Wet inburgering 2021

Huidige tekst

Artikel 3 Wet inburgering 2021

Geldt sinds 1 januari 2022

Inburgeringsplichtig 1 Inburgeringsplichtig is de vreemdeling, die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet 2000, die 16 jaar of ouder is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, en: a.anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft; of b.geestelijke bedienaar is. 2 In afwijking van het eerste lid is niet inburgeringsplichtig: a.de persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; b.het familielid van de persoon, bedoeld in onderdeel a, dat onderdaan is van een derde staat en dat uit hoofde van richtlijn 2004/38/EG, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gerechtigd is Nederland binnen te komen en er te verblijven; c.de vreemdeling die ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16), gewijzigd door richtlijn 2011/51 /EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132) te verkrijgen; d.de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht kan worden opgelegd. 3 De inburgeringsplicht ontstaat niet met terugwerkende kracht. 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:7106Rechtbank Gelderland, 17 september 2026 (bestuursprocesrecht)

    Wet inburgering 2021. Artikel 6 Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije. Beroep gegrond. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het declaratoir verblijfsrecht van eiser.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:6147Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 juli 2026 (bestuursrecht)

    Beroep ongegrond. Bestreden besluit is voldoende zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. Eiser is terecht inburgeringsplichtig geacht.

  • ECLI:NL:RBAMS:2025:6386Rechtbank Amsterdam, 1 september 2025 (bestuursprocesrecht)

    Inburgeringsplicht voor Turkse onderdanen in Nederland. Omdat eiseres haar aanvraag vanuit Turkije vóór 1 januari 2022 had ingedied, was zij in eerste instantie vrijgesteld van de inburgringsplicht…

  • ECLI:NL:RVS:2025:2935Raad van State, 1 juli 2025 (vreemdelingenrecht)

    Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

  • ECLI:NL:RVS:2025:2628Raad van State, 11 juni 2025 (vreemdelingenrecht)

    Bij besluit van 2 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. In deze uitspraak is de…

  • ECLI:NL:RBDHA:2024:13381Rechtbank Den Haag, 15 juli 2024 (vreemdelingenrecht)

    het inburgeringsvereiste is in strijd met artikel 14 van het EVRM en artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:2760Rechtbank Amsterdam, 15 mei 2024 (bestuursrecht)

    Vrijstelling van de inburgeringsplicht voor Turkse onderdaan. Kennelijk niet-ontvankelijk volgens DUO. Is er sprake van een besluit? Aangezien het niet redelijkerwijs zonder twijfel vaststaat dat de…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.