Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels kwijtschelding gemeente Arnhem Cluster Werk & Inkomen 2020

Gemeente Arnhem · geldt sinds 1 juli 2024

Aanhef

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem heeft, gelet op de hem toebedeelde bevoegdheid in:

-artikel 18a, dertiende en veertiende lid, en artikel 58, zevende lid, van de Participatiewet;

-artikel 20a, twaalfde en dertiende lid, en artikel 25, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

-artikel 20a, twaalfde en dertiende lid, en artikel 25, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

in zijn vergadering gehouden op 10 december 2019 besloten om de volgende beleidsregels te hanteren met betrekking tot terug- en invordering op grond van bovengenoemde wetten.

Artikel 1 Begripsbepalingen

1In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a.betalingsregeling: een regeling waarbij met toestemming van de gemeente Arnhem een vordering gespreid betaald wordt in maandelijkse termijnen;

b.debiteur: de persoon waarop de gemeente Arnhem een vordering heeft;

c.terugvorderingsbesluit: de beschikking van de gemeente tot terugvordering van een vordering;

d.vereenvoudigd derdenbeslag: het door de gemeente gelegde beslag op inkomsten bij de werkgever of uitkeringsinstantie van de debiteur;

e.verrekenen: inhouding op de uitkering als bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Participatiewet;

f.vordering: de aanspraak op betaling van de gemeente Arnhem op de debiteur.

2Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Reikwijdte

1Deze beleidsregels zijn van toepassing op vorderingen van te veel of ten onrechte verstrekte uitkeringen en/of verstrekte leenbijstanden in het kader van de Participatiewet, alsmede de IOAW, IOAZ, BBZ 2004 met betrekking tot levensonderhoud, met uitzondering van vorderingen van (loonkosten)subsidies.

2De vorderingen als bedoeld in het eerste lid, sub b, kunnen ook hun wettelijke grondslag hebben in de TOZO (met betrekking tot levensonderhoud), WMO (met uitzondering van WMO 2015), WWIK, WIK, RWW, WWV, ROA, WGZ, WI of WIN.

Artikel 3 Kwijtschelding

1Een vordering leenbijstand of een onverschuldigde betaling als bedoeld in artikel 58, tweede lid, sub a tot en met e Participatiewet kan 36 maanden na de datum van het terugvorderingsbesluit kwijtgescholden worden, wanneer op deze vordering gedurende 36 maanden onafgebroken overeenkomstig de afgesproken betalingsregeling of via verrekening is afgelost.

2Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan tevens na maximaal 42 maanden na de datum van het terugvorderingsbesluit kwijtgescholden worden, wanneer binnen deze 42 maanden 36 maandelijkse aflossingen, overeenkomstig de afgesproken betalingsregeling of via verrekening zijn voldaan.

3Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan ter finale kwijting afgekocht worden indien een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer wordt afgelost.

4De mogelijkheid tot kwijtschelding vervalt indien:

a.de debiteur niet meewerkt aan het tot stand komen van een minnelijke betalingsregeling;

b.ten behoeve van de vordering vereenvoudigd derdenbeslag wordt gelegd;

c.een dwangbevel is uitgevaardigd en executiemogelijkheden ontbreken;

d.de vordering wordt overgedragen aan een deurwaarder; of

e.er sprake is van een registratie in het niet-ingezetene register.

5De in het eerste en tweede lid genoemde kwijtscheldingstermijn kan worden opgeschort, indien er sprake is van een gehonoreerd verzoek om uitstel van betaling, een detentieperiode of een periode waarin de aflossing tijdelijk wordt opgeschort. De termijn van kwijtschelding wordt in die gevallen opgeschort met de duur van respectievelijk het uitstel van betaling, de detentieperiode of de opschorting.

Artikel 4 Oninbaar

1Een vordering die is ontstaan vóór 1 juli 2024 en waarvoor geen bestuurlijke boete in de zin van artikel 18a Participatiewet is opgelegd of waarvoor geen aangifte van fraude is gedaan bij het Openbaar Ministerie, kan oninbaar worden verklaard als 120 maanden na de datum van het terugvorderingsbesluit de vordering nog niet (geheel) is afgelost.

2Het eerste lid is niet van toepassing op krediethypotheken als bedoeld in artikel 50 Participatiewet, kredieten in het kader van de BBZ 2004 en de bijbehorende contractuele rente en vorderingen in het kader van verhaal van bijstand waarvoor een vonnis door de Rechtbank is afgegeven als bedoeld in artikel 62b Participatiewet.

3Een vordering die is ontstaan vóór 1 juli 2024 en waarbij tevens een bestuurlijke boete in de zin van artikel 18a Participatiewet is opgelegd of waarvoor aangifte van fraude is gedaan bij het Openbaar Ministerie, kan oninbaar worden verklaard als 240 maanden na de datum van het terugvorderingsbesluit de vordering nog niet (geheel) is afgelost.

4Het derde lid is niet van toepassing op krediethypotheken als bedoeld in artikel 50 Participatiewet en kredieten in het kader van de BBZ 2004 en de bijbehorende contractuele rente.

5Een vordering die is ontstaan ná 1 juli 2024 en die voortvloeit uit onverschuldigde betaling of leenbijstand (en waarvoor geen recht op kwijtschelding bestaat) of een schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 13, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, kan oninbaar worden verklaard als 120 maanden na de datum van het terugvorderingsbesluit de vordering nog niet (geheel) is afgelost.

6Een vordering als bedoeld in het eerste, derde of vijfde lid kan ter finale kwijting afgekocht worden indien een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer wordt afgelost.

7Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing op krediethypotheken als bedoeld in artikel 50 Participatiewet, kredieten in het kader van de BBZ 2004 en de bijbehorende contractuele rente en vorderingen in het kader van verhaal van bijstand waarvoor een vonnis door de Rechtbank is afgegeven als bedoeld in artikel 62b Participatiewet.

Artikel 5 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2020.

Artikel 6 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Kwijtscheldingsbeleid Cluster Werk & Inkomen 2020.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.