Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017

Huidige tekst

Artikel 41 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017

Geldt sinds 1 mei 2018

  1. 1

    De diensten zijn bevoegd tot de inzet van natuurlijke personen, al dan niet onder dekmantel van een aangenomen identiteit of hoedanigheid, die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn belast met het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn. De bij of krachtens de wet geldende voorschriften betreffende de verstrekking van gegevens, die gelden voor een natuurlijke persoon als bedoeld in de eerste volzin zijn niet van toepassing op de verstrekking van zodanige gegevens door deze persoon aan de dienst.

  2. 2

    De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is slechts toegestaan, indien Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van een dienst daarvoor toestemming heeft verleend. Het hoofd van een dienst kan aan hem ondergeschikte ambtenaren bij schriftelijk besluit aanwijzen die de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, namens hem verlenen. Onze betrokken Minister wordt een afschrift van het besluit, bedoeld in de tweede volzin, gezonden.

  3. 3

    Onze betrokken Minister kan daarvoor in aanmerking komende bestuursorganen schriftelijk opdragen die medewerking te verlenen die noodzakelijk is om een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste lid van een aan te nemen identiteit te voorzien. De voor het bestuursorgaan geldende wettelijke voorschriften ter zake van deze verlangde werkzaamheden, blijven voor zover deze in de weg staan aan het verrichten van die werkzaamheden buiten toepassing.

  4. 4

    De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, kan bij instructie van de dienst tevens worden belast met het verrichten van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd. Een instructie als bedoeld in de eerste volzin wordt slechts gegeven, indien een goede taakuitvoering van de dienst dan wel de veiligheid van de betrokken natuurlijke persoon daartoe noodzaakt.

  5. 5

    De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, mag bij de uitvoering van de instructie door zijn optreden een persoon niet brengen tot ander handelen betreffende het beramen of plegen van strafbare feiten, dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

  6. 6

    Bij de instructie, bedoeld in het vierde lid, wordt aan de desbetreffende persoon aangegeven: a.onder welke omstandigheden deze ter uitvoering van de instructie handelingen mag verrichten die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd; b.de wijze waarop aan de instructie uitvoering dient te worden gegeven, waaronder begrepen de aard van de handelingen, die door de desbetreffende persoon daarbij zullen mogen worden verricht, voor zover deze bij het geven van de instructie zijn te voorzien.

  7. 7

    De instructie aan de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk vastgelegd.

  8. 8

    De toestemming voor de inzet van een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor een periode van ten hoogste een jaar en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd voor eenzelfde periode.

  9. 9

    Gegevens die betrekking hebben op dan wel kunnen leiden tot de vaststelling van de identiteit van een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste lid worden 30 jaar nadat de inzet van de desbetreffende natuurlijke persoon is beëindigd, vernietigd.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2024:814Hoge Raad, 11 juni 2024 (strafrecht)

    Medeplegen voorbereiding moord (art. 289 Sr) en voorbereiding van opzettelijke brandstichting en/of ontploffing teweegbrengen begaan met terroristisch oogmerk (art. 157 jo. art. 176a Sr), deelneming…

  • ECLI:NL:PHR:2024:307Parket bij de Hoge Raad, 19 maart 2024 (strafrecht)

    Conclusie AG. (Eendaadse samenloop) medeplegen voorbereiding moord (art. 289 Sr) en opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen met terroristisch oogmerk (art. 157 Sr jo art. 176a Sr)…

  • ECLI:NL:PHR:2024:308Parket bij de Hoge Raad, 19 maart 2024 (strafrecht)

    Conclusie AG. (Eendaadse samenloop) medeplegen voorbereiding moord (art. 289 Sr) en opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen met terroristisch oogmerk (art. 157 Sr jo art. 176a Sr)…

  • ECLI:NL:PHR:2024:309Parket bij de Hoge Raad, 19 maart 2024 (strafrecht)

    Conclusie AG. (Voortgezette handeling van) medeplichtigheid tot medeplegen van voorbereiding van moord (art. 289 Sr) en opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen met terroristisch…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.