Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen

Huidige tekst

Artikel XIV Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen

Geldt sinds 5 juni 1925

De schepen en vaartuigen van een der verdragsluitende Partijen, die een haven van de andere Partij binnenloopen met het eenige doel om hunne lading aan te vullen of een gedeelte daarvan te lossen, zullen met inachtneming van de wetten en reglementen van den betrokken staat, dat deel hunner lading, hetwelk bestemd mocht zijn voor een andere haven en voor een ander land, aan boord kunnen houden en weder uitvoeren, zonder gehouden te zijn daarvoor eenig recht of eenige kosten te betalen, met uitzondering van de rechten voor toezicht, welke overigens slechts zullen mogen worden geheven volgens het laagste tarief, vastgesteld voor de nationale scheepvaart of voor die van de meestbegunstigde natie.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.