Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,
gelet op de artikelen 2.38, 2.39, 2.40 lid 5, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51, 2.52 en 4.17 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP);
overwegende dat het noodzakelijk om beleidsregels in te stellen om personen te kunnen beboeten indien zij de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet basisregistratie personen niet uitvoeren;
besluit vast te stellen de,
Artikel 2.38 Vestiging uit buitenland
1Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.
2Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland.
3Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en overlegt de geschriften ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, overlegt hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.
4Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6.
5In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden.
6Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien:
a.het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte,
b.de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of
c.de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.
Iedereen die gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, moet op grond van artikel 2.38 Wet BRP aangifte van verblijf en adres doen. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete opgelegd worden. Voordat het college van B&W dit doet, roept het college van B&W betrokkene ingevolge artikel 2.47 Wet BRP op om te verschijnen. In deze oproep wordt een termijn van 2 weken genoemd. Als hij niet verschijnt op of voor deze datum, dan wordt betrokkene voor de tweede keer opgeroepen. In de oproepen wordt de waarschuwingsclausule opgenomen dat als hij niet verschijnt, dat hem dan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
-Betrokkene verschijnt en doet aangifte van verblijf en adres. Er wordt afgezien van een boete.
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene niet verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene niet in te schrijven in de BRP. Daarom wordt er geen boete opgelegd.
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van B&W geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene niet in Nederland woont. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ambtshalve op te nemen als ingeschreven en wordt een bestuurlijke boete opgelegd op grond van 2.38 Wet BRP. Dit wordt gelijk medegedeeld aan de balie en daarvan maakt de toezichthouder een rapport op.
-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van B&W bepaalt op grond van het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene verblijft op een adres in Nederland. Als dat het geval is, dan een besluit genomen tot ambtshalve inschrijving en daarnaast wordt een boete opgelegd op grond van overtreding 2.47 en 2.38 Wet BRP.
Artikel 2.39 Adreswijziging
1De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.
2Hij doet niet eerder aangifte dan vier weken vóór de beoogde datum van adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging. Hij doet in de aangifte mededeling van de datum van adreswijziging en van de gegevens over het nieuwe en het vorige adres.
3Indien een ingezetene geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Iedereen moet op grond van artikel 2.39 Wet BRP aangifte van verhuizing doen, als hij een ander woonadres heeft of krijgt. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete opgelegd worden. Voordat het college van B&W dit doet, roept het college van B&W betrokkene ingevolge artikel 2.47 Wet BRP op om te verschijnen. In deze oproep wordt een termijn van 2 weken genoemd. Als hij niet verschijnt op of voor deze datum, dan wordt betrokkene voor de tweede keer opgeroepen. In de oproepen wordt de waarschuwingsclausule opgenomen dat, als hij niet verschijnt, hem dan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
-Betrokkene doet alsnog aangifte van verhuizing. Er wordt afgezien van een boete.
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene niet verhuisd is. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ingeschreven te laten staan op zijn adres. Daarom wordt er ook geen boete opgelegd.
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van B&W geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene op zijn adres is blijven wonen. Tevens weigert hij aangifte te doen van verhuizing. Van de weigering wordt een aantekening gemaakt. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ambtshalve op te nemen als vertrokken naar een onbekend adres op grond van 2.20 Wet BRP of als zijn nieuwe adres bekend is, hem ambtshalve te verhuizen naar zijn nieuwe adres. Er wordt een bestuurlijke boete opgelegd op grond van overtreding 2.39 Wet BRP. Dit wordt gelijk medegedeeld aan de balie en de toezichthouder maakt daarvan een rapport op.
-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van B&W bepaalt op grond van het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene is verhuisd. Als dat het geval is, dan wordt een besluit genomen tot ambtshalve verhuizing naar het nieuwe adres of tot ambtshalve opneming als vertrokken naar een onbekend adres ingevolge artikel 2.20 Wet BRP. Er wordt een boete opgelegd op grond van overtreding van de artikelen 2.47 en 2.39 Wet BRP.
Artikel 2.40. Kiezen briefadres en mededeling doen van die mogelijkheid door hoofd instelling
1Degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid kan, in afwijking van de artikelen 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.
2Een instelling wordt slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisregistratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.
3Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft:
a.instellingen voor gezondheidszorg;
b.instellingen op het gebied van de kinderbescherming;
c.penitentiaire instellingen.
4Het college van burgemeester en wethouders kan een in de gemeente gevestigde instelling aanwijzen indien het betreft een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 7°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
5Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.
De aangifte van een briefadres conform artikel 2.40 wet BRP kan worden vervuld door het hoofd van de instelling. De verplichting rust echter niet op het hoofd van de instelling. Er kan derhalve geen bestuurlijke boete worden opgelegd aan het hoofd van de instelling.
Artikel 2.43 Vertrek naar het buitenland
1De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.
2De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.
3Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.
4De ingezetene uit lid 1 dient in persoon te verschijnen indien niet alle ingezetenen met hetzelfde woonadres aangifte van vertrek doen of aangifte van vertrek voor hen wordt gedaan.
Iedereen moet op grond van artikel 2.43 Wet BRP aangifte van vertrek doen, als hij emigreert. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete opgelegd worden. Voordat het college van B&W dit doet, roept het college van B&W betrokkene ingevolge artikel 2.47 Wet BRP op om te verschijnen of informatie te verschaffen. In deze oproep wordt een termijn van 2 maanden genoemd. Als hij niet verschijnt op of voor deze datum, dan wordt betrokkene voor de tweede keer opgeroepen. In de oproepen wordt de waarschuwingsclausule opgenomen dat als hij niet verschijnt, dat hem dan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
-Betrokkene doet alsnog aangifte van vertrek. Er wordt afgezien van een boete;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ingeschreven te laten staan op zijn adres of op een ander adres in Nederland. Daarom wordt er geen boete opgelegd;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van B&W geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene op zijn adres is blijven wonen. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ambtshalve op te nemen als vertrokken en wordt een bestuurlijke boete opgelegd op grond van artikel 2.43 Wet BRP. Dit wordt medegedeeld aan de balie.
-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van B&W bepaalt op grond van het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene is vertrokken. Als dat het geval is, dan wordt een besluit genomen tot ambtshalve vertrek en wordt een boete opgelegd op grond van overtreding van de artikelen 2.47 en 2.43 Wet BRP.
Artikel 2.45 Na aangifte inlichtingen geven en geschriften overleggen/in persoon verschijnen
1Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, geeft op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Deze verplichting is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overleggen van geschriften. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon.
2In de aangifte van een briefadres worden de redenen voor de aangifte van een briefadres medegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever.
3De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld.
4De briefadresgever verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.
5Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 2.45 Wet BRP valt uiteen in twee onderdelen:
-het verzoek documenten te overleggen en nadere informatie te vragen aan de burger die aangifte doet van een adreswijziging ten behoeve van de bijhouding van de gegevens in de BRP, dan wel betrokkene te vragen in persoon te verschijnen;
-de mogelijkheid een briefadres aan te vragen, met daarbij vermeld de voorwaarden waaronder het aangevraagd kan worden en welke verplichtingen er verbonden kunnen worden aan het hebben van een briefadres.
De bestuurlijke boete kan opgelegd worden voor het niet verstrekken van informatie of het niet overleggen van documenten, of het in persoon niet verschijnen, terwijl het college van B&W betrokkene heeft opgeroepen om te verschijnen.
Ook kan de boete opgelegd worden aan de briefadresgever voor de volgende verplichtingen die betrekking hebben op het hebben van een briefadres:
-vanwege zijn verplichting om zorg te dragen voor de post van de briefadresnemer;
-in verband met het verzoek inlichtingen te verschaffen ter zake van het briefadres.
De briefadresgever kan wel om informatie worden gevraagd, maar deze hoeft bijvoorbeeld niet te weten waar de briefadresnemer verblijft. Als de briefadresgever aangeeft dat hij niet beschikt over bepaalde informatie, dan heeft hij voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen te geven. Hem kan geen bestuurlijke boete opgelegd worden, als hij aangeeft geen informatie te hebben. Hij kan niet beboet worden voor hetgeen hij niet weet. Als aannemelijk is dat de briefadresgever wel degelijk weet waar de gezochte persoon verblijft en dit niet meedeelt, dan is dit wel sanctioneerbaar met een bestuurlijke boete.
Artikel 2.47 Na vermoedelijk verzuim aangifte inlichtingen geven en geschriften overleggen/in persoon verschijnen
Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43 Wet BRP, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.
Artikel 2.47 Wet BRP verplicht de ingeschrevene om informatie te verstrekken over zijn adres, wanneer het college van B&W het redelijke vermoeden heeft dat de ingeschrevene geen aangifte heeft gedaan van verblijf en adres, adreswijziging of vertrek. Ook kan de burger op grond van dit artikel verplicht worden om in persoon te verschijnen.
Tijdens het adresonderzoek vraagt het college van B&W om aanvullende informatie over het adres, dan wel vraagt het college van B&W betrokkene om in persoon te verschijnen om aangifte te doen. Hiervoor geeft het college van B&W betrokkene een termijn van 2 weken. Als de termijn verstreken is, wordt aan betrokkene een brief gestuurd. Hierin wordt betrokkene een tweede mogelijkheid gegeven om alsnog te verschijnen dan wel de gevraagde informatie te verstrekken. Voldoet betrokkene hier niet aan, dan wordt betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd voor het niet verstrekken van informatie of het niet in persoon verschijnen.
Artikel 2.48 Anderen op wie verplichtingen ook rusten
De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 tot en met 2.47 Wet BRP, rusten op:
a.ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar;
b.ouders, voogden en verzorgers voor inwonende minderjarigen van 16 jaar of ouder, tenzij de minderjarige zelf de verplichting vervult;
c.curatoren voor onder curatele gestelden.
In artikel 2.48 Wet BRP staan de personen genoemd, op wie de verplichting van het doen van aangifte rust, namens minderjarigen en onder curatele gestelden. Aan de in dit artikel genoemde personen kan de bestuurlijke boete opgelegd worden, als ze geen aangifte doen van de adreswijziging namens personen, die ze vertegenwoordigen.
Ten aanzien van de aangifte van adreswijziging van een kind zijn er meerdere personen, die verplicht zijn om aangifte te doen voor het kind. Als er meerdere personen zijn die verplicht zijn tot aangifte, moet bepaald worden op welke persoon in de betrokken situatie de verplichting van aangifte het meest rust. Dit zal/zullen in het algemeen de persoon/personen is/zijn bij wie het kind gaat wonen, dan wel de persoon/personen die verantwoordelijk is/zijn voor de opvoeding en verzorging van het kind.
Als er meerdere personen verplicht zijn tot het doen van aangifte, dan zijn ze ieder hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de bestuurlijke boete.
Ten aanzien van het opleggen van bestuurlijke boete op de personen, die in dit artikel worden genoemd, wordt als volgt gehandeld:
-Eén boete kan aan twee ouders gezamenlijk worden opgelegd. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk.
-Als het gaat om ouders van een minderjarig kind waarvoor aangifte gedaan moet worden, dan wordt de boete opgelegd aan de ouder bij wie het kind verblijft.
-Als het kind niet bij de ouders verblijft dan wordt de boete opgelegd aan de ouders of de voogd of de verzorger, een en ander afhankelijk van de situatie blijkens het dossier. Degene die het kind feitelijk dagelijks verzorgt komt hiervoor het meest in aanmerking.
Artikel 2.50 Instellingen of bedrijven verstrekken informatie over verblijvende personen op aanwijzing van het college van B&W
Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten.
Het college van B&W kan instellingen en/of bedrijven aanwijzen die deze verplichting opgelegd krijgen. In dat geval:
-vermeldt het college van B&W in die aanwijzing wanneer de informatie moet worden verstrekt en
-kan bij overtreding van die verplichting uiteindelijk een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Het college van B&W kan het beperken tot zogenaamde risico-adressen, zoals bijv. pensions of kamerverhuurbedrijven.
1.24. Overig
Artikel 2.44 Spontaan inlichtingen geven en geschriften overleggen over burgerlijke staat
De ingezetene brengt alle feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, zo spoedig mogelijk ter kennis aan het college van burgemeester en wethouders. Hij verstrekt aan het college, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.
Op grond van artikel 2.44 Wet BRP is de betrokkene verplicht om brondocumenten of inlichtingen te verstrekken of in persoon te verschijnen.
Een bestuurlijke boete voor deze overtreding zal in de regel samen gaan met artikel 2.46 Wet BRP. Als de burger iets niet spontaan doet en het college van B&W komt hier achter, dan zal zij de burger vragen dit alsnog te doen. Dit laatste valt dan direct onder de werking van artikel 2.46 Wet BRP. Er wordt geen dubbele boete (zowel voor 2.44 Wet BRP als voor 2.46 Wet BRP) opgelegd.
Artikel 2.46 Op verzoek inlichtingen geven en geschriften overleggen over burgerlijke staat/in persoon verschijnen
De ingezetene verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.
Het verzoek zal vaak worden gedaan bij de aangifte van verblijf en adres. Als de burger dan verklaart welke gegevens er bij zijn burgerlijke staat horen en hij niet direct de noodzakelijke brondocumenten kan overleggen, zal het college van B&W hem verzoeken daar alsnog binnen een redelijke termijn mee te komen. Die termijn kan uiteenlopen afhankelijk van hoeveel tijd het naar verwachting kost om de documenten te verkrijgen. Het kan verschil uitmaken uit welk land documenten afkomstig zijn.
Indien het college iemand oproept om te verschijnen wordt in de oproep de datum of termijn genoemd. Bij niet verschijnen op datum of overschrijding termijn wordt een tweede oproep gedaan. Wanneer deze weer niet wordt nagekomen dan wordt de bestuurlijke boete opgelegd.
Het kan voorkomen dat de oproep wordt gedaan op basis van een lopend onderzoek dat ook als zodanig is terug te vinden op de persoonslijst. De betreffende gegevens staan dan in onderzoek. Indien tijdens het onderzoek de burger verhuist naar een andere gemeente, luidt het advies aan de vertrekgemeente om dan het onderzoeksdossier spontaan aan de volgende bijhoudingsgemeente toe te sturen.
-Wanneer er geen gegevens op de persoonslijst in onderzoek staan, dan wordt het dossier toe gestuurd aan de volgende bijhoudingsgemeente. Voorbeeld: de burger heeft bij zijn aangifte van verblijf en adres verklaard gehuwd te zijn maar had daar geen document van bij zich. Hij krijgt van het college van B&W de verplichting opgelegd alsnog binnen een termijn te komen met het brondocument. Wanneer de burger binnen die termijn verhuist naar een andere gemeente, dan zal die volgende bijhoudingsgemeente het proces kunnen oppakken aan de hand van het toegestuurde dossier.
-Indien de vorige bijhoudingsgemeente al gedreigd had met een bestuurlijke boete, dan geeft de volgende bijhoudingsgemeente zelf ook eerst een waarschuwing af alvorens de bestuurlijke boete op te leggen.
Artikel 2.51 Inlichtingen en geschriften overleggen over een overlijden van een familielid
De echtgenoot, de geregistreerde partner en andere nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, verstrekken op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, aan het college, voor zover mogelijk, de inlichtingen over dat overlijden en overleggen de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.
Artikel 2.52 Identificatieplicht bij in persoon verschijnen
1Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, overlegt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
2De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en overleggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid.
Bij de weigering om een ID-bewijs te overleggen kan de bestuurlijke boete worden opgelegd.
Indien duidelijk is dat een burger ID-fraude pleegt (hij zich bewust voor een ander uitgeeft, bijvoorbeeld in het kader van een aangifte, als bedoeld in de Wet BRP), dan luidt het advies niet de weg van de bestuurlijke boete te nemen, maar hiervan aangifte te doen bij de politie. Het sanctioneren van ID-fraude past beter in het strafrecht.
1.25. De gelegenheidsgever
Onder gelegenheidsgever kan worden verstaan: degene die bewust verklaart of toelaat dat een persoon zich op zijn adres als wonend laat inschrijven zonder de intentie daar feitelijk te gaan wonen. Deze situatie moet bij beiden bekend zijn.
Verwijtbaar gedrag
Daarnaast moet het wel gaan om verwijtbaar gedrag. Hierover zegt de nota naar aanleiding van het verslag inzake de Wet basisregistratie personen (TK 6) het volgende:
Voorts wordt het geven van de gelegenheid voor het onjuist opgeven van een woonadres als een aparte overtreding in het wetsvoorstel opgenomen. Het artikel beoogt om een sanctie mogelijk te maken in die gevallen waarin een ingezetene weet dat zijn woonadres door een ander wordt misbruikt, in die zin dat die ander ook met dat woonadres in ingeschreven (bijvoorbeeld omdat die ander daar voordeel bij heeft in verband met uitkering of studie), terwijl hij ook weet dat die ander daar niet woont. Voorwaarde is wel dat de betrokkenen dit bewust toelaat, hij moet op enigerlei wijze met die situatie hebben ingestemd. Voorkomen moet immers worden dat iemand die post op zijn woonadres ontvangt voor iemand (al dan niet bij hem bekend) die niet op zijn adres woont met een bestuurlijke boete wordt geconfronteerd, enkel en alleen omdat hij geen actie heeft ondernomen, bijvoorbeeld de gemeente heeft ingelicht. De betreffende burger kan ook uit het enkele feit dat post voor iemand die niet op dat adres woont wordt ontvangen, niet afleiden of die persoon ook met dat woonadres in de basisregistratie in ingeschreven.
Bewust gelegenheid geven
De gelegenheidsgever moet zich bewust zijn dat hij de gelegenheid geeft aan iemand om zich in te schrijven op een adres als woonadres, terwijl hij er feitelijk niet woont. Het kan zijn het ondertekend hebben van een verklaring, waarin staat dat iemand woont of gaat wonen op zijn adres. Vervolgens kan uit het geheel van omstandigheden afgeleid worden in hoeverre hij de gelegenheid heeft gegeven dat betrokkene zich kon inschrijven op een adres, waar hij feitelijk niet woonde.
Ten eerste is het bewijs dat betrokkene feitelijk ergens anders heeft gewoond van belang. Dit kan afgeleid worden uit bewijsstukken die aan betrokkene tijdens een adresonderzoek worden gevraagd, zoals bankafschriften, persoonlijke poststukken, loon en uitkeringsstroken, abonnementen. Daarnaast kan het ter plaatse geconstateerd zijn. Het kan ook uit een terugmelding van een bestuursorgaan afgeleid worden. Ook kan het afgeleid worden uit verklaringen van betrokkene, degene die de verklaring inwoning aflegde of anderen.
Ten tweede is het van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de situatie dat betrokkene er niet woont al bestond toen de verklaring inwoning werd gegeven of dat betrokkene er eerst heeft gewoond en later weg is gegaan. In het eerste geval moet er altijd nagegaan worden of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan het aannemelijk is dat bewust de gelegenheid is gegeven. In het laatste geval zal eerst vastgesteld moeten worden hoe lang de periode is dat betrokkene niet meer woont op het adres en of degene die de verklaring inwoning aflegde heeft gemeld dat betrokkene niet langer op dit adres woont. Als de periode al een aantal maanden of langer voortduurt en de degene die de verklaring inwoning aflegde heeft de situatie laten voortbestaan, moet bepaald worden of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan het aannemelijk is dat er bewust gelegenheid is gegeven.
Ten derde moet bepaald worden of er andere omstandigheden die aanleiding zijn voor het feit dat iemand bewust gelegenheid heeft gegeven voor een onjuiste inschrijving op het adres. Hierbij kunnen een aantal omstandigheden een rol spelen, waaronder:
-De relationele- of familieband tussen betrokkene en de degene die de verklaring inwoning aflegde. Hoe beter het contact of beter de familieband, des te aannemelijker is het dat degene die de verklaring inwoning aflegde weet waar betrokkene feitelijk woont;
-De feitelijke afspraken over het doorsturen of afhalen van de post;
-De feitelijke woonsituatie op het adres van de toestemmingsgever, zoals de oppervlakte en indeling van de woning, het aantal kamers, het aantal personen, de gestelde verblijfplaats van betrokkene, de aanwezigheid van een slaapplaats of persoonlijke spullen van betrokkene.
Als de gelegenheidsgever stelt dat het wél de bedoeling was geweest voor de ander om op zijn adres te komen wonen, maar dat dit door omstandigheden niet door is gegaan, zal aan de hand van het bovenstaande beoordeeld moeten worden of dit aannemelijk is. Als dit aannemelijk is, kan de bestuurlijke boete niet worden opgelegd. Als dit niet aannemelijk is, dan kan de bestuurlijke boete wel opgelegd worden. Overigens kan de gelegenheidsgever vrijgesteld worden van de boete, wanneer hij alsnog informatie over het adres van de burger geeft.
Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders op 29 maart 2016
Bijlagen
Stappenplan
De mogelijkheid van een bestuurlijke boete wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat de burger zijn verplichtingen zoals deze in de Wet BRP zijn genoemd nakomt. Voordat een bestuurlijke boete wordt opgelegd, waarschuwt het college van B&W de burger eerst over de mogelijkheid dat de bestuurlijke boete kan worden opgelegd, als hij niet aan zijn verplichting voldoet.
Het kan gaan om het niet voldoen aan verplichtingen die te maken hebben met aangiften van vestiging (verblijf en adres), adreswijziging of vertrek, het overleggen van documenten waaraan gegevens over de identiteit, de burgerlijke staat en nationaliteit moeten worden ontleend, de verplichting om in persoon te verschijnen of het verstrekken informatie.
Hieronder zijn de stappen beschreven in het proces dat leidt naar het opleggen van de bestuurlijke boete en het opleggen zelf.
De gemeente constateert dat de burger mogelijk een verplichting in de zin van de Wet BRP overtreedt, waarvoor de bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
De gemeente stuurt aan de burger een brief waarin wordt gewezen op zijn verplichting. In de brief is opgenomen:
de termijn waarbinnen alsnog de verplichting moet zijn vervuld;
een clausule, die vermeldt dat als de burger niet aan de verplichting voldoet, hem een bestuurlijke boete kan worden/wordt opgelegd.
Als de gemeente tijdens een gesprek ter plaatse of in persoon aan de balie of tijdens een telefoongesprek van de burger hoort dat hij niet aan de verplichting wil voldoen, dan kan er ook een boeterapport opgesteld worden.
De burger voldoet niet binnen de gestelde termijn aan de verplichting.
Gaat het om een verplichting op het terrein van aangifte van vestiging, adreswijziging of vertrek. Ga verder naar stap 5.
Gaat het om een de verplichting tot het overleggen van documenten waaraan gegevens over de identiteit, de burgerlijke staat en nationaliteit moeten worden ontleend, de verplichting om in persoon te verschijnen of het verstrekken informatie. Ga verder naar stap 9.
Er is een onderzoekdossier waaruit blijkt wat de aanleiding is van het onderzoek en welke stappen in dit onderzoek gezet zijn. De brief waarbij de burger gewezen wordt op zijn verplichting met vermelding van de bestuurlijke boete (zie stap 2) maakt deel uit van/ is terug te vinden in dit dossier.
Het college van B&W stuurt een voornemen dat er een ambtshalve beslissing genomen wordt over het opnemen van persoonsgegevens wanneer de burger niet alsnog binnen in deze brief gestelde termijn de verplichting vervult.
In het voornemen is een clausule opgenomen dat de bestuurlijke boete wordt opgelegd bij gelegenheid van die ambtshalve beslissing.
De burger reageert niet op de voornemenbrief en doet geen aangifte.
Het college van B&W stuurt de burger twee besluiten.
Het besluit tot ambtshalve opname van persoonsgegevens i.v.m. de vestiging, adreswijziging of vertrek.
Het besluit tot het opleggen van de bestuurlijke boete.
Elk besluit is gemotiveerd en tevens is vermeld dat er bezwaar gemaakt kan worden op grond van art.7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze twee besluiten worden in twee afzonderlijke brieven meegedeeld. Een eventueel bezwaar richt de burger aan het college van B&W van de gemeente. Hij moet het bezwaar binnen 6 weken na verzending van het besluit indienen bij het college van B&W.
Na een (eventueel herhaalde) oproep om documenten te overleggen, in persoon te verschijnen of om informatie te geven, heeft de burger niet gereageerd.
Het college van B&W stuurt de burger een brief waarin het besluit wordt meegedeeld dat aan de burger een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Het besluit is gemotiveerd en tevens is vermeld dat er tegen het besluit bezwaar gemaakt kan worden op grond van artikel 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar richt de burger aan het college van B&W van de gemeente. Hij moet het bezwaar binnen 6 weken na verzending van het besluit indienen bij het college van B&W.
11Na een afwijzende beslissing op bezwaar kan de burger binnen 6 weken beroep in dienen bij de sector Bestuursrecht van de rechtbank in het arrondissement van de gemeente.
12De inning van de boete wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken dan wel wanneer er over het bezwaar of eventueel beroep is besloten en de bezwaar- en beroepstermijn is verstreken.
13Als geen bezwaar of beroep meer open staat, vervolgt de gemeente de inningsprocedure.
Bijlage 2 Casuïstiek
Ambtshalve vertrek naar onbekend land (VOW)
1.Bij een huisbezoek wordt door de bewoners (vrouw, man, 1 kind) gezegd dat de huiseigenaar, die ook op dat adres staat ingeschreven, er feitelijk niet woont, maar alleen langskomt voor de post en de huur. Het huis wordt bekeken en er wordt vastgesteld dat er alleen een tweepersoonsbed in de ene slaapkamer staat en een kinderbed in de andere. Er worden geen persoonlijke spullen van de huiseigenaar gezien. Er wordt een huurcontract voor het hele huis getoond.
Op de vraag of zij weten waar de eigenaar dan wel woont, wordt geantwoord dat hij bij zijn vriendin (naam weten ze niet) woont, maar het adres is onbekend.
Een verzonden verzoek om informatie (uiteraard naar het BRP-adres, een ander is immers niet bekend) levert geen contact op met betrokkene. In dit verzoek is gewaarschuwd voor een bestuurlijke boete indien betrokkene hieraan geen gehoor geeft.
Er wordt nu een brief gestuurd waarin hij op grond van art. 2.47 Wet BRP opgeroepen wordt om te verschijnen en aangifte van verhuizing te doen. Ook wordt wederom meegedeeld dat er bij in gebreke blijven een boete kan worden opgelegd.
Tevens wordt een voornemen verstuurd waarin de mededeling is opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders voornemens is gegevens over het vertrek van betrokkene naar een onbekend land op te nemen, als hij geen aangifte doet. Betrokkene reageert niet meer. Hem kan nu een boete worden opgelegd: de standaard boete.
2.Een deurwaarder stelt vast dat er op een bepaald adres geen betekening kan plaatsvinden en vraagt het college van B&W een adresonderzoek in te stellen.
Er worden achtereenvolgens een verzoek om informatie, een voornemen (ambtshalve vertrek naar een onbekend land) verzonden. Bij een huisbezoek is gebleken dat de brievenbus overvol is.
Er wordt ook een oproep om op grond van art. 2.47 Wet BRP te verschijnen verzonden. Op geen enkele brief wordt gereageerd. Nog voor het tot een besluit tot een ambtshalve verzoek is komen, reageert een familielid van betrokkene als gemachtigde. Deze vertelt dat betrokkene tijdens een korte vakantie in het buitenland psychische problemen heeft gekregen en daar langdurig opgenomen is. Hier is geen sprake van (ernstige) verwijtbaarheid, dus wordt geen boete opgelegd.
3.Een burger is blijkens zijn persoonslijst de afgelopen tien jaar drie maal ambtshalve vertrokken naar een onbekend land. Nu is er weer een adresonderzoek naar hem gestart en wordt de eerste stap (oproep, waarschuwing) in het opleggen van een bestuurlijke boete gezet.
Als uit de dossiers blijkt dat de eerdere opschortingen reden zijn voor vermoeden van opzet of grove nalatigheid, kan overwogen worden hem een maximale boete op te leggen wegens recidive.
Verplichting opgelegd tot overleggen geboorteakte uit het buitenland
1Een Poolse man doet aangifte van zijn vestiging in Nederland bij het loket van zijn woongemeente. Hij overlegt een Pools paspoort. Een geboorteakte kan hij op dat moment niet overleggen. Het college van B&W deelt hem mee dat hij een officieel afschrift van zijn geboorteakte binnen twee maanden dient te overleggen. Hij ontvangt hiervan een formeel verzoek op schrift. Ook wordt hem meegedeeld dat bij het niet tijdig voldoen aan dit verzoek, hij een bestuurlijke boete opgelegd kan krijgen. Ook is dit vermeld in het formele verzoek. Na twee maanden is hij nog steeds niet gekomen met zijn geboorteakte. Het college van B&W stuurt hem een rappel waarin wederom gewaarschuwd wordt voor een bestuurlijke boete. De termijn is gesteld op één maand. Nadat ook deze periode voorbij is en hij nog steeds niet zijn verplichting heeft vervuld, legt de het college van burgemeester en wethouders hem een bestuurlijke boete op van € 240,--.
2Er wordt een kind geboren. De Marokkaanse vader doet aangifte van geboorte en overlegt hierbij een kopie van de Marokkaanse huwelijksakte. In de BRP is dat huwelijk niet opgenomen. Er wordt een geboorteakte opgemaakt, waarbij wordt uitgegaan van een bestaand huwelijk van de ouders. Het college van B&W deelt hem mee dat hij binnen twee maanden een originele huwelijksakte en een beëdigde Nederlandse vertaling moet overleggen. Hij ontvangt hiervan een formeel schriftelijk verzoek. Ook wordt hem meegedeeld dat bij het niet tijdig voldoen aan dit verzoek, hij een bestuurlijke boete opgelegd kan krijgen. Ook is dit vermeld in het formele verzoek. Na twee maanden is hij nog steeds niet gekomen met de gevraagde huwelijksakteakte. Het college van B&W stuurt hem een rappel waarin wederom gewaarschuwd wordt voor een bestuurlijke boete. De termijn is gesteld op één maand. Nadat ook deze periode voorbij is en hij nog steeds niet zijn verplichting heeft vervuld, legt de het college van burgemeester en wethouders hem een bestuurlijke boete op van € 240,--.
Gelegenheidsgever
1.A wordt op 15 september 2013 18 jaar. Op 1 september dient hij bij de afdeling Balie en Ontvangst een aangifte van verhuizing in van het adres van zijn ouders naar een ander adres in de gemeente Eindhoven. Bij de aangifte overlegt hij een verklaring inwoning, ondertekend door B. In de verklaring inwoning is opgenomen, dat A daadwerkelijk bij B inwoont/ gaat inwonen en dat, mocht de inwoning van A niet plaatsvinden of worden beëindigd, B dit direct bij de gemeente meldt. Naar aanleiding van de aangifte wordt A aan het adres van B in de BRP ingeschreven.
Na een risicoanalyse wordt door de sociale recherche op verzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in januari 2014 een adresonderzoek ingesteld. Uit het onderzoek blijkt, dat A zich bij zijn oom B heeft laten registreren, maar dat hij nog steeds aan het adres van zijn ouders woont. Geconfronteerd met de onderzoeksresultaten, geven zowel A als diens ouders als B toe, dat sprake is geweest van een fictieve aangifte van verhuizing. Als reden wordt opgegeven het financiële verschil tussen de in- en uitwonende beurs. B bekent, dat hij op verzoek van diens ouders heeft verklaard, dat A bij hem inwoonde en bewust heeft verzwegen, dat dit niet het geval was.
Het college van B&W besluit om A per 1 februari 2014 ambtshalve weer in te schrijven aan het adres van diens ouders. Het college van B&W besluit om A als dader een bestuurlijke boete op te leggen van € 325,--. B wordt, als gelegenheidsgever, eveneens een bestuurlijke boete opgelegd van € 325,--.
2.Wegens daar regelmatig geconstateerde onjuiste BRP-inschrijvingen en andere overtredingen wordt een specifiek adres opnieuw door toezichthouders van de gemeente bezocht. De aanleiding is het feit, dat het pand 7 kamers heeft en er 9 personen actueel zijn geregistreerd. Bij de pandcontrole blijkt dat, met huurcontracten van de pandeigenaar A, opnieuw 2 personen (B en C), in de BRP zijn geregistreerd, die er blijken niet te wonen. Desgevraagd geeft A toe, dat hij aan beide personen feitelijk geen kamer heeft verhuurd en dat hij niet weet, waar die wel verblijven. Hij geeft ook toe, dat het huurcontract fictief is opgesteld en alleen diende om beide personen aan het betreffende adres in de BRP te registreren. Hij bekent van beide personen elk € 100,- per maand te ontvangen voor de fictieve kamerverhuur.
Het college van B&W besluit om een adresonderzoek naar B en C in te stellen. Afhankelijk van de resultaten van het adresonderzoek dient nader te worden bepaald of aan B en C een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Briefadres
Art. 2.40 Wet BRP kiezen briefadres en mededeling doen van mogelijkheid door hoofd instelling
In de gemeente X staat een penitentiaire instelling. Gemeente X heeft middels een brief de instelling gewezen op de verplichting zoals genoemd in artikel 2.40, lid 5 Wet BRP. Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.
A.is opgenomen in de instelling. Hij staat nog ingeschreven op een woonadres in de gemeente X. Zijn adres staat in onderzoek. Tijdens het adresonderzoek krijgt het college van B&W het signaal dat A in de instelling verblijft. Gemeente X vraagt de instelling of de informatie klopt en zo ja, of de instelling dan A op de mogelijkheid van een briefadres wil wijzen. De instelling bevestigt dat A in de instelling verblijft, maar laat na om A op de mogelijkheid van een briefadres te wijzen. Gemeente X legt de instelling een bestuurlijke boete op van € 325,--.