Huidige tekst
Artikel 13 Verdrag tussen de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van de Italiaanse Republiek tot oprichting van een Gezamenlijke Organisatie voor Samenwerking op Defensie-mate
- 1
De vertegenwoordigers van de lidstaten genieten, in de uitoefening van hun functie en tijdens hun reizen naar en van de plaatsen waar vergaderingen plaatsvinden, de volgende voorrechten en immuniteiten: a.immuniteit van arrestatie of detentie en van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage; b.immuniteit van enigerlei rechtsvervolging, zelfs na beëindiging van hun missie, met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen in de uitoefening van hun functie verrichte handelingen; deze immuniteit geldt evenwel niet in geval van een verkeersovertreding met een motorvoertuig begaan door een vertegenwoordiger van een lidstaat, of in geval van schade veroorzaakt door een aan hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig; c onschendbaarheid van al hun officiële stukken en documenten; d. het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per koerier of in verzegelde tassen; e. vrijstelling met betrekking tot henzelf, hun echtgenoten, en de hun ten laste komende kinderen, van inreisbeperkingen en registratieverplichtingen voor vreemdelingen; f. dezelfde faciliteiten met betrekking tot valuta- en wisselbeperkingen als die welke worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen bij tijdelijke officiële zendingen; g. dezelfde douanefaciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke bagage als die welke worden toegekend aan diplomaten.
- 2
De voorrechten en immuniteiten worden niet aan de vertegenwoordigers van de lidstaten toegekend ten behoeve van hun persoonlijk voordeel, maar om ervoor zorg te dragen dat zij hun functie bij de OCCAR in volledige onafhankelijkheid kunnen vervullen. Dientengevolge is een lidstaat verplicht afstand te doen van de immuniteit van een vertegenwoordiger in alle gevallen waarin de handhaving hiervan de rechtsgang zou belemmeren, mits van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan het doel waarvoor zij werd toegekend.