Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen

Huidige tekst

Artikel VIII Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen

Geldt sinds 5 juni 1925

VIII Betreffende de artt. XI — XVII. 1 De ondernemingen tot het vervoer van landverhuizers, in een der beide landen toegelaten, zullen op het grondgebied van het andere land dezelfde rechten, voorrechten, vrijdommen en uitzonderingsbepalingen genieten als de gelijksoortige ondernemingen van de meestbegunstigde natie. Intusschen is wel verstaan, dat geen der verdragsluitende Partijen zich op het beginsel van de meestbegunstigde natie zal kunnen beroepen om aanspraak te maken op de aanwijzing in de concessie-overeenkomst van een bepaalde haven voor de inscheping der emigranten. 2 Ten aanzien van de kustvaart ter zee en in de mondingen der rivieren kennen de Hooge Verdragsluitende Partijen elkander wederkeerig de behandeling der meestbegunstigde natie toe, doch de Nederlandsche Regeering behoudt zich het recht van kustvaart in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao voor. 3 Het is wel verstaan, dat de bepalingen, vervat in artikel XVI, in niets afbreuk doen aan de internationale overeenkomsten, betreffende het reddingwezen en de hulpverleening ter zee.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.