituatie;
c.de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en ouder(s);
d.in hoeverre het sociaal netwerk of andere voorzieningen ondersteuning kunnen bieden;
e.de noodzakelijke hulp en in welke vorm deze passend is.
2De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen een familiegroepsplan overleggen. Het college wijst hen actief op deze mogelijkheid en biedt ondersteuning bij het opstellen ervan. Dit plan wordt altijd bij het onderzoek betrokken.
3De aanvraag middels het daartoe bestemde aanvraagformulier is de basis voor het onderzoek zoals genoemd in lid 3. Een aanvraagformulier dient altijd ondertekend te zijn. Dit is tevens het startpunt van de aanvraag en het onderzoek.
4De gemeente legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag, ook wel het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan wordt aan de jeugdige en/of ouder(s) verstrekt. Opmerkingen of aanvullingen van ouders en/of de jeugdige worden toegevoegd.
Artikel 4.5 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
(Jeugdwet, Awb, Burgerlijk Wetboek)
1Uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen primair bij de ouder(s) ligt. Dit volgt uit de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit tot situaties waarin sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen van de jeugdige.
2Een individuele voorziening wordt niet verstrekt indien uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om, zo nodig met ondersteuning van hun sociale netwerk of andere (hulpverlenende) instellingen, de noodzakelijke hulp te bieden die past bij de hulpvraag.
3Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoren in ieder geval:
a.gebruikelijke hulp door de ouder(s) of andere gezinsleden. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de zorg en ondersteuning die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid van ouder(s) of andere gezinsleden verwacht mag worden, gelet op de leeftijd, ontwikkelingsfase en de mogelijkheden van de jeugdige.
b.hulp van familie, vrienden, kennissen of bekenden binnen het sociale netwerk;
c.het benutten van een aanvullende zorgverzekering indien die is afgesloten;
d.het gebruik maken van overige passende en beschikbare voorzieningen, zoals onderwijsvoorzieningen, maatschappelijke ondersteuning of zorg.
4Slechts indien uit het onderzoek blijkt dat deze mogelijkheden ontoereikend zijn vanwege:
a.geobjectiveerde beperkingen bij de ouder(s) of de jeugdige;
b.een aantoonbaar gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of
c.(dreigende) overbelasting van de ouder(s),
kan de gemeente besluiten tot het verstrekken van een individuele voorziening.
5Bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting geldt dat van de ouder(s) redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij hun maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren, voor zover dit nodig is om de noodzakelijke hulp zelf te kunnen bieden.
6Bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting betrekt de gemeente in ieder geval:
a.de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;
b.de duur van de benodigde inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet leidt tot overbelasting;
c.de planbaarheid van de hulp;
d.de intensiteit van de benodigde ondersteuning;
e.de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
f.de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.
7Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp hanteert de gemeente in ieder geval de volgende maatstaven:
a.of de zorg aansluit bij de normale opvoedings- en verzorgingspraktijk die ouders in gelijke omstandigheden bieden aan kinderen van dezelfde leeftijd en ontwikkelingsfase;
b.of de zorg naar duur, frequentie en intensiteit gebruikelijk is binnen een gezinssituatie met opgroeiende kinderen;
c.of de zorg van korte duur is of juist structureel noodzakelijk;
d.of de ouder(s) de zorg kunnen bieden zonder dat sprake is van overbelasting als bedoeld in lid 5 en 6.
Artikel 4.6 Overgang van 18- naar 18+
(Jeugdwet)
1De gemeente draagt- als stelselverantwoordelijke- zorg voor een tijdige en zorgvuldige overgang van jeugdigen die jeugdhulp ontvangen naar de volwassenheid. Dit houdt in dat de gemeente, uiterlijk vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd, samen met de jeugdige en diens ouder(s) of netwerk een integraal plan opstelt voor de periode na de 18e verjaardag.
2Dit plan bevat in ieder geval aandacht voor de volgende leefgebieden:
a.scholing, werk of participatie;
b.wonen;
c.inkomen en financiële voorzieningen;
d.zorg en ondersteuning;
e.vrije tijd en dagbesteding;
f.het sociale netwerk en betrokkenheid van het systeem.
3Bij de overgang naar volwassenheid draagt de gemeente zorg voor afstemming met andere relevante wet- en regelgeving en voorzieningen, waaronder in ieder geval de Wmo 2015, de Participatiewet en de Zorgverzekeringswet, zodat continuïteit van zorg en ondersteuning is gewaarborgd.
4Indien voortzetting van jeugdhulp noodzakelijk is, kan het college besluiten deze te verlengen. De verlenging kan maximaal duren tot de dag waarop de jeugdige 23 jaar wordt en maakt onderdeel uit van het in lid 1 bedoelde plan.
Artikel 4.7 Afstemming met andere vormen van hulp
(Jeugdwet, Wmo, Participatiewet, Wgs, Gemeentewet)
1De gemeente stemt jeugdhulpvoorzieningen af op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, werk en inkomen, maatschappelijke ondersteuning en schuldhulpverlening.
2Het college voorkomt zoveel mogelijk dat jeugdigen of hun ouder(s) worden geconfronteerd met tegenstrijdige of overlappende besluiten.
3Om dit te bereiken maakt de gemeente afspraken met in ieder geval:
o partijen in het kader van gezondheidszorg;
o gecertificeerde instellingen;
o instellingen die voorschoolse voorzieningen aanbieden;
o onderwijsinstellingen voor primair, voortgezet en speciaal onderwijs;
o het samenwerkingsverband passend onderwijs;
o het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG);
o de afdelingen Wmo, Leerplicht en Participatiewet van de gemeente.
4Het belang van de jeugdige en/of zijn ouder(s) staat bij de afstemming steeds centraal.
Artikel 4.8 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
(Jeugdwet, Wet passend onderwijs)
1Ondersteuning die primair gericht is op het volgen van onderwijs, het behalen van onderwijsdoelen of de onderwijsontwikkeling, valt onder de Wet passend onderwijs en niet onder de Jeugdwet.
2Voorzieningen uit de Wet passend onderwijs zijn voorliggend op jeugdhulp.
3Indien onduidelijkheid bestaat, werkt het college samen met school en samenwerkingsverband om tot een passende oplossing te komen.
Artikel 4.9 Afbakening Jeugdwet en Wet langdurige zorg (Wlz)
(Jeugdwet, Wlz)
1Als een jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft, valt dit onder de Wlz en niet onder de Jeugdwet.
2Het college treft in dat geval géén voorziening op basis van de Jeugdwet, er dient een Wlz-aanvraag gedaan te worden.
3Indien er naast een Wlz-besluit behoefte is aan aanvullende behandeling, kan het college jeugdhulp verlenen voor zover dit aantoonbaar geen onderdeel is van de Wlz-zorg.
4Indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een jeugdige recht heeft op zorg op basis van de Wlz, werken de jeugdige en zijn ouder(s) mee aan het aanvragen van een Wlz-indicatie. Indien zij dit weigeren, kan het college besluiten om geen (specialistische) voorziening op grond van de Jeugdwet te verstrekken.
Artikel 4.10 Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet (Zvw)
(Jeugdwet, Zvw)
1Medisch noodzakelijke zorg, hulpmiddelenzorg, ziekenvervoer en (geneeskundige) persoonlijke verzorging vallen onder de Zvw en niet onder de Jeugdwet.
2Persoonlijke verzorging gericht op zelfredzaamheid kan onder de Jeugdwet vallen, mits dit nodig is vanwege opgroei- of opvoedingsproblemen of psychische stoornissen.
3Het college verstrekt alleen jeugdhulp als de zorgvraag (aantoonbaar) niet op grond van de Zvw kan worden opgelost. Hiertoe kan het college een afwijzing van de Zvw opvragen.
Artikel 4.11 Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)
(Jeugdwet, Wmo)
1Als de problematiek valt onder de Wmo 2015, treft het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet.
2Voorliggend op de Jeugdwet zijn in ieder geval voorzieningen zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen, vervoersvoorzieningen en opvangvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, zoals maatschappelijke opvang en beschermd wonen.
3Onder de Jeugdwet kan jeugdhulp in de vorm van begeleiding of persoonlijke verzorging uitsluitend worden verstrekt aan jeugdigen tot 18 jaar, indien deze noodzakelijk is vanwege opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen van de jeugdige. Vanaf 18 jaar- tenzij er sprake is van verlengde Jeugdwet- vallen begeleiding en persoonlijke verzorging onder de Wmo 2015.
Artikel 4.12 Afstemming met voorzieningen voor werk en inkomen
(Jeugdwet, Participatiewet, Wgs)
1Het college zorgt ervoor dat jeugdhulp waar nodig wordt afgestemd met voorzieningen voor werk, inkomen en schuldhulpverlening.
2Daarbij worden financiële belemmeringen voor de ontwikkeling van jeugdigen zo vroeg mogelijk gesignaleerd en aangepakt.
3De inzet is gericht op het wegnemen van obstakels, zodat jeugdigen optimaal kunnen deelnemen aan onderwijs, werk en samenleving.
Artikel 4.13 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
(Jeugdwet, Awb)
1Onverminderd de toegang via huisarts, medisch specialist of jeugdarts, komt een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking voor een door de gemeente te verlenen individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of zijn ouder(s) jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en voor zover:
a.de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; en
b.gebruikmaking van andere of overige voorzieningen deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
2Geen individuele voorziening wordt verstrekt voor ondersteuning die behoort tot de normale ontwikkeling van een jeugdige, passend bij leeftijd en omstandigheden.
3Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen indien deze:
a.daadwerkelijk beschikbaar, toegankelijk en tijdig inzetbaar is; en
b.naar aard en doel passend en toereikend is voor de hulpvraag, waarbij voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen (zoals de Zvw of de WLZ) als passend en toereikend worden aangemerkt voor zover die regelingen daarin voorzien. Een voorziening waarvoor een wachttijd geldt, voldoet niet aan de criteria onder a en b indien de hulp voor de jeugdige aantoonbaar en onderbouwt niet kan wachten. Indien de jeugdige de inzet van de voorziening redelijkerwijs kan afwachten, wordt de voorziening wel geacht aan de criteria te voldoen. Van de jeugdige of zijn ouder(s) wordt verwacht dat zij tijdig aanspraak maken op de voorliggende voorziening, zodat deze ook daadwerkelijk kan worden benut.
4Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening.
5Een individuele voorziening wordt alleen toegekend als deze naar verwachting doeltreffend is en wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag.
Artikel 4.14 Inhoud beschikking individuele voorziening
(Jeugdwet, Awb)
1In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval vastgelegd of de voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt.
2Bij een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:
a.welke voorziening wordt verstrekt;
b.de omvang en het beoogde resultaat;
c.de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
d.indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
3Bij een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:
a.voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
c.de hoogte van het pgb en hoe dit bedrag is vastgesteld;
d.de voorwaarden die aan het pgb zijn verbonden;
e.de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
f.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
4Het ondersteuningsplan bedoeld in artikel 4.4, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.
Artikel 4.15 Persoonsgebonden budget (pgb)
(Jeugdwet, Awb)
1Indien een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, kan het college deze voorziening verlenen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), mits aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.
2Voor de aanvraag van een pgb dient de jeugdige of zijn ouder(s) een budgetplan in volgens een door het college vastgesteld format. Het budgetplan bevat in ieder geval:
a.de motivatie waarom de voorziening in natura niet passend is;
b.de omschrijving van de gewenste voorziening en het beoogde resultaat;
c.de wijze waarop de jeugdhulp wordt georganiseerd;
d.de waarborging van de kwaliteit van de in te kopen hulp;
e.de kosten, uitgedrukt in eenheden en tarieven;
f.indien van toepassing, de inzet van personen uit het sociale netwerk.
3Het college verstrekt een pgb uitsluitend indien:
a.de jeugdige of zijn ouder(s) gemotiveerd aangeven waarom het natura-aanbod niet passend is
b.uit toetsing blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder voldoende pgb-vaardig is om het budget verantwoord te beheren;
c.gewaarborgd is dat de met het pgb in te kopen voorziening van goede kwaliteit is en voldoende bijdraagt aan het bereiken van het beoogde resultaat.
4Bij de beoordeling van pgb-vaardigheid betrekt het college in ieder geval of de budgethouder of budgetbeheerder:
a.in staat is de hulpvraag te verwoorden en passende hulp te kiezen;
b.kennis heeft van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb;
c.een overzichtelijke administratie kan voeren;
d.afspraken kan maken en verantwoorden richting het college;
e.voldoende vaardig is om de kwaliteit van de ingekochte hulp te beoordelen en zorgverleners aan te sturen.
5Het college weigert een pgb indien er sprake is van:
a.twijfel aan de integriteit van de uitvoerder van de hulp;
b.fraude of strafbare feiten in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
c.omstandigheden waardoor het beheer van het pgb niet verantwoord kan plaatsvinden, zoals ernstige schuldenproblematiek, verslaving, verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek van de budgethouder of budgetbeheerder.
d.een situatie waarin de budgethouder of budgetbeheerder tevens optreedt als de uitvoerder van de zorg. In dit kader wordt ter aanvulling verwezen haar hoofdstuk 8 van deze verordening.
6Ter waarborging van de kwaliteit stelt het college nadere eisen aan de inzet van pgb-middelen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
7Het college legt de hoogte van het pgb vast op basis van de goedkoopst adequate voorziening en met inachtneming van de door de gemeente vastgestelde tarieven.
Artikel 4.16 Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget (pgb)
(Jeugdwet, Awb)
1Ter waarborging van de kwaliteit van met een pgb ingekochte hulp stelt het college de volgende eisen:
a.de uitvoerder beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), niet ouder dan drie maanden bij de start van de zorgovereenkomst en gedurende de looptijd niet ouder dan drie jaar;
b.de uitvoerder beschikt over de vaardigheden en deskundigheid die nodig zijn om verantwoorde hulp te bieden;
c.de uitvoerder houdt een deugdelijke administratie bij van de geleverde hulp;
d.de uitvoerder kan in de Nederlandse taal communiceren met het college, de Sociale Verzekeringsbank en de jeugdige of zijn ouder(s);
e.de hulp wordt uitgevoerd volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
f.de hulp wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de jeugdige en zijn ouder(s), en waar nodig op andere voorzieningen die worden ingezet;
g.de privacy van de jeugdige en zijn ouder(s) wordt gerespecteerd en informatie wordt vertrouwelijk behandeld;
h.de uitvoerder volgt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling de meldcode.
2Het college kan aanvullende kwaliteitseisen stellen en kan nadere regels vaststellen over de inzet van formele en informele hulp via een pgb.
Artikel 4.17 Medewerkingsplicht
(Jeugdwet, Awb)
1De jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger zijn verplicht aan het college alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor:
a.het uitvoeren van het onderzoek naar de hulpvraag;
b.het vaststellen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen;
c.het beoordelen van de noodzaak en de aard van de jeugdhulpvoorziening;
d.het vaststellen van de kwaliteit van de geboden hulp.
2De jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger verstrekken het college tijdig alle gegevens en bewijsstukken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en de uitvoering van de verordening.
3Het college kan het recht op een individuele voorziening weigeren, opschorten, beëindigen of intrekken indien de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger de verplichtingen uit dit artikel niet nakomen, tenzij hen dit niet kan worden toegerekend.
Hoofdstuk 5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
5.2.1 Geschikte woning
(Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van de woning door een beperking niet mogelijk is. De hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, bruikbaar en toe- en doorgankelijk wordt gemaakt.
2Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning, als deze beschikbaar is en een verhuizing binnen een redelijke en/of medisch aanvaardbare termijn mogelijk is. De inwoner kan dan een geldbedrag krijgen voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning.
3De gemeente stelt het bedrag waarbij het primaat van verhuizen wordt beoordeeld en de hoogte van de verhuiskostenvergoeding vast in nadere regels.
4De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woningaanpassing of nagelvast hulpmiddel. De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties:
a.De problemen die de inwoner ervaart bij het normale gebruik van de woning zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.
b.De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning of een recreatiewoning.
c.De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners.
d.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.
e.De inwoner is zonder dringende reden verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning.
f.De inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), behalve als de inwoner ervoor heeft gekozen om met zijn indicatie thuis te blijven wonen en de Wlz-zorg thuis ontvangt.
g.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is op dat moment om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend.
h.De inwoner heeft zijn hoofdverblijf niet in de aan te passen woning.
5Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als:
a.de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven;
b.de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of als
c.de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.
5.2.2 Een schone en leefbare woning
(Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij door een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. De hulp-op-maat is alleen bedoeld voor de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning.
2De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner de volgende voorziening kan krijgen:
a.hulp bij het huishouden: deze hulp is vooral gericht op het uitvoeren en overnemen van de huishoudelijke taken.
b.ondersteuning gericht op het huishouden: deze hulp is er vooral op gericht om samen met de inwoner de huishoudelijke taken te organiseren en uit te voeren.
3Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
5.2.3 Beschermd wonen
(Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving.
2Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeenteraad van de gemeente Deventer uit 2015.
5.2.4 Maatschappelijke opvang
(Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Dit als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld.
2Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeenteraad van de gemeente Deventer uit 2015.
5.3 Mantelzorg
5.3.1 Ondersteuning mantelzorger
(Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg krijgen, hulp-op-maat kunnen krijgen als hun mantelzorgers niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken.
2De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorgtaken worden overgenomen om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten.
5.3.2 Mantelzorgwaardering
(Wmo)
1De gemeente heeft aandacht voor de mantelzorgers van inwoners.
2De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.
3De mantelzorgwaardering bestaat in ieder geval uit het jaarlijks te organiseren dag van de mantelzorger.
5.4 Financiële tegemoetkoming sporthulpmiddel
(Wmo)
1Voor een sporthulpmiddel kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sporthulpmiddel voor een periode van minimaal 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming hoeft niet kostendekkend te zijn.
2De gemeente stelt de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor sporthulpmiddelen vast in nadere regels.
3De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een tegemoetkoming voor een sporthulpmiddel. De gemeente geeft alleen hulp-op-maat in de volgende situaties:
a.De inwoner beoefent aantoonbaar en structureel een bepaalde sport.
b.zonder sporthulpmiddel is de inwoner niet in staat tot uitoefening van die sport;
c.de sport wordt recreatief uitgeoefend. Het gaat dus niet om topsport of sport op hoog niveau.
4Na de periode van 3 jaar kunnen onderhoudskosten worden vergoed als het sporthulpmiddel technisch is gekeurd en is goedgekeurd. Kosten voor deze technische keuring komen voor rekening van de inwoner.
Hoofdstuk 6. Vervoer naar school
6.3 Voorwaarden
6.3.1 Vervoersvoorziening
(Llv)
1De gemeente verstrekt aan ouders een vervoersvoorziening, als het kind in de gemeente Raalte woont en:
a.minimaal vier jaar oud is, of minimaal drie jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; en
b.door een structurele beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft.
2De gemeente verstrekt aan ouders ook een vervoersvoorziening, als het kind in de gemeente Raalte woont en:
a.minimaal vier jaar oud is, of minimaal drie jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt;
b.naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en
c.de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; of
d.het kind naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde toegankelijke school, en de ouders in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs of de richting van die dichter bij gelegen school.
3Het tweede lid is niet van toepassing als het kind op een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs zit en voortgezet onderwijs volgt.
4De gemeente vindt het belangrijk om kinderen die op een school voor Voortgezet Speciaal Onderwijs zitten en gebruikmaken van aangepast vervoer te stimuleren om zelf naar school te fietsen of met het openbaar vervoer naar school te reizen. Daarom kan de gemeente een vergoeding voor het gebruik van de fiets of een vergoeding voor het openbaar vervoer aan de ouders van deze kinderen verstrekken, als de verwachting is dat het kind zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer kan reizen. Deze vergoeding komt dan in de plaats van het aangepast vervoer.
5Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind.
6.3.2 Vergoeding voor de reiskosten van een begeleider
(Llv)
1De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen en het kind:
a.op 1 augustus van het schooljaar waarin deze voorziening wordt gevraagd jonger is dan negen jaar en de ouders hebben aangetoond dat het kind niet zelf met het openbaar vervoer naar school kan reizen of naar school kan fietsen; of
b.door een structurele beperking niet zelf met het openbaar vervoer naar school kan reizen of naar school kan fietsen.
2Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, beperkt de gemeente de vergoeding tot de reiskosten van één begeleider.
6.3.3 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer
(Llv)
1De gemeente verstrekt aan ouders die in de gemeente Raalte wonen een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer als het kind speciaal onderwijs volgt en hierdoor in een internaat of pleeggezin moet verblijven. De vervoersvoorziening bestaat uit:
a.het weekendvervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per weekend, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie.
b.het vakantievervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.
2De regels uit de andere artikelen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4.1, tweede lid, onderdeel a.
6.4.1 Vervoersvoorziening
(Llv)
1De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school? Dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (eventueel met begeleiding). Het kind kan gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Maar ouders kunnen er in dat geval ook voor kiezen om het kind zelf te vervoeren (eigen vervoer) als zij daarvoor toestemming van de gemeente hebben.
2Aangepast vervoer is nodig als:
a.het kind met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder wordt ingekort;
b.openbaar vervoer naar school ontbreekt en het kind niet met de fiets naar school (kan ook niet met begeleiding);
c.het kind begeleiding nodig heeft, maar niet begeleid kan worden door de ouders of anderen, of wanneer de begeleiding grote nadelen heeft voor het gezin en een andere oplossing niet mogelijk is;
d.het kind een structurele beperking heeft waardoor hij niet met de fiets of het openbaar vervoer kan reizen (ook niet met begeleiding).
3Als het kind begeleiding nodig heeft, worden alleen de vervoerskosten vergoed die verbonden zijn aan deze begeleiding. De vervoerskosten worden berekend over de kilometers die het kind aflegt.
6.4.2 Hoogte van de vervoersvoorziening
(Llv)
1De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de vorm van de vervoersvoorziening en de reisafstand van de woning of opstapplaats van het kind naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school, via de kortste veilige route. Om de reisafstand te meten, gebruikt de gemeente de routeplanner van de ANWB.
2De vergoeding voor het gebruik van de fiets wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor de fiets. De hoogte van deze vergoeding is € 0,10 per kilometer (schooljaar 2023-2024).
3De vergoeding voor het openbaar vervoer wordt berekend op basis van de kosten van het openbaar vervoer. De gemeente houdt rekening met de kortingen die voor het kind binnen het openbaar vervoer kunnen gelden
4De vergoeding die ouders ontvangen als zij het kind zelf vervoeren (eigen vervoer), wordt als volgt berekend:
a.op basis van een kilometervergoeding voor de fiets als de gemeente vindt dat het kind kan fietsen naar school, maar toch toestemming aan de ouders heeft gegeven om het kind zelf te vervoeren.
b.op basis van de kosten van het openbaar vervoer als de gemeente vindt dat het kind met het openbaar vervoer naar school kan reizen, maar toch toestemming aan de ouders heeft gegeven om het kind zelf te vervoeren; of
c.op basis van een kilometervergoeding voor de auto in alle andere gevallen. De hoogte van deze vergoeding is € 0,42 per kilometer (schooljaar 2023-2024).
5De gemeente past de bedragen van de kilometervergoedingen in het tweede en vierde lid jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aan de gemeente doorgeeft. De gewijzigde bedragen gaan in vanaf het nieuwe schooljaar.
6Als de ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto.
7Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag bij de ouders in rekening. Dit is de eigen bijdrage.
6.4.3 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool
(Llv)
1Is het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar hoger dan € 28.800 (schooljaar 2023-2024)? Dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste zes kilometer met het openbaar vervoer af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OV-betaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen openbaar vervoer beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. De gemeente houdt rekening met de kortingen die voor het kind binnen het openbaar vervoer kunnen gelden. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage).
2Is de reisafstand meer dan 20 kilometer? Dan betalen ouders een eigen bijdrage per kind. Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar:
Jaarinkomen schooljaar 2023-2024 (in euro’s)
Eigen bijdrage per schooljaar
(in euro’s)
0– 36.900
Geen eigen bijdrage
36.900 – 43.650
170
43.650 – 50.400
750
50.400 – 56.700
1.390
56.700 – 64.800
2.035
64.800 – 71.100
2.730
71.100 en meer
Voor elke extra 5.000:655 erbij
3De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede lid en de bedragen van de eigen bijdrage in het tweede lid, jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de VNG aan de gemeente doorgeeft. De gewijzigde bedragen gaan in vanaf het nieuwe schooljaar.
4Als het kind vanwege een structurele beperking op ander vervoer dan openbaar is aangewezen of vanwege een structurele beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, geldt de regeling in dit artikel niet. De ouders van het kind betalen geen eigen bijdrage.
5Het tweede lid geldt alleen als het kind naar een reguliere basisschool gaat en dus niet als het kind naar een speciale school voor basisonderwijs gaat.
6De gemeente stopt de vervoersvoorziening als de ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente.
Hoofdstuk 7. Inkomen en schulden
7.1 Minimabeleid
7.1.1 Wat wil de gemeente?
(PW, Wgs, Gemeentewet)
1De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en weinig vermogen hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving.
2De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.
3De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die gericht zijn op het bestrijden van armoede en het voorkomen en tegengaan van schulden.
4De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het minimabeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen kwetsbare inwoners op welke manier financieel worden ondersteund.
5De gemeente richt het minimabeleid zo in dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden en dat betaald werk krijgen voor inwoners met een gemeentelijke uitkering zo min mogelijk leidt tot een inkomensval.
6De gemeente betrekt bij het maken van het minimabeleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
7.2 Bijzondere bijstand
7.2.1 Vangnet
(PW)
1De gemeente biedt bijzondere bijstand aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op de eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en weinig vermogen noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald.
2Voor bijzondere bijstand gelden de vermogensgrenzen zoals bepaald in artikel 34 Pw.
3Het vorige lid geldt niet voor de inkomenstoeslag (paragraaf 7.4).
4Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke minimabeleid.
7.4 Inkomenstoeslag
7.4.1 Doelgroep en voorwaarden
(PW)
1De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die op de dag van de aanvraag:
a.in een ononderbroken periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm;
b.minder vermogen heeft dan de toepasselijke vermogensgrens;
c.geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen, en
d.de afgelopen 12 maanden niet eerder een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen.
2Als de inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling of een schuldregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), gaat de gemeente ervan uit dat zijn inkomen lager is dan 110% van de bijstandsnorm. Dit geldt niet als de inwoner een saneringskrediet heeft. In dat geval mag het besteedbaar inkomen niet hoger zijn dan 110% van de bijstandsnorm.
7.4.2 Hoogte van de toeslag
(PW)
1De inkomenstoeslag is per kalenderjaar:
a.voor een alleenstaande: 39% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande;
b.voor een alleenstaande ouder: 50,14% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande;
c.voor gehuwden zonder kinderen: 39% van de bijstandsnorm voor gehuwden.
d.voor gehuwden met kinderen: 46,84% van de bijstandsnorm voor gehuwden.
2Als één van de echtgenoten geen recht heeft op de inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag dat voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
3Voor het eerste en tweede lid geldt dat de situatie op de datum van aanvraag de hoogte van de inkomenstoeslag bepaalt.
7.5 Regeling Meedoen voor kinderen
7.5.1 Doelgroep en voorwaarden
(Gemeentewet)
1De Regeling Meedoen voor kinderen is bedoeld voor het kind uit de gemeente Raalte van 0 tot en met 17 jaar van wie het gezin moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm en minder vermogen heeft dan de toepasselijke vermogensgrens.
2Als het gezin van het minderjarige kind deelneemt aan een minnelijke schuldregeling of een schuldregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), gaat de gemeente ervan uit dat het inkomen lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Dit geldt niet als het gezin een saneringskrediet heeft. In dat geval mag het besteedbaar inkomen niet hoger zijn dan 120% van de bijstandsnorm.
3De Regeling Meedoen voor kinderen moet worden aangevraagd bij Stichting Leergeld Salland.
4De Regeling Meedoen voor kinderen moet uiterlijk worden ingediend op 31 december van het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.
7.5.2 Inhoud Regeling Meedoen voor kinderen
(Gemeentewet)
1Ouders kunnen een bijdrage krijgen voor hun kinderen, bedoeld voor:
•maatschappelijke activiteiten/kosten, zoals een dagje uit, fashioncheque, muziekles, museumbezoek of een cursus;
•sportkosten;
•schoolkosten.
2De bijdrage is per jaar maximaal:
a.€ 103,- (2020) voor kinderen van 0 tot en met 4 jaar;
b.€ 308,- (2020) voor kinderen van het basisonderwijs;
c.€ 462,- (2020) voor scholieren van het vervolgonderwijs.
3Naast de bijdrage zoals bedoeld in het eerste lid kunnen de ouders voor hun kinderen een bijdrage krijgen voor zwemles. De inschrijfkosten en de kosten voor het behalen van diploma A en B worden dan vergoed.
4De bedragen voor de Regeling Meedoen voor kinderen worden jaarlijks aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.
7.6 Regeling Meedoen voor volwassenen
7.6.1 Doelgroep en voorwaarden
(Gemeentewet)
1De inwoner die minder vermogen heeft dan de toepasselijke vermogensgrens en een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm, kan van de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van maatschappelijke activiteiten. De regeling meedoen voor volwassenen kan ambtshalve of op aanvraag toegekend worden.
2Als de inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling of een schuldregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), gaat de gemeente ervan uit dat het inkomen lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Dit geldt niet als de inwoner een saneringskrediet heeft. In dat geval mag het besteedbaar inkomen niet hoger zijn dan 120% van de bijstandsnorm.
3Een aanvraag voor de Regeling Meedoen moet worden ingediend voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.Een aanvraag voor de Regeling Meedoen moet worden ingediend voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.
4De inwoner heeft één keer per kalenderjaar recht op de Regeling Meedoen.
5Aan inwoners die algemene bijstand of periodieke bijzondere bijstand ontvangen wordt de Regeling meedoen voor volwassenen ambtshalve toegekend.
7.6.2 Inhoud en voorwaarden Regeling Meedoen voor volwassenen
(Gemeentewet)
1De inwoner kan een bijdrage krijgen voor sportieve, culturele, politieke, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten. Het kan gaan om bijvoorbeeld:
•een eenmalige of regelmatige activiteit;
•het lidmaatschap van een organisatie;
•zwemlessen, en/of
•het abonnement op een krant of tijdschrift.
2De hoogte van de bijdrage is € 257,- (2020) per persoon per jaar en wordt in één keer uitbetaald. De gemeente kan de inwoner na afloop van het jaar vragen om te bewijzen aan welke maatschappelijke activiteiten hij de bijdrage heeft uitgegeven.
3De bedragen voor de Regeling Meedoen voor volwassenen wordt jaarlijks aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het bedrag wordt naar boven afgerond op hele euro's. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.
7.7 Laptopregeling
7.7.1 Doelgroep en voorwaarden
(Gemeentewet)
1De Laptopregeling is bedoeld voor een inwoner van 18 jaar of ouder die op de dag van de aanvraag:
a.in een ononderbroken periode van 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm; en
b.minder vermogen heeft dan de toepasselijke vermogensgrens.
2De inwoner heeft geen recht op de Laptopregeling als hij of iemand in zijn huishouden in de 48 maanden voorafgaand aan de aanvraag al in aanmerking is gekomen voor de Laptop- of Pc-regeling. De Pc-regeling wordt hier genoemd, omdat de Laptopregeling voorheen Pc-regeling heette.
3Als de inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling of een schuldregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), gaat de gemeente ervan uit dat het inkomen lager is dan 110% van de bijstandsnorm. Dit geldt niet als de inwoner een saneringskrediet heeft. In dat geval mag het besteedbaar inkomen niet hoger zijn dan 110% van de bijstandsnorm.
7.7.2 Inhoud laptopregeling
(Gemeentewet)
Met de Laptopregeling krijgt de inwoner een laptop in de vorm van huurkoop. De inwoner moet in 24 maanden in totaal 33% van de aanschafwaarde terugbetalen. De rest betaalt de gemeente. De 24 maanden starten direct nadat de inwoner het besluit heeft ontvangen.
7.8 Zorgkosten
7.8.1 Collectieve zorgverzekering
(PW)
1De gemeente biedt samen met zorgverzekeraar Salland Zorgverzekeringen een collectieve zorgverzekering voor inwoners die minder vermogen hebben dan de toepasselijke vermogensgrens en moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm. Met deze verzekering betaalt de inwoner een lagere premie voor de basisverzekering en de aanvullende verzekeringen.
2Als de inwoner voor het pakket gemeentepolis Plus kiest, geldt ook dat:
a.bepaalde zorgkosten extra worden vergoed (zoals de eigen bijdrage Wmo); en
b.het verplicht eigen risico volledig is meeverzekerd.
3Een inwoner die al verzekerd is bij Salland Zorgverzekeringen, kan tijdens het kalenderjaar een aanvraag indienen om mee te doen aan de collectieve zorgverzekering. Hij kan dan al tijdens dat jaar meedoen aan de collectieve zorgverzekering. Een inwoner die ergens anders verzekerd is, kan pas het volgende kalenderjaar meedoen. Een aanvraag moet dan voor 31 december van het lopende kalenderjaar worden ingediend.
7.9.1 Samenwerking en toegang
(Wgs)
1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.
2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden.
3De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is.
4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.
7.9.2 Schulddienstverlening
(Wgs)
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, deze hulp zo snel mogelijk krijgt.
7.9.3 Informatie
(Wgs)
1De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven.
2De gemeente stuurt iedere inwoner die geen hulp kan krijgen een brief waarin staat waarom er geen hulp wordt gegeven.
Hoofdstuk 8. De vorm van de hulp
8.3 Persoonsgebonden budget
8.3.1 Voorwaarden
(Jeugdwet, Wmo)
1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo of de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan.
2Als de inwoner een pgb wil voor diensten, maakt hij een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en stelt daarna het pgb vast.
3De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner (of zijn vertegenwoordiger) moet de taken die bij het pgb horen, op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren.
4Als de inwoner een pgb krijgt, gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a.Het pgb moet besteed worden zoals beschreven staat in het toekenningsbesluit.
b.Het pgb moet binnen zes maanden na het toekenningsbesluit besteed worden. Als het om een woonvoorziening gaat, kan de gemeente een langere periode met de inwoner afspreken.
c.Het pgb mag niet besteed worden aan een persoon die eigenlijk gebruikelijke hulp moet geven, maar dit niet kan doordat hij overbelast is of waarschijnlijk overbelast raakt.
d.De inwoner zorgt voor een afdoende verzekering tegen schade, als hij met het product dat hij met zijn pgb heeft betaald, naar het buitenland reist.
5Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
b.het voeren van een pgb-administratie;
c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;
d.cadeaus en kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).
6De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties:
a.Uit het budgetplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is.
b.De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgb-beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener.
c.De jeugdhulp bestaat uit behandeling.
d.Het risico bestaat dat er beslag wordt gelegd op het pgb.
7Als de arbeids- of zorgovereenkomst met de hulpverlener van rechtswege en zonder opzegtermijn eindigt, heeft de hulpverlener recht op een eenmalige uitkering. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
a.er moet nog geld over zijn in het pgb;
b.de hoogte van de eenmalige uitkering is niet hoger dan het gemiddelde maandloon. Het gemiddelde maandloon is het gemiddelde van alle betaalde declaraties in de drie maanden voor de maand waarin de overeenkomst is beëindigd;
c.de eenmalige uitkering kan alleen betaald worden bij een arbeidsovereenkomst, een zorgovereenkomst met een partner of een familielid of een zorgovereenkomst van opdracht; en
d.de eenmalige uitkering is niet voor zorginstellingen of zorgverleners die voor een zorginstelling werken.
8.3.2 Hoogte pgb
(Jeugdwet, Wmo)
1Het pgb:
a.is onder andere gebaseerd op het budgetplan;
b.is genoeg om de hulp-op-maat in te kunnen kopen;
c.is niet hoger dan het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de goedkoopst passende hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). De hulp in natura wordt bepaald door de (regionale) inkoop. Als de kosten van de dienst of het product hoger zijn, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Behalve als de inwoner bewijst dat hij met het pgb de hulp-op-maat niet kan inkopen;
d.is afhankelijk van het type zorgverlener.
2Het tarief voor vervoer van de inwoner van en naar de locatie waar hulp-op-maat (dagbesteding) wordt gegeven, is gelijk aan het vervoerstarief dat de gemeente zou betalen aan een gecontracteerde aanbieder (hulp in natura-tarief).
8.3.3 Pgb bij hulp door een niet-professionele hulpverlener of personen uit het sociaal netwerk (diensten)
(Jeugdwet, Wmo)
1Onder diensten als bedoeld in dit artikel worden niet beschermd wonen of maatschappelijke opvang verstaan (Wmo).
2Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociaal netwerk gezien.
3De persoon die hulp geeft is in staat om goede hulp te bieden en heeft met argumenten aangeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt.
4De hoogte van het Pgb voor hulp bij het huishouden is 50% van het bedrag dat de gemeente betaalt aan de gecontracteerde aanbieder per tijdseenheid waarmee voor de hulp in natura wordt gerekend.
5De hoogte van het Pgb voor andere diensten is 50% van het bedrag dat de gemeente betaalt aan de gecontracteerde aanbieder met een maximum van € 20,- per tijdseenheid waarmee voor de hulp in natura wordt gerekend.
6De bedragen die de gemeente betaalt aan gecontracteerde aanbieders en tijdseenheden waarmee voor de hulp in natura wordt gerekend worden vastgesteld in nadere regels en voor zover dat niet mogelijk is in het toekenningsbesluit.
8.3.4 Pgb bij hulp door een professionele hulpverlener (diensten)
(Jeugdwet, Wmo)
1Onder diensten als bedoeld in dit artikel worden niet beschermd wonen of maatschappelijke opvang verstaan (Wmo).
2Voor deze professional(s) gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor de professional(s) van de gecontracteerde (jeugdhulp)aanbieder.
3De hoogte van het Pgb is:
a.90% van het bedrag dat de gemeente betaalt aan de gecontracteerde aanbieder per tijdseenheid waarmee de hulp in natura wordt gerekend als de hulp-op-maat wordt gegeven door een persoon die in dienst is van een professionele organisatie;
b.75% van het bedrag dat de gemeente betaalt aan de gecontracteerde aanbieder per tijdseenheid waarmee de hulp in natura wordt gerekend als de hulp-op-maat wordt gegeven door een zelfstandig werkend ondernemer (zzp'er) die de diensten beroepshalve biedt.
4De bedragen die de gemeente betaalt aan gecontracteerde aanbieders en tijdseenheden waarmee de hulp in natura wordt gerekend worden vastgesteld in nadere regels en voor zover dat niet mogelijk is in het toekenningsbesluit.
8.3.5 Pgb voor producten
(Wmo)
1De gemeente kan een programma van eisen opstellen voor het product. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op het programma van eisen en een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. Het kan gaan om een offerte die de gemeente zelf opvraagt, maar ook om een offerte die de inwoner opvraagt.
2De gemeente houdt bij de hoogte van het pgb rekening met de onderhouds- en verzekeringskosten.
3De gemeente stelt in nadere regels vast wat de budgetperiode van het product is. Dit is de periode waarop het pgb betrekking heeft. Indien van toepassing berekent de gemeente over deze periode ook de onderhouds- en verzekeringskosten.
8.3.6 Verantwoording en uitbetaling pgb
(Jeugdwet, Wmo)
1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen.
2Als een inwoner hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is. Dit is nooit meer dan de werkelijke kosten.
3De gemeente betaalt een pgb voor een product pas uit als de factuur is ingeleverd en de gemeente deze heeft goedgekeurd.
4Een pgb voor diensten wordt niet op de eigen bankrekening van de inwoner gestort, maar gaat naar de SVB. De SVB betaalt in opdracht van de inwoner de zorgverlener(s).
8.4 Bijdrage in de kosten
8.5 Kostprijs
1De kostprijs van de hulp-op-maat voor een:
a.product: de aanschafprijs die de gemeente verschuldigd is aan een aanbieder;
b.product: de kosten op basis van een door de gemeente goedgekeurde offerte;
c.woningaanpassing: de kosten volgens het Programma van Eisen dan wel een door de gemeente goedgekeurde offerte.
d.dienst: de kosten die de gemeente verschuldigd is aan de aanbieder.
2De kostprijs van een persoonsgebonden budget bij een dienst is gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden in de betreffende budgetperiode.
3De kostprijs van een persoonsgebonden budget bij een product is gelijk aan de aanschafprijs. Het persoonsgebonden budget van een product is gelijk aan de aanschafprijs plus de eventuele onderhouds- en verzekeringskosten in de betreffende budgetperiode.
Hoofdstuk 9. Afspraken tussen inwoner en gemeente
9.1 Hoe gaan we met elkaar om?
9.1.1 De rol van de gemeente
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet, Awb, AVG)
De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of ergens anders plaatsvinden.
c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.De website van de gemeente is toegankelijk en voldoet aan erkende kwaliteitseisen.
e.Voor de meeste vormen van hulp zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. Voor Wmo- en jeugdhulp geldt dat een door de inwoner ondertekend verslag of ondersteuningsplan, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, kan worden gezien als een aanvraag.
f.De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
g.De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner.
h.De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
i.De gemeente informeert de inwoner over beschikbare deskundige hulp.
9.1.2 De rol van de inwoner
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet, Awb)
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociaal netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen (eigen kracht).
b.Als de gemeente hulp verleent, werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.
c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
b.De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.
c.De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren.
d.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
9.1.3 Ontoelaatbaar gedrag
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet, Awb)
De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat ontoelaatbaar is. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
•zijn rechten en plichten;
•wat er van hem wordt verwacht;
•welk gedrag niet deugt;
•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en
•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven voor de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren met bijvoorbeeld een maatregel.
c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
•de ernst van het gedrag;
•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
•de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief waarin duidelijk vermeld staat wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening voortzet (als die is stopgezet).
9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen
9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
2Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:
a.de ernst van het gedrag;
b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden, en
c.de persoonlijke situatie van de inwoner.
3Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen:
•in een gesprek met de medewerker op het gemeentehuis
•telefonisch
•schriftelijk
•via e-mail
4De gemeente kan ervoor kiezen de inwoner niet om zijn mening te vragen als:
a.er spoed is;
b.de inwoner al eerder zijn mening heeft gegeven over de voorgenomen verlaging en er daarna niks veranderd is;
c.de inwoner aan de gemeente heeft laten weten dat hij dit niet wil;
d.de gemeente dit niet nodig vindt voor het vaststellen van de ernst van het gedrag of de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden;
e.de gemeente aan de inwoner gevraagd heeft binnen een bepaalde periode informatie te geven en de inwoner dit niet heeft gedaan.
9.2.2 Geen schuld en verjaring
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1De gemeente verlaagt de uitkering niet als:
a.het gedrag van de inwoner meer dan één jaar voor het constateren daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden;
b.het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is;
c.de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.
2Als de gemeente de uitkering niet verlaagt omdat er dringende redenen zijn, wordt de inwoner hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
9.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1De gemeente maakt het besluit tot verlaging per brief aan de inwoner bekend. In deze brief schrijft de gemeente in ieder geval:
a.waarom de uitkering wordt verlaagd;
b.hoe lang de uitkering wordt verlaagd;
c.met welk percentage de uitkering wordt verlaagd;
d.met welk bedrag de uitkering wordt verlaagd; en
e.indien van toepassing, waarom de gemeente afwijkt van de standaardverlaging.
2De verlaging gaat in vanaf de kalendermaand na de datum van dit besluit. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald.
3Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. De gemeente kan dan een verlaging met terugwerkende kracht toepassen op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. Het bedrag dat als gevolg hiervan teveel is betaald, kan van de inwoner worden teruggevorderd.
9.2.4 Berekening verlaging
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.
2De gemeente kan de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand? Dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege te weinig besef van verantwoordelijkheid.
9.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen
(PW, Awb)
1De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
2De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de daaropvolgende kalendermaand, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.
3Het tweede lid is niet van toepassing als:
a.de gemeente de uitkering verlaagt op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet; of
b.als sprake is van herhaling (recidive) zoals bedoeld in artikel 9.2.14.
9.2.6 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (Participatiewet)
(PW, Awb)
1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringssnorm als de inwoner zich niet tijdig laat registreren als werkzoekende bij het UWV of deze registratie niet tijdig laat verlengen.
2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringssnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;
b.het niet voldoende leveren van een tegenprestatie die de gemeente heeft opgedragen;
c.het niet voldoende nakomen van de door de gemeente opgelegde verplichtingen tijdens de zoektermijn van vier weken die voor de inwoner onder de 27 jaar geldt. Als het gaat om een verplichting die ook in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staat, geldt artikel 9.2.5;
d.bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening bedoeld om de kans op werk te vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet.
3De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;
b.het niet leveren van een tegenprestatie die de gemeente heeft opgedragen;
4De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende proberen werk te vinden. Als het gaat om een verplichting die ook in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staat, geldt artikel 9.2.5;
b.het niet nakomen van de door de gemeente opgelegde verplichtingen tijdens de zoektermijn van vier weken die voor de inwoner onder de 27 jaar geldt. Als het gaat om een verplichting die ook in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staat, geldt artikel 9.2.5.
9.2.7 Niet nakomen arbeidsverplichtingen (IOAW en IOAZ)
(IOAW, IOAZ, Awb)
1Als de inwoner verwijtbaar werkloos is, wordt de IOAW- of IOAZ-uitkering geweigerd. De uitkering wordt geweigerd naar de mate waarin de inwoner inkomen zou hebben kunnen ontvangen als hij niet verwijtbaar werkloos was geworden of gebleven. De uitkering wordt tijdelijk geweigerd, als voorafgaand aan de aanvraag voor een IOAW- of IOAZ-uitkering:
a.de werkgever van de inwoner het dienstverband heeft beëindigd vanwege dringende redenen zoals bedoeld in artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
b.de inwoner een dienstverband heeft beëindigd, zonder dat er grote bezwaren waren verbonden aan de voortzetting.
De uitkering wordt blijvend geweigerd, als de inwoner, op het moment dat hij een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangt:
a.een aanbod voor een dienstverband heeft afgewezen; of
b.een dienstverband is misgelopen door zijn houding of gedrag.
2De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 10% van de uitkeringssnorm als de inwoner zich niet tijdig laat registreren als werkzoekende bij het UWV of deze registratie niet tijdig laat verlengen.
3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringssnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
b.het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
c.het niet voldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening die gericht is op arbeidsinschakeling. Als de voorziening niet is doorgegaan of vroegtijdig is beëindigd, geldt artikel 5, onderdeel d.
d.bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening bedoeld om de kans op werk te vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW/IOAZ.
4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringssnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
b.het niet leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie.
5De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringssnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende proberen werk te vinden;
b.het niet aanvaarden van werk;
c.het door eigen toedoen niet behouden van werk;
d.het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening die gericht is op arbeidsinschakeling. Hierdoor is de voorziening niet doorgegaan of vroegtijdig beëindigd.
6De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering niet, als zij de uitkering tijdelijk of blijvend weigert op grond van het eerste lid.
9.2.8 Niet meewerken aan de taaltoets
(PW, Awb)
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die niet (voldoende) meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet. De verlaging duurt een maand en wordt vastgesteld op 20%.
2De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner als de inwoner binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd op grond van het eerste lid weer niet (voldoende) meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet. De verlaging duurt een maand en wordt vastgesteld op 40%.
3De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner telkens als de inwoner binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd op grond van het tweede of dit lid weer niet (voldoende) meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet. De verlaging duurt telkens een maand en wordt vastgesteld op 100%.
9.2.8A Niet meewerken aan het financieel ontzorgen
(PW, Awb)
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die moet inburgeren op grond van de Wet inburgering 2021 en die niet (voldoende) meewerkt aan het meewerken aan financieel ontzorgen, zoals bedoeld in artikel 56a lid 2 van de Participatiewet. Financieel ontzorgen betekent dat zes maanden lang vaste lasten worden ingehouden op de uitkering. Meewerken betekent dat de inwoner de gemeente toestemming geeft om de betalingen van vaste lasten te doen uit de bijstandsuitkering. De verlaging duurt een maand en wordt vastgesteld op 5%.
2De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner als de inwoner binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd op grond van het eerste lid weer niet (voldoende) meewerkt aan het financieel ontzorgen, zoals bedoeld in artikel 56a lid 2 van de Participatiewet. De verlaging duurt een maand en wordt vastgesteld op 10%.
3De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner telkens als de inwoner binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd op grond van het tweede of dit lid weer niet (voldoende) meewerkt aan het financieel ontzorgen, zoals bedoeld in artikel 56a lid 2 van de Participatiewet. De verlaging duurt telkens een maand en wordt vastgesteld op 20%.
9.2.9 Stoppen verlaging
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als de inwoner zijn verplichting(en) alsnog is nagekomen. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen.
9.2.10 Te weinig besef van verantwoordelijkheid
(PW, Awb)
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het benadelingsbedrag. De verlaging duurt een maand en wordt vastgesteld op:
a.20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-;
b.30% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.000,-;
c.40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-;
d.100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000,-.
2Als de inwoner een uitkering moet aanvragen doordat hij algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard of behouden, duurt de verlaging een maand en wordt deze vastgesteld op 100% van de uitkeringsnorm.
9.2.11 Onacceptabel gedrag
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en/of IOAZ uitvoeren. Het moet gaan om onacceptabel gedrag op het moment dat deze personen de Participatiewet, de IOAW en/of de IOAZ uitvoeren. De verlaging duurt een maand en wordt vastgesteld op:
a.50% van de uitkeringsnorm bij mondeling, schriftelijk of digitaal geweld;
b.75% van de uitkeringsnorm bij mondelinge, schriftelijke of digitale bedreigingen, gericht tegen de personen die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren en/of goederen.
c.100% van de uitkeringsnorm bij lichamelijk geweld tegen de personen die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren en/of fysiek geweld tegen goederen.
9.2.12 Niet nakomen van andere verplichtingen
(PW, Awb)
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet (voldoende) nakomt. De verlaging duurt een maand en wordt vastgesteld op:
a.20% van de uitkeringsnorm als het gaat om het niet of niet voldoende nakomen van verplichtingen die gericht zijn op werk;
b.20% van de uitkeringsnorm als het gaat om het niet of niet voldoende nakomen van verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm of voor een specifiek doel wordt verstrekt;
c.40% van de uitkeringsnorm als het gaat om het niet of niet voldoende nakomen van verplichtingen die gericht zijn op vermindering van de bijstand;
d.100% van de uitkeringsnorm als het gaat om het niet (voldoende) nakomen van verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand.
9.2.13 Samenloop van gedragingen
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan als ook de duur die bij die verlaging hoort.
2Als er sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen uit deze paragraaf niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of na elkaar opgelegd. Dit is afhankelijk van de volgende factoren:
a.hoe ernstig het gedrag is;
b.de mate waarin het gedrag de inwoner verweten kan worden; en
c.de omstandigheden van de inwoner.
3Gedrag waardoor de inwoner één of meerdere verplichtingen uit deze paragraaf en de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet niet nakomt, leidt niet tot een verlaging als er een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
4Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meerdere verplichtingen uit deze paragraaf en de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet niet worden nagekomen, wordt voor elke gedraging een aparte verlaging of bestuurlijke boete opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of na elkaar opgelegd. Dit is afhankelijk van de volgende factoren:
a.hoe ernstig het gedrag is;
b.de mate waarin het gedrag de inwoner verweten kan worden; en
c.de omstandigheden van de inwoner.
9.2.14 Herhaling (recidive)
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1Als de inwoner zich binnen 12 maanden na de datum waarmee de verlaging is opgelegd op grond van artikel 9.2.6 eerste en tweede lid en artikel 9.2.7, tweede en derde lid opnieuw schuldig maakt aan bepaald gedrag waarmee dezelfde verplichting niet wordt nagekomen, verdubbelt de gemeente telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging.
2Als de inwoner zich binnen 12 maanden na de datum waarmee de verlaging is opgelegd op grond van artikel 9.2.6, derde en vierde lid, artikel 9.2.7, vierde en vijfde lid, 9.2.10, 9.2.11 en 9.2.12 opnieuw schuldig maakt aan bepaald gedrag waarmee dezelfde verplichting niet wordt nagekomen, verdubbelt de gemeente telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging.
3De hoogte of duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de uitkering eerder niet heeft verlaagd vanwege dringende redenen.
4Als de inwoner binnen 12 maanden na de datum waarmee de verlaging is opgelegd op grond van artikel 9.2.5, eerste lid weer een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt, verlaagt de gemeente de uitkering voor twee maanden. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
9.2.15 Verrekenen boete Wet Inburgering 2021 met de uitkering
(Wet inburgering 2021, Awb)
1De gemeente kan de boete die op grond van de Wet Inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige wordt opgelegd, verrekenen met de uitkering.
2Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht.
9.3 Terugvorderen uitkering
9.3.1 Terugvordering en incasso
(PW, IOAW, IOAZ, Wko, Burgerlijk Wetboek)
1De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner.
2Bij een bedrag van € 50,- of lager kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wel terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet niet is nagekomen.
3Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner een inkomen blijft houden dat past bij zijn persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet.
9.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening
9.4.1 Beëindiging voorziening
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
De gemeente kan een besluit om een voorziening toe te kennen, herzien, intrekken, opschorten en/of beëindigen in de gevallen die in de wet en in deze verordening staan beschreven. De gemeente kan dit bijvoorbeeld doen als:
a.de voorziening niet langer passend of nodig is;
b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
c.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
d.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
f.het om een pgb gaat en het pgb niet binnen zes maanden na uitbetaling is gebruikt om een voorziening te betalen waarvoor het pgb is toegekend, tenzij het de inwoner niet te verwijten is;
g.de inwoner overleden is;
h.de inwoner door een verhuizing niet meer in de gemeente Raalte woont;
i.de inwoner niet meer tot de doelgroep van de voorziening behoort;
j.achteraf blijkt dat de inwoner niet tot de doelgroep behoort en/of niet aan de voorwaarden voor de voorziening voldoet.
9.4.2 Terugvordering voorziening
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet, Burgerlijk Wetboek)
1De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen die genoemd worden in artikel 9.4.1 en/of de wet.
2In het geval van Wmo-hulp kan de gemeente alleen in de volgende situaties de (geldswaarde van de) voorziening terugvorderen:
a.Als de gemeente een besluit om een Wmo-voorziening toe te kennen heeft herzien of ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, kan de gemeente de geldswaarde van de voorziening die ten onrechte is verstrekt, vorderen van de inwoner en van de persoon die de inwoner opzettelijk heeft geholpen.
b.Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft herzien of ingetrokken, kan deze voorziening van de inwoner worden teruggevorderd als het om een voorziening gaat die in gebruik is gegeven aan de inwoner.
9.4.3 Opschorten pgb
(Jeugdwet, Wmo)
Gaat het om diensten? Dan kan de gemeente aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het pgb voor maximaal 13 weken helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als de gemeente een ernstig vermoeden heeft dat:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij de hulp-op-maat en/of het pgb horen; of
c.de inwoner de hulp-of-maat en/of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
9.5.1 Controle
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:
a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;
b.heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek;
c.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij het UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
d.signalen en tips van organisaties of particulieren;
e.andere passende onderzoeksmethoden.
2De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
3Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
4Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
9.5.2 Voorkomen van fraude
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
9.5.3 Beleidsplan
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1De gemeente stelt in een beleidsplan vast hoe zij fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
2In het beleidsplan staat in ieder geval:
a.wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt;
b.wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);
c.welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en
d.hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.
9.5.4 Toezichthouders
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van de Jeugdwet, de Wmo, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Leerplichtwet, de Wet kinderopvang en de Gemeentewet, alsmede de daarop berustende bepalingen.
2Met betrekking tot jeugdhulp wijst de gemeente een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de Jeugdwet en de daarop berustende bepalingen, waaronder mede begrepen de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.
3De gemeente onderzoekt, met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.
4De gemeente onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van persoonsgebonden budgetten met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
Hoofdstuk 10. Inspraak en inwonerparticipatie
10.1 Inspraak van inwoners
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Inspraakverordening gemeente Raalte zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk.
2Inwoners kunnen inspraak hebben bij:
a.plannen voor beleid en regels;
b.de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert;
c.de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening);
d.de manier waarop aanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren.
3Inspraak houdt ook in: het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering.
4De gemeente kan inwoners bijvoorbeeld op de volgende manier inspraak geven:
a.via de adviesraad;
b.door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten.
5De gemeente kiest de vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep die het betreft. De gemeente bepaalt na overleg met de adviesraad welke vorm de inspraak heeft.
10.2 Adviesraad
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
1De gemeente kent een adviesraad sociaal domein.
2Het college van burgemeester en wethouders stelt de adviesraad in en regelt daarbij in ieder geval de volgende onderwerpen:
a.doel en taken van de adviesraad;
b.samenstelling;
c.benoeming, zittingsduur en ontslag;
d.functies en taken binnen de adviesraad;
e.werkwijze;
f.ondersteuning vanuit de gemeente;
g.vergaderingen en faciliteiten;
h.besluitvorming;
i.informatievoorziening.
3Ervaringsdeskundigen zijn inwoners of hun vertegenwoordigers die een beroep doen op uitkeringen en/of voorzieningen op grond van de Participatiewet, de Wmo en/of Jeugdwet, dan wel op grond van het minimabeleid en/of een beroep doen op gemeentelijke ondersteuning bij schulden of dit recentelijk hebben gedaan. Er moeten tenminste drie van deze ervaringsdeskundigen lid zijn van de adviesraad.
10.3 Inspraak bij zorgaanbieders en leveranciers
(Jeugdwet, Wmo)
1Zorgaanbieders en leveranciers zijn verplicht om inwoners die gebruikmaken van hun diensten of producten inspraak te geven en daarover regels te maken.
2De gemeente controleert of de zorgaanbieder of leverancier zich houdt aan de regels inspraak.
Hoofdstuk 11. Kritiek op de uitvoering
11.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure
(Awb, Gemeentewet)
1De gemeente ziet een klacht of bezwaar als:
a.een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken;
b.een middel voor de inwoner om zijn mening (nog eens) te laten weten;
c.een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoners te verbeteren;
d.een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en
e.een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren.
2De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen enkele zin heeft.
3De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachten- en bezwaarprocedure. De gemeente volgt daarbij de wettelijke procedures.
4De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.
5De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, zich gehoord voelt.
11.2 Klachtencoördinator gemeente
(Awb, Gemeentewet)
1De gemeente heeft een klachtencoördinator. De inwoner kan bij deze medewerker een klacht indienen over bijvoorbeeld:
a.het gedrag van medewerkers en de manier waarop de inwoner is behandeld;
b.de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld;
c.de manier waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft uitgevoerd.
2De inwoner moet een klacht zo snel mogelijk indienen bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt. De gemeente heeft in de Verordening klachtbehandeling gemeente Raalte 2011 nadere regels gesteld over de afhandeling van klachten.
11.3 Klachten over andere personen of organisaties
(Awb, Gemeentewet)
1Als de inwoner een klacht heeft over het gedrag van personen of organisaties die op grond van een besluit van de gemeente hulp verlenen, moet hij deze klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Dit geldt ook als de inwoner een klacht heeft over de hulp die verleend wordt. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben.
2De gemeente controleert of de klachtenregeling van personen of organisaties die hulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, wordt nageleefd.
3Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de hulpverlenende persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.
4De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die die hulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die melding wordt behandeld.
11.4 Nationale ombudsman
(Awb, Gemeentewet)
Als de inwoner niet tevreden is over de afhandeling van de klacht door de gemeente, kan hij de klacht, met de reactie van de gemeente, voorleggen aan de Nationale ombudsman.
11.5 Vertrouwenspersoon
(Jeugdwet, Gemeentewet)
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die jeugdhulp van de gemeente krijgt, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kan spreken. De gemeente informeert de inwoner en zijn ouders hierover. De vertrouwenspersoon kan de inwoner (jeugdige, ouder of pleegouder) op verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).
11.6 Bezwaar
(Awb, Gemeentewet)
1Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit.
2De inwoner die het niet eens is met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen bezwaar maken.
3Nadat de gemeente een bezwaarschrift heeft ontvangen, kan een medewerker contact opnemen met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De medewerker geeft uitleg over het besluit van de gemeente en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente.
Hoofdstuk 12. Kwaliteit, inkoop en aanbesteding
12.1 Kwaliteit
(Jeugdwet, Wmo)
1Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn, zodat het gewenste effect voor de inwoner wordt bereikt.
2De diensten en producten:
a.passen bij de persoonlijke situatie;
b.zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner;
c.voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard (keurmerken). De persoon die jeugdhulp verleent, moet in ieder geval ingeschreven staan in het Kwaliteitsregister Jeugd of BIG-register;
d.zijn niet in strijd met de rechten van de inwoner;
e.worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd;
f.worden geleverd volgens de afspraken die de gemeente met de leverancier(s) heeft gemaakt.
3De gemeente controleert of de kwaliteitseisen door leveranciers worden nageleefd.
4De gemeente kan nadere regels vaststellen over de kwaliteitseisen en deskundigheidseisen.
12.2 Inkoop en aanbesteding
(Jeugdwet, Wmo)
1De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij rekening houden met de voorwaarden uit artikel 12.1, tweede lid.
2De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door:
a.een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een leverancier; of
b.een reële prijs vast te stellen. Die prijs geldt als ondergrens voor een inschrijving en voor een daaropvolgende overeenkomst met een leverancier.
3Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij:
a.diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en
b.zich als werkgever houden aan de regels van het arbeidsrecht als zij personeel hebben.
4De gemeente houdt bij het vaststellen van de prijs voor een dienst rekening met:
a.het soort dienst en de omvang hiervan;
b.het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de beroepskrachten;
c.een redelijke toeslag voor overheadkosten (indirecte kosten). Hiermee worden bijvoorbeeld de kosten van het secretariaat of de kosten van het bedrijfspand bedoeld;
d.andere personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel;
e.reis- en opleidingskosten;
f.het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten;
g.andere kosten die het gevolg zijn van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen.
5De gemeente houdt bij het vaststellen van de prijs voor een product rekening met:
a.de marktprijs van het product;
b.andere taken die van de leverancier worden gevraagd, zoals het aanmeten, leveren en plaatsen van het product, het geven van een instructie over het gebruik van het product en het onderhouden van het product.
Hoofdstuk 13. Van oud naar nieuw
13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening
(Gemeentewet)
1De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Daarvoor verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de AVG.
2De gemeenteraad past de verordening aan als dat nodig is.
13.2 Uitvoeringsregels
(Gemeentewet)
De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.
13.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
(Gemeentewet)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
13.4 Intrekken oude verordeningen
(Gemeentewet)
De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:
•Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Raalte
•Re-integratieverordening Participatiewet Raalte
•Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Raalte
•Verordening individuele studietoeslag gemeente Raalte
•Verordening Jeugdhulp gemeente Raalte 2017
•Verordening leerlingenvervoer 2015
•Verordening loonkostensubsidie Participatiewet gemeente Raalte
•Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017
•Verordening Regeling meedoen
•Verordening tegenprestatie Participatiewet en IOAW, IOAZ gemeente Raalte
13.5 Overgangsrecht
(Gemeentewet)
1Een voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na de ingangsdatum van deze verordening doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door:
a.totdat de einddatum van het toekenningsbesluit is bereikt; of
b.totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. Het toekenningsbesluit op grond van een ingetrokken verordening wordt dan ingetrokken.
2Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas na de ingangsdatum van deze verordening een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening geldt dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening.
3Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de bij 13.4 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.
13.6 Ingangsdatum en naam
(Gemeentewet)
1Deze verordening wordt genoemd: Verordening domein sociaal gemeente Raalte.
2Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022.