Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Wpbr

Huidige tekst

Artikel 7 Wpbr

Geldt sinds 4 juli 2013

  1. 1

    Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.

  2. 2

    Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.

  3. 3

    Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau, zonder vestiging in Nederland, aan welke een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, laat personen als bedoeld in het tweede lid, geen beveiligingsonderscheidenlijk recherchewerkzaamheden in Nederland verrichten, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.

  4. 4

    De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.

  5. 5

    De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

  6. 6

    De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid wordt verleend na de betaling van een vergoeding van kosten aan het Rijk of de politie. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels met betrekking tot de kostenvergoeding.

  7. 7

    Met de toestemming, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt gelijkgesteld een verklaring afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale toestemming wordt nagestreefd.

  8. 8

    Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een verzoek tot toestemming als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2019:1271Parket bij de Hoge Raad, 29 november 2019 (arbeidsrecht)

    Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Beëindiging arbeidsovereenkomst. Recht op transitievergoeding (art. 7:673 BW)? Is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer? HR 8 februari 2019…

  • ECLI:NL:RVS:2026:5322Raad van State, 9 september 2026 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 5 december 2024 heeft de korpschef vijf toestemmingen dat [wederpartij] werkzaamheden mag verrichten voor meerdere beveiligingsorganisaties en/of recherchebureaus in de regio…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:8747Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 september 2026 (bestuursrecht)

    Intrekking toestemming om als beveiliger te mogen werken. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De korpschef heeft onvoldoende gemotiveerd dat intrekking…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:11076Rechtbank Rotterdam, 4 september 2026 (bestuursstrafrecht)

    De korpschef heeft de ten behoeve van verzoeker verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken. In bezwaar heeft de korpschef dit besluit gehandhaafd. Verzoeker…

  • ECLI:NL:RBNHO:2026:11654Rechtbank Noord-Holland, 27 augustus 2026 (bestuursrecht)

    Vovo. Ontbreken spoedeisend belang (financiele situatie). Aanvraag tot het verkrijgen van een toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en…

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:5114Rechtbank Overijssel, 21 augustus 2026 (bestuursprocesrecht)

    Verzoek om voorlopige voorziening De korpschef heeft de toestemmingen op grond van artikel 7 lid 2 Wpbr ingetrokken. Voorlopige rechtmatigheidstoets. Motiveringsgebreken. Onvoldoende gemotiveerd…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:10357Rechtbank Rotterdam, 21 augustus 2026 (bestuursprocesrecht)

    Varia, vovo, Wpbr, intrekking toestemming werken als beveiliger, rijden onder invloed

  • ECLI:NL:RVS:2026:4604Raad van State, 5 augustus 2026 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de korpschef van politie de toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, ingetrokken. [appellant] werkt 35 jaar als…

354 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.